Rb: toedracht ongeval niet bewezen na betwisting, werkgever niet aansprakelijk ex art 7:658 BW

Samenvatting:

Werknemer stelt dat hij is geraakt door graafmachine en daardoor letsel heeft opgelopen; door werkgever wordt dit betwist. De kantonrechter overweegt:  Hoewel het niet aan de werknemer is om de exacte toedracht van het ongeval te schetsen, dient hij conform de hoofdregel wel te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Gelet op de uitgebreide en gemotiveerde betwisting van werkgever, kan eiser niet volstaan met de enkele stelling, inhoudende dat hij is geraakt door een graafmachine en daarbij gewond is geraakt, welke stelling op geen enkele wijze is onderbouwd of steun vindt in de door eiser overgelegde stukken. Van belang daarbij is dat uit de verklaring van de graafmachinebestuurder volgt dat hij uitdrukkelijk betwist eiser te hebben geraakt. Daarbij komt, dat ook in de verklaring van het ziekenhuis de door eiser omschreven toedracht niet wordt ondersteund.

 

ECLI:NL:RBROT:2020:1708

 

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

31-01-2020

Datum publicatie

28-02-2020

Zaaknummer

8090398 CV EXPL 19-43737

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

De door eiser gevorderde verklaring voor recht, inhoudende dat gedaagden ex artikel 7:658 BW aansprakelijk zijn, wordt afgewezen. Eiser heeft onvoldoende duidelijkheid gegeven over de toedracht van het ongeval.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

 

zaaknummer: 8090398 CV EXPL 19-43737

 

uitspraak: 31 januari 2020

 

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

 

wonende te Groningen,

 

eiser,

 

gemachtigde: mr. A. Quispel, advocaat te Oud-Beijerland,

 

tegen

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

NESFLEX B.V.,

 

gevestigd te Voorburg,

 

gedaagde sub 1,

 

procederend in persoon,

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

REIJM NIEUWERKERK TRANSPORT B.V.,

 

gevestigd te Rotterdam,

 

gedaagde sub 2,

 

gemachtigde: mr. A.K. Sjouw, advocaat te Den Haag.

 

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ”, “Nesflex” en “Reijm”. Nesflex en Reijm worden hierna tezamen aangeduid als “gedaagden”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

 

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

 

 

het exploot van dagvaarding van 26 september 2019 met één productie;

 

de aantekeningen d.d. 10 oktober 2019 van het mondelinge antwoord van Nesflex;

 

het tussenvonnis d.d. 10 oktober 2019 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

 

de door [eiser] overgelegde productie 2, ter griffie binnengekomen op 23 oktober 2019;

 

de conclusie van antwoord met producties van Reijm;

 

de door [eiser] bij brief d.d. 12 november 2019 overgelegde productie 3.

 

1.2

 

De comparitie van partijen is gehouden op 4 december 2019. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

1.3

 

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter nader op heden bepaald.

2 De vaststaande feiten

 

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

 

[eiser] is met uitzendbureau Nesflex een uitzendovereenkomst aangegaan.

2.2

 

Per 26 februari 2018 is [eiser] via Nesflex te werk gesteld bij Reijm.

2.3

 

Vanaf februari 2018 tot en met 2 september 2018 heeft [eiser] , bij gebreke aan een eigen woon- en verblijfplaats, in een caravan op het terrein van Reijm verbleven.

3 De vordering

3.1

 

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

  1. te verklaren voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval dat zich op 16 augustus 2018 heeft voorgedaan en wel op grond van de artikelen 7:658 lid 2 en 7:658 lid 4 BW;

 

  1. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de door hem geleden schade als gevolg van het arbeidsongeval van 16 augustus 2018, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 

III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2

 

Aan zijn vordering heeft [eiser] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.3

 

[eiser] is met Nesflex een arbeidsovereenkomst aangegaan. Op grond van deze arbeidsovereenkomst is [eiser] uitgezonden aan Reijm. Op 16 augustus 2018 heeft op het bedrijfsterrein van Reijm een bedrijfsongeval plaats gevonden. [eiser] was die betreffende dag werkzaam in een loods waar sloopmateriaal werd gesorteerd. [eiser] voerde de betreffende werkzaamheden met de hand uit. Ter plekke was ook een graafmachine aanwezig voor het grovere werk, welke werd bediend door een collega van [eiser] , [naam] genaamd. Op enig moment maakte de graafmachine een onverwachte beweging en heeft daarbij [eiser] tegen zijn rechterbeen geraakt. Hierdoor is [eiser] ten val gekomen waarbij hij ook zijn linkerarm heeft bezeerd. [eiser] is vervolgens door een medewerker van Reijm naar het ziekenhuis gebracht.

3.4

 

De situatie van [eiser] is nadien verslechterd. Er is nog steeds sprake van arbeidsongeschiktheid van [eiser] . [eiser] heeft nog veel last van met name de linkerhand. Er is sprake van gevoelloosheid en tintelingen in twee vingers van de linkerhand. [eiser] kan geen zware dingen tillen met deze hand/arm. Met het been/de voet gaat het inmiddels wat beter. [eiser] heeft bij het UWV een uitkering aangevraagd en is sinds 6 februari 2019 weer aan de slag gegaan bij een bedrijf in Groningen.

3.5

 

[eiser] is van mening dat gedaagden op grond van artikel 7:658 lid 2 en lid 4 BW aansprakelijk zijn te achten voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het bedrijfsongeval. Het ongeval heeft tijdens de uitoefening van de werkzaamheden plaatsgevonden en [eiser] heeft hierdoor schade geleden. De aansprakelijkheid van gedaagden is hiermee gegeven, tenzij zij kunnen bewijzen dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan. Voorgaande is niet het geval geweest. [eiser] vordert dan ook een verklaring voor recht, inhoudende dat gedaagden aansprakelijk zijn jegens hem, alsmede betaling van de door hem geleden schade, nader op te maken bij staat.

4 Het verweer

Nesflex

4.1

 

Nesflex betwist de vordering en stelt dat zij [eiser] heeft doorgeleend aan Reijm, alwaar het ongeluk zou hebben plaatsgevonden.

 

Reijm

4.2

 

Reijm verzoekt de vorderingen van [eiser] af te wijzen, hetzij door [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij [eiser] zijn vorderingen te ontzeggen, alsmede om [eiser] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoen.

4.3

 

[eiser] is per 26 februari 2018 via Nesflex bij Reijm te werk gesteld. Op 16 augustus 2018 hebben medewerkers van Reijm [eiser] met verwondingen aangetroffen nabij de containers op het terrein van Reijm. Onduidelijk is gebleven wat er met [eiser] is gebeurd. Reijm vermoedt dat [eiser] op de containers is geklommen en ongelukkig ten val is gekomen. [eiser] is door Reijm naar het ziekenhuis gebracht. Na 16 augustus 2018 heeft [eiser] niet meer voor Reijm gewerkt. Wel heeft [eiser] nog enige tijd op het terrein van Reijm verbleven.

4.4

 

Reijm is op grond van artikel 7:658 BW niet aansprakelijk voor de door [eiser] geleden (en te lijden) schade, nu primair de door [eiser] geschetste toedracht door Reijm wordt betwist, subsidiair Reijm heeft voldaan aan haar zorgplicht en meer subsidiair geenszins vast staat dat [eiser] schade lijdt alsmede dat deze schade het gevolg is van het verweten handelen.

4.5

 

Reijm is niet bekend met enig ongeval met een graafmachine en betwist dan ook de toedracht van het ongeval zoals door [eiser] geschetst. Reijm heeft navraag gedaan bij de door [eiser] genoemde collega, de heer [naam] , die op zijn beurt heeft betwist dat hij [eiser] op 16 augustus 2018 heeft geraakt met de graafmachine, hetgeen ook volgt uit de in de onderhavige procedure overgelegde verklaring. Opgemerkt dient daarnaast te worden dat het kantoor van Reijm uitkijkt op de plaats waar [eiser] aan het werk was. Als er dus een voorval had plaatsgevonden zoals door [eiser] omschreven, dan was de commotie ook zichtbaar geweest vanuit het kantoor, hetgeen niet het geval is geweest.

4.6

 

In het geval wel een ongeval heeft plaatsgevonden zoals door [eiser] omschreven, dan geldt dat sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en dat Reijm haar zorgplicht niet heeft geschonden. Bij de tewerkstelling heeft [eiser] persoonlijke beschermingsmiddelen ontvangen in de vorm van handschoenen, mondbescherming en schoenen met stalen neuzen en stalen zolen. Ook heeft een medewerker van Nesflex werk- en veiligheidsinstructies aan [eiser] verstrekt in zijn eigen taal. Voor zover de werk- en veiligheidsinstructies in onvoldoende mate bij [eiser] bekend zouden zijn geworden en aldus enige zorgplicht zou zijn geschonden, is deze zorgplichtschending bovendien niet aan Reijm, maar aan Nesflex als formeel werkgever te wijten, nu Nesflex aan [eiser] de werk- en veiligheidsinstructies heeft gegeven. Reijm heeft Nesflex op dat gebied wel duidelijk geïnstrueerd. Er is voorts voldoende ruimte op het terrein om ervoor te zorgen dat de werkzaamheden, voor [eiser] bestaande uit het sorteren van sloopmaterialen en het aanvegen van het terrein, op een veilige wijze kan plaatsvinden. Meer in het bijzonder is er voldoende ruimte om ervoor te zorgen dat de twee sorteerders en de kraanmachinist elkaar niet in de weg zitten en de kraan geen gevaarzettende situatie kan veroorzaken. Gewezen dient te worden op de omstandigheid dat in het kader van artikel 7:658 BW met de zorgplicht van de werkgever ook niet wordt beoogd om een absolute waarborg te scheppen. voor bescherming van de werknemer. Van [eiser] mocht daarnaast ook eigen oplettendheid worden verwacht.

4.7

 

Het causaal verband tussen enige niet door [eiser] geconcretiseerde schending van de zorgplicht en het beweerde ongeval ontbreekt. Niet aangetoond is daarnaast dat [eiser] thans enige schade lijdt, dat die schade aan Reijm is toe te rekenen en dat de gestelde schade (uitsluitend) het gevolg is van het verweten handelen. [eiser] heeft, ondanks verzoeken daartoe van de verzekeraar van Reijm, tot op heden geen enkele medische informatie overgelegd. Opmerkelijk is daarnaast dat [eiser] in de dagvaarding enerzijds vermeld nog arbeidsongeschikt te zijn en anderzijds dat hij per 6 februari 2019 weer aan de slag is gegaan. Niet geheel onaannemelijk is dat Nesflex [eiser] na 16 augustus 2018 gewoon heeft doorbetaald. Onduidelijk is voorts wat de status is van de door [eiser] bij het UWV aangevraagd uitkering.

5 De beoordeling

5.1

 

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

5.2

 

In het tweede lid van voormeld artikel is bepaald dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Wat van de werkgever in redelijkheid mag worden verwacht hangt af van de omstandigheden van het geval. Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW kan de uitzendkracht of ingeleende arbeidskracht zowel de formele werkgever als de inlener aanspreken.

5.3

 

In artikel 7:658 BW wordt niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van ongevallen die hem kunnen overkomen. Er is geen sprake van een risicoaansprakelijkheid maar van een (gematigde) schuldaansprakelijkheid. In het verlengde daarvan kan getuige de lijn in de heersende jurisprudentie worden gezegd dat de werkgever niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de nadelige gevolgen van zogeheten huis-, tuin- en keukenongevallen, ongevallen die het gevolg zijn van een toevallige samenloop van omstandigheden. Ook behoeft de werkgever in beginsel niet te waarschuwen voor algemeen bekende gevaren.

5.4

 

Tegen de achtergrond van voormelde uitgangspunten overweegt de kantonrechter het volgende. Hoewel het niet aan de werknemer is om de exacte toedracht van het ongeval te schetsen, dient hij conform de hoofdregel wel te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Gelet op de uitgebreide en gemotiveerde betwisting van Reijm ten aanzien van de toedracht van het ongeval, kan [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter niet volstaan met de enkele stelling, inhoudende dat hij is geraakt door een graafmachine en daarbij gewond is geraakt, welke stelling op geen enkele wijze is onderbouwd of steun vindt in de door [eiser] overgelegde stukken. Van belang daarbij is dat uit de verklaring van de heer [naam] volgt dat hij uitdrukkelijk betwist [eiser] te hebben geraakt, en door Reijm is daarnaast verklaard dat zij ook vanuit het kantoor, welke uitzicht heeft op het werkterrein, geen ongeval/commotie heeft waargenomen. Weliswaar staat vast dat [eiser] door medewerkers van Reijm gewond is aangetroffen op het terrein van Reijm, doch ten aanzien daarvan is door Reijm onweersproken gesteld dat hij is gevonden bij de containers, zijnde 40 à 50 meter gelegen van de plek waar [eiser] die dag zijn sorteerwerkzaamheden uitvoerde en waar hij in het kader van zijn werkzaamheden niets te zoeken had. Hiervoor is door [eiser] geen verklaring gegeven. Daarbij komt, dat ook de door [eiser] zelf als productie 3 overgelegde verklaring van het IJsselland Ziekenhuis de toedracht zoals door hem omschreven niet ondersteund. In deze verklaring staat immers vermeld “Betrokkenen meldde zich op 16-08-2018 op de SEH nadat een stalen paal op zijn rechter been/voet was gevallen”. Alles tezamen maakt dat er nog te veel onduidelijkheid over de toedracht van het ongeval bestaat, terwijl het naar het oordeel van de kantonrechter, te meer in het licht van al hetgeen door Reijm naar voren is gebracht, wel op de weg van [eiser] had gelegen om daaromtrent meer duidelijkheid te verschaffen.

5.5

 

Naast de omstandigheid dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is door Reijm uitgebreid toegelicht dat, en op welke wijze, zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Voorgaande is door [eiser] op geen enkele wijze weerlegd. Dat, en zo ja welke schade, [eiser] heeft geleden is evenmin toegelicht en onderbouwd. Het voorgaande leidt ertoe dat de aansprakelijkheid van gedaagden niet is komen vast te staan. De gevorderde verklaring voor recht, inhoudende dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden, wordt dan ook afgewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde veroordeling tot betaling van de door Sadkowsi geleden schade nader op te maken bij staat.

5.6

 

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, aan de zijde van Reijm begroot op € 400,- aan gemachtigdensalaris. De door Reijm apart gevorderde nakosten, te vermeerderen met rente, worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. De proceskosten van Nesflex worden, nu zij in persoon procedeert, begroot op nihil.

6 De beslissing

 

De kantonrechter:

 

wijst de vorderingen van [eiser] af;

 

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Reijm vastgesteld op:

 

 

€ 400,- aan salaris voor de gemachtigde;

 

voornoemd bedrag vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

 

en indien [eiser] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 100,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [eiser] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

 

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

 

495

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey