Rb: verzoek om voorlopig deskundigenbericht door neuroloog toegewezen, geen misbruik van recht

Samenvatting:

Whiplash. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht door neuroloog toe. Van misbruik van recht of strijd met de goede procesorde is niet gebleken. Volgens verzekeraar kan de hernia niet door de aard van het voorval zijn ontstaan, omdat niet vast staat dat er een ongeval is geweest die energetische impact heeft gehad en heeft zij onder verwijzing naar de criteria van de Nederlandse Orthopedische Vereniging voldoende aannemelijk gemaakt dat van een traumatische hernia geen sprake kan zijn. Het is echter aan de deskundige om te beoordelen of en zo ja, in hoeverre de aard en omvang van de aanrijding relevant is. De rechtbank deelt het standpunt van verzekeraar dat de deskundige voor zijn onderzoek de volledige medische voorgeschiedenis, waaronder van voor de aanrijding ten aanzien van de rugklachten, dient te ontvangen dan wel op te vragen.

 

 

ECLI:NL:RBAMS:2019:8798

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

07-11-2019

Datum publicatie

11-12-2019

Zaaknummer

C/13/668109 / HA RK 19-211

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Verzoekschrift; Gezondheidsrecht; Benoeming medische deskundige ingevolge 202 Rv; geen strijd met de goede procesorde, misbruik van recht of een ander zwaarwichtig belang; IWDM-vraagstelling

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

 

 

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

 

zaaknummer / rekestnummer: C/13/668109 / HA RK 19-211

 

Beschikking van 7 november 2019

 

in de zaak van

 

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. O. Emre te Rotterdam,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap

GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Gouda,

verweerster,

advocaat mr. A.H.M. van Noort te ‘s-Gravenhage.

 

Partijen zullen hierna [verzoekster] en Goudse worden genoemd

 

1

De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met producties, ter griffie binnengekomen op 20 juni 2019;

de tussenbeschikking van 18 juli 2019, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 14 augustus 2019, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

 

2

De feiten

2.1.

Op 1 mei 2016 werd het voertuig van [verzoekster] , terwijl zij voor een rood stoplicht stond te wachten, door mevrouw [betrokkene] aangereden (hierna: de aanrijding). Het aanrijdingsformulier is door [verzoekster] en [betrokkene] ruim twee weken later op 17 mei 2016 ingevuld.

 

2.2.

Goudse was ten tijde van de aanrijding de WAM-verzekeraar van de eigenaar van het voertuig waardoor [verzoekster] werd aangereden.

 

2.3.

Op 2 mei 2016 is [verzoekster] door haar huisarts gezien. In het huisartsenjournaal is hierover het volgende vermeld:

 

“(…) Episode Datum S Journaalregels

Ongeval/letsel (…)

02-05-2016 Gisteren heeft een auto de auto van pt van achteren aangereden; pte stond stil bij de stoplichten; had gordel om; nu lat van re-hand, lage rug; verder last van knieen sinds 2 maanden, echter verergerd sinds gisteren; geen andere klachten (…)”

 

2.4.

Uit het huisartsenjournaal volgt verder dat [verzoekster] voor de aanhoudende knie- en rugklachten werd doorverwezen naar de fysiotherapeut. De fysiotherapeut heeft de belangenbehartiger van [verzoekster] op 29 juli 2016 onder meer bericht:

 

“(…) 1. Mevrouw is bij mij voor het eerst binnengekomen op 27-05-2016.

  1. Mijn bevingen tijdens het eerste consult: Mevrouw had pijn aan de linkerknie. (…) Met het lopen spreekt mevrouw van giving away waardoor ze een antalgisch looppatroon aanneemt. Dit is tevens niet bevorderlijk voor haar onderrug waarover mevrouw ook klaagt. De onderrug was voor de trauma al een bekend probleem, maar door het veranderde looppatroon wordt de pijn aan de LWK geforceerd. (…)
  2. Mevrouw is voor het laats geweest op 7 juli 2016. De klachten houden aan.(…)”

 

2.5.

In het huisartsenjournaal is tevens opgenomen dat [verzoekster] op 7 juni 2016 in verband met lage rugpijnklachten met uitstraling naar haar linkervoet is doorverwezen naar het ziekenhuis voor een MRI scan. [verzoekster] is op 11 juni 2016 via de spoedeisende hulp van het MC Slotervaart te Amsterdam onderzocht op de afdeling neurologie. Naar aanleiding van de onderzoeken is bij [verzoekster] onder meer een rughernia vastgesteld.

 

2.6.

In de periode vanaf december 2016 tot en met mei 2019 zijn op verzoek van de belangenbehartiger van [verzoekster] medische adviezen uitgebracht inzake de pijnklachten van [verzoekster] , te weten op 1 december 2016 door Triage en op 12 november 2018, februari 2019, 16 april 2019 en 31 mei 2019 door Med‑Raad. In het medisch advies van Triage van 1 december 2016 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

 

“(…)

Al vrij snel na het ongeval bleek er ook sprake van uitstralende rugpijn die bleek te berusten op een hernia. Medische informatie omtrent het verdere beloop ontbreekt. Van belang is verder dat het dossier, op verzoek van de wederpartij, beoordeeld werd door collega [medewerker 1] die geen causaal verband aanneemt tussen de hernia en het ongeval en uitgaat van tijdelijke klachten en beperkingen op basis van kneuzingen. Als argument hierbij de oude Breslau criteria aangehaald die o.a. aangeven dat de klachten vanaf het ongeval gedocumenteerd aanwezig moeten zijn en er sprake moet zijn van een adequaat trauma.

Naar aanleiding hiervan merk ik op dat er toch direct na het ongeval sprake was van lage rugpijn waarbij, mijns inziens, niet zonder meer is uitgesloten dat de hernia een gevolg is van het ongeval. In de richtlijnen van de Nederlandse Verenging van Neurologen zijn daarbij de Breslau criteria verlaten omdat deze gedateerd zijn (…) en deze richtlijnen geven aan in ieder geval op zich moeten worden beoordeeld. Daar er direct na het ongeval sprake was van rugpijn en ook de uitstralende pijn vrij snel ontstond sluit ik een causaal verband zeker niet uit (…)

 

Cliënt is gediagnosticeerd met een PTSS. In het dossier zijn geen andere oorzaken voor deze klachten te vinden; ook niet in de episodenlijst (2014-2018) van de huisarts. Er dient dan ook te worden aangenomen dat de psychische klachten het gevolg zijn van het ongeval (…)”

 

2.7.

Goudse heeft aansprakelijkheid voor de aanrijding erkend en heeft een bedrag van EUR 3.500 aan [verzoekster] , de buitengerechtelijke kosten van EUR 5.983,12 en de kosten voor de door [verzoekster] ingeschakelde medische adviseurs betaald. Onder verwijzing naar het medische advies van de door Goudse ingeschakelde medische adviseur, de heer [medewerker 2] , heeft Goudse causaal verband tussen de aanrijding en de hernia van [verzoekster] van de hand gewezen. In dit medisch advies van 28 juni 2017 wordt door de medische adviseur geconcludeerd dat de meerdere medische aandoeningen van [verzoekster] niet ongevalsgerelateerd zijn en neurochirurgische expertise daarom niet aan de orde wordt geacht. In een opvolgend medisch advies van 1 maart 2019 van de medisch adviseur van Goudse, de heer [medewerker 3] , is, voor zover van belang opgenomen:

 

“(…) Beschouwing

Betrokkene is een thans 56-jarige vrouw. Op 1 mei 2016 overkwam betrokkene een achteropaanrijding waarbij een auto achter haar waarvan bestuurder abusievelijk de koppelingspedaal losliet, tegen de auto van betrokkene aanbotste die stilstond bij een stoplicht. Het is dus gegaan om een zeer laag energetisch trauma. In de thans ontvangen adviezen van de medisch adviseur van belangenbehartiger d.d. 12 november 2018 en 4 februari 2019 wordt gesuggereerd dat betrokkene al direct na het ongeval bij de huisarts melding had gemaakt van rugklachten met uitstraling. Dat valt echter, wat betreft die uitstraling, niet op te maken uit de notitie in het huisartsenjournaal op 2 mei 2016. (…)

Zoals in mijn eerdere advies al aangegeven is er mijns inziens geen sprake geweest van een aanzienlijke inwerking van geweld. Er is sprake geweest van een zeer laag energetisch trauma. De huisarts beschrijft in zijn journaalnotities van 2 mei 2018 niet dat sprake is van radiculaire klachten. Tenslotte beschrijft mevrouw [arts 1] , anesthesioloog/pijnspecialist in haar brief van 8 maart 2017 dat betrokkene aangaf al circa een jaar lang (dus al pre-existent!!) pijn te hebben gehad in de onderrug en dat na het ongeval sprake was van toename van de rugklachten en in mindere mate van e uitstraling, links meer dan rechts. Dit interpreteer ik als een verergering van preexistent al bestaande uitstralingsklachten!! De MRI (…) die in juni 2016 werd gemaakt spreekt van een hernia in een degeneratief veranderde wervelkolom. Zoals collega [arts 2] terecht aangeeft moet aangenomen worden dat de beschreven degeneratieve afwijkingen pre-existent al aanwezig waren en als zodanig geen ongevalsgevolg zijn. (…) Aangezien zowel de neuroloog (oktober 2016) en de pijnspecialist (november 2016) beiden spreken van ongeveer een jaar bestaande klachten van de rug met uitstraling pleit voor pre-existentie daarvan. Zoals in mijn eerder advies al eerder aangegeven acht ik gezien het zeer laag energetische karakter van het ons regarderende ongeval en genoemde pre-existentie volstrekt onaannemelijk at het ongeval aanleiding heeft gegeven tot een traumatische hernia in de lumbale wervelkolom noch tot wezenlijke verergering van de pre-existent bestaande radiculaire klachten. Onveranderd blijf ik van mening dat de persisterende rugklachten daarom niet causaal te relateren zijn aan het ons regarderende ongeval. (…)”

 

2.8.

In een medisch advies van Med-Raad van 31 mei 2019 is, voor zover van belang, opgenomen:

 

“(…) C. Beschouwing:

In 2014 werd cliënt door de huisarts gezien met spierpijn van de rug. In 2013 waren er klachten van de knie (…) Bij een aantekening d.d. 30-10-2012 werd geschreven dat in Turkije op een RI een kleine HNP was gevonden; cliënt werd gezien door de huisarts vanwege uitstralende pijn in het linkerbeen. Over de bevinding van de HNP bevat het voorliggende dossier verder geen stukken ter onderbouwing van de eventuele HNP. Op 24-09-2010 werd geschreven dat cliënt bij zwaar tillen door de rug was gegaan; er was geen uitstraling in het been.

De overige stukken vermelden pre-existente degeneratieve afwijkingen in de rug.

 

De verder ingekomen stukken laten zien dat sprake is geweest van een PTSS als gevolg van het ongeval waarvoor cliënt werd behandeld en waarover geschreven wordt dat de PTSS volledig in remissie is.

 

  1. Conclusie:

Cliënt is werkzaam in een bakkerij/snackbar.

Op 01-05-2016 was cliënt betrokken bij een achterop-aanrijding. Op 02-05-2016 bezocht zij de huisarts met klachten van de rechterhand en de lage rug, alsmede met last van de knieën.

(…)

De orthopaedisch chirurg schrijft dat sprake is van osteoporose. Hierdoor is het mogelijk dat de botten (en misschien ook de wervels) zwakker waren dan bij een persoon zonder osteoporose. Daarnaast is sprake van een vernauwd wervelkanaal volgens de brief van maar 2019. Er lijkt dus sprake te zijn van pre-existentie. Het dossier van de huisarts vermeldt echter voor de datum van het ongeval een keer (2014) rugklachten op basis van spierklachten. Na de datum van het ongeval wordt in het nu voorliggende dossier consistent en gedocumenteerd gesproken over de rugklachten en heeft cliënt steeds deskundige hulp/behandeling gezocht.

 

Een causaal verband tussen de HNP en het ongeval is nog steeds niet geheel uit te sluiten op basis van de in eerdere adviezen genoemde argumenten. Om deze discussie te beslechten zal een neurochirurgische expertise noodzakelijk zijn. (…)”

 

2.9.

[verzoekster] is momenteel door de aanhoudende klachten arbeidsongeschikt.

 

3

Het verzoek en het verweer

3.1.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen, waarbij een neurochirurg tot deskundige zal worden benoemd.

 

3.2.

[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij direct na de aanrijding knie- en rugklachten heeft ontwikkeld. Als gevolg van die pijnklachten is zij arbeidsongeschikt en heeft zij een rughernia opgelopen. Hierdoor lijdt zij letselschade. Goudse acht het medisch causaal verband tussen de aanrijding en de klachten van [verzoekster] niet voldoende aannemelijk gemaakt en heeft aangegeven dat zij niet bereid is om mee te werken aan een neurochirurgische expertise, aldus steeds [verzoekster] . Aangezien de medische adviseurs van partijen verschillende visies hebben over de medische causaliteit, acht [verzoekster] de benoeming van een neurochirurg nodig. Naar aanleiding van het bericht van deze deskundige kan volgens [verzoekster] vervolgens de schadeomvang ten gevolge van de aanrijding vastgesteld worden.

 

3.3.

Goudse verzet zich tegen inwilliging van het verzoek. Daartoe voert zij aan dat het verzoek moet worden afgewezen wegens misbruik van recht en strijd met de goede procesorde. Volgens Goudse staat niet vast dat sprake is geweest van een aanrijding die enig energetisch effect heeft gehad en is een neurochirurgische expertise zolang die informatie ontbreekt prematuur. Zo had de aanrijding een beperkte impact met weinig schade aan de voertuigen, duidt de medische informatie van [verzoekster] op pre-existente klachten en wordt informatie over de medische voorgeschiedenis van [verzoekster] ten aanzien van haar hernia niet volledig overgelegd. Hierdoor is geen enkel aanknopingspunt voor causaal verband tussen de door [verzoekster] gestelde hernia en de aanrijding aanwezig en heeft [verzoekster] onvoldoende belang bij een voorlopig deskundigenbericht, aldus Goudse.

Goudse voert verder aan dat zij met de medische adviezen van haar adviseurs voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een traumatische hernia, omdat onder meer niet aan de daarvoor geldende cumulatieve criteria van de Nederlandse Orthopedische Vereniging is voldaan. De conclusies uit de medische adviezen van [verzoekster] zijn niet van een deugdelijke onderbouwing voorzien, zodat sprake is van expert shopping, aldus Goudse.

Goudse stelt verder dat het verzoek moet worden afgewezen omdat [verzoekster] tal van andere schadeveroorzakende klachten heeft die het vakgebied en expertise van een neurochirurg te buiten gaan, en omdat het geldelijk belang van de achterliggende schadediscussie het gelasten van een deskundigenbericht niet rechtvaardigt.

Indien de rechtbank het verzoek toewijst, verzet Goudse zich tegen de door [verzoekster] voorgestelde vraagstelling 4a en 4b, omdat die niet conform de IWMD vraagstelling is opgesteld.

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4

De beoordeling

4.1.

Goudse verzet zich tegen de benoeming van een deskundige. Voorop staat dat de rechtbank bij het beoordelen van een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 202 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geen discretionaire bevoegdheid toekomt. Het verzoek dient te worden toegewezen mits het ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is slechts anders indien sprake is van strijd met de goede procesorde, misbruik van recht of een ander zwaarwichtig belang dat zich tegen toewijzing van het verzoek verzet. In dit kader is van belang dat voornoemd verzoek ertoe kan dienen een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen en, als daartoe wordt overgegaan, beter te kunnen aangeven op grond waarvan (en tegen wie) een vordering wordt ingesteld. Hieruit vloeit voort dat het niet noodzakelijk is dat in het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht nauwkeurig wordt omschreven (in verband) met welke – nog in te stellen – vordering(en) dit onderzoek verband zal houden. Voldoende is dat feiten vermeld worden op grond waarvan kan worden beoordeeld waarover een deskundigenbericht moet worden uitgebracht en waarom dit onderzoek met het oog op (de strekking van) de eventueel in te stellen vordering(en) van belang kan zijn.

 

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het verzoek van [verzoekster] aan de wettelijke eisen van artikel 202 Rv en volgende en is geen sprake van een van de bovengenoemde afwijzingsgronden. Het verzochte onderzoek dient er immers toe bewijs te verkrijgen van feiten die [verzoekster] zal hebben te bewijzen in een eventuele bodemprocedure, te weten of de hernia het gevolg is van de aanrijding. [verzoekster] heeft voldoende duidelijk gemaakt welke feiten en stellingen zij met behulp van het deskundigenonderzoek wil bewijzen door onder meer te stellen dat zij de dag na de aanrijding rugklachten had en haar medische adviseurs causaal verband tussen de hernia en de aanrijding niet uitsluiten. Ook heeft [verzoekster] , anders dan Goudse meent, haar belang bij het deskundigenbericht voldoende onderbouwd. [verzoekster] meent onder verwijzing naar de medische adviezen dat zij door de aanrijding letselschade ondervindt die Goudse als verzekeraar van de betrokkene dient te vergoeden. Goudse weerspreekt dit. Het belang van [verzoekster] om over de causaliteit duidelijkheid te verkrijgen middels een voorlopig deskundigenbericht is hiermee gegeven.

 

4.3.

Van misbruik van recht of strijd met de goede procesorde is niet gebleken. Volgens Goudse kan de hernia niet door de aard van het voorval zijn ontstaan, omdat niet vast staat dat er een ongeval is geweest die energetische impact heeft gehad en heeft zij onder verwijzing naar de criteria van de Nederlandse Orthopedische Vereniging voldoende aannemelijk gemaakt dat van een traumatische hernia geen sprake kan zijn. Het is echter aan de deskundige om te beoordelen of en zo ja, in hoeverre de aard en omvang van de aanrijding relevant is bij de bepaling van het ontstaan van de hernia en om de daarbij relevant geachte omstandigheden in beschouwing te nemen. Bovendien neemt het betoog van Goudse niet weg dat – zoals [verzoekster] terecht stelt – de richtlijnen van de Nederlandse Orthopedische Vereniging niet allesbepalend zijn en een deskundige hiervan kan afwijken. Het onderhavige geval dient derhalve op zichzelf te worden beoordeeld. De deskundige kan hierbij in zijn deskundigenbericht inzicht geven in de voor hem relevant geachte omstandigheden.

 

4.4.

Dat het verzoek slechts is ingegeven in de hoop dat een andere deskundige relevante informatie zal vinden, kan in het licht van de door [verzoekster] gestelde feiten en omstandigheden niet worden aangenomen. Door Goudse zijn weliswaar grote vraagtekens geplaatst bij de stellingen van [verzoekster] over de aanrijding en het causale verband met de hernia, maar van vaststaande feiten is echter nog geen sprake. Verder kan niet vooruit worden gelopen op hetgeen de deskundige zal berichten. Dat [verzoekster] voor het ongeval reeds rugklachten had en de medische adviseurs van Goudse over de causaliteit tot een andere conclusie zijn gekomen dan de medische adviseurs van [verzoekster] , maakt gezien het onder 4.1. genoemde toetsingskader niet dat in de onderhavige procedure geen voorlopig deskundigenbericht kan worden bevolen omdat – zoals Goudse aanvoert – sprake is van expert shopping. Juist uit het verschil in inzicht volgt dat nader onderzoek naar het gestelde causale verband noodzakelijk is. Dit is nu precies wat met dit verzoek wordt beoogd. Hetzelfde geldt voor het betoog van Goudse dat [verzoekster] ook andere klachten heeft die schadeveroorzakend kunnen zijn en met een voorlopig deskundigenbericht van een neuroloog daarom geen einde aan de achterliggende schadediscussie zal komen. Gelet op voornoemd toetsingskader wordt met een voorlopig deskundigenbericht immers niet nagestreefd dat een geschil definitief wordt beslecht, maar dat een partij de mogelijkheid heeft zekerheid te verkrijgen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en eventuele proceskansen. Daarbij komt dat Goudse onvoldoende heeft onderbouwd dat de overige pijnklachten aan de weg zullen staan aan de in deze zaak te beantwoorden vragen door de deskundige over de rugklachten. Dit betoog van Goudse wordt dan ook gepasseerd.

 

4.5.

Dat het inwilligen van het verzoek slechts kostenverhogend zal werken, niet wordt gerechtvaardigd door het gestelde geldelijk belang en geen ander licht op de zaak zal werpen, kan evenmin worden aangenomen. Al zou sprake zijn van een materieelrechtelijke zwakke positie van [verzoekster] – zoals Goudse aanvoert – betekent dit nog niet dat het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt. De (gemotiveerde) betwisting van de impact van de aanrijding en het causale verband met de hernia, is juist een van de redenen dat een voorlopig deskundigenonderzoek wordt verzocht. Daarnaast wegen deze bezwaren niet op tegen het onder 4.2 vastgestelde belang van [verzoekster] bij toewijzing van het onderhavige verzoek. De stelling van Goudse dat de weg van een bodemprocedure zou moeten worden bewandeld, slaagt evenmin. Of een uiteindelijk in te stellen vordering van [verzoekster] toewijsbaar is, ligt in de onderhavige procedure tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek niet ter toetsing voor. Van een ander zwaarwichtig bezwaar is evenmin gebleken.

 

4.6.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het verzoek op de wet is gegrond en met inachtneming van het volgende zal worden toegewezen.

 

Deskundige

4.7.

Partijen zijn het eens over de persoon van de te benoemen deskundige, te weten, dr. P.H.J.M. Elsenburg, werkzaam als neurochirurg bij St Antonius Nieuwegein. Desgevraagd heeft de heer Elsenburg telefonisch aan de rechtbank meegedeeld hiertoe bereid en in staat te zijn. De rechtbank zal derhalve overgaan tot benoeming van deze deskundige.

 

4.8.

De rechtbank deelt het standpunt van Goudse dat de deskundige voor zijn onderzoek de volledige medische voorgeschiedenis van [verzoekster] , waaronder van voor de aanrijding ten aanzien van de rugklachten, dient te ontvangen dan wel op te vragen. Dit betreft onder meer de informatie in het huisartsenjournaal voorafgaand aan de aanrijding. De deskundige zal daarom worden verzocht in zijn deskundigenbericht inzicht te geven in de voor hem beschikbare documentatie en omstandigheden die zijn beschouwingen en conclusies hebben bepaald, en in welke mate de genoemde documentatie in zijn oordeel betrokken is. Bij de laatste “restvraag” heeft de deskundige naar het oordeel van de rechtbank voldoende ruimte om (andere) volgens hem relevante opmerkingen te plaatsen.

Daarnaast dient informatie over het beloop van het herstel na datum aanrijding tot op heden door [verzoekster] aan de deskundige te worden verstrekt. De deskundige wordt voorts meegegeven dat partijen er mee instemmen dat verdere benodigde medische informatie door hem kan worden opgevraagd bij de (voormalige) behandelaars van [verzoekster] . De verkeerssituatie en de foto’s van de schade aan de auto maken onderdeel uit van het procesdossier en dienen ook ter kennis van de deskundige te worden gesteld.

 

Voorschot

4.9.

De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. Nu Goudse de aansprakelijkheid voor de gevolgen van de aanrijding heeft erkend en het onderzoek wordt uitgevoerd om het causale verband en de schadeomvang ten gevolge van de aanrijding vast te stellen, dient het voorschot, zijnde vermogensschade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW door Goudse te worden voldaan. Dat [verzoekster] een rechtsbijstandverzekering zou hebben, maakt dit niet anders.

 

4.10.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven.

Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

 

4.11.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

 

Vragen

4.12.

Voor zover tegen de door [verzoekster] in haar verzoekschrift neergelegde IWMD vraagstelling geen verweer is gevoerd, zal deze door de rechtbank worden overgenomen. De door [verzoekster] voorgestelde vragen 4a en 4b zullen, nu deze niet conform de IWMD vraagstelling zijn en niet zien op de medische expertise van een neurochirurg, niet aan de deskundige worden voorgelegd.

 

5

De beslissing

De rechtbank

 

5.1.

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

 

1

DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

  1. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

 

Medische gegevens

  1. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

– de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

– de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

 

Medisch onderzoek

  1. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

 

Consistentie

  1. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
  2. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

 

Diagnose

  1. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

 

Beperkingen

  1. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven in het bijgesloten beperkingenformulier en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

 

Medische eindsituatie

  1. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
  2. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
  3. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
  4. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

 

2

DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c – 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

  1. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?
  2. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

 

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

  1. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
  2. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
  3. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?
  4. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?
  5. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
  6. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
  7. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

 

3

OVERIG

 

  1. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

 

5.2.

benoemt tot deskundige:

 

P.H.J.M. Elsenburg, neurochirurg

St Antonius ziekenhuis Nieuwegein

Correspondentieadres: [correspondentieadres]

Telefoon: [telefoonnummer] , [naam secretaresse] (secretaresse),

 

het voorschot

5.3.

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:

de deskundige dient binnen drie weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten

de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen

partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting

indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag

indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,

5.4.

bepaalt dat Goudse het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

 

5.5.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

 

het onderzoek

5.6.

bepaalt dat [verzoekster] haar procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen alsmede de in 4.8 genoemde informatie,

 

5.7.

wijst de deskundige op de mogelijkheid om nadere informatie op te vragen zoals bedoeld onder 4.8,

 

5.8.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

 

5.9.

wijst de deskundige er op dat:

de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,

de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

5.10.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

 

het schriftelijk rapport

5.11.

draagt de deskundige op om uiterlijk zes maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

 

5.12.

wijst de deskundige er op dat:

uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,

dat de deskundige [verzoekster] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van haar inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien [verzoekster] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [verzoekster] (eventueel onder gesloten couvert via zijn advocaat) moet toesturen en [verzoekster] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of [verzoekster] gebruik wil maken van haar blokkeringsrecht (waarbij [verzoekster] zich van commentaar op het concept moet onthouden),

dat, indien [verzoekster] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen,

dat, indien [verzoekster] geen gebruik maakt van haar inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden,

5.13.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. E.M. Rocha, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2019.1

 

1

type: EMR coll: PJE

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey