Rb: verzoek om schaderegeling voort te zetten en voorlopig deskundigenbericht afgewezen, verzekeraar had gegronde twijfels en mocht onderhandelingen beëindigen (2)

Samenvatting:

Deelgeschil en verzoek voorlopig deskundigenbericht; whiplash, ongeval 2017, ZZP-er, grondwerker, inzittende. 1. De rechtbank wijst het verzoek om voor recht te verklaren dat het staken van de schadebehandeling door verzekeraar onrechtmatig is en om verzekeraar te gelasten de onderhandelingen voort te zetten af. Verzekeraar stelt dat vertrouwensbasis voor het voortzetten van de onderhandelingen ontbreekt; er is sprake van een opeenstapeling van twijfels over de juistheid van diverse verklaringen van verzoeker. Deze twijfels komen de rechtbank niet ongegrond voor. De rechtbank acht van belang dat verzoeker heeft verklaard dat hij na het ongeval niet meer heeft gewerkt, terwijl hij de dagen na het ongeval gewerkte uren heeft gedeclareerd. Daar komt bij dat verzoeker een inconsistent, inconsequent en niet samenhangend klachtenpatroon heeft gepresenteerd. Verzekeraar heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij geen heil meer ziet in minnelijk overleg. In beginsel staat het verzekeraar vrij de onderhandelingen te beëindigen (r.o. 4.8). 2. BGK afgewezen. 3. Deelgeschil onnodig ingesteld, kosten afgewezen. 4. Voorlopig deskundigenbericht afgewezen. Verzoek is prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde. Eerst dient verzoeker nadere medische en feitelijke informatie te verschaffen.

 

 

 

ECLI:NL:RBDHA:2020:3340

 

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

06-04-2020

Datum publicatie

11-05-2020

Zaaknummer

C/09/580167 / HA RK 19-548

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Rekestprocedure

Inhoudsindicatie

Deelgeschil en voorlopig deskundigenbericht: onvoldoende vertrouwensbasis om verzekeraar te verplichten het buitengerechtelijk traject door te zetten, geen verdere vergoeding buitengerechtelijke kosten, verzoek VDO is prematuur, meer info nodig.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

 

 

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

 

zaak- / rekestnummer (deelgeschil): C/09/580167 / HA RK 19-548

zaak- / rekestnummer (voorlopige deskundigenberichten): C/09/582023 / HA RK 19-607

 

Beschikking van 6 april 2020

 

in de zaak van

 

[verzoeker] te [plaats 1] ,

verzoeker,

advocaat: mr. O. Arslan te Den Haag,

 

tegen

 

UNIGARANT N.V. te Hoogeveen,

verweerster,

advocaat: mr. D.D. Markvoort te Hoogeveen.

 

Partijen worden hierna [verzoeker] en Unigarant genoemd.

 

1

De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

twee verzoekschriften, ter griffie ingekomen op 16 september 2019 (deelgeschil) respectievelijk 22 oktober 2019 (voorlopige deskundigenberichten), beiden met producties;

het verweerschrift op de twee verzoekschriften, met producties;

de reactie op het verweerschrift.

1.2.

Op 18 februari 2020 heeft de mondeling behandeling van beide verzoeken plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen:

[verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. Arslan voornoemd;

namens Unigarant: mevrouw [letselschade-expert] (letselschade-expert), bijgestaan door mr. Markvoort voornoemd.

1.3.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

 

2

De feiten

2.1.

[verzoeker] is in de vooravond van maandag 8 mei 2017 als inzittende van een personenauto betrokken geraakt bij een kop-staartbotsing (verder: het ongeval). De personenauto waarin [verzoeker] zat (en die werd bestuurd door de heer [A] ) werd van achteren aangereden door een door Unigarant verzekerd voertuig, waarna de heer [A] achterop de auto voor hem is gebotst.

 

2.2.

Unigarant heeft namens haar verzekerde aansprakelijkheid jegens [verzoeker] erkend voor de gevolgen van het ongeval.

 

2.3.

Direct na het ongeval is [verzoeker] gezien op de Spoedeisende Hulp (SEH) van het MHC Westeinde Ziekenhuis in Den Haag. Bij het onderzoek werden geen lichamelijke afwijkingen geconstateerd. [verzoeker] is na het onderzoek naar huis gestuurd.

 

2.4.

Enige dagen na het ongeval heeft [verzoeker] zijn huisarts bezocht.

 

2.5.

Op 17 mei 2017 heeft [verzoeker] een claim ingediend bij AllSecur/Allianz onder de door de heer Ayyilidiz afgesloten schadeverzekering voor inzittenden (SVI). Allianz heeft begin juli 2017 een voorschot van € 1.500,– aan [verzoeker] overgemaakt. Op 8 januari 2018 heeft mr. Arslan het schaderegelingstraject bij AllSecur/Allianz gestaakt.

 

2.6.

[verzoeker] was voor het ongeval werkzaam als grondwerker. Hij werd als zelfstandige zonder personeel ingehuurd door [X] B.V. te [plaats 2] .

 

2.7.

[verzoeker] en Unigarant hebben aanvankelijk getracht een pragmatische regeling te bereiken. Toen dat niet mogelijk bleek, heeft Unigarant in april 2018 een multidisciplinair revalidatietraject, een arbeidsdeskundig traject en een bedrijfsanalyse door Athenos voorgesteld.

 

2.8.

Het revalidatietraject is begeleid door OCA Den Haag. Dit heeft niet geleid tot werkhervatting.

 

2.9.

Het arbeidsdeskundig onderzoek is uitgevoerd door de heer [registerarbeidsdeskundige] , registerarbeidsdeskundige bij Bureau Terzet, die op 6 augustus 2018 zijn rapport heeft uitgebracht.

 

2.10.

De bedrijfsanalyse door Athenos is begeleid door de heer [B] . De conceptrapportage in het bedrijfskundig onderzoek is verzonden op 20 februari 2019.

 

2.11.

Unigarant heeft in totaal € 46.000,– aan voorschotten aan [verzoeker] verstrekt. Daarnaast heeft zij € 7.509,26 voldaan als voorschot op de buitengerechtelijke kosten.

 

2.12.

Bij brief van 10 juli 2019 heeft Unigarant te kennen gegeven de actieve behandeling van de zaak te staken.

 

3

Het geschil

 

Deelgeschil

 

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat het staken van de actieve behandeling van de zaak van [verzoeker] door Unigarant onredelijk c.q. onrechtmatig is;
  2. Unigarant te gelasten om de onderhandelingen met [verzoeker] voort te zetten;

III. Unigarant te veroordelen om € 10.657,92 aan buitengerechtelijke kosten te betalen;

  1. de kosten van de deelgeschil te begroten op € 9.516,05 en Unigarant te veroordelen tot betaling daarvan.

 

3.2.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij met betaling van voorschotten van € 46.000,– bij lange na niet schadeloos is gesteld, mede gezien zijn nog altijd voortdurend arbeidsongeschiktheid. Daar komt bij dat de door Unigarant geuite verwijten aan zijn adres niet terecht zijn. Onder deze omstandigheden acht [verzoeker] het besluit van Unigarant om de actieve behandeling van het dossier te staken niet gerechtvaardigd.

 

3.3.

Unigarant voert gemotiveerd verweer. Zij stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat een vertrouwensbasis om de onderhandelingen voort te zetten ontbreekt.

 

Voorlopige deskundigenberichten

 

3.4.

Het tweede verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank:

twee voorlopige deskundigenberichten, te weten een psychiatrische expertise en een neurologische expertise, beveelt en als psychiater benoemt de heer dr. [psychiater 1] , mevrouw [psychiater 2] of de heer [psychiater 3] en als neuroloog de heer dr. [neuroloog 1] , de heer dr. [neuroloog 2] of de heer dr. [neuroloog 3] ;

aan de deskundigen opdraagt de vragen overeenkomstig de IWMD-vraagstelling te beantwoorden en daarover schriftelijk verslag uit te brengen;

de deskundigen vraagt de kosten te begroten en Unigarant aan te wijzen als de partij die het voorschot op die kosten dient te dragen.

3.5.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat na het ongeval chronische pijnklachten en sensitisatie (verhoogde gevoeligheid voor pijnprikkels) zijn ontstaan. Omdat Unigarant het causaal verband tussen deze klachten en het ongeval betwist, is onafhankelijk medisch onderzoek noodzakelijk om de medische gevolgen van het ongeval vast te stellen.

3.6.

Unigarant verzet zich tegen inwilliging van het verzoek. Zij voert daartoe aan dat [verzoeker] een inconsistent klachtenpatroon schetst en zich onbetrouwbaar toont in de schaderegeling. Dat de mededelingen van [verzoeker] niet voor waar kunnen worden aangenomen heeft gevolgen voor de waarde van (verder) lichamelijk en geestelijk onderzoek. Een neurologische expertise heeft bovendien geen meerwaarde omdat geen medisch objectiveerbare ongevalsgerelateerde neurologische afwijkingen geconstateerd zijn. Expertises werken hier enkel kostenverhogend, aldus Unigarant.

 

4

De beoordeling

4.1.

De rechtbank zal in het navolgende eerst een beslissing nemen in de deelgeschilprocedure en daarna het verzoek om twee voorlopige deskundigenberichten te bevelen beoordelen.

 

Deelgeschilprocedure

4.2.

In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de verzoeken van [verzoeker] zich lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Rv. Deze procedure biedt betrokkenen bij een geschil over letselschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase op een eenvoudige en snelle wijze toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Gelet op dit doel moet de rechtbank allereerst beoordelen of de verzochte beslissingen kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit niet het geval is, moeten de verzoeken worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

 

4.3.

Het verzoek van [verzoeker] strekt enerzijds tot het heropenen van de buitengerechtelijke onderhandeldingen en anderzijds tot betaling van de buitengerechtelijke kosten. Beide geschilpunten vallen in beginsel binnen de reikwijdte van artikel 1019w Rv.

 

Heropenen buitengerechtelijke onderhandelingen

 

4.4.

Unigarant heeft expliciet aangegeven dat zij niet meer bereid is om buiten rechte nog iets voor [verzoeker] te betekenen. Daartoe heeft Unigarant – kort samengevat – aangevoerd dat [verzoeker] zich onbetrouwbaar heeft getoond. Daar komt bij dat Unigarant ervan uitgaat dat zij inmiddels meer aan voorschotten heeft betaald dan er aan schade is geleden. [verzoeker] moet een bodemprocedure starten als hij hier anders over denkt, aldus Unigarant.

 

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat het verweer van een verzekeraar dat zij ongeacht de uitkomst van de deelgeschilprocedure de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst uitsluit, in zijn algemeenheid geen grond vormt om een verzoek tot behandeling van een deelgeschil af te wijzen. Dit zou immers leiden tot het onaanvaardbare gevolg dat eenvoudig aan behandeling van een deelgeschil kan worden ontkomen door geen buitengerechtelijke onderhandelingen aan te gaan. Hierop geldt een uitzondering indien aannemelijk is dat de uitspraak van de rechter in de deelgeschilprocedure niet (meer) zal dienen als impuls voor heropening van vastgelopen onderhandelingen. Immers, de deelgeschilprocedure is naar haar aard niet bedoeld om partijen die niet (langer) met elkaar in onderhandeling zijn aan de onderhandelingstafel te dwingen.

 

4.6.

De rechtbank stelt op basis van de onder 2.7 tot en met 2.11 vermelde feiten vast dat Unigarant het schaderegelingstraject voortvarend heeft opgepakt. Dit heeft geresulteerd in diverse voorschotbetalingen, een schikkingsvoorstel in het voorjaar van 2018 en het faciliteren van een multidisciplinair revalidatietraject, een arbeidsdeskundig traject en een bedrijfskundig onderzoek.

 

4.7.

In juli 2019 zijn de buitengerechtelijke onderhandelingen door Unigarant afgebroken. Unigarant stelt zich op het standpunt dat de benodigde vertrouwensbasis voor het voortzetten van de onderhandelingen ontbreekt omdat [verzoeker] :

de behandeling van zijn claim bij een andere verzekeraar heeft verzwegen;

oneerlijk is geweest, onder meer over zijn declaratie van gewerkte uren na het ongeval;

een inconsistent en ongeloofwaardig klachtenpatroon heeft gepresenteerd;

bewust informatie heeft achtergehouden;

het onderzoek heeft gemanipuleerd en gefrustreerd.

Volgens Unigarant is er bovendien geen onderbouwing voor het causaal verband tussen het ongeval en de voortdurende klachten en arbeidsongeschiktheid die [verzoeker] stelt en al helemaal niet voor de schade die dit zou opleveren. Daar komt nog bij dat de zaak steeds onnodig wordt gerekt en het innen van buitengerechtelijke kosten een doel op zich lijkt te zijn geworden.

 

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat met de verzochte beslissing niet zal kunnen worden bereikt dat de onderhandelingen tussen partijen worden vlot getrokken. Uit het voorgaande blijkt dat Unigarant zich ter onderbouwing van haar weigering om de schaderegeling te hervatten zich erop beroept dat er inmiddels sprake is van een opeenstapeling van twijfels over de juistheid van diverse verklaringen van [verzoeker] zonder dat deze twijfels door hem worden weggenomen. Deze twijfels komen de rechtbank niet ongegrond voor. De rechtbank acht van belang dat [verzoeker] heeft verklaard dat hij na het ongeval niet meer heeft gewerkt, terwijl hij blijkens de door Unigarant als productie 5 overgelegde factuur in de vier dagen na het ongeval (dinsdag tot en met vrijdag van week 19) nog in totaal 38 gewerkte uren heeft gedeclareerd. [verzoeker] heeft voor deze discrepantie desgevraagd geen sluitende verklaring gegeven. Daar komt bij dat [verzoeker] richting Unigarant een inconsistent, inconsequent en niet samenhangend klachtenpatroon heeft gepresenteerd dat bovendien niet is onderbouwd met informatie uit de behandelend sector. [verzoeker] heeft geen verwijzing naar een specialist gevraagd voor de behandeling van zijn fysieke klachten en hij is evenmin onder behandeling voor de door hem gestelde psychische klachten.

 

4.9.

In het licht van het vorenstaande heeft Unigarant zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij geen heil meer ziet in minnelijk overleg. In beginsel staat het Unigarant vrij om op grond daarvan en haar standpunt dat de reeds gedane uitkeringen een passende schadevergoeding opleveren de buitengerechtelijke onderhandelingen met [verzoeker] te beëindigen. Feiten of omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat dit in de onderhavige situatie onrechtmatig zou zijn, zijn gesteld noch gebleken.

 

4.10.

Op grond van het vorenstaande is aannemelijk dat een beslissing van de rechtbank in deze kwestie niet zal dienen als impuls voor heropening van vastgelopen onderhandelingen. Dit leidt tot afwijzing van het verzochte onder I en II.

 

Vergoeding buitengerechtelijke kosten

 

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat Unigarant mr. Arslan tot op heden adequaat heeft bevoorschot. Tot op heden is er een bedrag van € 7.509,26 aan buitengerechtelijke kosten betaald. Weliswaar staat niet vast dat er geen schade is, maar er zijn vooralsnog geen aanwijzingen die duiden op een schadeomvang van ruim € 140.000,– (het afwikkelingsvoorstel van [verzoeker] ). In de gegeven omstandigheden is er veeleer aanleiding om te veronderstellen dat de schade lager zal zijn. Verder weegt de rechtbank mee dat Unigarant reeds een schadebedrag heeft uitgekeerd van € 46.000,–, waarvan de buitengerechtelijke kosten geen onderdeel uitmaken. Bij de toets of de buitengerechtelijke kosten redelijk zijn, speelt de schadeomvang een rol. Tot slot blijkt uit de urenspecificaties dat veel uren zijn gemaakt zonder dat daarvoor een gefundeerde verklaring of rechtvaardiging is gegeven en zonder dat deze noodzakelijk zijn gebleken. Het voorgaande betekent dat ook het verzoek tot nadere vergoeding van de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen.

 

Kosten deelgeschil

 

4.12.

De rechtbank zal in de gegeven omstandigheden ook niet overgaan tot begroting van de kosten van het deelgeschil. De rechtbank is van oordeel dat deze deelgeschilprocedure onnodig is ingesteld, ook wat betreft het verzoek tot betaling van buitengerechtelijke kosten. Mr. Arslan heeft, in aanmerking genomen zijn deskundigheid en ervaring in letselschadeprocedures, in redelijkheid niet kunnen verwachten dat het verzoek in de gegeven omstandigheden (deels) zou worden toegewezen. Een begroting van de proceskosten blijft dan ook achterwege.

 

Voorlopige deskundigenberichten

 

4.13.

Voorop staat dat een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht moet worden toegewezen mits het ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is slechts anders de rechtbank oordeelt dat verzoeker daarbij geen belang heeft als bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW), of indien sprake is van strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid of een ander zwaarwichtig belang dat zich tegen toewijzing van het verzoek verzet. Aan de rechter die moet oordelen over het verzoek een dergelijk onderzoek te gelasten, komt geen discretionaire bevoegdheid toe.

 

4.14.

[verzoeker] heeft te kennen gegeven dat hij met de medische expertises beoogt duidelijkheid te krijgen over het causaal verband tussen zijn klachten en het ongeval. Dat is in overeenstemming met het doel waarvoor het voorlopig deskundigenbericht is beoogd.

 

4.15.

In deze kwestie is echter tussen partijen in geschil of [verzoeker] voldoende (medische en feitelijke) informatie heeft verstrekt om de gevraagde medische expertises op een zinvolle wijze te laten plaatsvinden. Daarnaast twijfelt Unigarant eraan of de inmiddels wel beschikbare informatie juist is. De rechtbank acht het verzoek van [verzoeker] tegen deze achtergrond prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde. Eerst dient [verzoeker] nadere medische en feitelijke informatie te verschaffen zoals Unigarant heeft verzocht. Bij gebrek aan die informatie kan op dit moment niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat het gewenste onderzoek kan bijdragen aan de vaststelling van de omvang van de schade. Daar komt bij dat [verzoeker] tegenover het gemotiveerde verweer van Unigarant dat dat zij met de reeds verstrekte voorschotten ruimschoots aan haar plicht tot vergoeding van de geleden schade heeft voldaan, onvoldoende concreet heeft onderbouwd welk recht en belang hij heeft bij de verzochte medische expertises.

 

4.16.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de verzoeken zal afwijzen.

 

5

De beslissing

De rechtbank:

 

in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/580167 / HA RK 19-548 (deelgeschil):

 

5.1.

wijst de verzoeken af;

 

in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/582023 / HA RK 19-607 (voorlopige deskundigenberichten):

 

5.2.

wijst de verzoeken af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel op 6 april 2020.1

1

type: 1366 coll:

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey