Rb: verzekeraar heeft bevrijdend betaald aan in vso vermelde belangenbehartiger

Samenvatting:

Verzekeraar betaalt slotbetaling van op het inde vaststellingsovereenkomst vermelde bankrekeningnummer van belangenbehartiger. Eiser vordert het bedrag van € 210.000,- van de verzekeraar en stelt dat de verzekeraar onzorgvuldig heeft gehandeld door in strijd met art 7 van de GBL het bedrag aan de belangenbehartiger te betalen. De rechtbank wijst de vordering af. De stelling van eiser dat de stempelafdruk pas na ondertekening op de vso is geplaatst, impliceert dat eiser de vso heeft ondertekend zonder daarin, zoals gevraagd, te vermelden op welke bankrekening betaling van de slotuitkering plaats moest vinden. Daarmee heeft eiser zelf aan belangenbehartiger de mogelijkheid gegeven om de stempelafdruk te plaatsen. Eiser heeft bovendien belangenbehartiger als zijn belangenbehartiger aan verzekeraar gepresenteerd. Verzekeraar mocht er dan ook redelijkerwijze vanuit gaan dat belangenbehartiger ook bij het in ontvangst nemen van de slotuitkering de belangen van eiser behartigde.

 

 

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/617678 / HA ZA 16-1092

 

Vonnis van 27 december 2017

in de zaak van

[EISER],

wonende te Enschede, eiser,

advocaat mr. F. Hoff te Enschede,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam, gedaagde,

advocaat mr. P. Oskam te Amsterdam.

 

Partijen zullen hierna [EISER] en Delta Lloyd worden genoemd.

 

  1. De procedure

1.1.        Het verloop van de procedure blijkt uit:

–             de dagvaarding van 19 oktober 2016, met producties,

–             de conclusie van antwoord van 8 maart 2017, met producties,

–             het tussenvonnis van 22 maart 2017 waarin een comparitie van partijen is bepaald,

–             het proces-verbaal van comparitie van 28 september 2017 met de daarin vermelde stukken.

1.2.        Ten slotte is vonnis bepaald.

 

  1. De feiten

2.1.        [EISER] heeft op 20 oktober 2009 een arbeidsongeval (hierna: het arbeidsongeval) gehad. [EISER] was toen werkzaam voor Davet Vereniging. [EISER] heeft door het arbeidsongeval letsel opgelopen waarvoor hij Davet Vereniging aansprakelijk heeft gesteld. Davet Vereniging was voor aansprakelijkheid verzekerd bij Delta Lloyd.

2.2.        [EISER] als opdrachtgever en [BELANGENBEHARTIGER] (hierna: [BELANGENBEHARTIGER]) als opdrachtnemer zijn op 14 maart 2011 een overeenkomst van opdracht (hierna: de overeenkomst van opdracht) aangegaan op grond waarvan [BELANGENBEHARTIGER] de letselschadezaak van [EISER] in behandeling heeft genomen. In deze overeenkomst staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Opdrachtgever verleent middels bijgesloten en door hem ondertekende privatieve lastgevingsovereenkomst toestemming aan opdrachtnemer om alle (derde)gelden te incasseren op de derden geldrekening van “[BELANGENBEHARTIGER]”.

2.3.        In de tussen [BELANGENBEHARTIGER] als lasthebber en [EISER] als lasthebber gesloten privatieve lastgevingsovereenkomst (hierna: de lastgevingsovereenkomst) staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

(…)

  1. Lastgever laat ter zake van juridische bijstand zijn belangen behartigen door [BELANGENBEHARTIGER] (…)

Lastgever verstrekt aan lasthebber en voor zoveel nodig aan de hierboven genoemde derden, een privatieve last ex artikel 7:423 BW om al wat de aansprakelijke partij verschuldigd is, rechtstreeks en op eigen naam en met uitsluiting van de lastgever te verhalen op de (aansprakelijke) partij/derde(n)/verzekeraar. (…)”.

2.4.        In de vaststellingovereenkomst tussen [EISER] en Delta Lloyd van 19 december 2014 (hierna: de vaststellingsovereenkomst) staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

De overeenkomst

  1. Wij komen met elkaar overeen dat al uw aanspraken op schadevergoeding worden vastgesteld op een bedrag van € 262.500,00. Met dit bedrag vergoedt Delta Lloyd alle schade, die u hebt geleden en in de toekomst nog zult lijden: materiële schade, immateriële schade, schade in verband met de aantasting van het arbeidsvermogen, wettelijke rente,
  2. U hebt al één of meer voorschotten ontvangen van in totaal € 52.500,00. U ontvangt dus nog een slotuitkering van € 210.000,00 (zegge: tweehonderd tienduizend Euro en 0/100 cent).
  3. Delta Lloyd maakt de schadevergoeding direct aan u over zodra wij de ondertekende overeenkomst hebben ontvangen. Wilt u bij de ondertekening uw IBAN vermelden?
  4. Tegenover de overeengekomen vergoedingen en betalingen uit punt 1, 2, en 3 hierboven verleent u Delta Lloyd volledige kwijting. Door deze overeenkomst te ondertekenen verklaart u dat u geen enkele vordering meer hebt op Delta Lloyd en Davet Vereniging voor de schade, die is ontstaan door het arbeidsongeval en het letsel dat u daarbij hebt opgelopen. Net als de overeengekomen schadevergoeding uit punt 1 hierboven, geldt deze kwijting voor alle schade, die u hebt geleden en in de toekomst nog zult lijden: materiële schade, immateriële schade, schade in verband met de aantasting van het arbeidsvermogen, wettelijke rente, de redelijke kosten van buitengerechtelijke bijstand.
  5. Deze vaststellingsovereenkomst geldt niet voor de eventuele verhaalsaanspraken van de zorgverzekeraar waarbij u bent verzekerd.

Ondertekening

Vult u hieronder uw IBAN in en onderteken daarna beide exemplaren van deze vaststellingsovereenkomst. Stuur daarna één exemplaar terug. Wij maken de overeengekomen schadevergoeding dan zo snel mogelijk aan u over.

Handtekening [BELANGENBEHARTIGER] en Handtekening Delta Lloyd

2.5.        De vaststellingsovereenkomst is aan Delta Lloyd retour gezonden.

2.6.        In een email van 30 december 2014 van Delta Lloyd aan [BELANGENBEHARTIGER], staat het volgende vermeld:

“(…)

U stuurt ons een ondertekende vaststellingsovereenkomst retour met het verzoek het afgesproken bedrag over te maken op een bankrekeningnummer ten name van [BELANGENBEHARTIGER]. (…) Het is ons beleid om dit soort bedragen (…) over te maken op het bankrekeningnummer van uw cliënt zelf, en niet diens belangenbehartiger. Wilt u ons daarom het bankrekeningnummer van uw cliënt doorgeven waarop bevrijdend betaald kan worden. (…).”

2.7.        In een door [EISER] ondertekende verklaring van 31 december 2014 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

(…)

Nadat mijn begeleidster de stukken doorgenomen (vso, [vaststellingsovereenkomst, rechtbank]) heeft, heb ik besloten om alsnog de inmiddels ondertekende vso te vernietigen. De reden hiervoor is namelijk, dat ik de bedragen opgenomen in de overeenkomst over het hoofd heb gezien.

Hierbij, verklaar ik in het bijzijn van mijn echtgenote (…) en (…) [BEGELEIDSTER](…)), dat ik niet akkoord ga met het door u aangeboden bedrag groot € 210.000,- euro slot. Het bedrag waar ik mij in kan vinden is de berekening die mij getoond is door [BELANGENBEHARTIGER]. (…).

Ik had inmiddels al toestemming gegeven om de uitkering wat betreft mijn letselschadezaak over te boeken op rekening van mijn belangenbehartiger, ik vraag me dan af waarom ik dan in herhaling moet vervallen. Hierbij dus nogmaals mijn bevestiging. (…)”.

2.8.        Delta Lloyd heeft vooruitlopend op de definitieve afwikkeling van de schade in totaal een bedrag van € 52.500,00 aan voorschotten aan [EISER] voldaan. Het restant van € 210.000,00 (hierna: de slotuitkering) heeft Delta Lloyd op 15 januari 2015 overgemaakt op de in de vaststellingsovereenkomst vermelde bankrekening van [BELANGENBEHARTIGER].

 

  1. Het geschil

3.1.        [EISER] vordert – samengevat – veroordeling van Delta Lloyd tot betaling van

€ 221.512,46 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 210.000,00 vanaf 11 oktober 2016.

3.2.        Delta Lloyd voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 

 

  1. De beoordeling

4.1.        [EISER] legt aan zijn vordering kort gezegd het volgende ten grondslag. Delta Lloyd heeft onzorgvuldig gehandeld door de schade-uitkering in strijd met artikel 7 van de Gedragscode Behandeling Letselschade 2012 (hierna: de gedragscode) aan [BELANGENBEHARTIGER] te betalen, terwijl deze regels juist in het leven zijn geroepen om de benadeelde te beschermen. [EISER] heeft Delta Lloyd immers niet gemachtigd om de uitkering aan [BELANGENBEHARTIGER]. handelend onder de naam [NAAM] uit te betalen. Uitkering heeft bovendien niet plaatsgevonden op een derdenrekening. Delta Lloyd heeft betaald aan een onbevoegde in de zin van artikel 6:32 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aangezien [EISER] door die betaling niet is gebaat en de betaling niet heeft bekrachtigd, is van bevrijdende betaling geen sprake. [EISER] doet in dat verband tevens een beroep op artikel 7:937 BW.

4.2.        Delta Lloyd heeft aangevoerd dat zij bevrijdend aan [BELANGENBEHARTIGER] heeft betaald. [BELANGENBEHARTIGER] was blijkens de vaststellingovereenkomst en de verklaring van 31 december 2014 als gevolmachtigde bevoegd om de betaling voor [EISER] op het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bankrekening te ontvangen. Voor zover dat niet het geval zou zijn, wordt Delta Lloyd beschermd door artikel 3:34 BW. Artikel 7:937 BW geldt volgens Delta Lloyd in de verhouding tussen assurantietussenpersoon, verzekeraar en uitkeringsgerechtigde, en is in dit geval dus niet van toepassing.

4.3.        De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [EISER] de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend en dat daarin staat vermeld dat betaling van de slotuitkering op de daar vermelde bankrekening ten name van [BELANGENBEHARTIGER] moest plaatsvinden en dat Delta Lloyd de slotuitkering op die bankrekening heeft uitbetaald. [EISER] heeft echter aangevoerd dat de stempelafdruk met het bankrekeningnummer en de naam van [BELANGENBEHARTIGER] (hierna: de stempelafdruk) nog niet in de vaststellingsovereenkomst stond vermeld toen hij deze ondertekende. Voor zover [EISER] daarmee bedoelt te betogen dat een toereikende volmacht aan [BELANGENBEHARTIGER] voor het namens [EISER] in ontvangst nemen van de slotuitkering ontbreekt, kan dat verweer hem niet baten. Ter toelichting dient het volgende.

4.4.        De stelling van [EISER] dat de stempelafdruk pas na ondertekening op de vaststellingsovereenkomst is geplaatst, impliceert dat [EISER] de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend zonder daarin, zoals gevraagd, te vermelden op welke bankrekening betaling van de slotuitkering door Delta Lloyd plaats moest vinden. Daarmee heeft [EISER] zelf aan [BELANGENBEHARTIGER] de mogelijkheid gegeven om de stempelafdruk te plaatsen. Dat de stempelafdruk na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zou zijn geplaatst, is in zoverre een omstandigheid die voor rekening en risico van [EISER] komt. [EISER] heeft bovendien [BELANGENBEHARTIGER] als zijn belangenbehartiger aan Delta Lloyd gepresenteerd. Delta Lloyd mocht er na ontvangst van de ondertekende vaststellingsovereenkomst in haar rechtsverhouding met [EISER] dan ook redelijkerwijze vanuit gaan dat [BELANGENBEHARTIGER] ook bij het in ontvangst nemen van de slotuitkering de belangen van [EISER] behartigde. Dat dit ook de bedoeling van [EISER] is geweest, vindt steun in de overeenkomst van opdracht en de lastgevingsovereenkomst (rov. 2.2 en 2.3) waarin dat met zoveel woorden is bepaald.

4.5.        Delta Lloyd is bovendien pas overgegaan tot betaling van de slotuitkering na ontvangst van de door [EISER] ondertekende schriftelijke verklaring van 31 december 2014 (rov. 2.7) waarin hij, op verzoek van Delta Lloyd, expliciet heeft bevestigd dat betaling daarvan moest plaatsvinden op de bankrekening van zijn belangenbehartiger. Op het briefpapier waarop deze verklaring is afgedrukt, staat ook de in de vaststellingsovereenkomst vermelde bankrekening vermeld. [EISER] heeft niets gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de inhoud van deze verklaring hem niet duidelijk was bij ondertekening. In tegendeel: uit de verklaring van 31 december 2014 blijkt dat deze is opgesteld in aanwezigheid van zijn begeleidster die hem kennelijk hielp met het doornemen van de stukken (waaronder de vaststellingsovereenkomst). Op grond van deze omstandigheden mocht Delta Lloyd redelijkerwijze aannemen dat in de vaststellingsovereenkomst aan [BELANGENBEHARTIGER] een toereikende volmacht was verleend tot het in ontvangst nemen van de slotuitkering op de daarin vermelde bankrekening. [EISER] kan op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep doen (artikel 3:61 lid 2) BW). Delta Lloyd verkeert dus in de positie waarin zij zou hebben verkeerd als wel een toereikende volmacht was verleend.

4.6.        Delta Lloyd heeft vervolgens uitbetaald op de bankrekening van [BELANGENBEHARTIGER] die staat vermeld in de vaststellingsovereenkomst. [EISER] betoogt – met verwijzing naar artikel 7.937 BW — dat Delta Lloyd ook in geval van een toereikende volmacht niet bevrijdend aan [BELANGENBEHARTIGER] heeft betaald, omdat [BELANGENBEHARTIGER] de slotuitkering niet aan [EISER] heeft voldaan, althans [EISER] door de uitkering niet is gebaat. Ook als veronderstellenderwijs van de juistheid van het laatste wordt uitgegaan, wat Delta Lloyd gemotiveerd heeft betwist, dan kan [EISER] niet worden gevolgd in zijn betoog. [EISER] heeft Delta Lloyd immers op 31 december 2014 expliciet opdracht gegeven om de slotuitkering uit te betalen aan [BELANGENBEHARTIGER]. Reeds daarom valt, zonder nadere toelichting die [EISER] niet heeft gegeven, niet in te zien dat [EISER] een beroep op de beschermende werking van artikel 7:937 BW zou toekomen.

4.7.        Het voorgaande leidt tot de vaststelling dat Delta Lloyd bevrijdend heeft betaald en dat de vorderingen van [EISER] jegens haar worden afgewezen. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, behoeft gelet op het voorgaande geen nadere bespreking.

4.8.        [EISER] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Delta Lloyd worden begroot op:

–             explootkosten                  € 101,82

–             griffierecht                        € 3.903,00

–             salaris advocaat               € 4.000.00 (2 punten x tarief € 2.000,00)

Totaal                                               € 8.004,82

 

  1. De beslissing

De rechtbank

5.1.        wijst de vorderingen af,

5.2.        veroordeelt [EISER] in de proceskosten, aan de zijde van Delta Lloyd tot op heden begroot op € 8.004,82, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.        veroordeelt [EISER] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.        verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2017.

 

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots