Rb: verklaring voor recht dat verzekeraar niet meer verschuldigd is aan benadeelde toegewezen, BGK niet redelijk

Samenvatting:

Whiplash, ongeval 2015, DGA van twee B.V.’s. 1. De rechtbank verklaart voor recht dat de verzekeraar (eiser) ter zake van het ongeval niets meer aan gedaagde verschuldigd is. Door verzekeraar is € 7000,- aan voorschotten betaald. De rechtbank stelt vast dat de winst van de B.V. I] vanaf 2015 een stijgende lijn laat zien, zodat op basis daarvan niet kan worden aangenomen dat de onderneming financieel schade lijdt door het feit dat gedaagde (zoals hij stelt) beperkt inzetbaar is. Gedaagde heeft weliswaar het standpunt ingenomen dat hij in 2018 een deelopdracht in een project van € 2 miljoen is misgelopen doordat hij deze niet zelf kon begeleiden, maar hij heeft nagelaten deze stelling te onderbouwen. 2. BGK doorstaan redelijkheidstoets niet. Vast staat dat verzekeraar € 7.740,08 aan BGK heeft vergoed, terwijl niet is komen vast te staan dat schade méér bedraagt dan de reeds vergoede € 7.000. Om die reden kan de rechtbank niet vaststellen dat de gevorderde BGK in redelijke verhouding staan de schade.

 

 

ECLI:NL:RBDHA:2019:10304

 

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

25-09-2019

Datum publicatie

11-10-2019

Zaaknummer

C/09/554308 / HA ZA 18-643

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Eerste aanleg – meervoudig

Inhoudsindicatie

 

Letselschade. Vordering verzekeraar te verklaren voor recht dat zij niets meer verschuldigd is aan slachtoffer toegewezen. Niet komen vast te staan dat schade hoger is dan betaalde voorschotten. Gevorderde BGK voldoen niet aan dubbele redelijkheidstoets

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

 

Team handel

 

zaaknummer / rolnummer: C/09/554308 / HA ZA 18-643

 

Vonnis van 25 september 2019

 

in de zaak van

 

SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ N.V. te Nijmegen,

 

eiseres in conventie,

 

verweerster in reconventie,

 

advocaat mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem,

 

tegen

 

[gedaagde] te [plaats],

 

gedaagde in conventie,

 

eiser in reconventie,

 

advocaat mr. O. Emre te Rotterdam.

 

Partijen zullen hierna Bovemij en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

de inleidende dagvaarding van 1 juni 2018 met producties 1 tot en met 14;

 

de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 15;

 

de akte vermeerdering van eis in reconventie;

 

het tussenvonnis van 12 september 2018, waarin een comparitie van partijen voor de meervoudige kamer van deze rechtbank is bepaald;

 

de conclusie van antwoord in reconventie;

 

het proces-verbaal van comparitie van 27 juni 2019 en de daarin genoemde stukken.

 

1.2.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

 

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is, met hun instemming, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen op de verslaglegging te maken. Bovemij heeft bij brief van 16 juli 2019 van die mogelijkheid gebruik gemaakt. [gedaagde] heeft op zijn beurt bij brief van 17 juli 2019 op het commentaar van Bovemij gereageerd. De rechtbank zal hierna – voor zover van belang – ingaan op de opmerkingen van partijen.

2 De feiten

2.1.

 

[gedaagde] is op 27 of 28 januari 2015 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij is toen als bestuurder van een bestelbus van achteren aangereden door een auto, die voor wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd bij Bovemij. Door deze aanrijding is [gedaagde] “doorgedrukt” op zijn voorganger. Bovemij heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.2.

 

De avond na het ongeval heeft [gedaagde] zich gemeld op de spoedeisende hulp van het [Ziekenhuis]. Op de gemaakte CT-scan en röntgenfoto waren geen afwijkingen zichtbaar aan de wervelkolom.

2.3.

 

Op 30 januari 2015 heeft [gedaagde] zich gewend tot neuroloog [de neuroloog]. Die heeft geconcludeerd dat [gedaagde] last had van zijn spieren, maar kon ook druk op de zenuwwortel laag in de halswervelkolom links (C8) niet geheel uitsluiten. [de neuroloog] concludeerde tot een afwachtend beleid.

2.4.

 

Op 13 november 2015 heeft [gedaagde] opnieuw een neuroloog geconsulteerd. Omdat op de in januari 2015 uitgevoerde scan en röntgenfoto geen afwijkingen aan de wervelkolom zichtbaar waren, heeft de neuroloog geconcludeerd dat de nekklachten van [gedaagde] spierklachten zijn. Hoewel een verricht EMG daarover geen uitsluitsel bood, weet de neuroloog de tintelingen in de linkerarm en -hand van [gedaagde] aan druk op de ulnaris zenuw in de elleboog. Op verzoek van de neuroloog is in januari 2016 een MRI gemaakt van de halswervelkolom. Ook uit dit onderzoek zijn geen bijzonderheden gebleken.

2.5.

 

[gedaagde] klaagt sinds het ongeval over nek- en rugklachten, inclusief een verdoofd gevoel en tintelingen aan de linkerarm en -hand. Ook maakt [gedaagde] melding van hoofdpijn, concentratiestoornissen, pijn achter de ogen en slaapproblemen. Hij is al langere tijd onder behandeling bij een fysiotherapeut en heeft ook psychologische begeleiding.

2.6.

 

[gedaagde] is sinds 1997 enig eigenaar / aandeelhouder van [B.V. I] Deze onderneming is actief op het gebied van grondverzet. Daarnaast heeft [gedaagde] in het voorjaar van 2015 de onderneming [B.V. II] opgericht. Deze laatste onderneming, waarin werkzaamheden van een garagebedrijf werden gedreven, heeft haar activiteiten in 2017 beëindigd.

2.7.

 

Bovemij en [gedaagde] hebben door tussenkomst van de door hen ingeschakelde partijen (drs. [A] namens Bovemij en – aanvankelijk – [X] namens [gedaagde]) geprobeerd de schade in onderling overleg te regelen. Dat is hen niet gelukt. [A] heeft [gedaagde] namens Bovemij gevraagd om nadere informatie over (onder andere) zijn inkomen voor en na het ongeval en de opdrachtgevers van zijn ondernemingen. Deze informatie is slechts deels door [gedaagde] aangeleverd.

2.8.

 

Ook de medisch adviseurs van partijen verschillen met elkaar van mening. De medisch adviseur van [gedaagde] meent dat [gedaagde] lijdt aan een chronisch zogenoemd Whiplash Associated Disorder (graad I of II). De medisch adviseur van Bovemij stelt zich op het standpunt dat er geen lichamelijke oorzaak valt aan te wijzen van de klachten van [gedaagde], zodat volgens hem de vraag resteert of er een psychische oorzaak bestaat voor de klachten en of die psychische oorzaak het gevolg is van het ongeval. De medisch adviseur van Bovemij heeft verzocht om aanvullende informatie van de behandelaren van [gedaagde] en om informatie over de medische situatie van [gedaagde] voorafgaand aan het ongeval. [gedaagde] heeft ook deze informatie maar gedeeltelijk verstrekt.

2.9.

 

Tot op heden heeft Bovemij aan [gedaagde] een bedrag van € 7.000 aan voorschotten betaald en € 7.740,08 aan buitengerechtelijke kosten.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

 

Bovemij vordert, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

Primair: een verklaring voor recht dat Bovemij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is ter zake van het ongeval;

 

Subsidiair: vaststelling van de eventueel resterende schadevergoedingsverplichting van Bovemij jegens [gedaagde] als gevolg van het ongeval;

 

Primair en subsidiair: veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

 

[gedaagde] voert verweer.

 

in reconventie

3.3.

 

[gedaagde] vordert, na vermeerdering van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

  1. een verklaring voor recht dat Bovemij de buitengerechtelijke kosten van € 6.465,18 moet betalen;

 

  1. Bovemij te gelasten haar medewerking te verlenen aan het inschakelen van een rekenkundige en het uitvoeren van een neurologische expertise ter vaststelling van het causaal verband en de schade van [gedaagde];

 

III. Bovemij te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.4.

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in reconventie

4.1.

 

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de vorderingen van [gedaagde] in reconventie beoordelen.

4.2.

 

[gedaagde] vordert dat Bovemij zal worden veroordeeld mee te werken aan het inschakelen van een neuroloog en een rekenkundige om – zo begrijpt althans de rechtbank – de medische en financiële schade van [gedaagde] als gevolg van het ongeval vast te stellen. [gedaagde] heeft zijn wens tot benoeming van een neuroloog onderbouwd door te stellen dat hij lijdt aan “whiplashachtige” klachten en dat de medisch adviseurs van partijen het niet eens zijn geworden over de vraag of [gedaagde] door het ongeval überhaupt letsel heeft opgelopen. [gedaagde] wil daarnaast dat een rekenkundige het inkomensverlies van [gedaagde] becijfert. Hij heeft zich echter, hoewel hij daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, niet uitgelaten over de vraag op basis van welke gegevens en uitgangspunten de rekenkundige zijn berekeningen zal moeten maken.

4.3.

 

De rechtbank stelt voorop dat op [gedaagde] de stelplicht en de bewijslast liggen van zijn stelling dat hij schade lijdt als gevolg van het ongeval. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] zijn stelling dat het ongeval voor hem heeft geleid tot financiële schade – mede gelet op het gemotiveerde verweer van Bovemij – echter niet voldoende feitelijk onderbouwd. De rechtbank onderbouwt dit oordeel als volgt.

 

inkomensverlies [gedaagde] in privé?

4.4.

 

[gedaagde] heeft op verzoek van de rechtbank zijn aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2018 overgelegd. Daaruit blijkt dat [gedaagde] in de loop van de jaren het volgende belastbare inkomen heeft genoten:

 

jaar

 

 

belastbaar inkomen

 

2014

 

 

€ 40.259

 

2015

 

 

€ 45.726

 

2016

 

 

€ 35.893

 

2017

 

 

€ 42.263

 

2018

 

 

€ 46.814

4.5.

 

Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] alleen in 2016 een lager inkomen heeft genoten dan vóór het ongeval het geval was. Overigens heeft [gedaagde] blijkens zijn aangifte IB over dat jaar een salaris vanuit [B.V. I] ontvangen van € 41.619. Op grond waarvan de belastingdienst niettemin een lager verzamelinkomen heeft vastgesteld, is niet duidelijk geworden.

4.6.

 

Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij als gevolg van het ongeval (in privé) inkomensverlies heeft geleden, is de juistheid van dat standpunt in het licht van het vorenstaande niet komen vast te staan.

 

inkomensverlies ondernemingen [gedaagde]?

4.7.

 

[gedaagde] is sinds 1997 dga van zijn onderneming [B.V. I] en is tussen 2015 en 2017 ook dga geweest van [B.V. II] Hoewel deze ondernemingen geen partij zijn in deze procedure, heeft Bovemij geopperd om bij de beoordeling van het inkomensverlies van [gedaagde] ook de financiële positie van de ondernemingen van [gedaagde] te betrekken. De rechtbank heeft [gedaagde] daarom verzocht om jaarrekeningen van [B.V. I] over de jaren 2013 tot en met 2018 in het geding te brengen en jaarrekeningen van [B.V. II] over de jaren 2015 tot en met 2017.

4.8.

 

[gedaagde] heeft vervolgens overgelegd:

 

 

de jaarrekeningen van [B.V. I] over de jaren 2013 en 2014;

 

de proef- en saldibalans van [B.V. I] over het jaar 2015;

 

de resultatenrekening van [B.V. I] over de jaren 2016 en 2017;

 

de (niet volledig ingevulde) aangifte vennootschapsbelasting van [B.V. II] over 2015;

 

de proef- en saldibalans van [B.V. II] over 2015, 2016 en 2017.

 

4.9.

 

Daarmee heeft [gedaagde] deels aan het verzoek van de rechtbank voldaan. Met inachtneming van het feit dat de rechtbank niet beschikt over de vastgestelde jaarrekeningen van de ondernemingen over alle relevante jaren (anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd kunnen de proef- en saldibalansen niet als zodanig worden aangemerkt), leidt de rechtbank uit de wél beschikbare stukken het volgende af:

 

[B.V. I]

 

 

[B.V. II]

 

jaar

 

 

resultaat voor belastingen

 

 

jaar

 

 

resultaat voor belastingen

 

2012

 

 

€ – 55.936

 

 

2013

 

 

€ – 23.214

 

 

2014

 

 

€ 45.205

 

 

2015

 

 

€ – 92.710

 

 

2015

 

 

€ – 5.580

 

2016

 

 

€ – 23.196

 

 

2016

 

 

€ – 1.213

 

2017

 

 

€ 70.723

 

 

2017

 

 

€ – 714

 

2018

 

 

€ 204.325

 

4.10.

 

Uit deze cijfers blijkt dat [B.V. I] in 2012 en 2013 verlieslatend was, en dat in 2014 winst is behaald. In 2015 (het jaar waarin [gedaagde] het ongeval overkwam) is een fors verlies gedraaid. In 2016 was een significante verbetering te zien, maar leed [B.V. I] nog altijd verlies ter hoogte van ongeveer het verlies in 2013 (voorafgaand aan het ongeval). 2017 en 2018 waren vervolgens een succesvol, respectievelijk zeer succesvol jaar.

4.11.

 

Over de vraag of het verlies in 2015 het gevolg was van het ongeval, heeft [gedaagde] gesteld dat CIAG, de belangrijkste opdrachtgever van [B.V. I], vanaf medio 2015 geen opdrachten gaf omdat de kwaliteit van het werk als gevolg van zijn verminderde inzetbaarheid te wensen overliet. Pas vanaf het eind van het jaar ontving [B.V. I] weer opdrachten van CIAG, aldus [gedaagde]. [gedaagde] heeft nagelaten deze stellingen te voorzien van een onderbouwing. Bovemij heeft over het verlies van [B.V. I] in 2015 het standpunt ingenomen dat de omzet ook voorafgaand aan het ongeval al zeer wisselend was. Niet alleen fluctueerden omzet en winst van jaar tot jaar (zij heeft er in dit verband op gewezen dat [B.V. I] ook in 2012 en 2013 met verlies draaide), maar ook binnen het jaar waren er grote schommelingen. Bovemij heeft in verband met het laatste verwezen naar een brief van [A] aan mr. Emre van 5 mei 2017, met daarin een aan de hand van de grootboekkaarten opgemaakt overzicht van de maandelijkse omzet van [B.V. I] (productie 14 bij dagvaarding). Uit dit overzicht blijkt dat de omzet van [B.V. I] in 2014 gemiddeld € 42.475 per maand was, maar dat hierin uitschieters zitten van € – 2.879 (juli 2014) tot € 100.433,04 (februari 2014). Bovemij heeft erop gewezen dat de omzet in januari 2015 maar € 3.000 bedroeg. Omdat het ongeval pas eind januari 2015 plaatsvond, kan deze lage omzet volgens Bovemij niet het gevolg zijn van het ongeval.

 

Ook heeft Bovemij aangevoerd dat […], een grote opdrachtgever van [B.V. I], in maart 2015 failliet ging en dat CIAG in augustus 2015 werd overgenomen door een veel groter bedrijf. Beide omstandigheden hebben, aldus nog steeds Bovemij, geleid tot een (in ieder geval tijdelijke) daling van het aantal opdrachten, en dus van de omzet van [B.V. I] Tot slot wijt Bovemij de lage winst in 2015 aan het feit dat [gedaagde] in de zomer van dat jaar enige tijd niet inzetbaar is geweest wegens nierstenen. Deze omstandigheden hebben geen van alle te doen met het ongeval, maar verklaren volgens Bovemij wel de tegenvallende winst in 2015. [gedaagde] heeft de stellingen van Bovemij met alleen zijn eigen (niet onderbouwde) verklaring over de werkzaamheden van [B.V. I] voor CIAG onvoldoende bestreden, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan.

4.12.

 

De rechtbank stelt vast dat de winst van [B.V. I] vanaf 2015 een stijgende lijn laat zien, zodat op basis daarvan niet kan worden aangenomen dat de onderneming financieel schade lijdt door het feit dat [gedaagde] (zoals hij stelt) beperkt inzetbaar is. [gedaagde] heeft weliswaar op zitting nog het standpunt ingenomen dat hij in 2018 een deelopdracht in een project met een totale omzet van € 2 miljoen is misgelopen doordat hij deze niet zelf kon begeleiden, maar hij heeft nagelaten deze stelling te onderbouwen. De rechtbank kan deze stelling (die door Bovemij is betwist) daarom niet tot uitgangspunt nemen bij de beoordeling van dit geschil.

4.13.

 

Voor zover [gedaagde] het standpunt heeft willen innemen dat de resultaten van [B.V. I] in het verleden niet maatgevend zijn voor de toekomstverwachtingen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Vast staat dat [gedaagde] vanaf 1997 dga is van [B.V. I] en dat hij sinds die tijd eenzelfde werkwijze had. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] voorafgaand aan het ongeval concrete plannen had zijn bedrijfsvoering te veranderen en dat dit zou hebben geleid tot een hogere winstverwachting.

4.14.

 

Ten aanzien van [B.V. II] is gebleken dat deze onderneming in de drie jaar waarin zij werkzaamheden heeft ontplooid, verlieslatend is geweest. [gedaagde] heeft geen stellingen ingenomen over de prognoses voor [B.V. II], wanneer het ongeval hem niet overkomen was. [gedaagde] heeft er ter zitting terecht op gewezen dat in het algemeen niet al te hoge eisen mogen worden gesteld aan de stellingen van een slachtoffer van een ongeval, als het gaat om de vraag in welke situatie hij zou hebben verkeerd zonder ongeval. Het is immers de schadetoebrengende partij geweest, die het slachtoffer in de positie heeft gebracht dat de situatie zonder ongeval een hypothetische is geworden. Dat neemt echter niet weg, dat wel van een slachtoffer kan worden verlangd dat hij enige stelling inneemt over de situatie waarin hij zou hebben verkeerd wanneer hem het ongeval niet zou zijn overkomen en dat hij deze stelling – afhankelijk van de mate waarin verweer wordt gevoerd – ook onderbouwt. Dit alles heeft [gedaagde] nagelaten.

4.15.

 

Daarbij komt dat [gedaagde] de tegenvallende resultaten van [B.V. II] wijt aan zijn eigen verminderde inzetbaarheid. Bovemij heeft er echter terecht op gewezen dat [gedaagde] volgens zijn eigen stellingen al bijna dag en nacht bezig was met [B.V. I] Zij heeft in dit verband verwezen naar de rapportages van de eerste belangenbehartiger van [gedaagde], [X] (productie 1 bij dagvaarding, pagina IV) en die van de expert van Bovemij (productie 2 bij dagvaarding, pagina’s 6 en 7). Blijkens de beide rapportages heeft [gedaagde] verklaard dat hij voorafgaand aan het ongeval op werkdagen werkte van ongeveer 4:30 uur tot 20:00 uur, waarbij hij een aantal avonden per week ‘s avonds thuis ook nog een uur bezig was met de administratie. In de weekenden werkte [gedaagde] volgens zijn eigen verklaringen nog zo’n 4 tot 5 uur per dag. [gedaagde] heeft die verklaring ter zitting in grote lijnen bevestigd, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Gelet op deze verklaringen valt niet goed in te zien hoe [gedaagde] ook nog tijd had willen vrijmaken voor [B.V. II] [gedaagde] heeft weliswaar verklaard dat hij van plan was om zich de eerste maanden vooral te richten op [B.V. II], maar onduidelijk is gebleven hoe dit standpunt zich verhoudt tot zijn eigen stelling dat zijn verminderde inzetbaarheid binnen [B.V. I] heeft geleid tot een daling van de kwaliteit van het geleverde werk en daardoor tot een (tijdelijk) verlies van klanten.

4.16.

 

Bij die stand van zaken is niet komen vast te staan dat de resultaten van [B.V. II] negatief zijn beïnvloed door het ongeval van [gedaagde].

4.17.

 

Nu onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat [gedaagde] als gevolg van het ongeval (privé of zakelijk) financiële schade heeft geleden, bestaat er geen aanleiding een rekenkundige in te schakelen om de omvang van het inkomensverlies te becijferen. Om diezelfde reden kan ook benoeming van een neuroloog achterwege blijven. Ook als uit medisch onderzoek zou blijken dat sprake is van lichamelijke klachten (waarbij de neuroloog volgens de voor hem geldende richtlijnen geen beperkingen mag vaststellen), geldt dat gesteld noch gebleken is dat de betaling door Bovemij van het voorschot van € 7.000 niet een voldoende vergoeding inhoudt van de door [gedaagde] gelden schade.

4.18.

 

In het licht van het vorenstaande zal de vordering van [gedaagde] als genoemd in 3.3 onder II worden afgewezen.

 

buitengerechtelijke kosten

4.19.

 

[gedaagde] vordert daarnaast een verklaring voor recht dat Bovemij de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 6.465,18 moet vergoeden. Op grond van artikel 6:96 lid 2 BW komen als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking (kort gezegd) redelijke kosten die gemaakt zijn ter voorkoming of beperking van schade, ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, en ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Volgens vaste rechtspraak komen buitengerechtelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking als ze voldoen aan de zogenoemde “dubbele redelijkheidstoets”. Dit houdt in dat de aansprakelijke partij de buitengerechtelijke kosten moet vergoeden wanneer het in de gegeven omstandigheden verantwoord was om kosten te maken (de eerste toets) en als de hoogte van de gevorderde kosten redelijk is (de tweede toets).

4.20.

 

Naar het oordeel van de rechtbank doorstaan de door [gedaagde] gevorderde kosten in ieder geval niet de tweede toets. Vast staat dat Bovemij tot op heden € 7.740,08 aan buitengerechtelijke kosten heeft vergoed, terwijl niet is komen vast te staan dat de door [gedaagde] door het ongeval geleden schade méér bedraagt dan de reeds vergoede € 7.000. Om die reden kan de rechtbank niet vaststellen dat de hoogte van de door [gedaagde] gevorderde buitengerechtelijke kosten redelijk is in verhouding tot zijn daadwerkelijk geleden schade. Dit geldt eens te meer nu het een overzichtelijke zaak betreft en Bovemij reeds aansprakelijkheid had erkend toen de huidige advocaat van [gedaagde] de behandeling van de zaak overnam van de vorige belangenbehartiger. Bovendien maken de declaraties waarvan [gedaagde] nu vergoeding vordert (althans, waarop de gevorderde verklaring voor recht ziet) melding van een grote hoeveelheid telefoongesprekken en e-mails waarbij een toelichting en onderbouwing ontbreekt. [gedaagde] heeft niet voldoende onderbouwd of inzichtelijk gemaakt waarop deze contacten betrekking hadden en of deze nodig waren voor een doelmatige behandeling van zijn dossier. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Tot slot heeft de advocaat van [gedaagde] in reactie op de naar oordeel van de rechtbank alleszins redelijke verzoeken van Bovemij om het verstrekken van (financiële en medische) informatie en stukken, allerminst adequaat en voortvarend gereageerd. Ook om die reden kunnen de aard en de omvang van de in rekening gebrachte kosten de hiervoor genoemde toets niet doorstaan. De gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten (zie 3.3 onder I) zal dan ook worden afgewezen.

4.21.

 

Bij die stand van zaken kan het verweer van Bovemij dat [gedaagde] niet-ontvankelijk is in zijn vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten onbesproken blijven, nu een oordeel over de door Bovemij verschuldigde schadevergoeding ook een oordeel inhoudt over de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten.

 

proceskosten

4.22.

 

Nu [gedaagde] in reconventie in het ongelijk is gesteld, zal hij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Bovemij. Deze worden (in reconventie) begroot op € 461 (2 punten x 0,5 x tarief € 461).

4.23.

 

Voor de gevorderde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal als niet weersproken worden toegewezen zoals gevorderd.

 

in conventie

4.24.

 

In conventie vordert Bovemij (primair) een verklaring voor recht dat Bovemij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is ter zake van het ongeval. Nu Bovemij in dit geval de eisende partij is, rusten op haar de stelplicht en bewijslast van haar stelling dat de schade van [gedaagde] niet méér bedraagt dan het bedrag van € 7.000 dat zij aan hem heeft uitbetaald. Dat neemt niet weg dat het op de weg van [gedaagde] ligt om zijn betwisting voldoende te onderbouwen, met name nu het gaat om feiten en omstandigheden die zich in zijn sfeer bevinden.

4.25.

 

Bovemij heeft er ter onderbouwing van haar standpunt op gewezen dat er geen lichamelijke oorzaak is gevonden van de klachten van [gedaagde], en dat bovendien niet is gebleken dat [gedaagde] privé of zakelijk financiële schade heeft ondervonden van het ongeval. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de weergave van de stellingen van Bovemij bij de bespreking van de vorderingen in reconventie. [gedaagde] heeft volstaan met zeer algemene stellingen, inhoudend dat hij lichamelijke klachten ondervindt en dat er wel sprake is van een inkomensterugval. [gedaagde] heeft zijn stellingen echter niet of nauwelijks onderbouwd. De rechtbank vindt de stellingen van [gedaagde] een onvoldoende betwisting van de stellingname van Bovemij. Dit betekent dat de primaire vordering van Bovemij zal worden toegewezen.

 

proceskosten

4.26.

 

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij ook in de proceskosten van Bovemij in conventie worden veroordeeld. Deze worden begroot op:

 

– dagvaarding € 84,21

 

– griffierecht 626,00

 

– salaris advocaat 922,00 (2,0 punten × tarief € 461,00)

 

Totaal € 1.632,21

4.27.

 

De door Bovemij gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal als niet weersproken worden toegewezen. De gevorderde nakosten zullen – evenals in reconventie – worden afgewezen nu voor afzonderlijke veroordeling tot betaling daartoe geen grond bestaat.

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

in conventie

5.1.

 

verklaart voor recht dat Bovemij ter zake van het ongeval niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,

5.2.

 

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Bovemij tot op heden begroot op € 1.632,21, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

 

in reconventie

5.3.

 

wijst de vorderingen af,

5.4.

 

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Bovemij tot op heden begroot op € 461, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, mr. J.L.M. Luiten en mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey