Rb (straf): affectieschade toegekend aan dochter die jaren geen contact meer had met vader

Samenvatting:

Strafzaak; moord wordt bewezen geacht. De rechtbank wijst vergoeding van affectieschade toe aan de dochter van het slachtoffer. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat vergoeding van affectieschade in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art 6:2 lid 2 BW). De rechtbank is  van oordeel dat geen sprake is van de in de Memorie van Toelichting genoemde zeer uitzonderlijke – sprekende – gevallen. Uitgangspunt is dat de wetgever uitgaat van de affectieve relatie (een in beginsel onvoorwaardelijke band) bij de in de wet bedoelde relaties. Matigen uit hoofde van redelijkheid en billijkheid moet dus beperkt blijven tot een hoge uitzondering. Ondanks het gegeven dat er al enkele jaren geen contact meer was tussen het slachtoffer en de dochter en dat zij in de periode voorafgaande aan de dood van het slachtoffer dat ook niet wilde, heeft de schadeveroorzakende gebeurtenis ervoor gezorgd dat het herstellen van de band met het slachtoffer ook nimmer meer mogelijk is in de toekomst. Tussen een kind en een ouder bestaat een onvoorwaardelijke (bloed)band en dat maakt dat het verlies van een ouder pijn doet, of er nou wel of geen of minder contact is.

 

ECLI:NL:RBGEL:2020:2436

 

Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

04-05-2020

Datum publicatie

04-05-2020

Zaaknummer

05/800011-19

Rechtsgebieden

Strafrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – meervoudig

Inhoudsindicatie

artikel 289 en 36f Sr; moord bewezen; verminderd toerekeningsvatbaar; benadeelde partijen; affectieschade toegewezen; schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

 

Team strafrecht

 

Zittingsplaats Arnhem

 

Parketnummer : 05/800011-19

Datum uitspraak : 4 mei 2020

 

Tegenspraak

 

vonnis van de meervoudige kamer

 

in de zaak van

 

de officier van justitie

 

tegen

 

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

thans gedetineerd in de [detentieadres] ,

 

raadsman: mr. D. Nieuwenhuis, advocaat te Arnhem.

 

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 7 mei, 2 juli, 24 september, 12 november 2019 en 28 januari en 21 april 2020.

 

1

De inhoud van de tenlastelegging

 

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

 

zij op of omstreeks 28 januari 2019 te Doornenburg, gemeente Lingewaard, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door één of meermalen met een hamer, althans met een voorwerp op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;

 

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

 

zij op of omstreeks 28 januari 2019 te Doornenburg, gemeente Lingewaard, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door één of meer malen met een hamer, althans met een voorwerp op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan.

 

  1. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten moord.

 

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van voorbedachten rade om het slachtoffer van het leven te beroven.

Het dossier bevat in de eerste plaats geen aanknopingspunten dat verdachte het slachtoffer volgens een plan om het leven heeft gebracht.

Het dossier bevat daarnaast onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen dat er een moment is geweest waarop verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (kalm beraad en rustig overleg).

Ten slotte heeft de verdediging gesteld dat er contra-indicaties zijn voor voorbedachte raad. (1) De gemoedstoestand van verdachte, in onlosmakelijke samenhang bezien met haar psychische gesteldheid, ten tijde van het tenlastegelegde staat in de visie van de verdediging in de weg aan de kwalificatie van voorbedachte raad. (2) Daarnaast is de tijdspanne tussen het besluit het slachtoffer te doden en de uitvoering van dat besluit dusdanig kort dat deze een contra-indicatie voor voorbedachte raad oplevert. (3) Verder kan niet worden uitgesloten dat als er gelegenheid tot beraad is geweest, deze gelegenheid pas is ontstaan tijdens de uitvoering van het feit. Uit het dossier kan worden afgeleid dat het slachtoffer meteen of vrijwel meteen dood was. Als de gelegenheid tot beraad pas is ontstaan tijdens de uitvoering van het feit, dan is dit waarschijnlijk te laat geweest. (4) De aard van het feit, het gebruik van een hamer die verdachte toevallig zag liggen, duidt op een noodlottige samenloop van omstandigheden. Niet op een welbewuste afweging. (5) Ten slotte leveren ook de omstandigheden waaronder het feit is begaan een contra-indicatie op. Het toegepaste geweld is extreem en staat niet in verhouding tot wat er vooraf is gegaan tussen verdachte en het slachtoffer. Dit impliceert dat er is gehandeld in een ogenblikkelijke en hevige opwelling. De gevolgen van het handelen van verdachte zijn bovendien voor verdachte zeer verstrekkend. Ook haar eigen leven is verwoest. Dit biedt sterke aanwijzingen dat verdachte niet heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van haar daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

De verdediging heeft om deze redenen verzocht verdachte van de primair tenlastegelegde moord vrij te spreken.

 

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat zij in de nacht van 27 op 28 januari 2019 in de woning in Doornenburg met een hamer heel hard op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen terwijl hij lag te slapen. Ze sloeg een keer of vijf. Ze wilde dat hij dood ging, zodat hij haar en haar familie nooit meer zou bedreigen. Verdachte heeft verder verklaard dat zij ongeveer 10 minuten na het slaan met de hamer [naam 1] heeft gebeld.2 Op 28 januari 2019 om 2.12 uur heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de gebruikers van de telefoonnummers van [naam 1] en verdachte.3

In de woning is een het stoffelijk overschot van een man aangetroffen. Dactyloscopisch onderzoek leidde tot de conclusie dat de overleden persoon [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) betrof.4 Deskundigen van het NFI hebben geconcludeerd dat het overlijden van het slachtoffer wordt verklaard door hersenfunctiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen, die zijn opgelopen door meervoudig ingewerkt en (deels) heftige uitwendig mechanisch stomp, botsend geweld op het hoofd.5

In de woning is een klauwhamer aangetroffen.6 De hamer is onderzocht op biologische sporen. Op de kop van de hamer zijn bloedsporen van het slachtoffer aangetroffen. In de bemonstering van de steel van de hamer is DNA-materiaal van verdachte en het slachtoffer aangetroffen.7

 

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte het slachtoffer op 28 januari 2019 in hun woning in Doornenburg opzettelijk om het leven heeft gebracht door hem meermalen met een hamer op of tegen zijn hoofd te slaan.

 

Moord of doodslag?

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht met voorbedachte raad. Anders geformuleerd de vraag of sprake is van moord of doodslag.

Van moord is sprake als de dader besluit het slachtoffer te doden, hij of zij enige tijd nadenkt of heeft kunnen nadenken over de gevolgen van dit besluit en vervolgens zijn slachtoffer doodt (‘met voorbedachten rade’).

Bij doodslag handelt de dader in een opwelling, bijvoorbeeld uit woede. Een belangrijke aanwijzing voor moord kan zijn dat verdachte de tijd heeft gehad om over de gevolgen van zijn daad na te kunnen denken. Er moet echter altijd worden gekeken of sprake is van contra-indicaties: feiten en omstandigheden die er op wijzen dat verdachte (desondanks) in een opwelling heeft gehandeld.

 

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van voorbedachte raad acht de rechtbank de verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting en ten overstaan van de politie van belang en leidt daaruit het volgende af.

 

Verdachte heeft verklaard dat zij en het slachtoffer rond 23.00/23.40 in bed lagen die avond. Het slachtoffer had niets gezegd toen hij in bed stapte. Hij was aan zijn eigen kant in bed gaan liggen en snurkte binnen een half uur. Verdachte hoorde het slachtoffer steeds in haar eigen hoofd zeggen dat hij haar familie wat aan zou doen. Ze had niet kunnen slapen die nacht. Ze had heel veel angst. Verdachte is die avond en nacht vier keer naar het toilet geweest. De laatste keer liep ze wat rond door de woning en zag in de woonkamer onder een kastje een hamer liggen. Ze dacht ‘hem’ (de rechtbank begrijpt: de hamer) te pakken, maar besloot ‘het niet te doen’ (de rechtbank begrijpt: het slachtoffer om het leven brengen). Toen ze het gesnurk weer hoorde, pakte ze de hamer toch. Ze snelde naar de kamer en sloeg heel hard met de hamer daar waar het geluid vandaan kwam. Verdachte sloeg met de hamer een keer of vijf. Ze voelde naar eigen zeggen dat de klappen raak waren. Bij de politie heeft verdachte nog verklaard dat ze, toen ze de hamer zag, dacht: “Hij laat me nooit meer gaan en zal me altijd bedreigen. Hij zal de mensen om me heen ook wat aandoen.”

 

Uit het dossier valt verder het volgende af te leiden. In een WhatsApp gesprek met [naam 1] op 12 maart 2018 stuurt verdachte over de situatie tussen haar en het slachtoffer: “Straks moet ik een moord begaan”.8 Op 22 januari 2019 schrijft ze aan haar dochter via WhatsApp dat ze op de dag dat ze gaat verhuizen kalmerende middelen in het eten van het slachtoffer moet doen. Als haar dochter daarop reageert dat zij maar meteen rattengif moet gebruiken, schrijft verdachte dat ze dat al een paar keer heeft gedaan.9 In de avond voorafgaande aan het tenlastegelegde stuurt verdachte (om 23.34 uur), in een WhatsApp-gesprek die over het slachtoffer gaat, een bericht naar [naam 1] waarin staat: “Ik moet hem zien uit te schakelen”.10 Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte al eerder speelde met de gedachte om het slachtoffer te doden, maanden voorafgaand aan het tenlastegelegde feit, maar ook enkele uren voorafgaand aan het tenlastegelegde.

 

De rechtbank is van oordeel dat – in het licht van de eerdere zinspelingen op de dood van het slachtoffer – verdachte daadwerkelijk tot het besluit kwam om het slachtoffer te doden toen zij de hamer zag liggen om hem daarmee uit te schakelen, want “hij laat me nooit gaan en zal me altijd bedreigen”, na daaraan eerder gedachten en overwegingen te hebben gewijd.

Zij besluit dan in eerste instantie dit niet te doen en loopt weg. Vervolgens bedenkt zij zich en loopt weer terug naar de hamer en pakt die toch. Zij voert vervolgens direct haar besluit uit. Zij loopt naar het slachtoffer en slaat hem met de hamer op zijn hoofd.

Uit de omstandigheid dat verdachte eerst besluit de hamer niet te pakken en wegloopt en dan vervolgens toch terug komt en de hamer toch pakt, kan worden afgeleid dat verdachte gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

 

Ze deed dat in het licht van de eerdere overwegingen dat “hij haar nooit zou laten gaan, haar en mensen om haar heen bedreigde” en dat ze hem daarom moest uitschakelen.

 

De tijdspanne waarbinnen verdachte zich kon beraden is niet gaan lopen vanaf de eerst klap met de hamer, maar vanaf het moment dat verdachte de hamer zag liggen.

De rechtbank acht hierbij voorts van belang dat het slachtoffer ook al enkele uren lag te slapen.

Nu het slachtoffer lag te slapen en zich aldus in een weerloze toestand bevond, heeft verdachte alle gelegenheid gehad om na te denken. De rechtbank acht ook van belang dat het incident dat eerder die avond plaatsvond – waarbij volgens verdachte geweld is toegepast op haar door het slachtoffer en waarvoor de politie langs is geweest – op het moment van het tenlastegelegde al meerdere uren geleden was. Van het slachtoffer ging op dat moment dus geen onmiddellijk dreigend gevaar uit voor verdachte. Van een hevige gemoedsopwelling zoals door de verdediging is gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, althans hier is niet van gebleken op basis van het dossier. De angst waarin verdachte leefde is naar het oordeel van de rechtbank juist eerder een drijfveer geweest om tot het besluit te komen om het slachtoffer te doden, dan een opwelling die aanleiding is geweest het slachtoffer te doden.

 

De rechtbank is verder van oordeel dat de aard van het geweld en de aard van het wapen geen contra-indicatie opleveren.

Ook andere contra-indicaties zijn niet gebleken.

 

Dat verdachte naar alle waarschijnlijkheid (mede) tot haar daad is gekomen onder invloed van een stoornis (waarover hierna meer), staat niet in de weg aan het oordeel dat sprake was van voorbedachte raad; die stoornis heeft het inzicht in hetgeen zij deed of het vermogen daarvoor een plan te maken, niet volledig weggenomen.

 

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

 

3

Bewezenverklaring

 

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

 

zij op of omstreeks 28 januari 2019 te Doornenburg, gemeente Lingewaard, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door één of meermalen met een hamer, althans met een voorwerp op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan.

 

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

 

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

 

4

De kwalificatie van het bewezenverklaarde

 

Het bewezenverklaarde levert op:

 

Primair:

Moord.

 

5

De strafbaarheid van het feit

 

Het feit is strafbaar.

 

6

De strafbaarheid van de verdachte

 

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

 

7

Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Verder heeft de officier van justitie zich nog uitgelaten over het beslag. De inbeslaggenomen [merk] computer kan worden teruggegeven aan de rechthebbende, in dit geval de familie van het slachtoffer. De inbeslaggenomen medicijnen en de kleding en sieraden van verdachte kunnen worden teruggeven aan verdachte.

 

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de oplegging van de straf rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte en de omstandigheid dat het feit aan verdachte in verminderde mate moet worden toegerekend volgens de deskundigen. Voorts heeft de verdediging gesteld dat gelet op het lage recidiverisico, het niet noodzakelijk is om een langdurige gevangenisstraf op te leggen om de maatschappij tegen verdachte te beschermen. Daarnaast heeft de verdediging gesteld dat generale preventie met een hoge gevangenisstraf voor een dergelijk misdrijf zijn doel voorbij schiet, omdat personen die van plan zijn iemand te doden zich hier niet door laten afschrikken. Een langdurige gevangenisstraf bemoeilijkt volgens de verdediging voorts de resocialisatie en is ook in het kader van vergelding in onderhavige zaak niet noodzakelijk.

Verder heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte door het slachtoffer werd mishandeld, bedreigd en gestalkt, waardoor zij anderhalf jaar in vrijwel permanent hevige angst heeft geleefd. Ten slotte heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de gezondheidstoestand van verdachte, waardoor de detentie voor haar zwaarder valt dan voor een gemiddelde gedetineerde.

De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

 

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezenverklaring en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook is rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 16 december 2019;

een voorlichtingsrapportage van reclassering Nederland, gedateerd 1 oktober 2019;

een Pro Justitia rapport van [naam 2] , GZ-psycholoog, gedateerd 26 april 2019;

een Pro Justitia rapport van [naam 3] , psychiater, gedateerd 30 augustus 2019, en;

een Pro Justitia rapport van [naam 4] , klinisch psycholoog, gedateerd 30 september 2019.

Ernst van het feit

Verdachte heeft in de nacht van 28 januari 2019 met een hamer meerdere malen ingeslagen op het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer, waar verdachte mee samenwoonde, lag op dat moment in zijn eigen woning te slapen en heeft door het uitgeoefende excessieve geweld hersenfunctiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornis opgelopen, waardoor hij overleden is. Door aldus te handelen heeft verdachte het leven beëindigd van een 58-jarige man.

Een dergelijk gewelddadig misdrijf als dit schokt de samenleving in hoge mate.

Verdachte heeft door haar partner het leven op een zo gruwelijke wijze te benemen in de eerste plaats hem een gruwelijke en onomkeerbare daad aangedaan. Ze heeft zijn nabestaanden ernstig leed toegebracht.

 

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de nabestaanden van het slachtoffer het niet altijd eens waren met de keuzes die het slachtoffer maakte, waardoor zij een moeizame relatie met hem hadden. Het contact was moeizaam en zij hoorden dingen vaak pas achteraf. Desondanks blijft het slachtoffer de vader van [benadeelde 1] , de zoon van [benadeelde 2] en de broer van [benadeelde 3] . Voor hen geldt dat er nooit meer een relatie kan ontstaan die beter is of zal zijn. De situatie heeft hun leven op zijn kop gezet en zij hebben allemaal pijn, verbazing, verdriet, woede, onbegrip en wraak gevoel, aldus de broer van het slachtoffer.

 

Ook heeft de verdachte de nabestaanden de kans ontnomen ooit nog antwoorden te krijgen op bij hen levende vragen aan het slachtoffer, of om met hem in het reine te komen.

 

Het opzettelijk benemen van het leven behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.

 

De persoon van de verdachte

Uit de Pro Justitia rapportages blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met kenmerken van het borderline type (afwisselend idealiseren en devalueren; lang bestaand zwak zelfbeeld; stemmingswisselingen), histrionische type (excessief emotioneel en van jongs af aan aandacht vragend) aan de ene kant en kenmerken van het afhankelijke type (grenzeloos pleasend gedrag) aan de andere kant.

De persoonlijkheidspathologie was volgens de deskundigen ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig.

Verdachte zit vol met ambivalente en tegenstrijdige gevoelens.

Enerzijds vindt ze het slachtoffer zielig en moet hij geholpen worden, dus moet ze blijven en goed voor hem zijn, anderzijds bedreigt hij haar en is ze angstig, maar is het voor haar geen optie vanuit haar reddersbehoefte, om bij hem weg te gaan. Veel onlustgevoelens die onder de oppervlakte lagen waarbij de controle in toenemende mate afkalfde, hebben geleid tot het tenlastegelegde. Verdachte kon vanuit die pathologie haar handelen op het moment van het tenlastegelegde niet geheel overzien noch bewust overwegen. Psychiater [naam 3] beschrijft dat de persoonlijkheidsproblematiek een belangrijke rol heeft gespeeld in het verloopt van de relatiedynamiek waarbinnen het delict heeft kunnen plaatsvinden. Verdachte presenteert het hanteren van de hamer als een weliswaar impulsieve en ter plekke bedachte, maar wel enige mogelijke keuze die zij nog had om zichzelf en haar familie te redden en veilig te stellen voor de toekomst. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat verdachte op dat moment zodanig werd beïnvloed door heftige emoties, dissociatie of psychotische belevingen dat dit haar handelen geheel bepaalde en geen andere keuze mogelijk was. In het bijzonder heeft psychiater [naam 3] in zijn rapport beschreven dat er op meerdere momenten, en ook tot het laatst, andere keuzes voor verdachte denkbaar zijn geweest en dat “Bij een daadwerkelijk impulsieve daad meer emotie (agressiedoorbraak?), of zelfs dissociatie of psychotische lading verwacht zou kunnen worden, maar dat wordt door betrokkene ([lees: verdachte] ontkend.”

 

Door beide deskundigen wordt daarom geadviseerd om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

 

De rechtbank kan zich vinden in de conclusies van de gedragsdeskundigen en neemt deze over. Zij zal in sterke mate rekening houden met dit straf verminderend aspect.

 

Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de angst waarin zij zegt geleefd te hebben en waarvoor ook in het dossier veel aanwijzingen te vinden zijn dat die reëel waren. Dan denkt de rechtbank in het bijzonder aan de verklaring van de dochter van het slachtoffer, [benadeelde 1] , die past in het patroon dat verdachte zelf heeft geschetst van haar relatie met het slachtoffer.

 

Zij verklaarde dat haar vader haar weg hield van de familie en van de familie van haar

moeder. [benadeelde 1] was op haar 10e met haar vader [slachtoffer] vanuit Blaricum naar Barcelona verhuisd. Na 2 jaar zijn ze naar Malaga verhuisd. Haar vader kreeg in Malaga een

relatie met een Mexicaanse vriendin. Haar vader was na de dood van haar moeder, veel

gaan drinken en [benadeelde 1] verklaarde dat haar vader haar mishandeld en seksueel misbruikt

had. [benadeelde 1] verklaarde dat haar vader haar eens drie dagen op haar kamer opgesloten had en

haar vervolgens bedreigd had met een pistool. Ze verklaarde dat haar vader vroeger erg agressief kon reageren. Hij schopte en sloeg haar en kon soms drie dagen boos zijn. Hierna had haar vader dan spijt en probeerde

het weer goed te maken.

Ook het feit dat het slachtoffer in Spanje werd veroordeeld voor mishandeling binnen een relatie past daarbij.

 

Uit de Pro Justitia rapportages volgt verder dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. Van risico op geweld is vooral sprake als verdachte een vergelijkbare relatie zal aangaan. Mede op grond van de leeftijd van verdachte, het feit dat zij meerdere gezondere relaties heeft gehad in haar leven en de rol die de persoonlijkheid van het slachtoffer gespeeld heeft in de ontstane dynamiek, wordt die kans laag ingeschat.

Gelet op die lage kans, wordt voor een terbeschikkingstelling, al dan niet onder voorwaarden, geen aanleiding gezien. Ook wordt geen intensieve behandeling noodzakelijk geacht.

 

Gelet op het lage recidiverisico en het feit dat (langdurige) intensieve klinische behandeling niet geïndiceerd is, adviseert de reclassering om aan verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen. Verdachte kan gedurende een detentie en re-integratie traject en/of een voorwaardelijke invrijheidsstelling worden toegeleid naar ambulante behandeling indien dit te zijner tijd nog altijd geïndiceerd is. Deze behandeling zou kunnen plaatsvinden in de vorm van een delictsanalyse en psychotherapeutische behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek.

 

Conclusie van de rechtbank

Alles afwegende, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Zij legt daarmee een straf op van kortere duur dan door de officier van justitie gevorderd, nu de rechtbank van oordeel is dat deze straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en de rechtbank meer rekening houdt met de specifieke relationele omstandigheden die hebben gespeeld. De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf sterk rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte wordt toegerekend, gelet op de bij verdachte geconstateerde persoonlijkheidspathologie en de omstandigheid dat verdachte mede daardoor al bijna twee jaar in angst heeft geleefd.

 

Voor het beslag:

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden voorwerpen aan de veroordeelde dan wel de na te noemen rechthebbende.

 

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

 

De benadeelde partijen [benadeelde 3] (en [benadeelde 4] ), [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het primair bewezenverklaarde feit.

Door [benadeelde 3] en [benadeelde 4] wordt een bedrag van € 5.670,38 gevorderd, bestaande uit € 5.635,75 aan materiële schade en € 34,63 aan proceskostenvergoeding.

Door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is ieder een bedrag van € 17.500,- gevorderd, geheel bestaande uit affectieschade.

De benadeelde partijen hebben verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en voorts toewijzing van de wettelijke rente.

 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 3] (en [benadeelde 4] ), [benadeelde 1] en [benadeelde 2] tot betaling van het gevorderde bedrag toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

 

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde 3] en [benadeelde 4] ten aanzien van de gevorderde schade voor zover deze betrekking heeft op de kosten van de lijkbezorging, te weten het bedrag van € 4.554,40, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat het slachtoffer volgens verdachte bij [bedrijf] een uitvaartverzekering had en dat de kosten door de benadeelde partij dan ook onnodig zijn gemaakt dan wel alsnog bij [bedrijf] geclaimd kunnen worden. Nu niet uit het dossier blijkt dat verdachte bij [bedrijf] verzekerd is, dient eerst nader onderzoek gedaan te worden. Dit levert een onevenredige belasting van de strafprocedure op.

De verdediging heeft daarnaast gesteld dat de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] dienen te worden afgewezen. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat in de onderhavige zaak sprake is van zeer uitzonderlijke -sprekende- gevallen, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht als de vorderingen om affectieschade worden toegewezen. De verdediging verwijst hierbij naar de inhoud van de verklaringen die de benadeelde partijen bij de politie hebben afgelegd.

De verdediging heeft verder verzocht om de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten dan wel deze op te leggen voor de duur van slechts één dag, omdat verdachte de door de benadeelde partijen gevorderde bedragen niet kan betalen.

 

Beoordeling door de rechtbank

De vordering van benadeelde partij [benadeelde 3] (en [benadeelde 4] )

Materiële schade

Op grond van artikel 51f, tweede lid, juncto artikel 6:108 Burgerlijk wetboek (BW) komen kosten voor lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking. De kosten komen de rechtbank niet onredelijk of ongegrond voor en zijn voldoende onderbouwd. Nergens uit blijkt dat het slachtoffer een uitvaartverzekering had. Nu de kosten door de benadeelde partij daadwerkelijk gemaakt zijn, zijn ze voor toewijzing vatbaar.

 

De overige gevorderde (materiële) kosten zijn niet betwist. De rechtbank zal ook dit deel van de vordering toewijzen.

 

Proceskostenvergoeding

De benadeelde partij vordert tevens vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding, bestaande uit € 34,63. De rechtbank acht deze vordering toewijsbaar.

 

De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

Affectieschade

De nabestaanden van het slachtoffer, [benadeelde 1] (dochter) en [benadeelde 2] (moeder), hebben vergoeding voor affectieschade gevorderd. Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel, en nabestaanden van overleden slachtoffers. Het letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De rechtbank benadrukt dat deze vergoeding uit de aard daarvan een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen volledige compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten. De kring van gerechtigden is beperkt.

 

De rechtbank stelt vast dat elk van de benadeelde partijen die deze vorm van schadevergoeding heeft gevorderd, tot de kring van gerechtigden behoort en bij zijn of haar vordering aansluiting heeft gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen.

 

Tegelijkertijd is mogelijk geacht bij het honoreren van een aanspraak van een in de wet genoemde relatie deze bij te stellen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de zin van art. 6:2 lid 2 BW . Het gaat hierbij om zeer uitzonderlijke gevallen. In de Memorie van Toelichting bij het Besluit vergoeding affectieschade is hierover het volgende opgenomen:

“Opgemerkt zij nog dat […] niet kan worden uitgesloten dat op grond van het voorgestelde artikel 6:107 recht zou bestaan op vergoeding van affectieschade terwijl dit, mede gelet op de relatie tussen de rechthebbende naaste en de gekwetste of overledene, zoals deze zich in de periode voorafgaand aan de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft ontwikkeld, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Te denken valt aan gevallen waarin een echtgenoot aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade wegens ernstig en blijvend letsel van zijn echtgenote, terwijl deze echtgenoot voor het ongeval al met de spreekwoordelijke Noorderzon was vertrokken, of reeds samenwoonde met iemand anders. In gevallen waarin vergoeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, kan deze met een beroep op artikel 6:2, tweede lid, BW worden afgewezen. De Rvdr geeft in zijn advies in overweging om te voorzien in een ruimere hardheidsclausule. Daarvan zie ik af. Het criterium van artikel 6:2, tweede lid, BW leent zich slechts voor toepassing in zeer uitzonderlijke gevallen. Discussies over de feitelijke invulling van op zichzelf zeer nauwe persoonlijke betrekkingen zijn voor de gekwetste en zijn naasten belastend en precair. De feitelijke invulling van deze persoonlijke relaties dient om die reden slechts in zeer uitzonderlijke – sprekende – gevallen aan de orde te kunnen worden gesteld.” 11

 

De rechtbank is – anders dan de verdediging – van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van zeer uitzonderlijke – sprekende – gevallen. Zij overweegt hiertoe het volgende.

 

Uitgangspunt is, ook blijkens de gestaffelde opzet van het besluit dat de wetgever uitgaat van de affectieve relatie (een in beginsel onvoorwaardelijke band) bij de in de wet bedoelde relaties. Matigen uit hoofde van redelijkheid en billijkheid moet dus beperkt blijven tot een hoge uitzondering.

 

Ondanks het gegeven dat er al enkele jaren geen contact meer was tussen het slachtoffer en [benadeelde 1] (dochter) en dat zij, [benadeelde 1] , in de periode voorafgaande aan de dood van het slachtoffer dat ook niet wilde, heeft de schadeveroorzakende gebeurtenis ervoor gezorgd dat het herstellen van de band met het slachtoffer ook nimmer meer mogelijk is in de toekomst. Tussen een kind en een ouder bestaat een onvoorwaardelijke (bloed)band en dat maakt dat het verlies van een ouder pijn doet, of er nou wel of geen of minder contact is.

Tussen het slachtoffer en [benadeelde 2] was er eveneens al lange tijd geen contact meer. Dit neemt echter niet weg dat er een onvoorwaardelijke (bloed)band tussen beiden bestaat en dat het verlies van haar zoon pijn en verdriet doet. Nergens is bovendien uit gebleken dat zij geen contact meer met haar zoon wilde.

 

De rechtbank acht een vergoeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dan ook niet onaanvaardbaar. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande uitgaan van de normbedragen en de gevorderde bedragen ter zake geleden affectieschade toewijzen.

 

Ten aanzien van alle vorderingen

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank overweegt dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel niet enkel is bedoeld om betalingsonwillige daders te dwingen om te betalen, maar ook om te voorkomen dat slachtoffers – vaak langdurige – civielrechtelijke procedures moeten doorlopen om de toegewezen bedragen te kunnen ontvangen van de dader. Bovendien keert de Staat op grond van artikel 6:4:2, zevende lid van het Wetboek van Strafvordering (oud artikel 36f, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht) het (resterende bedrag uit aan het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid (waaronder de nabestaanden), wanneer binnen acht maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis niet of niet volledig is betaald door de dader.

 

Ten aanzien van het toepassen van gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel overweegt de rechtbank het volgende. In de situatie voor 1 januari 2020 speelde de draagkracht bij de beslissing tot de toepassing van vervangende hechtenis geen rol. Het aantal dagen hechtenis werd bij het opleggen van de maatregel door de rechter vastgesteld. Het openbaar ministerie had de wettelijke verplichting om daar uitvoering aan te geven. Sinds 1 januari 2020 bepaalt artikel 6:4:20, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat gijzeling niet wordt toegepast indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling. In deze nieuwe situatie (gijzeling) oordeelt het openbaar ministerie aan de hand van beschikbare stukken of er sprake is van betalingsonmacht. Wanneer uit de reeds beschikbare informatie over de veroordeelde niet is gebleken van betalingsonmacht, is het uitgangspunt dat gijzeling kan worden toegepast.

 

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting niet op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

De gevorderde en toegewezen vergoeding voor proceskosten is daar niet bij inbegrepen.

 

Wettelijke rente

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 28 januari 2019.

 

8

De toegepaste wettelijke bepalingen

 

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

 

9

De beslissing

 

De rechtbank:

 

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren;

 

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 

Voor het beslag:

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten: medicijnen (diverse), kleding en sieraden;

 

 gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan de rechthebbende, te weten: computer (laptop) [merk] ;

 

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

 

veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 3] en [benadeelde 4], van een bedrag van € 5.635,75 (vijfduizend zeshonderd vijfendertig euro en vijfenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 34,63;

legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] en [benadeelde 4], een bedrag te betalen van € 5.635,75 (vijfduizend zeshonderd vijfendertig euro en vijfenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 63 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .

 

veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1], van een bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend en vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 17.500,- (zeventienduizend en vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 124 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] .

 

veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2] , van een bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend en vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] , een bedrag te betalen van € 17.500,- (zeventienduizend en vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 124 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en mr. J.M. Graat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2020.

 

 

 

  1. J.M. Graat en mr. D.R. Sonneveldt zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

 

 

 

 

1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019041683, gesloten op 23 juli 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2

Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 januari 2019, p. 73-75; Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 12 november 2019.

3

Proces-verbaal onderzoek telefoonnummer verdachte, p. 873.

4

Proces-verbaal van vergelijkend dactyloscopisch onderzoek, p. 540-543.

5

Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 6 februari 2019, inhoudende pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door dr. [naam 5] , arts en patholoog, p. 1328-1343; aanvullend rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 19 februari 2019, inhoudende postmortaal radiologisch onderzoek, opgemaakt door dr. [naam 5] , arts en patholoog, p. 1344-1346.

6

Proces-verbaal van Sporenonderzoek, p. 1146

7

rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 7 juni 2019 inhoudende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , opgemaakt door dr. [naam 6] , p. 1353-1360;

8

Proces-verbaal WhatsApp-gesprekken verdachte – [naam 1] uitgewerkt, p. 963.

9

Proces-verbaal van Bevindingen analyse WhatsApp gesprekken tussen verdachte en haar dochter, p. 949.

10

Proces-verbaal WhatsApp-gesprekken verdachte – [naam 1] uitgewerkt, p. 982.

11

Memorie van toelichting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Kamerstuk 34 257, Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen, vergaderjaar 2014-2015. nr. 3. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34257-3.html

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey