Rb: vordering wegens mishandeling afgewezen, niet voldaan aan waarheidsplicht van art  21 Rv

Samenvatting:

Mishandeling. Gedaagde heeft erkend dat hij eiseres heeft geslagen. De kantonrechter stelt vast dat de dagvaarding uiterst summier is. Art. 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Deze verplichting is eiseres niet nagekomen. De kantonrechter overweegt dat de vordering ook overigens voor afwijzing gereed omdat de schade onvoldoende is onderbouwd

 

 

 

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:1316&showbutton=true

 

ECLI:NL:RBLIM:2021:1316

 

Instantie

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak

10-02-2021

Datum publicatie

17-02-2021

Zaaknummer

8511489 CV EXPL 20-2110

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Schadevergoedingsvordering na mishandeling. Vordering afgewezen o.g.v. art. 21 Rv en vanwege onvoldoende onderbouwde stellingen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

 

Burgerlijk recht

 

Zittingsplaats Maastricht

 

Zaaknummer: 8511489 CV EXPL 20-2110

 

Vonnis van de kantonrechter van 10 februari 2021

 

in de zaak van:

 

[eisende partij] ,

 

wonend te [woonplaats 1] ,

 

eisende partij,

 

gemachtigde mr. R.G.P. Voragen,

 

tegen:

 

[gedaagde partij] ,

 

wonend te [woonplaats 2] ,

 

gedaagde partij,

 

gemachtigde mr. M. van Riet.

 

Partijen zullen hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

het exploot van de dagvaarding van 7 mei 2020

 

de conclusie van antwoord

 

de brief waarin aan partijen is meegedeeld dat de kantonrechter een mondelinge behandeling heeft gelast

 

de bij e-mails van 19 oktober 2020 door mr. Voragen ingediende producties 1 en 2

 

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 2 december 2020.

 

1.2.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

 

[gedaagde partij] heeft van 2016 tot 2020 een affectieve relatie gehad met dhr. [naam] (hierna: [naam] ), en zij en haar kinderen hebben bij hem ingewoond. Voordat [naam] een relatie kreeg met [gedaagde partij] is hij eens op date geweest met [eisende partij] .

2.2.

 

Op 18 april 2017 is [eisende partij] naar de woning van [naam] gegaan. [gedaagde partij] heeft haar toen een klap gegeven. Op 29 januari 2019 heeft de officier van justitie meegedeeld dat [gedaagde partij] niet vervolgd zal worden omdat [eisende partij] ook schuld had aan de gebeurtenis. Bij brief van 12 februari 2019 heeft [eisende partij] een klaagschrift ingediend bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch met het verzoek de vervolging te bevelen. In de beschikking van het Gerechtshof van 22 oktober 2019 staat onder meer het volgende:

 

‘II. De feiten en omstandigheden voor zover relevant voor beoordeling van de klacht

 

De aangifte d.d. 18 april 2017

 

Klaagster [ktr: [eisende partij] ] heeft verklaard dat zij sinds december 2015 contact heeft met de heer [naam] (hierna: [naam] ), die zij heeft leren kennen via een datingsite. Klaagster kreeg geen respons op haar sms’jes en is op 12 april 2017 rond 9:15 naar het huis van [naam] gegaan om verhaal te halen. Daar stond een auto geparkeerd, waarin beklaagde [ktr: [gedaagde partij] ] zat.

 

Naderhand bleek dat beklaagde reeds negen maanden een relatie met [naam] had. Klaagster liep naar de auto toe en zei tegen beklaagde dat ze [naam] wilde spreken. Beklaagde zei toen tegen klaagster dat [naam] haar niet wilde spreken. Klaagster zei dat [naam] haar niet mocht zien door toedoen van beklaagde en dat ze wel op een andere manier contact met [naam] krijgt.

 

Ze liep terug naar haar eigen auto en opende het portier. Beklaagde kwam naar klaagster toe en ze gaf een harde klap tegen de linkerwang van klaagster. (…)

 

De verbalisant die de aangifte heeft opgenomen heeft geconstateerd dat de linkerwang van klaagster nog licht gezwollen was.

 

(…)

 

Proces-verbaal van verhoor beklaagde d.d. 19 mei 2017

 

Beklaagde heeft verklaard dat zij op 12 april 2017 thuiskwam en haar auto parkeerde. Er stond opeens een vrouw naast de bestuurdersportier. Deze vrouw, klaagster, begon te schreeuwen dat ze beklaagde kende en dat beklaagde al eerder in een relatie van klaagster heeft gestookt. Op dit moment wist beklaagde dat dit [eisende partij] moest zijn. Deze [eisende partij] kende ze van de verhalen van haar vriend [naam] . Klaagster bleef schreeuwen en bleef allerlei dingen roepen. Beklaagde was compleet overdonderd en heeft klaagster in paniek geslagen. Beklaagde wist dat ze niet had mogen slaan, maar dit gebeurde in een “paniek reactie”. Klaagster was al vaker langsgekomen, maar toen was beklaagde er steeds niet. Volgens beklaagde heeft [naam] klaagster al eerder duidelijk gemaakt dat hij wilde dat klaagster geen contact meer zocht. Klaagster bleef kaarten sturen, chocolade brengen en cadeautjes sturen aan [naam] .

 

Beklaagde heeft met gebalde vuist tegen de linkerwang van beklaagde geslagen; dit was echter niet hard. (…)

 

  1. Het hof

 

(…)

 

Uit het dossier, waaronder de aangifte, de bekennende verklaring van beklaagde voor zover het gaat om de vuistslag en de medische verklaring, komt naar voren dat er voldoende aanwijzingen zijn voor mishandeling van klaagster. Klaagster is echter zelf naar de woning van [naam] en beklaagde gegaan en heeft aldaar de confrontatie met beklaagde gezocht terwijl zij ten minste kon vermoeden dat [naam] en beklaagde geen contact met klaagster wensten. Beklaagde, die volledig overdonderd was door de komst van klaagster en haar handelen, heeft klaagster vervolgens in paniek geslagen. (…)

 

Het hof is, ondanks het bestaan van voldoende aanwijzingen voor de gestelde mishandeling, gelet op alle omstandigheden waaronder het eigen aandeel van klaagster, van oordeel dat het niet opportuun is om de zaak aan de strafrechter voor te leggen.’

2.3.

 

[naam] heeft in het verleden aangifte van stalking gedaan tegen [eisende partij] . Zij is naar aanleiding hiervan op 30 november 2018 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van drie jaren, waarbij aan haar een gebiedsverbod en contactverbod zijn opgelegd met betrekking tot (de wijk van) [naam] . Ook is zij veroordeeld aan hem een schadevergoeding te betalen.

2.4.

 

Op 16 maart 2020 en 31 maart 2020 heeft [naam] wederom aangifte van stalking en belaging gedaan tegen [eisende partij] . [eisende partij] heeft via WhatsApp onder meer de volgende berichten aan [naam] gestuurd:

 

 

Een foto van een mishandeld kind met daarnaast de tekst: ‘Er is maar één iemand nodig om kindermishandeling te stoppen…’ en eronder de tekst: ‘Lieve Schat,

Het is deze week , de week van de kindermishandelingen.

De mishandelingen van [dochter 1] & [dochter 2] [ktr: de dochters van [gedaagde partij] ] moeten ook GESTOPT worden Heb t [dochter 1] beloofd dat t zal STOPPEN Ze mogen nu echt NIET MEER ZWIJGEN anders blijven ze klem zitten…….Ze drongen je huis binnen met hun valse moeder …ze zijngetuige van het geweld dat hun vader [naam vader] en bij jouw en bij deze fake [naam] …iK ZAL MIJN BEST DOEN OOK VOOR HUN ook al ken ik ze niet hun valse moeder heeft mij ook mishandeld …IK GEEF JE NIET OP LIEVE SCHAT

Jullie hebben mij nodig …ik blijf …hou vol lieve schat’

 

Een foto van een vrouw die met gespreide en geheven handen boos voor een man staat die met gebogen hoofd en neergeslagen ogen voor haar zit, met daaronder de tekst: ‘De MISHANDELING van de mannen moeten STOPPEN bij JOUW THUIS…… [gedaagde partij] MOET GESTOPT worden….ze zal nooit vanzelf stoppen kijk maar naar [naam vader] de vader van haar kinderen.’

 

3 Het geschil

3.1.

 

[eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] op 18 april 2017 haar heeft mishandeld en haar auto heeft beschadigd door daartegen de trappen, en dat zij hierdoor schade heeft geleden. Zij vordert daarom dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

 

voor recht zal verklaren dat [gedaagde partij] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] , en

 

[gedaagde partij] zal veroordelen tot betaling van:

 

o de reeds geleden en nog te lijden schade nader op te maken bij staat,

 

o een voorschot op de schadevergoeding van € 1.600,- (inclusief wettelijke rente tot de datum van dagvaarden) vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling,

 

o de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vonnis.

3.2.

 

[gedaagde partij] ontkent de auto van [eisende partij] te hebben beschadigd en voert aan dat de schade niet is onderbouwd. Ten aanzien van de klap voert zij als verweer dat de vordering moet worden afgewezen omdat de schade niet is onderbouwd en dat, als schade al vast zou komen te staan, die op grond van eigen schuld voor eigen rekening van [eisende partij] moet blijven.

3.3.

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

 

De vernieling van de auto

4.1.

 

Ondanks de ontkenning van [gedaagde partij] in de conclusie van antwoord en ter mondelinge behandeling dat zij een schop tegen de auto van [eisende partij] heeft gegeven, zoals [eisende partij] stelt, heeft zij geen enkel bewijs overgelegd van haar stelling (foto’s van de beweerdelijke deuk en/of een herstelfactuur of iets dergelijks). Dit betekent dat niet in rechte kan worden vastgesteld dat [gedaagde partij] de auto van [eisende partij] heeft beschadigd en dat de vordering voor zover die ziet op schade aan de auto zal worden afgewezen.

 

De klap

4.2.

 

[gedaagde partij] heeft erkend [eisende partij] de hebben geslagen. Echter wordt in de uiterst summiere dagvaarding slechts het topje van de ijsberg beschreven ( [gedaagde partij] heeft [eisende partij] mishandeld met schade tot gevolg, waarvoor [gedaagde partij] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is). Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Deze verplichting is [eisende partij] niet nagekomen. Als zij de feiten omtrent de stalking van [naam] niet relevant vond (wat gelet op het feit dat [gedaagde partij] bij hem inwoonde en het dus heeft meegekregen toch moeilijk kan worden volgehouden), dan toch op zijn minst de feiten met betrekking tot het sepot en de klachtprocedure bij het Gerechtshof. Het enkel noemen van een beschikking zonder deze over te leggen of aan te geven wat voor procedure het betrof, met enkel de opmerking: ‘Hieruit volgt een erkenning van de mishandeling.’, is in ieder geval zodanig onvolledig dat niet is voldaan aan de plicht van artikel 21 Rv en de rechter mag daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

4.3.

 

De kantonrechter zal de vorderingen van [eisende partij] vanwege schending van de waarheidsplicht afwijzen.

4.4.

 

Overigens ligt de vordering ook voor afwijzing gereed omdat de schade onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de schade ten gevolge van de klap heeft [eisende partij] geen bedrag genoemd. Klaarblijkelijk vraagt [eisende partij] van de kantonrechter dat die zelf de schade berekent door de voor de auto gevorderde (geheel niet onderbouwde) schadesom van € 850,-, zoals opgenomen in het lichaam van de dagvaarding, af te trekken van het in het petitum gevorderde bedrag van € 1.600,-. In de dagvaarding was bovendien niet eens gespecificeerd of de gevorderde schade materieel dan wel immaterieel van aard is. De opmerking: ‘het is vaste rechtspraak om bij mishandeling een dergelijke schadevergoeding toe te kennen’, waarbij de kantonrechter vervolgens zelf diende te berekenen wat wordt bedoeld met ‘een dergelijke schadevergoeding’, is in ieder geval volstrekt onvoldoende onderbouwing voor toewijzing.

4.5.

 

Er is ook geen reden om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure omdat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de schade, bijna vier jaar na de datum van de mishandeling, niet in deze procedure zou kunnen worden vastgesteld. Zeker nu uit de – overigens pas na dagvaarding – ingebrachte medische informatie blijkt dat op 19 april 2018 geen posttraumatisch ossaal letsel werd aangetroffen, dat geen traumatisch letsel werd aangetroffen, dat er een licht vertraagde R1 respons links was bij overig normale responsen beiderzijds en dat dit overigens geen therapeutische consequenties had. Er zijn dus geen aanwijzingen dat [eisende partij] in de toekomst nog (aanvullende) schade zal lijden door de klap. De vorderingen zullen dus worden afgewezen.

 

de kosten

4.6.

 

[eisende partij] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde partij] . Deze worden tot vandaag begroot op € 374,- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

 

De kantonrechter

5.1.

 

wijst de vorderingen van [eisende partij] af,

5.2.

 

veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de proceskosten van [gedaagde partij] , tot vandaag begroot op € 374,-,

5.3.

 

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

 

type: GD

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey