Rb (straf): affectieschade en shockschade toegekend aan familieleden na moord op moeder

Samenvatting:

Man die lijdt aan psychotische stoornis vermoordt zijn moeder; hij krijgt hiervoor TBS-maatregel met dwangverpleging opgelegd. 1. De rechtbank wijst affectieschade toe aan andere zoon, dochter en schoondochter. 2. De rechtbank oordeelt dat is voldaan aan de vereisten voor shockschade; weliswaar waren zij de moord niet waargenomen, maar wel is geweest van een hevige emotionele schok door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het feit. Shockschade zoon: € 15.000,- (hij heeft moeder identificeren, is geconfronteerd met vele bloedsporen en heeft zware depressie. Shockschade dochter en schoondochter: € 7500,- (geconfronteerd met bloedsporen en psychiatrisch erkend ziektebeeld. Ook materiele schade wegens shockschade (huishoudelijk hulp en zelfwerkzaamheid) toewijsbaar, maar is te complex voor strafgeding. Niet-ontvankelijkverklaring; zij kunnen de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

 

Rb (straf): affectieschade en shockschade toegekend aan familieleden na moord op moeder

 

 

 

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:5033

ECLI:NL:RBZWB:2019:5033

Instantie

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak

19-11-2019

Datum publicatie

19-11-2019

Zaaknummer

02/025152-19

Rechtsgebieden

Strafrecht

Bijzondere kenmerken

Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft aan een 28-jarige man een TBS-maatregel met dwangverpleging opgelegd, omdat hij zijn eigen moeder om het leven heeft gebracht.

Dit is hem volgens de gedragsdeskundigen niet toe te rekenen omdat hij handelde vanuit een psychose. Verdachte leed aan een psychotische stoornis met paranoïde wanen. Hij meende dat hij een aartsengel was en dat zijn moeder een heks was die hem pijnigde en manipuleerde via een voodoopop. Het recidivegevaar wordt door de deskundigen ingeschat als matig tot hoog en een langdurige klinische behandeling is nodig. TBS met dwangverpleging is het enige passende kader.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

 

Zittingsplaats: Breda

 

parketnummer: 02/025152-19

 

vonnis van de meervoudige kamer van 19 november 2019

 

in de strafzaak tegen

 

[verdachte]

geboren op [geboortedag verdachte] 1990 te [geboorteplaats verdachte]

thans gedetineerd in de PI te Vught

raadsman mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda

 

1

Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 november 2019, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Namens de benadeelde partijen heeft mr. M.J.J.F. van Raak, advocaat te Oosterhout, de vorderingen toegelicht. [benadeelde partij 1] heeft een schriftelijke slachtofferverklaring ingediend en [benadeelde partij 2] heeft gebruik gemaakt van het spreekrecht.

 

2

De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

 

hij op of omstreeks 30 januari 2019 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand [slachtoffer] (geboren op [geboortedag slachtoffer] 1954) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door genoemde [slachtoffer] meermalen (hard) in/tegen het gezicht, in elk geval tegen het hoofd en/of tegen de buik, in elk geval tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

 

3

De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

 

4

De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zijn moeder van het leven heeft beroofd. Hij baseert zich

daarbij op de aangetroffen situatie aan de [adres] te Kaatsheuvel in de vroege ochtend van 30 januari 2019, het bij verdachte meteen na zijn aanhouding geconstateerde letsel, de verklaring van verdachte zelf, de verklaring van de echtgenote van verdachte en de resultaten en conclusies uit het forensisch onderzoek. De officier van justitie acht het bestanddeel “met voorbedachten rade” niet bewezen en verdachte dient daarom van moord te worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde feit kan worden gekwalificeerd als doodslag.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Het aantreffen van het levenloze lichaam

De echtgenote van verdachte belde op 30 januari 2019 omstreeks 04:00 uur de politie dat verdachte in de woning van haar schoonmoeder, waar zij met haar zoontje verbleef, haar schoonmoeder aanviel.1 In de tweede melding verklaarde zij dat verdachte haar schoonmoeder had vermoord.2 Toen de politie kort daarna ter plaatse kwam in de [adres] te Kaatsheuvel troffen zij op het tuinpad voor de voordeur het levenloze lichaam van een vrouw aan.3 In de woning werd een plas bloed in de woonkamer en een bloedspoor vanaf de zitbank in de woonkamer naar de gang toe aangetroffen.4

Het slachtoffer bleek te zijn mevrouw [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 1954.5

 

Het forensisch onderzoek

De patholoog van het NFI heeft bij sectie geconstateerd dat er sprake was van substantieel bloedverlies, meerdere ribbreuken aan beide zijden, letsel aan en in de buik en ernstige letsels op het hoofd, met name in het gelaat, en dat het overlijden van het slachtoffer door verwikkelingen van deze letsels kon worden verklaard.6

De conclusie van het forensisch onderzoek is – kort samengevat – dat de verwondingen zijn veroorzaakt door het uitoefenen van geweld op het hoofd en het bovenlichaam, zowel in als buiten de woning, met handen en met (geschoeide) voet.7

 

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij op 30 januari 2019, nadat hij een reukdroom had gehad, naar zijn moeder in Kaatsheuvel is gegaan om een voodoopop te halen, omdat hij dacht dat zijn moeder hem via die pop kwaad wilde doen. Hij heeft de voordeur van de woning van zijn moeder met kracht opengeduwd en heeft in de woonkamer, nadat hij om de voodoopop vroeg, zijn moeder meermalen met de kracht van aartsengel Michael geslagen, waardoor zij bewusteloos raakte, haar vervolgens naar buiten gesleept en haar toen nog geschopt.8

 

Tussenconclusie

Op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn moeder opzettelijk om het leven heeft gebracht.

 

Moord of doodslag?

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of ook bewezen kan worden dat er sprake is geweest van voorbedachte raad en daarmee van moord. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend is bewezen.

 

Voor een bewezenverklaring van “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

 

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier onvoldoende is gebleken dat verdachte het vooropgezette plan had om zijn moeder om het leven te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de verklaringen van verdachte juist naar voren dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, naar aanleiding van een discussie over een voodoopop.

 

Nu niet is komen vast te staan dat verdachte met voorbedachte raad zijn moeder om het leven heeft gebracht, zal hij van moord worden vrijgesproken, maar is doodslag wel wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

 

op 30 januari 2019 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, [slachtoffer] (geboren op [geboortedag slachtoffer] 1954) opzettelijk van het leven heeft beroofd door genoemde [slachtoffer] meermalen (hard) tegen het lichaam te slaan en te schoppen ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

 

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

 

5

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het strafbare feit doodslag op.

 

6

De strafbaarheid van verdachte

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezen verklaarde feit niet aan verdachte is toe te rekenen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de bevindingen van de deskundigen in de triple rapportage over verdachte, bepleit om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Over verdachte is op 23 mei 2019 een triple rapportage opgemaakt, opgesteld door H. Jager, forensisch milieuonderzoeker, S. Labrijn, gz-psycholoog en C. J. van Gestel, psychiater.

 

Uit de rapportage blijkt dat bij verdachte sprake is van een stoornis in het autismespectrum, van een lichte verstandelijke beperking en van een psychotische stoornis met paranoïde wanen en een fixatie op zijn naasten. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit. De psychotische stoornis was ernstig en floride en dit beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Verdachte stond langdurig onder grote druk (gaan samenwonen, het kopen van een huis, verbouwing van het huis, zwangerschap en geboorte van een kind), die hij voortvloeiend uit de autismespectrumstoornis en de lichte cognitieve beperking niet aankon. Deze factoren droegen bij aan zijn psychotische decompensatie. Zijn realiteitstoetsing was ernstig verstoord, waardoor er sprake was van ernstige oordeels- en kritiekstoornissen. Verdachte had geur- en gevoelshallucinaties, er was sprake van grootheidsideeën en van paranoïde wanen en een paranoïde fixatie op zijn moeder en zijn partner. Verdachte had vanuit de paranoïde wanen het idee dat zijn moeder hem door middel van een voodoopop manipuleerde en pijnigde en dit leidde tot gewelddadige opvattingen ten aanzien van zijn moeder die hij, niet gehinderd door enige realiteitstoetsing, in gedrag omzette.

 

Vanwege het volledige causale verband tussen de psychose en het tenlastegelegde, adviseren de deskundigen het tenlastegelegde niet toe te rekenen aan verdachte.

 

De rechtbank is op basis van de conclusies van de deskundigen, die zij overneemt, met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het bewezen verklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend. Zij zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

 

7

Oplegging van een maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, conform het advies van de deskundigen, gevorderd verdachte te veroordelen tot een maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel) met verpleging van overheidswege.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging volgt de conclusies van de deskundigen niet dat een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege het enige passende kader is. Immers, verdachte heeft vele malen uit eigen initiatief hulp gezocht. Daaruit blijkt dat er sprake is van zelfinzicht, waardoor het gevaar op herhaling niet groot is. Echter, op het moment waarop hij de hulp het hardst nodig had, was er geen plaats voor hem. Oplegging van de TBS-maatregel met verpleging van overheidswege zal onevenredig ingrijpen in het persoonlijke leven van verdachte en de gevolgen hiervan zijn uitermate disproportioneel te noemen. Er zijn alternatieve interventies voorhanden die minder ingrijpen en hetzelfde doel dienen. De verdediging heeft plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht – met een mogelijkheid tot verlenging op grond van de Wet BOPZ – bepleit.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor is overwogen, is verdachte het feit niet toe te rekenen, omdat hij verkeerde onder invloed van een ernstige psychiatrische stoornis. Er kan aan hem daarom geen straf worden opgelegd. Wel kan de rechtbank een maatregel opleggen.

Bij de vraag welke maatregel dat zou moeten zijn, heeft de rechtbank met name rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit begaan is en de persoon van verdachte, waarbij in het bijzonder waarde is gehecht aan het advies van de deskundigen.

 

De ernst van het feit

Verdachte heeft zijn moeder gedood. Hij leed aan een psychotische stoornis met paranoïde wanen. Hij had geurhallucinaties. Hij meende dat hij een aartsengel was en dat zijn moeder een heks was die hem pijnigde en manipuleerde door middel van een voodoopop. In een psychose heeft hij zijn moeder met fors geweld om het leven gebracht. De angst en pijn die zij in haar laatste momenten heeft moeten doorstaan, zijn onvoorstelbaar. De nabestaanden heeft hij daarnaast groot en onherstelbaar leed toegebracht. Zij moeten verder met de wetenschap dat hun broer, zwager, oom of neef hun (schoon)moeder, oma of zus om het leven heeft gebracht. Dit komt duidelijk naar voren in de schriftelijke slachtofferverklaring van de broer van verdachte en is door de zus van verdachte indringend onder woorden gebracht toen zij op de zitting gebruik maakte van haar spreekrecht. Ook verdachte zelf zal, als de psychose verbleekt en hij ten volle beseft wat er is gebeurd, moeten leven met het besef dat hij zijn eigen moeder, die een belangrijke steunfiguur voor hem was, heeft gedood. Verdachte heeft ten gevolge van de aanwezige psychose een van de ernstigst mogelijke feiten gepleegd. Het voorkomen van herhaling van een dergelijke geweldsuitbarsting is dan ook van groot belang.

 

Het advies van de deskundigen

In de eerder genoemde triple rapportage adviseren de deskundigen aan verdachte een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen.

De kans dat verdachte zich wederom schuldig maakt aan geweld wordt door de deskundigen ingeschat als matig tot hoog. In het bijzonder wordt de kans op ernstig lichamelijk letsel hoog ingeschat in geval van een nieuwe psychotische decompensatie dan wel een nieuwe ontregeling waarin gewelddadige intenties ontstaan op grond van paranoïde fixaties, die vooral zijn naasten kunnen betreffen.

In de afgelopen jaren is het niet gelukt verdachte adequaat te behandelen, terwijl verschillende vormen en pogingen hiertoe zijn geprobeerd. De problematiek is complex. De deskundigen achten daarom een langdurige klinische behandeling nodig. Verdachte heeft daarnaast begeleiding nodig bij het rouwproces om zijn moeder. Hij zal ook beter moeten leren omgaan met de beperkingen die voortvloeien uit zijn autisme en lichte verstandelijke beperking. Verdachte zal niet alleen in de kliniek stabiel moeten worden, maar ook in de loop van het resocialisatieproces moeten laten zien dat hij stabiel blijft. Dit alles dient te geschieden in en vanuit een kliniek met een hoog beveiligingsniveau. Een plaatsing op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis voor maximaal een jaar is onvoldoende om het geschetste behandeltraject voldoende te borgen. Een TBS-maatregel is daarmee het enige passende kader. Deze maatregel kan niet met voorwaarden worden uitgevoerd, omdat het verdachte ontbreekt aan ziekte-inzicht en hij daarmee onvoldoende in staat is gemotiveerd in te stemmen met de voorwaarden, aldus de deskundigen.

 

Maatregel

De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde feit een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, lid 1 onder 1, van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege mogelijk is. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat uitsluitend een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege een passende afdoening van deze zaak is. Deze maatregel zal de rechtbank dan ook opleggen.

Anders dan de verdediging heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat het zelfinzicht van verdachte ontoereikend is om herhaling te voorkomen. Het is immers verdachte geweest die zelf besloot met zijn medicatie te stoppen. Dat hij op andere momenten wel enig ziektebesef heeft getoond, maakt nog niet dat zijn inzicht in zijn problematiek voldoende is om de veiligheid van de samenleving, en dan met name zijn naasten, te garanderen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat ook een matige kans op herhaling van een zo ernstig feit als hij nu heeft gepleegd, een onaanvaardbaar risico met zich brengt. De veiligheid van anderen eist dan ook de oplegging van de TBS-maatregel. Gelet op het advies van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis die veiligheid onvoldoende waarborgt.

 

De maatregel wordt opgelegd wegens doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

 

8

De benadeelde partijen

8.1

Vorderingen

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd.

 

[benadeelde partij 1] , zoon van het slachtoffer, vordert € 44.620,94, bestaande uit:

kosten lijkbezorging ad € 2.094,38

kosten vervoer naar huisarts en psycholoog ad € 23,56

parkeerkosten bij psycholoog ad € 3,00

shockschade ad € 25.000,00

affectieschade ad € 17.500,00,

te vermeerderen met de wettelijke rente.

 

[benadeelde partij 2] , dochter van het slachtoffer, vordert € 46.507,05, bestaande uit:

kosten lijkbezorging ad € 2.095,08

kosten vervoer naar huisarts ad € 2,29

diverse medische kosten ad € 9,64

huishoudelijke hulp ad € 997,50

verlies van zelfwerkzaamheid ad € 902,54

shockschade ad € 25.000,00

affectieschade ad € 17.500,00,

te vermeerderen met de wettelijke rente.

 

[benadeelde partij 3] , schoondochter van het slachtoffer, vordert shockschade ad € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

 

[benadeelde partij 4] , kleindochter van het slachtoffer, vordert shockschade ad € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

 

[benadeelde partij 5] , kleinzoon van het slachtoffer, vordert shockschade ad € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

 

De raadsman van benadeelde partijen heeft de vorderingen verder al volgt toegelicht.

De kosten van lijkbezorging dienen te worden vergoed op basis van artikel 6:108, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De zoon en dochter van het slachtoffer hebben deze kosten voldaan.

De tweede wettelijke component betreft vergoeding van affectieschade, verankerd in artikel 6:108, lid 3 BW, voor de zoon en dochter van het slachtoffer.

Shockschade brengt een zelfstandige onrechtmatige daad mee. Aan de vereisten hiervoor is voldaan. De (schoon)moeder en oma van de benadeelde partijen is gedood. Zij zijn geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het voorval. Daardoor is een hevige emotionele shock teweeggebracht, waaruit bij hen geestelijk letsel is voortgevloeid.

Nu voldaan is aan de vereisten voor shockschade, ontstaat niet alleen recht op immateriële schadevergoeding, maar dient ook de materiële schade die het gevolg is van het opgelopen geestelijke letsel te worden vergoed, zoals reis- en parkeerkosten. De schadeposten

huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid bij de dochter van het slachtoffer zijn begroot aan de hand van de geldende richtlijnen van de Letselschade Raad. Deze posten zijn verschuldigd indien het inschakelen van professionele hulp “normaal en gebruikelijk” is. Als gevolg van haar psychische klachten wordt zij iedere dag circa een half uur door een vriend geholpen in het huishouden.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van:

 

[benadeelde partij 1] kan worden toegewezen:

– de kosten lijkbezorging ad € 2.087,00

– de reiskosten naar de huisarts ad € 23,56

– de parkeerkosten ad € 3,00

– de affectieschade ad € 17.500,00

De shockschade dient te worden gematigd, gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

 

[benadeelde partij 2] kan worden toegewezen:

– de kosten van lijkbezorging ad € 2.087,00

– de reiskosten naar de huisarts ad € 2,29

– de medische kosten ad € 9,64

– de affectieschade ad € 17.500,00

Zij dient ten aanzien van de kosten voor huishoudelijke hulp en verlies van zelfredzaamheid niet-ontvankelijk verklaard te worden. Immers, de mate van beperking dient nader onderzocht te worden en dit vergt een onevenredige belasting van het strafproces.

De shockschade dient te worden gematigd, gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

 

[benadeelde partij 3]

De shockschade dient te worden gematigd, gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

 

[benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5]

De shockschade dient te worden gematigd. De kleinkinderen hadden al problemen en het is niet vast te stellen welk deel van de schade is veroorzaakt door de confrontatie met de gevolgen van het voorval.

 

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de toegewezen vergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun vordering. In iedere vordering wordt shockschade gevorderd en deze schade kan gezien worden als te complexe civiele materie voor een strafproces.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de kosten van lijkbezorging, in het geval dat het incident niet had plaatsgevonden en er sprake zou zijn van een natuurlijke dood van de moeder, door drieën gedeeld zouden worden. Verdachte moet in de gelegenheid gesteld worden 1/3 deel van de kosten van lijkbezorging te voldoen. De kosten van lijkbezorging, zoals gevorderd door de zoon en dochter van het slachtoffer, zijn daarom te hoog en deze post dient te worden afgewezen.

De posten huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid bij de dochter van het slachtoffer dienen te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk verklaard te worden, nu niet vast te stellen is dat de klachten die zij heeft het directe gevolg zijn van het incident. Zo dit wel het geval zou zijn, dan is de vraag in hoeverre dit effect heeft op de huishoudelijke werkzaamheden en de zelfredzaamheid.

Voor vergoeding van shockschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Bij de nabestaanden blijkt niet dat enige confrontatie met het slachtoffer, als die al aanwezig is geweest, heeft geleid tot een hevige emotionele shock die geresulteerd heeft in een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De gevorderde shockschade dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De wettelijke rente dient, gelet op het feit dat een aantal posten betwist wordt, te worden aangepast.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1

Inleiding

De rechtbank stelt vast dat de gebeurtenissen van 30 januari 2019 een enorme impact hebben gehad op alle betrokkenen en tot groot verdriet hebben geleid. Dit zal op geen enkele wijze kunnen worden gecompenseerd. De rechtbank benadrukt dit omdat de beoordeling van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen een juridische beoordeling is die onmogelijk ook de mate van verdriet van de nabestaanden om het gemis van hun (schoon)moeder en oma tot uitdrukking kan brengen.

8.4.2

Affectieschade

Sinds 1 januari 2019 is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om op grond van artikel 6:108, lid 3, BW affectieschade te vorderen. Voor de hoogte van de vergoeding zijn in het Besluit vergoeding affectieschade forfaitaire bedragen vastgesteld.

De rechtbank stelt vast dat het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van het handelen van verdachte. Hiermee is de grond voor vergoeding van affectieschade gegeven. De gevorderde bedragen door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zijn in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank zal de gevorderde bedragen aan affectieschade dan ook geheel toewijzen.

8.4.3

Shockschade

8.4.3.1 Beoordelingskader

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade, sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201 en HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241). Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

8.4.3.2 [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

De rechtbank zal eerst de vorderingen van shockschade van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] bespreken.

 

De rechtbank stelt vast dat geen van hen het feit zelf heeft waargenomen, zodat beoordeeld dient te worden of zij zijn geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan.

 

Voor [benadeelde partij 1] geldt dat hij zijn moeder geïdentificeerd heeft en is geconfronteerd met de vele bloedsporen in en om de woning, die hij heeft opgeruimd. Verder heeft hij zijn broer met bebloede handen voor zijn woning zien staan schreeuwen, terwijl hij inmiddels te horen had gekregen dat zijn broer zijn moeder iets had aangedaan.

Voor [benadeelde partij 2] geldt dat zij na het feit een deel van het lichaam van haar moeder heeft gezien en is geconfronteerd met de vele bloedsporen in en om de woning van haar moeder.

Voor [benadeelde partij 3] geldt dat zij haar schoonmoeder niet heeft gezien, maar wel is geconfronteerd met de vele bloedsporen in en om de woning. Verder heeft zij haar zwager met bebloede handen voor haar woning zien staan schreeuwen, terwijl zij inmiddels te horen had gekregen dat hij haar schoonmoeder iets had aangedaan.

 

De rechtbank is van oordeel dat in deze gevallen sprake is geweest van een hevige emotionele schok door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het feit. Door het zien van de bloedsporen, gecombineerd met de overige omstandigheden én de wetenschap van wat er is gebeurd, hebben zij zich een voorstelling kunnen maken van de gruwelijkheden die hun (schoon)moeder zijn overkomen, met wie zij een nauwe affectieve relatie hadden.

 

Verder staat voor de rechtbank vast dat bij alle drie sprake is van geestelijk letsel in de vorm van een medisch vastgesteld psychiatrisch ziektebeeld. Uit de overgelegde medische informatie en de toelichting ter zitting blijkt dat bij [benadeelde partij 1] sprake is van een zeer ernstige depressieve stoornis, bij [benadeelde partij 2] sprake is van een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis en bij [benadeelde partij 3] sprake is van flashbacks en een depressieve stoornis.

 

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] geestelijk letsel hebben opgelopen als gevolg van de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het feit en dat verdachte aansprakelijk is voor die shockschade.

 

Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het geestelijk letsel en de affectieve relatie tussen de benadeelden partijen en het slachtoffer. Daarnaast heeft de rechtbank – voor zover mogelijk gelet op de zeer casuïstische beoordeling – aansluiting gezocht bij vergelijkbare uitspraken. Omdat nog geen eindtoestand is bereikt, kan de rechtbank geen definitieve hoogte van de schade vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank is de schade op dit moment voldoende aannemelijk tot een bedrag van € 15.000,00 voor [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en tot een bedrag van € 7.500,00 voor [benadeelde partij 3] . De rechtbank zal de vorderingen tot die bedragen toewijzen.

Behandeling van het overige deel van hun vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Deze benadeelde partijen zullen daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. Zij kunnen de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.4.3.3 [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5]

Voor de kleinkinderen [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] geldt dat zij niet in of bij de woning van hun oma zijn geweest kort na de gebeurtenissen. Wel zijn zij geconfronteerd met hun oom die radeloos en met bebloede handen voor de deur van hun woning stond te schreeuwen en binnen wilde komen en vervolgens ook voor de deur werd aangehouden door de politie.

De rechtbank twijfelt er niet aan dat zij zonder meer last ondervinden van de zeer heftige gebeurtenis waarbij hun oma door hun oom van het leven is beroofd, zeker gelet op de al belaste voorgeschiedenis van deze kinderen. Uit de overgelegde medische gegevens en de toelichting van hun raadsman ter zitting blijkt ook dat zij behandeling krijgen voor hun psychische klachten. Echter, het is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden of en in hoeverre sprake is van geestelijk letsel dat een gevolg is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ten laste gelegde feit. Immers is het niet ondenkbaar dat het feit dat hun oma door geweld om het leven is gebracht door hun oom ook voldoende is – gelet op hun jonge leeftijd en voorgeschiedenis – om psychische klachten te ontwikkelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van geestelijk letsel dat het gevolg is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ten laste gelegde feit, is nader onderzoek nodig. Dat zou echter een onevenredige belasting van het strafproces vormen.

De benadeelde partijen [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

8.4.4

Materiële schade

8.4.4.1 Kosten lijkbezorging

Op grond van artikel 6:108, lid 2 BW is degene die aansprakelijk is voor het overlijden verplicht tot vergoeding aan degene ten laste van wie de kosten van lijkbezorging zijn gekomen. Het staat vast dat de kosten van lijkbezorging ten laste zijn gekomen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en zij hebben als benadeelde partijen vergoeding hiervan gevorderd, ieder voor de helft van de kosten. Deze kosten komen de rechtbank redelijk voor en zijn geheel voor toewijzing vatbaar. Het verweer van de verdediging dat de kosten van lijkbezorging door drie gedeeld zouden moeten worden moet worden verworpen, gelet op artikel 6:108, lid 2 BW.

8.4.4.2 Reiskosten, parkeerkosten en diverse medische kosten

De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat verdachte aansprakelijk is voor het geestelijk letsel dat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben opgelopen als gevolg van het handelen van verdachte. Dit betekent dat de verdachte eveneens aansprakelijk is voor de materiële schade die voortvloeit uit dit geestelijk letsel. De hoogte van deze kosten is door de benadeelde partijen onderbouwd en deze kosten zijn voor toewijzing vatbaar.

8.4.4.3 Kosten huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid

Door [benadeelde partij 2] zijn kosten van huishoudelijke hulp gevorderd en kosten in verband met verlies van zelfwerkzaamheid als gevolg van haar psychische klachten. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat door HSK Breda de ernst van de problematiek (aantal symptomen of ervaren belemmering door de klachten op het gebied van school/werk, sociaal functioneren en gezinsleven) als matig wordt ingeschat. De rechtbank acht thans onvoldoende onderbouwd dat benadeelde hierdoor niet in staat kan worden geacht voor het huishouden zorg te dragen. De beoordeling hiervan zou nader onderzoek vergen, wat een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Dit gedeelte van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.4.5

Wettelijke rente

De rechtbank zal ook de gevorderde wettelijke rente toekennen, vanaf de door de benadeelde partijen gevorderde data.

8.4.6

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel over de toegekende vergoedingen, vermeerderd met de wettelijke rente, aan verdachte opleggen.

 

9

De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

 

10

De beslissing

De rechtbank:

 

Bewezenverklaring

spreekt verdachte vrij van de impliciet primair ten laste gelegde moord;

verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

– spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

 

Strafbaarheid

– verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

doodslag;

verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

– gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

 

De benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

– veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 2.120,94 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.094,38 vanaf 31 maart 2019 en over een bedrag van € 26,56 vanaf 30 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

– veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] van € 32.500,00, ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

– veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

– verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

 

– legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] € 34.620,94 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.094,38 vanaf 31 maart 2019 en over een bedrag van € 32.526,56 vanaf 30 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 162 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

– bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

 

[benadeelde partij 2]

– veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 2.107,01 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.095,08 vanaf 31 maart 2019 en over een bedrag van € 11,93 vanaf 30 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

– veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] van € 32.500,00, ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

– veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

– verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

 

– legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] € 34.607,01 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.095,08 vanaf 31 maart 2019 en over een bedrag van € 32.511,93 vanaf 30 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 162 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

– bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

 

[benadeelde partij 3]

– veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 7.500,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

– veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

– verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

 

– legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] € 7.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 36 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

– bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

 

[benadeelde partij 4]

– verklaart de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet‑ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

 

[benadeelde partij 5]

– verklaart de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet‑ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Schnitzler en mr. Verschuren, rechters, in tegenwoordigheid van Van der Gaag, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 november 2019.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey