Rb: subrogatie-uitsluiting van art. 7:962 lid 3 BW (collega-verweer) geldt ook jegens ingeleend personeel

Samenvatting:

Zorgverzekeraar neemt regres op veroorzaker ongeval. Benadeelde en veroorzaker waren feitelijk bij hetzelfde bestratingsbedrijf; benadeelde was in dienst en veroorzaker was ingeleend door uitzendbureau. De rechtbank stelt voorop dat de tekst van art. 7:962 lid 3 BW geen onderscheid maakt tussen formele en materiële werkgevers en overweegt dat in algemene zin gesproken wordt van “degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever”. Mede gelet op de toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de reikwijdte van de woorden “in dienst tot” zo beperkt uit te leggen, dat iemand die door tussenkomst van een uitzendbureau bij dezelfde werkgever werkzaam is als de verzekerde, daar niet onder zou vallen. De rechtbank komt tot het oordeel dat veroorzaker in dienst stond tot dezelfde werkgever als benadeelde, zodat de zorgverzekeraar niet in de rechten van benadeelde kan subrogeren.

Volledige uitspraak:

Vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht
zaaknummer/rolnummer: 514340/HA ZA 12-431
Vonnis van 28 november 2012

in de zaak van

de naamloze vennootschap ANDERZORG N.V.,
gevestigd te Groningen,
eiseres,
advocaat mr. I.I. Assink te Almelo,

tegen

1. [Gedaagde 1],
wonende te [Woonplaats],
2. de naamloze vennootschap LONDON VERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagden,
advocaat mr. drs. l.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Anderzorg, [Gedaagde 1] en London genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

         de gelijkluidende dagvaardingen van 28 en 30 maart 2012 met producties.

         de conclusie van antwoord,

         Het tussenvonnis van 11 juli 2012 waarin een comparitie van partijen is bepaald,

         het proces-verbaal van comparitie van 15 oktober 2012 en de daaraan gehechte en daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 5 juni 2009 heeft op de Hondsrugweg in Emmen een eenzijdig ongeval plaatsgevonden, waarbij een auto met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto) tegen een betonnen pilaar van een brug is gebotst. [Gedaagde 1] bestuurde de auto en de eigenaar van de auto, [benadeelde](hierna: [benadeelde]), was inzittende. [benadeelde] heeft ten gevolge van de aanrijding ernstig letsel opgelopen.

2.2. De auto was ten tijde van het ongeval op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid bij London.

2.3. Anderzorg is de ziektekostenverzekeraar van [benadeelde].

2.4. [benadeelde]was ten tijde van het ongeval als stratenmaker in dienst bij bestratingsbedrijf [bestratingsbedrijf] te Hardenberg (hierna: [bestratingsbedrijf]). [benadeelde]is sinds het ongeval volledig arbeidsongeschikt.

2.5. [Gedaagde 1] was ten tijde van het ongeval via uitzendbureau MPO Mensen Personeelsorganisatie B,V. (hierna. MPO) ingeleend door [bestratingsbedrijf]. Het dienstverband van [Gedaagde 1] bij MPO is na het ongeval met terugwerkende kracht op 3 juni 2009 beëindigd.

3. Het geschil

3.1. Anderzorg vordert – samengevat – een verklaring voor recht (i) dat [Gedaagde 1] en London aansprakelijk zijn voor de door Anderzorg geleden schade; (ii) dat London als WAM-verzekeraar de door Anderzorg geleden schade dient te vergoeden, en (iii) dat de regresbeperking van artikel 7:962 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in onderhavige kwestie niet van toepassing is.
Daarnaast vordert Anderzorg veroordeling van [Gedaagde 1] en London tot vergoeding van de door haar geleden materiële schade ter hoogte van € 101.282,59, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3.2. Anderzorg legt aan haar vordering ten grondslag dat zij schade heeft geleden als gevolg van de door [Gedaagde 1] jegens [benadeelde]gepleegde onrechtmatige daad (gelegen in een overtreding van artikel 5 en/of artikel 6 Wegenverkeerswet). Deze schade bestaat uit de door Anderzorg voor [benadeelde] betaalde ziektekosten en staat in rechtstreeks en causaal verband mei de onrechtmatige gedraging van [Gedaagde 1]. London dient als WAM-verzekeraar voor deze schade in te staan op grond van artikel 3 lid 2 van de WAM. Nu ook de aansprakelijkheid jegens met het motorrijtuig vervoerde personen onder de verplichte dekking valt, heeft [benadeelde]recht op vergoeding van zijn schade door London. Anderzorg subrogeert op grond van artikel 7:962 BW in de rechten van [benadeelde]voor het verhaal van de voor [benadeelde]betaalde zorgkosten, aldus nog steeds Anderzorg,

3.3. [Gedaagde 1] en London voeren verweer. Zij voeren primair aan dat zij niet aansprakelijk zijn jegens Anderzorg voor enige bij het ongeval van 5 juni 2009 geleden schade. [Gedaagde 1] en London betwisten dat sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad van [Gedaagde 1], nu de toedracht van het ongeval niet vaststaat. Daarnaast doen [Gedaagde 1] en London een beroep op eigen schuld aan de zijde van [benadeelde] ex artikel 6:101 BW omdat die geen gordel zou hebben gedragen. Verder verweren [Gedaagde 1] en London zich met de stelling dat Anderzorg geen beroep kan doen op de subrogatiebepaling van artikel 7:962 BW. Volgens [Gedaagde 1] en London is het derde lid van dat artikel van toepassing, waarin staat dat de verzekeraar geen regresvordering heeft op degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde. Dat [bestratingsbedrijf] niet de formele werkgever van [Gedaagde 1] was, doet volgens [Gedaagde 1] en London niet af aan het feit dat [Gedaagde 1] feitelijk in dienst stond tot [bestratingsbedrijf]. [Gedaagde 1] had zelfs aanvankelijk rechtstreeks bij [bestratingsbedrijf] gesolliciteerd en op verzoek van [bestratingsbedrijf] is [Gedaagde 1] vervolgens via MPO in dienst getreden, aldus [Gedaagde 1] en London. Ten slotte betwisten [Gedaagde 1] en London de ingangsdatum van de wettelijke rente en de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank zal allereerst beoordelen of Anderzorg een beroep kan doen op de subrogatiebepaling van artikel 7:962 lid 1 BW. Tussen partijen staat vast dat [Gedaagde 1] en [benadeelde]in elk geval tot aan het weekend waarin het ongeval plaatsvond, beiden feitelijk bij [bestratingsbedrijf] werkzaam waren, met dien verstande dat [Gedaagde 1] door [bestratingsbedrijf] was ingeleend via MPO. VoIgens [Gedaagde 1] en London moet daaraan de consequentie worden verbonden dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:962 lid 3 BW, met als gevolg dat Anderzorg niet in de rechten van [benadeelde]kan subrogeren voor het verhaal van de voor [benadeelde]betaalde zorgkosten. Anderzorg stelt zich echter op het standpunt dat nu [Gedaagde 1] bij [bestratingsbedrijf] werkzaam was als uitzendkracht en er tussen [Gedaagde 1] en [bestratingsbedrijf] dus geen formele arbeidsrelatie bestond, de subrogatie-uitsluiting van artikel 7:962 lid 3 BW in dit specifieke geval niet opgaat.

4.2. Vooropgesteld wordt dat de tekst van artikel 7:962 lid 3 BW geen onderscheid maakt tussen formele en materiële werkgevers. Er wordt – in algemene zin – gesproken van “degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever”. Mede gelet op de steeds toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de reikwijdte van de woorden "in dienst tot” zo beperkt uit te leggen, dat iemand die door tussenkomst van een uitzendbureau bij dezelfde werkgever werkzaam is als de verzekerde, daar niet onder zou vallen, nog daargelaten dat uit de onvoldoende betwiste weergave van de concrete gang van zaken ten tijde van het in dienst treden van [Gedaagde 1] valt af te leiden dat zowel [Gedaagde 1] als [bestratingsbedrijf] bij het aangaan van het dienstverband heeft beoogd dat [Gedaagde 1] voor [bestratingsbedrijf] zou gaan werken en dat de tussenkomst van MPO veeleer van administratieve aard was. Voor zover Anderzorg betoogt dat de omstandigheid dat [Gedaagde 1] ten tijde van het ongeval (slechts) één maand werkzaam was bij [bestratingsbedrijf], aanleiding biedt om subrogatie in dit geval wel toe te staan, volgt de rechtbank haar daarin niet. Nergens blijkt uil dat sprake moet zijn van een dienstverband dat gedurende een bepaalde periode heeft bestaan. Dat MPO het dienstverband van [Gedaagde 1] met terugwerkende kracht op 3 juli 2009 heeft beëindigd, doet evenmin af aan het oordeel van de rechtbank. Beslissend is de situatie zoals die was ten tijde van het ongeval en een door de gevolgen van het ongeval ingegeven beslissing van MPO om het dienstverband van [Gedaagde 1] met terugwerkende kracht te beëindigen, maakt die situatie niet anders.

4.3. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [Gedaagde 1] ten tijde van het ongeval in dienst stond tot dezelfde werkgever als [benadeelde] en dat Anderzorg om die reden niet in de rechten van [benadeelde]kan subrogeren voor het verhaal van de voor [benadeelde] betaalde zorgkosten. De vorderingen van Anderzorg zullen derhalve worden afgewezen.

4.4. De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking.

Anderzorg zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Gedaagde 1] en London worden tot op heden begroot op:

– griffierecht:

€ 3.621,00

– salaris advocaat:

€ 2.842,00

(2 punten x tarief €1.421,00)

Totaal

€ 6.463,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het gevorderde af;

5.2. veroordeelt Anderzorg in de proceskosten, aan de zijde van [Gedaagde 1] en London tot op heden begroot op € 6.463,00;

5.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2012.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey