Rb: uitglijdende voetganger komt onder wiel van vertrekkende bus: overmacht art 185 WVW

Samenvatting:

Eiser rent naar bus en glijdt uit over blindegeleidetegel van aluminium in stoep bij bushalte. Daardoor komt hij met voet onder het voorwiel van de juist vertrekkende bus. De rechtbank oordeelt dat sprake is van overmacht (art 185 WVW). Uit de camerabeelden en de verklaring van eiser volgt dat eiser als het ware een sliding heeft gemaakt in de richting van de bus. De rechtbank is op grond van de camerabeelden van oordeel dat de bestuurster van de bus ter zake van het ontstaan van het ongeval rechtens geen enkel verwijt treft en dat het ongeval slechts te wijten is aan een fout van eiser waarmee de bestuurster redelijkerwijs geen rekening behoefde te houden.

 

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

 

Cluster II Handelszaken

Middelburg

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/02/352827 /HAZA 18-873

 

Vonnis van 14 augustus 2019

 

in de zaak van

 

[EISER],

wonende te Tilburg, eiser,

advocaat mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

 

tegen

 

  1. de naamloze vennootschap

TRANSDEV NOORD BRABANT NV h.o.d.n. VEOLIA TRANSPORT BRABANT,

gevestigd te Bergen op Zoom,

  1. de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag, gedaagden,

advocaat mr. A.K. Sjouw te Den Haag.

 

 

Partijen worden hierna [eiser]; Veolia en NN genoemd.

 

  1. De procedure

 

1.1.        Het verloop van de procedure blijkt uit:

–              het tussenvonnis van 3 april 2019;

–              de door [eiser] overgelegde productie 18;

–              het proces-verbaal van comparitie van 20 mei 2019.

 

1.2.        Ten slotte is vonnis bepaald.

 

  1. Het geschil

 

2.1.        [eiser] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat Veolia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld in verband met het ongeval dat zich op 3 december 2013 heeft voorgedaan en Veolia en NN hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade, alsmede hoofdelijke veroordeling van Veolia en NN tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat, vermeerderd met kosten.

 

2.2.        Veolia en NN voeren verweer.

 

2.3.        Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan voor zover deze van belang zijn.

 

  1. De beoordeling

 

3.1.        De rechtbank gaat uit van de volgende feiten :

  1. a) Op 3 december 2013 omstreeks 19.11 uur heeft zich op de Statenlaan bij de bushalte ter hoogte van de Westermarkt te Tilburg een ongeval voorgedaan waarbij [eiser] en een lijnbus van Veolia betrokken waren. [eiser] is over de Westermarkt naar de bus gerend die zich bij de bushalte bevond in een poging de bus te halen. Toen hij rennend bij de bus aankwam, is hij uitgegleden over een blindegeleidetegel van aluminium in de stoep bij de bushalte. Als gevolg daarvan is hij met zijn rechtervoet onder het rechtervoorwiel van de juist vertrekkende bus terechtgekomen.
  2. b) Als gevolg van het ongeval heeft [eiser] letsel opgelopen. [eiser] heeft verschillende keren in het ziekenhuis gelegen en verschillende operaties ondergaan.
  3. c) De aansprakelijkheid van de bus was ten tijde van het ongeval op grand van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen verzekerd bij NN.
  4. d) [eiser] heeft Veolia aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. NN heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
  5. e) Partijen hebben beelden in het geding gebracht van een camera die zich in de bus bevond (hierna: de camerabeelden).

 

3.2.        [eiser] grondt zijn vordering op artikel 185 WVW. Hij stelt dat hij als gevolg van de val met een deel van zijn voet klem is komen te zitten onder het wiel van de bus en dat de buschauffeur toen is gestopt. Vervolgens is de buschauffeur volgens [eiser], ondanks oogcontact met hem omstreeks het moment van de val, het geluid dat werd geproduceerd doordat hij in zijn val met zijn arm tegen de zijkant  van de  bus heeft geslagen en waarschuwingen van passagiers in de bus dat de buschauffeur  diende te  stoppen,  voor een tweede keer opgetrokken en is de bus met een draaiende beweging over zijn voet is gereden waardoor het letsel is ontstaan.

 

3.3.        Veolia en NN beroepen zich primair op overmacht. Daarnaast beroepen zij zich op eigen schuld.

 

3.4.        Artikel 185 lid 1 WVW bepaalt voor zover hier van belang dat indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen, de eigenaar van het motorrijtuig verplicht is om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval te wijten is aan overmacht. Het beroep op overmacht gaat slechts op als de eigenaar van het motorrijtuig aannemelijk maakt dat aan de bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan warden gemaakt, daar de aanrijding uitsluitend te wijten is aan fouten van andere weggebruikers. Daarbij zijn eventuele fouten van andere weggebruikers – daaronder begrepen het slachtoffer zelf – alleen van belang, indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Het is aan Veolia en NN om feiten te stellen en aannemelijk te maken waaruit blijkt dat het ongeval is te wijten aan overmacht.

 

3.5.        Uit de camerabeelden blijkt dat [eiser] de bus rennend is genaderd op het moment dat de bus juist weer was gaan rijden (0:27 seconden op de camerabeelden), nadat de bus enige tijd stil had gestaan om passagiers de gelegenheid te bieden uit te stappen. De voorste deuren van de bus zijn daarbij niet open geweest. Ongeveer een seconde nadat de bus zich in beweging had gezet om vanaf de bushalte links de rijbaan op te rijden, is [eiser] al rennend vlakbij de bus uitgegleden – en met zijn voet onder het wiel van de bus terechtgekomen (0:28 seconden op de camerabeelden). Enkele seconden daarna is de bus tot stilstand gekomen (0:30 seconden op de camerabeelden). Een seconde daarna is de bus weer in beweging gekomen (0:31 seconden op de camerabeelden), waarna deze een seconde later weer is gestopt (0:32 op de camerabeelden).

 

3.6.        Uit de camerabeelden en de verklaring over de toedracht van [eiser] ter zitting volgt dat [eiser] als het ware een sliding heeft gemaakt in de richting van de bus, zoals een voetballer dat doet op het voetbalveld. De rechtbank is op grond van de camerabeelden van oordeel dat de bestuurster van de bus ter zake van het ontstaan van het ongeval rechtens geen enkel verwijt treft en dat het ongeval slechts te wijten is aan een fout van [eiser] waarmee de bestuurster redelijkerwijs geen rekening behoefde te houden. Dat wordt niet anders indien deze bestuurster, zoals [eiser] stelt maar Veolia en NN betwisten, [eiser] heeft zien komen aanlopen. Dat brengt immers niet mee dat de bestuurster er rekening mee diende te houden dat [eiser], niettegenstaande de omstandigheid dat de bus zich in beweging had gezet, met onverminderde snelheid zou doorrennen, zou uitglijden over de blindegeleidetegel en op de wijze zoals hiervoor is omschreven onder de bus terecht zou komen. Dat [eiser] onder de bus terecht zou komen was voor de bestuurster zo onwaarschijnlijk dat zij daar redelijkerwijs geen rekening mee behoefde te houden.

 

3.7.        De rechtbank verwerpt de stelling van [eiser] met verwijzing naar getuigenverklaringen dat de bestuurder van de bus op grond van de door [eiser] gestelde signalen (oogcontact bij val, schreeuwen bij val, bonzen tegen zijkant van de bus, waarschuwingen passagiers) behoorde te begrijpen dat er iemand onder de bus terecht kon zijn gekomen op het moment dat de bus voor de tweede keer in beweging is gekomen en dat de buschauffeur in zoverre een verwijt treft ter zake van het ontstaan van het ongeval. De bij dagvaarding betrokken stelling dat de buschauffeur oogcontact had met [eiser] toen hij viel, strookt niet met de verklaring van [eiser] ter zitting dat de buschauffeur hem heeft gezien toen hij kwam aanlopen en ongeveer tien meter van de bus verwijderd was, zodat die stelling door de rechtbank wordt gepasseerd. Dat de inzittenden van de bus de buschauffeur hebben gewaarschuwd voordat de bus voor de tweede keer in beweging is gekomen, blijkt niet uit de camerabeelden. Uit die beelden blijkt dat pas nadat de bus voor de tweede keer is gestopt (0:32 camera 1, 2 en 3) door passagiers in de bus wordt gereageerd (0:33 camera 2). Ook indien de buschauffeur schreeuwen en bonzen heeft gehoord (hetgeen door Veolia en NN wordt weersproken), client er gelet op het korte tijdsverloop van de gebeurtenissen van te worden uitgegaan dat de buschauffeur de bus direct tot stilstand heeft gebracht toen haar duidelijk was dat er iemand onder de bus terecht was gekomen.

 

3.8.        Voor zover [eiser] betoogt dat het rechtens relevante gedrag voor het ontstaan van het ongeval slechts bestaat in het doorrijden van de buschauffeur nadat zijn voet klem was komen te zitten en het uitglijden van hem dus niet relevant is, verwerpt de rechtbank dit betoog. Het verkeersongeval zoals bedoeld in artikel 185 WVW is ontstaan als gevolg van de hiervoor genoemde gedragingen van [eiser] (met onverminderde snelheid de bus naderen en uitglijden). Gelet op de korte tijd waarin de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld; is sprake van een ongeval, ook al is er sprake van twee van elkaar te onderscheiden bewegingen van de bus.

 

3.9.        In het licht van het voorgaande slaagt het beroep op overmacht en dienen de vorderingen van [eiser] te worden afgewezen. De rechtbank komt niet toe aan de bespreking van de overige door Veolia en NN gevoerde verweren.

 

3.10.      [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Veolia en NN worden begroot op:

–              griffierecht                                        € 626,–

–              salaris advocaat (2 pnt x € 543)  € 1.086,–

totaal                                                                   € 1.712,–

De gevorderde nakosten en wettelijke rente zullen op na te melden wijze worden toegewezen .

 

  1. De beslissing

 

De rechtbank

 

4.1.        wijst de vorderingen van [eiser] af;

 

4.2.        veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van Veolia en NN begroot op€ 626,00 aan verschotten en€ 1.086,00 voor salaris en op € 157,00 voor nasalaris, te vermeerderen met€ 82,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijk rente, indien niet binnen veertien dagen na dit vonnis dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

4.3         verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4 .4.       wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2019.

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey