Rb (straf): flatbrand na vuurwerk, affectieschade voor broers en zussen afgewezen

Samenvatting:

12- en 13- jarige jongens worden veroordeeld voor brandstichting door het afsteken van vuurwerk in de hal van een flatgebouw met dodelijke afloop. Geen straf. Affectieschade: 1. Aan ouders en kinderen wordt vergoeding van affectieschade toegekend. 2. Affectieschade voor broers en zussen wordt afgewezen. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt in de wet is dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, is ook ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus (hardheidsclausule). De rechtbank onderkent dat het zusje van het omgekomen jongetje een groot verlies heeft geleden en dat zij haar broertje mist. Maar er zijn onvoldoende bijzonderheden gesteld die een beroep op de hardheidsclausule mogelijk maken. Ten aanzien van de vordering van de zus van de vader overweegt de rechtbank dat uit wat er is aangevoerd blijkt dat er sprake was van een betrokken en liefdevolle broer-zus relatie, maar er zijn onvoldoende bijzonderheden gesteld om een beroep op de wettelijke hardheidsclausule te rechtvaardigen. Affectieschade van grootouders wordt eveneens afgewezen.

 

ECLI:NL:RBGEL:2020:3155

 

Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

29-06-2020

Datum publicatie

29-06-2020

Zaaknummer

05/000474-20

Rechtsgebieden

Strafrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – meervoudig

Inhoudsindicatie

 

Een minderjarige verdachte is samen met zijn medeverdachte veroordeeld voor een brandstichting in de hal van een flatgebouw met dodelijke afloop. Zij zijn allebei schuldig aan het veroorzaken van een brand, door aanmerkelijk onvoorzichtig handelen. Er is sprake van medeplegen: hun rollen waren inwisselbaar. Ten tijde van het feit waren de verdachten 12 en 13 jaar oud. De rechtbank volgt het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en verklaart de jongens schuldig zonder oplegging van een straf of maatregel. Volgens de rechtbank gaat het om kinderen die de ver strekkende gevolgen van hun handelen niet goed kunnen overzien. Zij hebben de brand niet expres gesticht. De brand heeft ook voor de jongens al veel gevolgen gehad. Daarom legt de rechtbank, ondanks de verschrikkelijke uitkomst die de brand voor de slachtoffers heeft gehad, geen straf of maatregel meer op. Daarnaast kan het opleggen van een straf of maatregel een averechts affect hebben. Aan diverse nabestaanden moet verdachte schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

RECHTBANK GELDERLAND

 

Team familie- en jeugdrecht

 

Zittingsplaats Arnhem

 

Parketnummer : 05/000474-20

 

Datum uitspraak : 29 juni 2020

 

Tegenspraak

 

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

 

in de zaak van

 

de officier van justitie

 

tegen

 

[verdachte] (de verdachte),

 

geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ,

 

raadsman: mr. R.E.F. Bergwerf Bok, advocaat te Arnhem.

 

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 16 juni 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

 

Taal- of schrijffouten die in de tenlastelegging staan, zullen worden verbeterd.

 

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:

 

hij op of omstreeks 1 januari 2020 in de gemeente Arnhem

 

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

 

opzettelijk in een flatgebouw aan het Gelderseplein brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een in de hal van dat flatgebouw staand bankstel, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan dat bankstel geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor dat flatgebouw, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 1] , geboren [geboortedag 2] 1980 en [benadeelde 2] , geboren [geboortedag 3] 2015 en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] , geboren [geboortedag 4] 2011, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was en dat het feit de dood ten gevolge heeft gehad voor die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ;

 

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

 

hij op of omstreeks 1 januari 2020 in de gemeente Arnhem,

 

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

 

in een flatgebouw aan het Gelderseplein grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam brandend vuurwerk heeft gegooid, geworpen en/of neerlegd op een in de hal van dat flatgebouw staand bankstel, ten gevolge waarvan het aan zijn en/of zijn

mededaders schuld te wijten is geweest, dat het bankstel geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor dat flatgebouw, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 1] , geboren [geboortedag 2] 1980 en [benadeelde 2] , geboren [geboortedag 3] 2015 en/of [benadeelde 3] , geboren [geboortedag 5] 1983 en/of [benadeelde 4] , geboren [geboortedag 4] 2011, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was en dat het feit de dood ten gevolge heeft gehad voor die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

 

1a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

 

Het standpunt van de verdediging

 

De verdediging heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van [verdachte] , omdat de beginselen van de goede procesorde zijn geschonden. De verdediging meent dat het Openbaar Ministerie getuigen had moeten horen over de brand die heeft gewoed aan de voorzijde van het flatgebouw. Dit is relevant voor de vraag wat de oorzaak van de uiteindelijke grote brand is geweest. Deze getuigen zijn niet gehoord. De waarheidsvinding is daardoor in het gedrang gekomen of wordt aangetast door het Openbaar Ministerie. Dit is zo ernstig dat het Openbaar Ministerie het recht op strafvervolging verliest.

 

Het standpunt van de officier van justitie

 

De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is. De verschillende scenario’s zijn in het onderzoek goed bekeken en de officier van justitie heeft contact gezocht met de verdediging om te vragen of er onderzoekswensen waren. Die waren er niet. Het onderzoek is zorgvuldig geweest en de waarheidsvinding is dan ook gewaarborgd.

 

De beoordeling door de rechtbank

Uit het Zwolsman-arrest (HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328 r.o. 5.2.) volgt dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het geding kan komen indien door opsporingsambtenaren of het Openbaar Ministerie zelf een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

 

Door de verdediging is niet gemotiveerd aangevoerd welke inbreuk op de behoorlijke procesorde is gemaakt, laat staan dat is uiteengezet waarom door die – gestelde – inbreuk doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] tekort zou zijn gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. De stelling dat het Openbaar Ministerie ‘getuigen had moeten horen over de brand aan de voorzijde van het flatgebouw’ is daarvoor onvoldoende.

 

De rechtbank merkt bovendien het volgende op. Aan de verdediging staan mogelijkheden ter beschikking op grond van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De verdediging kan bijvoorbeeld tot tien dagen voor de zitting onderzoekswensen kenbaar maken. Dit is niet gebeurd. Evenmin heeft de verdediging voor die tijd onderzoekswensen bij het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt, terwijl daar wel om was verzocht.

 

Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

2 De beslissing over het bewijs

 

De beslissing van de rechtbank is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in het proces-verbaal. Dit proces-verbaal is in wettelijke vorm opgesteld door verbalisant [naam 1] van de Districtsrecherche Gelderland-Midden, politie Eenheid Oost-Nederland, dossiernummer PL0600-2020000786, gesloten op 15 april 2020. Daarbij horen ook eventuele aanvullingen en bijlagen die zijn opgemaakt in processen-verbaal en schriftelijke bijlagen, tenzij anders vermeld. De voetnoten verwijzen naar de paginanummering van het dossier.

 

De feiten

 

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

 

Op of omstreeks 1 januari 2020 waren [verdachte] en [medeverdachte] bezig met het afsteken van vuurwerk rondom en in een flatgebouw aan het Gelderseplein in Arnhem.1 [medeverdachte] legde om 01:05:04 uur een grondbloem op een bank die in de hal stond, en stak deze aan. [verdachte] was daarbij.2 Daarna staken [verdachte] en [medeverdachte] nog meer vuurwerk aan in de hal en in de lift van het flatgebouw. Op de bank was af en toe nog een vlammetje zichtbaar waar het vuurwerk was neergelegd en aangestoken. Het vlammetje op de bank kwam om 01:05:35 uur weer op en ging niet meer uit. De jongens stapten in de lift, de deur viel om 01:05:41 uur achter hen dicht.3 Daarna ontstond een steeds groter vuur op de plek van de bank.4

 

De familie [benadeelde 1] stapte op 1 januari 2020 tussen 01:00 en 01:30 uur op de vijfde etage van het flatgebouw in de lift en is uiteindelijk aangetroffen op de derde etage in de lift.5

Uit een onderzoek naar de werking van de lift is geconcludeerd dat de lift op de 3e verdieping ten tijde van de brand normaal en onbelemmerd toegankelijk was en dus ook kon worden verlaten.6

 

Als gevolg van de brand in het flatgebouw zijn [benadeelde 1] (geboren op [geboortedag 2] 1980) en [benadeelde 2] (geboren op [geboortedag 3] 2015) overleden. [benadeelde 3] (geboren op [geboortedag 5] 1983) en [benadeelde 4] (geboren op [geboortedag 4] 2011) zijn gewond geraakt.7

 

Het standpunt van de officier van justitie

 

De officier van justitie stelt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Het staat op grond van het forensisch rapport en de camerabeelden vast dat brand is ontstaan, omdat [medeverdachte] een grondbloem op de bank heeft gelegd. Ook staat vast dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] als gevolg van die brand zijn overleden. De officier van justitie stelt dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Ondanks zijn jonge leeftijd wist [verdachte] dat vuurwerk gevaarlijk is en dat het binnen afsteken van vuurwerk tot gevaarlijke situaties kan leiden. Hij heeft daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat brand zou ontstaan. De jongens hebben het samen gedaan en dus was sprake van ‘medeplegen’. [verdachte] was samen met [medeverdachte] aan het spelen met vuurwerk. Hun rollen zijn inwisselbaar en dus is niet van belang wie de grondbloem op de bank legde.

 

Het standpunt van de verdediging

 

De advocaat van [verdachte] betwist het causale verband tussen het neerleggen van de grondbloem op de bank en de gevolgen, te weten de grote brand in het flatgebouw. Een andere, eerder buiten ontstane, brand kan van die grote brand de oorzaak zijn. De advocaat heeft verwezen naar een filmpje op YouTube. De advocaat verzoekt de rechtbank om de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris voor het doen van nader onderzoek naar het ontstaan van de brand en daarbij de rapportage van de heer [naam 2] te betrekken. Samen met het filmpje op YouTube vormt deze rapportage een alternatief scenario. Daarnaast heeft de advocaat vrijspraak bepleit. Er is geen sprake van medeplegen. Er is immers geen overleg tussen de jongens geweest, geen rolverdeling en [verdachte] heeft niet op de uitkijk gestaan. Ook kan het opzet of het voorwaardelijk opzet van [verdachte] niet worden bewezen. De kans op de brand is niet aanmerkelijk naar algemene ervaringsregels. Daarnaast wist [verdachte] niet dat de grondbloem nog niet was gedoofd of opnieuw vlam kon vatten. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde merkt de advocaat op dat geen sprake is van schuld bij [verdachte] .

 

De beoordeling door de rechtbank

 

– Causaal verband tussen de brand van de bank en de gevolgen

 

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de brand op de bank tot een grotere brand heeft geleid, waardoor gevaar is ontstaan voor het flatgebouw, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen en of het overlijden van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hierdoor is veroorzaakt.

 

De uitkomst van het brandonderzoek van de forensische opsporing is dat aannemelijk is dat de brand is ontstaan op één van de twee zitbanken die in de centrale hal van het flatgebouw stonden. De muur achter de banken was compleet schoon gebrand. Dit kan betekenen dat de vuurbelasting op die plek het grootst, heftigst en het langstdurend is geweest. Ook het verlaagde plafond is boven de banken het meest weggebrand. De brand heeft zich heel snel verplaatst naar het verlaagde plafond in de centrale hal. Hierdoor heeft de brand zich kunnen ontwikkelen tot een grote brand. De banken zijn volledig verwoest.8 De brand heeft zich door de gebruikte bouwmaterialen en de aanvoer van zuurstof in het verlaagde plafond kunnen verplaatsen richting de glazen schuifdeuren. Deze schuifdeuren waren de afscheiding tussen het open en gesloten gedeelte van de centrale entree van het flatgebouw. De uitbreiding van de brand gebeurde vooral via het verlaagde plafond. Door de toenemende hitte zijn de glazen schuifdeuren gesprongen en werd zuurstofrijke lucht aangezogen waardoor de brand kon uitbreiden in de richting van het open gedeelte van de entree. In het open gedeelte is de brand hoger gekomen. De geplaatste fietsen en scooters in dat deel werden in brand gezet door vallend brandend bouwmateriaal. Door het wegvallen van de ruit in de deur naar het trappenhuis ontstond een schoorsteenwerking in het trappenhuis. Door kieren tussen het metalen kozijn en de liftdeuren ontstond een schoorsteenwerking in de liftschacht, waardoor roet, hete lucht en zeer waarschijnlijk ook giftige dampen de liftschaft in werden gezogen.9

 

Gelet op deze forensische conclusies, in combinatie met de bij de feiten benoemde camerabeelden, waarop kort gezegd te zien is dat het vlammetje op de bank in de hal zich in een kort tijdsbestek ontwikkelt tot een steeds groter vuur, concludeert de rechtbank dat het causaal verband tussen de brand op de bank en de gevolgen in de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen is.

 

Het verzoek van de verdediging om de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen voor nader onderzoek naar de oorzaak van de brand en het verband met het overlijden van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] wijst de rechtbank af. De rechtbank begrijpt uit het verzoek dat de verdediging een alternatief scenario voor het ontstaan van de brand en de gevolgen ervan ziet. Dit alternatieve scenario zou inhouden dat de brand buiten het flatgebouw is ontstaan en vervolgens van buiten naar binnen is overgeslagen. [verdachte] zou hiermee niets te maken hebben. De verdediging baseert dit op een filmpje op YouTube, naar aanleiding waarvan de heer [naam 2] een rapportage heeft opgesteld. Het alternatieve scenario is echter op geen enkel punt nader onderbouwd en wordt niet ondersteund door enige verklaring of andere bewijsmiddelen uit het dossier. Het filmpje van YouTube is niet voldoende als onderbouwing, omdat niet duidelijk is wanneer en waar de beelden zijn gemaakt die te zien zijn, wie deze beelden gemaakt heeft en welke personen te zien zijn. De verdediging heeft hierover niets naar voren gebracht. Nu dit alternatieve scenario dus niet aannemelijk is geworden, schuift de rechtbank het terzijde. Nieuw onderzoek is niet noodzakelijk, omdat het scenario van een andere oorzaak door de bewijsmiddelen wordt weerlegd.

 

– Is sprake van opzettelijke brandstichting?

 

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of [verdachte] op 1 januari 2020 opzettelijk brand heeft gesticht. Er zijn twee soorten opzet in het strafrecht. De eerste is vol opzet.

Er is sprake van vol opzet als iemand willens en wetens, dus expres, iets doet. De rechtbank vindt dat hiervan geen sprake is. [verdachte] heeft niet gewild dat de bank vlam zou vatten of dat brand zou ontstaan.

 

Er kan ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Dat betekent dat de kans dat brand ontstaat naar algemene ervaringsregels ‘aanmerkelijk’ is te noemen. Daarnaast moet [verdachte] dan wetenschap hebben gehad van die kans én moet hij de kans tijdens de gedraging ‘bewust hebben aanvaard’.

 

De rechtbank is van oordeel dat aan het eerste vereiste voor voorwaardelijk opzet is voldaan. Naar algemene ervaringsregels is het te voorzien dat een bank in brand kan vliegen als je er vuurwerk op afsteekt of aangestoken vuurwerk erop neerlegt. Ondanks zijn jonge leeftijd wist [verdachte] dit ook.10 Er was dus een zeker bewustzijn van het gevaar. Maar dit bewustzijn van het gevaar betekent niet dat [verdachte] de aanmerkelijke kans op het ontstaan van de brand bewust heeft aanvaard. In het dossier zijn geen bewijsmiddelen waaruit deze bewuste aanvaarding blijkt. [verdachte] verklaart hier zelf niets over. Er zijn ook geen getuigen die daarover verklaren en uit het gedrag van [verdachte] zoals dat op de camerabeelden is te zien (de uiterlijke verschijningsvorm) blijkt ook niet dat hiervan sprake is geweest. Dat geldt ook voor [medeverdachte] .

 

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verdachte] en [medeverdachte] de aanmerkelijke kans op het ontstaan van de brand bewust hebben aanvaard. Daarmee is niet komen vast te staan dat [verdachte] (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het gevolg, namelijk dat brand is ontstaan en dat de bank is verbrand. De rechtbank zal [verdachte] daarom van het primair tenlastegelegde – de opzettelijke brandstichting – vrijspreken.

 

– Is sprake van schuld aan de brand?

 

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de jongens schuld hebben aan het ontstaan van de brand. Het moet volgens de tenlastelegging gaan om een hele grote mate van schuld (‘grovelijk’) of om een ‘aanmerkelijke’ mate van schuld. De vraag of sprake is van (grove of aanmerkelijke) schuld wordt in het algemeen bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van [verdachte] , de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank vindt dat geen sprake is van ‘grove’ schuld. Hoewel de jongens (zie hierboven) een zeker bewustzijn hadden van het gevaar, vindt de rechtbank niet dat er gezien alle omstandigheden van het geval – daarbij ook rekening houdend met hun jonge leeftijd en de mate van bewustzijn – bewijs is voor de zwaarste gradatie van schuld. Deze grenst aan opzet.

Wel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van ‘aanmerkelijke’ onvoorzichtigheid, onoplettendheid en onachtzaamheid, dus van aanmerkelijke schuld. De rechtbank heeft op de camerabeelden gezien dat de grondbloem op de bank in brand wordt gestoken. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] hebben vluchtige aandacht voor wat er daarna op de bank gebeurt. Daarna gaan ze verder met het afsteken van vuurwerk.11 De rechtbank stelt vast dat dit alles aan [verdachte] en/of [medeverdachte] kan worden verweten. De jonge leeftijd van [verdachte] en [medeverdachte] maakt dit niet anders. Ook van jongens van 12 en 13 jaar oud mag immers worden verwacht dat ze voorzichtiger zijn en beter opletten als ze zoiets gevaarlijks doen als het afsteken van vuurwerk op een bank in de hal van een flat.

 

Er is sprake van schuld aan een brand bij aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onoplettendheid en onachtzaamheid als het gaat om ongeoorloofde risico’s. Daar is in dit geval sprake van. Het vuurwerk werd binnen afgestoken in de hal van een flat vol met mensen op een tijdstip dat veel mensen thuis zijn en naar bed gaan. Gelet daarop had(den) [verdachte] en/of [medeverdachte] nog voorzichtiger moeten zijn.

 

– Is sprake van medeplegen: hebben [verdachte] en [medeverdachte] het samen gedaan?

 

De laatste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de brandstichting door zowel [verdachte] als [medeverdachte] is gepleegd. Hebben zij beiden schuld aan het ontstaan van de brand aan de bank?

 

[verdachte] heeft verklaard dat hij [medeverdachte] op of rond 1 januari 2020 toevallig tegenkwam op de tweede verdieping. Ze gingen samen naar beneden en staken afwisselend vuurwerk af. Hij heeft in de lift een handgebaar gemaakt om te zeggen ‘stop met de grondbloemen afsteken’. Op een gegeven moment was het klaar en gingen ze samen naar boven.12

 

Bij de politie verklaart [verdachte] dat hij samen met [medeverdachte] vuurwerk afstak op straat. Zijn vader belde hem, omdat hij naar boven moest komen. Toen gingen ze naar binnen.13 Binnen heeft [verdachte] een rotje gegooid bij de liftdeur. Hij zag dat [medeverdachte] de grondbloem op de bank gooide of legde. Toen ze met de lift omhoog gingen, is er ook nog vuurwerk afgestoken.14 [medeverdachte] had de grondbloemen vast in de oneven lift en [verdachte] stak ze aan met een vuurwerkaansteker, waarna [medeverdachte] ze weggooide.15

 

Op de camerabeelden is te zien dat er om 01:02 uur drie jongens na elkaar de hoofdingang van de flat binnen gingen. Vast staat dat dit [medeverdachte] en [verdachte] zijn met [getuige 1] . Te zien is dat [getuige 1] de flat in liep en naar de liften liep. Te zien is dat [medeverdachte] en [verdachte] beiden vuurwerk afstaken binnen in de flat. Zowel [medeverdachte] als [verdachte] gooide vuurwerk in de richting van [getuige 1] . Te zien is dat [getuige 1] [verdachte] daarbij wegduwde en het vuurwerk weg schopte. Gelet op het effect van het afgestoken vuurwerk lijkt het om grondbloemen te gaan. Uiteindelijk stapte [getuige 1] de lift in. Hij lachte en keek op zijn telefoon.16

De rechtbank heeft op de camerabeelden gezien dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] zowel voor als na het aansteken van de grondbloem op de bank met vuurwerk bezig waren. Nadat de grondbloem op de bank was afgestoken, gingen ze naar de lift toe en keken ze samen naar de bank. Daarna gingen ze weer verder met afsteken van vuurwerk. De rechtbank ziet [verdachte] geen ‘afremmende bewegingen’ maken.17

 

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank het volgende vast.

[verdachte] en [medeverdachte] waren die avond samen, ze waren bezig met het afsteken van vuurwerk. Op enig moment moesten ze van hun ouders naar binnen komen. Ze wilden nog wat vuurwerk opmaken. Ze staken beiden en samen vuurwerk af in de hal en de lift van het flatgebouw, waar ze beiden woonden. Ze gooiden met vuurwerk en schopten er tegen aan. Ook staken ze vuurwerk af in de lift. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de rollen van [verdachte] en [medeverdachte] gelijkwaardig en inwisselbaar waren. De specifieke handeling die bestond uit het aansteken van de grondbloem in de bank, vormt hierop geen uitzondering. De handeling uit de tenlastelegging past dan ook binnen het totaal aan handelingen en gedragingen van zowel [verdachte] als [medeverdachte] die avond. Uit de camerabeelden blijkt verder niet dat [verdachte] [medeverdachte] heeft weerhouden van het afsteken van de grondbloem in de bank.

 

De rechtbank is van oordeel dat, bij het aansteken van de grondbloem in de bank, sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] , die bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Hun rollen waren inwisselbaar.

 

– Conclusie

 

[verdachte] heeft samen met [medeverdachte] schuld gehad een het ontstaan van de brand.

 

– Bewezenverklaring

 

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:

 

hij op of omstreeks 1 januari 2020 in de gemeente Arnhem,

 

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

 

in een flatgebouw aan het Gelderseplein grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam brandend vuurwerk heeft gegooid, geworpen en/of neergelegd op een in de hal van dat flatgebouw staand bankstel,

 

ten gevolge waarvan het aan zijn en/of zijn mededaders schuld te wijten is geweest, dat het bankstel geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor dat flatgebouw, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 1] , geboren [geboortedag 2] 1980 en [benadeelde 2] , geboren [geboortedag 3] 2015 en/of [benadeelde 3] , geboren [geboortedag 5] 1983 en/of [benadeelde 4] , geboren [geboortedag 4] 2011, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was en dat het feit de dood ten gevolge heeft gehad voor die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

3 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

 

Het bewezenverklaarde feit levert op (kwalificatie):

 

aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat en gevaar voor goederen ontstaat, terwijl het feit iemands dood ten gevolge heeft, terwijl dit feit tezamen en in vereniging met een ander is gepleegd.

4 De strafbaarheid van het feit

 

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van [verdachte]

 

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van [verdachte] geheel uitsluiten. [verdachte] is strafbaar.

6 Moet aan [verdachte] een straf worden opgelegd?

 

Het standpunt van de officier van justitie

 

De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] een werkstraf moet krijgen van 60 uur. De tijd die [verdachte] in voorarrest heeft gezeten moet daarvan worden afgetrokken. Strafoplegging is volgens het Openbaar Ministerie nodig als signaal naar de maatschappij. De officier van justitie meent dat strafoplegging ook voor [verdachte] van belang is om de zaak te kunnen afsluiten.

 

Het standpunt van de verdediging

 

De verdediging heeft verzocht om het advies van de Raad voor de Kinderbescherming te volgen en [verdachte] bij een bewezenverklaring schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

 

De beoordeling door de rechtbank

 

Bij de beslissing over het opleggen van een straf of maatregel betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:

 

– het advies indicatieoverleg van het NIFP van 7 januari 2020;

 

– het uittreksel Justitiële Documentatie (het ‘strafblad’) van 22 mei 2020;

 

– het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 9 juni 2020.

 

– Wat is er gebeurd en wat is de impact daarvan?

 

[verdachte] heeft op 1 januari 2020 vlak na middernacht samen met [medeverdachte] een grondbloem vastgezet tussen de kussens van een bank in de hal van een flatgebouw aan het Gelderseplein te Arnhem en deze grondbloem aangestoken. [verdachte] en [medeverdachte] waren samen met vuurwerk bezig en hebben daarbij onvoorzichtig gehandeld. Door deze onvoorzichtigheid is een grote brand ontstaan in die hal. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn aan de gevolgen van deze brand overleden en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] zijn gewond geraakt. Deze gevolgen zijn verschrikkelijk voor de slachtoffers en hun nabestaanden. Dat is bij de zitting door verschillende nabestaanden treffend verwoord. Hun verdriet is zeer groot.

Het afsteken van dit vuurwerk op deze manier was ook gevaarlijk voor de andere bewoners van het flatgebouw, die op dit moment veelal thuis waren en soms al sliepen. De brand is snel geblust, de gevolgen hadden nog veel erger kunnen zijn. Het is duidelijk dat [verdachte] nooit heeft gewild dat er brand uit zou breken. De impact van deze fout is enorm. De gevolgen zijn onomkeerbaar.

 

– Wat hebben de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclasseerder geadviseerd?

 

[verdachte] heeft geen strafblad. In het rapport van de Raad staat dat er geen zorgen zijn over zijn opvoeding, school, vrienden en vrije tijdsbesteding. Ook zijn er geen zorgen over de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit. [verdachte] is een ontkennende verdachte. Desondanks voelt hij zich erg schuldig. Hij realiseert zich dat hij onderdeel is geweest van een opeenstapeling van gebeurtenissen met noodlottige gevolgen. [verdachte] kropt zijn emoties op en wil er het liefst niet meer aan denken. Dit is de grootste zorg van de Raad. Een andere zorg van de Raad is dat [verdachte] uit angst voor het maken van fouten nog maar weinig onderneemt en veel binnen zit.

 

In het jeugdstrafrecht zijn straffen en maatregelen gericht op ontwikkeling, heropvoeding, resocialisatie en het voorkomen van meer strafbare feiten. In deze zaak heeft strafoplegging volgens de Raad geen meerwaarde, omdat er geen zogenoemde ‘criminogene factoren’ zijn en er ook geen zorgen zijn dat [verdachte] opnieuw een strafbaar feit pleegt. [verdachte] moet leren leven met de gevolgen van wat er in de oudjaarsnacht is gebeurd, en zijn aandeel daarin. De Raad meent dat de nasleep van de brand en de effecten van de brand op [verdachte] en zijn gezin voldoende boetedoening en voldoende straf voor hem zijn. De Raad benadrukt daarbij in de eerste plaats dat het gezien de cognitieve ontwikkeling van een 12-jarige onmogelijk is te verwachten dat hij besef had van alle gevolgen van het afsteken van vuurwerk op de omgeving. Ook beschrijft de Raad dat [verdachte] zich in een belangrijke fase van zijn identiteitsontwikkeling bevindt. Als er wel een straf of maatregel wordt opgelegd, bestaat het risico dat [verdachte] zich gaat identificeren met het strafbare feit. Hij kan zich dan gaan gedragen naar het strafbare feit en dat kan criminaliteit juist in de hand werken. Gelet op het voorgaande adviseert de Raad om geen straf op maatregel op te leggen.

 

De jeugdreclasseerder van [verdachte] onderschrijft het advies van de Raad. [verdachte] krijgt nu begeleiding vanuit [ondersteuningsorganisatie] . Het is van belang dat hij daar naartoe blijft gaan en dat hij een vertrouwenspersoon heeft.

 

– Wat vindt de rechtbank dat er moet gebeuren?

 

Als sprake is van een zeer jonge verdachte die betrokken is bij een vuurwerkincident, is in het algemeen het uitgangspunt dat een straf door bureau Halt wordt opgelegd. Zeker als geen sprake is van illegaal vuurwerk. In deze zaak spelen deze beide zaken: [verdachte] was op 1 januari 2020 12 jaar oud. Hij was, samen met een vriendje, met legaal vuurwerk bezig. Daarbij zijn de jongens erg onvoorzichtig geweest.

 

Omdat de gevolgen van dit strafbare feit zo ontzettend groot zijn, is het Openbaar Ministerie tot vervolging overgegaan. Op grond van de wet is dat mogelijk: strafrechtelijke vervolging kan in Nederland vanaf 12 jaar. Bij deze strafvervolging staan het bijsturen van ongewenst gedrag en het leren van gemaakte keuzes centraal. De rechtbank merkt hierbij op dat hoe jonger de verdachte is, hoe lastiger dat laatste zal zijn. Het is immers de vraag in hoeverre echt jonge verdachten, kinderen nog, van 12 of 13 jaar oud in staat zijn de gevolgen van hun eigen handelen te overzien en te reflecteren op hun eigen gedrag en keuzes. De Raad heeft in zijn rapportage ook benadrukt dat het belangrijk is te beseffen dat oorzaak-gevolg redenaties op deze leeftijd nog onvoldoende ontwikkeld zijn. De rechtbank heeft bij de behandeling van de zaak gesproken met [verdachte] en heeft de camerabeelden van wat er is gebeurd, bekeken. Daarbij is voor de rechtbank duidelijk naar voren gekomen dat het in deze zaak om kinderen gaat.

 

Strafrechtelijke vervolging is voor een zeer jonge verdachte ontzettend zwaar. Dit geldt ook voor [verdachte] , die toen 12 jaar oud was. [verdachte] is aangehouden in zijn woning en moest vervolgens een nacht op het politiebureau blijven. Daarna volgde een periode waarin hij met zijn familie ergens anders moest verblijven, omdat zij niet terug konden gaan naar hun woning in de flat. Inmiddels is [verdachte] met zijn familie verhuisd. Hij kon ook een periode niet naar school en moest daarna de draad weer op pakken. De gevolgen van de fout die hij gemaakt heeft, zijn ook in zijn gezin dagelijks voelbaar. [verdachte] en zijn ouders hebben heel veel spijt over wat er is gebeurd en staan open voor een gesprek met de nabestaanden. De ouders van [verdachte] hebben daarnaast veel zorgen over de schulden die zij als gevolg van het handelen van hun zoon zullen moeten voldoen. Dit zorgt bij [verdachte] voor extra schuldgevoelens.

 

De rechtbank sluit zich op grond van het voorgaande aan bij de conclusies van de Raad. Er zijn geen zorgen over [verdachte] op de verschillende leefgebieden die beoordeeld zijn. Ook is er geen risico op herhaling. De enige zorg die er is, is dat [verdachte] met de gevolgen van dit feit moet leren leven en dat hij zijn schuldgevoel een plek moet geven. De rechtbank vindt het gelet op het voorgaande niet nodig dat [verdachte] nog langer wordt begeleid door de jeugdreclassering. Wel is het van belang dat de ouders van [verdachte] waarborgen dat hij kan verwerken wat er is gebeurd en dat de ingezette hulp wordt voortgezet.

 

De vraag is of een straf nodig is als signaal naar de maatschappij en vanwege de ernst van dit feit. De rechtbank vindt van niet. Daarbij staat voor de rechtbank voorop dat [verdachte] nog een kind is. Op zijn leeftijd kan iemand de mogelijk zeer ernstige gevolgen en de vreselijke afloop van zijn handelen nog niet overzien. De fout van [verdachte] is bovendien niet opzettelijk gemaakt. Er is geen sprake van opzet, maar van schuld. [verdachte] zal de gevolgen altijd met zich mee dragen. Het opleggen van een straf of maatregel heeft ook geen pedagogische meerwaarde. De Raad onderschrijft niet dat strafoplegging tot een betere afsluiting zal leiden bij [verdachte] , zoals de officier van justitie heeft gesteld, maar weerspreekt dit zelfs. De rechtbank vindt het van groot belang dat [verdachte] zich niet verder identificeert met dit feit, waardoor juist het gevaar bestaat dat hij afglijdt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [verdachte] schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

 

De rechtbank stelt vast dat de grondslag voor de voorlopige hechtenis van [verdachte] niet meer aanwezig is. De (inmiddels geschorste) voorlopige hechtenis wordt daarom opgeheven.

 

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en)

 

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich in het strafproces gevoegd en vordert schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Zij vraagt een bedrag van in totaal € 40.000,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

 

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd en vordert schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Zij vraagt een bedrag van in totaal € 37.500,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

 

De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft zich in het strafproces gevoegd en vordert schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Hij vraagt een bedrag van in totaal € 30.000,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

 

De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft zich in het strafproces gevoegd en vordert schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Zij vraagt een bedrag van in totaal € 30.000,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

 

De benadeelde partij [benadeelde 7] heeft zich in het strafproces gevoegd en vordert schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Zij vraagt een bedrag van in totaal € 20.000,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

 

De benadeelde partij [benadeelde 8] heeft zich in het strafproces gevoegd en vordert schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Hij vraagt een bedrag van in totaal € 20.000,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

 

Bij de beoordeling van de vordering moet de rechter de feiten of rechten die door de benadeelde partij zijn gesteld en door de wederpartij – te weten de (ouders van) [verdachte] – niet of niet voldoende zijn betwist, als vaststaand beschouwen.

 

Het standpunt van de officier van justitie

 

De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van alle benadeelde partijen geheel toe te wijzen.

 

Het standpunt van de verdediging

 

De verdediging vindt dat alleen de vorderingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 1] kunnen worden toegewezen. De overige benadeelden moeten niet-ontvankelijk worden verklaard. Als de rechtbank daar anders over denkt, verzoekt de verdediging de vorderingen te matigen, omdat de ouders van [verdachte] niet verzekerd zijn.

 

Beoordeling door de rechtbank

 

– Ten aanzien van alle benadeelden

 

De rechtbank stelt voorop dat de brand die door [verdachte] veroorzaakt is enorme gevolgen heeft voor [benadeelde 3] en [benadeelde 4] als slachtoffers en voor alle benadeelden als nabestaanden van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Hun leven is op 1 januari 2020 voorgoed veranderd. Ze missen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ontzettend. Dat hebben zij treffend verwoord in hun slachtofferverklaringen op de zitting.

 

De benadeelden hebben er voor gekozen om in deze strafzaak alleen vergoeding van affectieschade te vorderen. Deze mogelijkheid bestaat sinds 1 januari 2019. Op grond van de Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (categorie G van artikel 6:108 lid 4 BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.

 

Gelet op de artikelen 6:164 en 6:169 BW en artikel 51g, lid 4 Sv zijn – in dit geval – de ouders van [verdachte] aansprakelijk voor de schade die [verdachte] heeft veroorzaakt, omdat [verdachte] ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit jonger dan veertien jaar was. Pas vanaf die leeftijd kan iemand civielrechtelijk aansprakelijk worden gehouden. Dat is dus anders dan in het strafrecht, waar een kind vanaf 12 jaar al wel vervolgd kan worden. De rechtbank moet in dit geval dus beoordelen of de ouders van [verdachte] aansprakelijk zijn voor de gevorderde schade.

 

– Benadeelde partij [benadeelde 3]

 

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat [benadeelde 3] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van [verdachte] affectieschade heeft geleden, waarvoor de ouders van [verdachte] aansprakelijk zijn. De gevorderde bedragen komen overeen met die in de ‘tabel affectieschade nabestaanden’ en de rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken. De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 3] , als partner van [benadeelde 1] (categorie B) en als moeder van [benadeelde 2] (categorie C), daarom geheel toewijzen. Dit gaat om, in totaal, € 40.000.

 

– Benadeelde partij [benadeelde 2]

 

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat [benadeelde 4] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van [verdachte] affectieschade heeft geleden door het verlies van haar vader, waarvoor de ouders van [verdachte] aansprakelijk zijn. Het gevorderde bedrag komt overeen met dat in de ‘tabel affectieschade nabestaanden’ en de rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken. De rechtbank zal de vordering die is ingediend namens [benadeelde 4] als dochter van [benadeelde 1] (categorie D) daarom geheel toewijzen. Dit gaat om een bedrag van € 20.000.

 

De vordering die namens [benadeelde 4] is ingediend als zus van haar broertje [benadeelde 2] valt niet onder (een van) de categorieën uit de wet. Het uitgangspunt in de wet is namelijk dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, is ook ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus (de hierboven genoemde hardheidsclausule). In de toelichting op de wet waarin de mogelijkheid voor het toekennen van vergoeding van affectieschade is geregeld, wordt het voorbeeld genoemd van een broer en zus die langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen.

De rechtbank onderkent dat [benadeelde 4] een groot verlies heeft geleden en dat zij haar broertje mist. Maar er zijn onvoldoende bijzonderheden gesteld die een beroep op de hardheidsclausule mogelijk maken. Om die reden verklaart de rechtbank [benadeelde 4] , vertegenwoordigd door haar moeder, in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk.

 

– Benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6]

 

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat [benadeelde 5] en [benadeelde 6] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van [verdachte] affectieschade hebben geleden door het verlies van hun zoon, waarvoor de ouders van [verdachte] aansprakelijk zijn. De gevorderde bedragen vallen binnen het forfaitaire bedrag in de ‘tabel affectieschade nabestaanden’ en de rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken. De rechtbank zal de vorderingen van [benadeelde 5] en [benadeelde 6] als ouders van [benadeelde 1] (categorie C) daarom geheel toewijzen. Dit gaat om € 15.000 per persoon.

 

Hun vorderingen die betrekking hebben op het verlies van hun kleinzoon [benadeelde 2] vallen niet onder (één van) de in de wet genoemde categorieën. De wetgever heeft er voor gekozen om hiervoor geen categorie te maken. Zij doen een beroep op de hardheidsclausule. [benadeelde 5] en [benadeelde 6] stellen dat ze vaak op [benadeelde 2] pasten en dat ze een goede band hadden. De rechtbank twijfelt er niet aan dat ze voor [benadeelde 2] een betrokken opa en oma waren en dat zij groot verdriet hebben om het gemis van hun kleinzoon. Maar dat is niet voldoende om voor de hardheidsclausule in aanmerking te komen. Daarvoor hebben zij onvoldoende bijzonderheden gesteld. Het door hun advocaat genoemde vonnis (ECLI:NL:RBROT:2020:1460) gaat om een andere situatie. Dit betreft grootouders die bij hun kleinkinderen in huis woonden, en één kleinkind voor wie zij een duurzame en structurele opvoedrol vervulden en op wie zij vijf keer per week pasten. Daarvan is in dit geval geen sprake. Om die reden verklaart de rechtbank [benadeelde 5] en [benadeelde 6] in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk.

 

– Benadeelde partijen [benadeelde 7] en [benadeelde 8]

 

De vorderingen van [benadeelde 7] en [benadeelde 8] die betrekking hebben op het verlies van hun broer en zwager [benadeelde 1] en van hun neefje [benadeelde 2] vallen niet onder een van de categorieën uit de wet. De wetgever heeft er voor gekozen om hiervoor geen categorie te maken. Zij doen een beroep op de hardheidsclausule. Zij stellen dat zij een nauwe band hadden met [benadeelde 1] en zijn gezin. Ze kwamen zeer regelmatig bij elkaar over de vloer. Deze nauwe band blijkt ook uit het feit dat zij na de brand meerdere nachten bij [benadeelde 4] in het ziekenhuis hebben geslapen. Toen [benadeelde 4] uit het ziekenhuis werd ontslagen, is zij ook door hen opgevangen. Ook [benadeelde 3] heeft samen met [benadeelde 4] nog korte tijd bij hen gewoond.

 

Ten aanzien van de vordering die betrekking heeft op het verlies van [benadeelde 1] herhaalt de rechtbank dat broers en zussen in beginsel niet in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade. De vordering is gebaseerd op de hardheidsclausule. Uit wat er is aangevoerd blijkt dat er sprake was van een betrokken en liefdevolle broer-zus relatie, maar er zijn onvoldoende bijzonderheden gesteld om een beroep op de wettelijke hardheidsclausule te rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de band tussen [benadeelde 8] en zijn zwager [benadeelde 1] . Gelet op het voorgaande wordt geen uitzondering gemaakt op het uitgangspunt van de wet.

 

Ten aanzien van hun band met [benadeelde 2] hebben [benadeelde 7] en [benadeelde 8] naar voren gebracht dat zij een speciale band met hem hadden, mede omdat ze zelf geen kinderen hebben. Zij beschouwden [benadeelde 2] (en ook [benadeelde 4] ) als onderdeel van hun gezin en ze ondernamen veel samen. [benadeelde 2] bleef regelmatig logeren. Zonder af te doen aan de waardevolle band die zij met [benadeelde 2] hadden, is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheden onvoldoende bijzonder zijn om een beroep op de wettelijke hardheidsclausule te rechtvaardigen.

 

Concluderend verklaart de rechtbank [benadeelde 7] en [benadeelde 8] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

 

– Conclusie

 

De rechtbank zal bevelen dat de ouders van [verdachte] de toegewezen schadebedragen zullen betalen aan de benadeelden [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 6] met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020. Gelet op het feit dat de ouders zullen moeten betalen, kan de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht niet opleggen.

 

De vorderingen zullen hoofdelijk worden toegewezen: dat betekent dat (de ouders van) [verdachte] niet meer tot vergoeding is (zijn) gehouden indien en voor zover het gevorderde door (de ouders van) zijn medeverdachte [medeverdachte] is of wordt voldaan.

 

Omdat het bij het toekennen van affectieschade gaat om een wettelijke forfaitair systeem, ziet de rechtbank geen ruimte om de bedragen te matigen.

7 De beslissing

 

De rechtbank:

 

 spreekt [verdachte] vrij van het primair tenlastegelegde feit;

 

 verklaart bewezen dat [verdachte] het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 2, heeft begaan;

 

 verklaart niet bewezen hetgeen [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

 

 bepaalt dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 3;

 

 verklaart [verdachte] hiervoor strafbaar;

 

 bepaalt dat aan [verdachte] geen straf of maatregel wordt opgelegd;

 

 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;

 

Ten aanzien van de benadeelde partijen:

 

 wijst de vordering tot schadevergoeding van de volgende benadeelde partij (deels) toe ten laste van de ouders van [verdachte] en veroordeelt de ouders van [verdachte] tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden steeds begroot op nihil;

 

Benadeelde partij Bedrag

  1. [benadeelde 3] € 40.000;

 

  1. [benadeelde 1] € 20.000;
  2. [benadeelde 5] € 15.000;
  3. [benadeelde 6] € 15.000;

 

bovenstaande bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

 

 verstaat dat indien en voor zover door de ouders van de mededader ( [medeverdachte] ) het betreffende schadebedrag is betaald, de ouders van veroordeelde ( [verdachte] ) daarvan zullen zijn bevrijd;

 

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 6] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 

 

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 7] niet-ontvankelijk in haar vordering;

 

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 8] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Klep (voorzitter), tevens kinderrechter, mr. E. de Boer en

  1. L.M. Vogel, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van de Vendel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2020.

 

 

 

1 Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 16 juni 2020.

 

2 Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 16 juni 2020 en proces-verbaal van bevindingen, p. 100.

 

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 100.

 

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 100.

 

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 3] , p. 46 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 65.

 

6 Rapportage technisch onderzoek lift naar aanleiding van ongeval, p. 186.

 

7 Stamproces-verbaal forensische opsporing, p. 261.

 

8 Proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, p. 286.

 

9 Proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, p. 286-287.

 

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 261.

 

11 Rechterlijke waarneming op de terechtzitting van 16 juni 2020.

 

12 Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 16 juni 2020.

 

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 248.

 

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 255.

 

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 259 en de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 16 juni 2020.

 

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 99.

 

17 Rechterlijke waarneming op de terechtzitting van 16 juni 2020.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey