Rb: stilstand op moment botsing onvoldoende gemotiveerd, vordering afgewezen

Samenvatting:

Botsing tussen geparkeerd staande dan wel achteruitrijdende auto van eiseres en auto die in verkeerde rijrichting reed. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, in het licht van de gemotiveerde betwisting van gedaagde, haar stelling dat zij op het moment van de botsing met de aanhanger van gedaagde nog stil en geparkeerd stond, onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank acht daarbij onder meer van belang dat zij in het SAF heeft aangegeven dat zij achteruit reed.

 

ECLI:NL:RBAMS:2018:5610

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

08-08-2018

Datum publicatie

10-08-2018

Zaaknummer

C/13/636373 / HA ZA 17-1016

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Een automobiliste heeft geen recht op schadevergoeding na een botsing met een auto die in de verkeerde rijrichting reed.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/636373 / HA ZA 17-1016

Vonnis van 8 augustus 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

  1. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. P. van Huizen te Arnhem.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagden zullen worden aangeduid als [gedaagde 1] en Allianz en tezamen als [gedaagde 1] c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 22 september 2017, met producties;

de conclusie van antwoord, met producties;

het tussenvonnis van 21 maart 2018, waarin een comparitie van partijen is gelast;

het proces-verbaal van comparitie van 5 juni 2018 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 2 februari 2017 vond op de Karel du Jardinstraat te Amsterdam een aanrijding plaats tussen een auto van het merk Suzuki (hierna: de Suzuki), bestuurd door [eiseres] , en (de aanhangwagen achter) de bestelbus van het merk Mercedes (hierna: de Mercedes), bestuurd door [gedaagde 1] .

2.2.

De Suzuki stond geparkeerd aan de linkerzijde van de rijbaan, bezien vanuit het Hendrick de Keijzerstraat. Aan die zijde van de weg zijn parkeervakken beschikbaar die diagonaal naar rechts ten opzichte van de rijbaan zijn gesitueerd. [eiseres] wilde achteruit het parkeervak verlaten om haar weg te vervolgen. Van rechts, bezien vanuit de positie van [eiseres] , naderde de Mercedes, met daarachter de aanhanger gekoppeld. Het betreft hier een éénrichtingsweg en de Mercedes reed in de verboden rijrichting. De aanhanger van de Mercedes is in botsing gekomen met de rechter achterhoek van de Suzuki. De Suzuki is daarop naar links geduwd en is toen met de linker achterhoek tegen een naast de Suzuki geparkeerde auto van het merk Volkswagen (hierna: de Volkswagen) gebotst.

2.3.

De Mercedes (met aanhangwagen) was ten tijde van de aanrijding in het kader van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij Allianz.

2.4.

Naar aanleiding van de aanrijding tussen [eiseres] en [gedaagde 1] is een schadeformulier opgemaakt dat zowel door [eiseres] als [gedaagde 1] is ondertekend. Op dit formulier is onder ‘12. TOEDRACHT’ een kruisje gezet bij “reed achteruit”, voor wat betreft de Suzuki, zijnde ‘voertuig A’ in het formulier. Voorts is een kruisje geplaatst bij “kwam op rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer”, voor wat betreft de Mercedes, zijnde ‘voertuig B’ in het formulier. Daarnaast is de volgende situatieschets van de aanrijding op het formulier aangebracht:

2.5.

Ook is een schadeformulier met betrekking tot de botsing van de Suzuki tegen de naast geparkeerde Volkswagen opgemaakt. In dit formulier is onder ‘12. TOEDRACHT’ een kruisje gezet bij “stond geparkeerd/stond stil”, voor wat betreft de Volkswagen, zijnde ‘voertuig A’ in het formulier. Voorts is een kruisje geplaatst bij “reed achteruit”, voor wat betreft de Suzuki, zijnde ‘voertuig B’ in het formulier. In het gedeelte van het formulier dat betrekking heeft op de Suzuki is tot slot de volgende opmerking geplaatst: “ik reed achteruit en aanhangwagen komt tegen ingestelde richting aanbotsen waardoor ik tegen voertuig A bots.” Zowel [eiseres] als de eigenaar van de Volkswagen, [naam eigenaar] , hebben het formulier ondertekend.

2.6.

Een verbalisant van de Politie Amsterdam-Amstelland is na de aanrijding ter plaatse gekomen en heeft van de aanrijding proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal vermeldt het volgende:

“(..)

Toedracht

(..)

Bestuurder [gedaagde 1] reed in het voertuig [kenteken] komende vanuit de Tweede van der Helststraat gaande in de richting van het Hendrick de Keijzerplein. Hij reed hierbij tegen de richting in aangezien het een eenrichtingsweg betreft.

Ter hoogte van het perceel [nummer] parkeerde op dat moment [eiseres] uit in haar voertuig [kenteken] . [gedaagde 1] reed het uitparkerende voertuig voorbij maar raakte [eiseres] haar voertuig met zijn aanhangwagen. Hierbij is zij een meter opzij geschoven tegen het geparkeerde voertuig [kenteken] aan. Deze heeft hierdoor schade rechts achter.

Het voertuig van [eiseres] heeft schade aan de rechter en linker achterkant.

[gedaagde 1] is de straat uitgereden en teruggelopen naar de plaats van de aanrijding.

Schade formulieren ingevuld en afgehandeld.

(..)”

2.7.

De dag na de aanrijding, op 3 februari 2017, heeft [eiseres] een formulier voor haar verzekeraar ingevuld. Hierop heeft zij het volgende vermeld:

“(..) Ik wilde uitrijden, van parkeerplaats Ik stond stil en keek, of er iemand kwam, op dat moment kwam de Tegenpartij met hoge snelheid waar hij niet mag rijden (Bestemd voor tegenkomend verkeer) en botst tegen mijn voertuig en duwde mij op voertuig C welke daar stond geparkeerd. Ik heb getuigen.”

2.8.

Op 5 februari 2017 heeft [gedaagde 1] een formulier voor zijn verzekeraar ingevuld. Hierop heeft hij, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(..) mevrouw reed achteruit parkeer vak uit en heeft mij over het hoofd gezien

2.9.

[eiseres] heeft zich vervolgens tot Letsel Advies Randstad Personenschade B.V. (hierna: Letsel Advies) gewend. Op 6 februari 2017 heeft [eiseres] op een intakeformulier van Letsel Advies het volgende ingevuld:

“(..) Ik reed achteruit, terwijl iemand in de tegengestelde richting tegen mijn auto aanreed. Waardoor ik tegen een geparkeerde auto aan heb gebotst. (..)”

2.10.

Bij brief van 6 februari 2017 heeft Letsel Advies, namens [eiseres] het volgende aan Allianz bericht:

“(..)

Op 02-02-3017 is cliënte als bestuurder gewond geraakt. Dit ongeval is veroorzaakt door het voertuig met kenteken [kenteken] dat bij uw maatschappij verzekerd is (..). Dit ongeval is veroorzaakt doordat uw verzekerde in de tegenovergestelde richting reed. Waardoor cliënte uw verzekerde niet zag aankomen. Doordat uw verzekerde doorreed na de botsing met mijn cliënte, is mijn cliënte tegen een daarnaast geparkeerde voertuig aangebotst. Mijn cliënte heeft hierdoor schade opgelopen. (..)

Mw [eiseres] heeft daarbij het volgende letsel opgelopen: hoofd-, nek- en schouderklachten, duizeligheid en misselijkheid. Daarnaast heeft zij ook angst om deel te nemen aan het verkeer. Namens mijn cliënte stel ik uw verzekerde aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. (..)”

2.11.

Op 8 februari 2017 heeft [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) een formulier ‘getuigenverklaring’ van Letsel Advies, voor zover hier van belang, het volgende ingevuld:

“(..)

Ik zat aan de overkant in mijn auto. Ik stond file geparkeerd. Ik zag de mercedes bus in een tegengestelde richting in rijden. De bus reed hard over de drempel. Doordat de bus hard reed over de drempel bewoog de aanhangwagen heen en weer. De aanhangwagen raakte hierdoor de blauwe suzuki die geparkeerd stond. De aanhangwagen raakte de achterkant van de blauwe suzuki. Hij heeft de auto van de cliënt [ [eiseres] , de rechtbank] meegesleurd, waardoor de auto van de cliënt tegen de zwarte volkswagen aankwam. De mercedes reed door en stopte niet. Ik zat aan de overkant in mijn auto geparkeerd. Ik zat in de auto te wachten op mijn zoontje die van school zou komen. (..)”

[getuige 1] heeft voorts op het formulier de volgende situatieschets gemaakt:

2.12.

Op 10 februari 2017 heeft [naam 1] (hierna: [naam 1] ) de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

“(..)

Hierbij laat ik weten dat ik [naam 1] (..) het schadeformulier van het schadegeval op 2‑2-2017 van [eiseres] heb ingevuld. Mevr. [eiseres] heeft het formulier alleen getekend. Zij was op dat moment zo paniekerig en bang dat er iets met haar kinderen was gebeurt. Hierdoor was zij niet in staat om dit te doen. Samen met de tegenpartij heb ik het formulier ingevuld. Zelf was ik niet aanwezig tijdens het schadegeval. (..)”

2.13.

Per e-mail van 23 februari 2017 heeft Allianz aan Letsel Advies bericht dat zij geen aansprakelijkheid voor de door [eiseres] geleden schade erkent, omdat – kort samengevat – [eiseres] een bijzondere manoeuvre verrichtte en [eiseres] daarom al het verkeer, ook het verkeer dat mogelijk uit een verkeerde rijrichting reed, voorrang had moeten verlenen.

2.14.

Bij brief van 9 maart 2017 heeft Voogd & Voogd Verzekeringen, de (gevolmachtigde van de) verzekeraar van [eiseres] , het volgende aan Allianz bericht:

“(..)

U geeft aan dat de partij die tegen onze verzekerde aankwam een bijzondere manoeuvre verichtte.

Wij hebben een uitkering aan de geparkeerde auto gedaan. Onze verzekerde reed achteruit uit de parkeerplaats en had juist goed gekeken of er nog verkeer aankwam. Tijdens het achteruitrijden komt u verzekerde aanrijden uit een verboden rijrichting.

Onze verzekerde hoefde geen rekening te houden met verkeer dat in tegengestelde richting rijdt. (..)”

2.15.

Op 10 mei 2017 heeft [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) het volgende per e-mail aan de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiseres] bericht:

“(..)

graag wil ik getuigen inzake het auto-ongeluk dat plaatsvond op 02-02-2017 in de Karel Du Jardinstraat.

(..)

Ik fietste in de Karel Du Jardinstraat op het moment van het ongeluk, waarbij Mevrouw [eiseres] , een moeder van school, betrokken was. (..)

Direct na deze aanrijding ben ik naar de plek waar het gebeurde toegerend. De chauffeur van de vrachtwagen stapte uit en bekende onmiddellijk schuld. Zijn woorden waren letterlijk: “Het is mijn fout, gelukkig ben ik goed verzekerd; ik reed de Karel Du Jardinstraat in waar ik niet in mocht rijden, toen ik daar achter kwam reed ik te hard achteruit en daardoor raakte mijn aanhanger de auto van mevrouw.” (..)

Het verbaast mij dan ook zeer dat hij nu in dezen verklaart dat “mevrouw achteruit reed en heeft mij over het hoofd heeft gezien”. Dit was niet het geval. Mevrouw [eiseres] wilde achteruit van haar parkeerplaats wegrijden, maar stond, naar haar overtuiging, stil op het moment dat de chauffeur van de vrachtwagen te hard achteruit reed om zijn fout (de Karel Du Jardinstraat inrijden terwijl dat niet mocht) te herstellen. (..)”

2.16.

Op 12 mei 2017 heeft [getuige 2] voorts nog een formulier van de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiseres] ingevuld. Daarop heeft zij vermeld:

“(..) Ik was 30 meter verwijderd van het ongeval en zag de vrachtwagen [Mercedes] van waaruit ik stond.

Ik zag dat de Mercedes de Karel Du Jardinstraat was ingereden terwijl dat niet mocht vanuit die kant van de straat. De Mercedes reed hard de straat in en toen hoorde ik een knal. Ik ben naar het ongeluk toegerend.

(..)

Kunt u bevestigen of één van de voertuigen, voorafgaand aan de aanrijding, stil stond? (..)

Dit kan ik niet bevestigen, omdat ik er te ver vanaf stond.

(..)

Onmiddellijk na het ongeluk bevestigde mevrouw [eiseres] dat ze stilstond. De chauffeur van de Mercedes bekende onmiddellijk schuld.

(..)”

2.17.

Op 13 oktober 2017 heeft Dekra Automotive, in opdracht van (de rechtsbijstandsverzekeraar van) [eiseres] een quickscanrapportage (hierna: het quickscanrapport) uitgebracht. Het quickscanrapport vermeldt het volgende:

“(..)

1.1.

Opdrachtformulering

(..) U vraagt ons te onderzoeken of de betrokken Suzuki op het moment van de botsing met de aanhanger, welke achter de Mercedes was gekoppeld, stil stond of achteruit reed. Verder vraagt u ons om de gereden snelheid van de Mercedes vast te stellen.

2 BEOORDELING DOSSIERSTUKKEN

(..) Volgens de bestuurster van de Suzuki zag zij de Mercedes naderen en stopte zij. De aanhanger van de Mercedes kwam echter in botsing met de rechter achterhoek van de Suzuki. Het voertuig werd naar links geduwd en botst met de linker achterhoek tegen een naast de Suzuki geparkeerde VW.

Het is moeilijk om de positie van de Suzuki op het moment van de botsing vast te stellen. Wel is het zeer aannemelijk dat het voertuig deels uit het parkeervak was op dat moment en zich dus deels op de rijbaan bevond.

(..)”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en dat [gedaagde 1] en Allianz hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] geleden schade;
  2. [gedaagde 1] en Allianz hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te betalen de door haar als gevolg van het bedoelde onrechtmatig handelen geleden schade en nog te lijden schade, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
  3. [gedaagde 1] en Allianz hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiseres] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [eiseres] had haar auto op 2 februari 2017 geparkeerd in één van de parkeervakken aan de Karel du Jardinstraat, omdat zij haar kinderen zojuist van de nabijgelegen school had gehaald. [eiseres] en haar kinderen zaten vervolgens (weer) in auto. [eiseres] stelt (primair) dat zij de motor van haar auto had aangezet, om het parkeervak te verlaten, maar dat zij, nog voordat zij gas kon of had (ge)geven, werd geraakt door de aanhangwagen van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] , die uit de verkeerde rijrichting was komen aangereden, was immers dusdanig (te) hard over een aldaar aanwezige verkeersheuvel gereden dat zijn aanhangwagen is gaan slingeren, waardoor die aanhangwagen haar auto heeft geraakt. De auto van [eiseres] , die dus nog in het parkeervak stond, is hierdoor opzij en tegen de naastgelegen Volkswagen aangeschoven. [eiseres] heeft hierdoor schade geleden: haar auto is beschadigd geraakt en zij heeft als gevolg van het ongeval ook letsel opgelopen. [eiseres] stelt (subsidiair) dat, in het geval zou komen vast te staan dat zij achteruit heeft gereden, [gedaagde 1] c.s. ook dan aansprakelijk zijn voor haar schade. Doordat [gedaagde 1] vanuit de verkeerde rijrichting en vermoedelijk te hard kwam aanrijden, heeft hij immers bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding en daarmee aan de schade van [eiseres] .

3.3.

[gedaagde 1] c.s. heeft de door [eiseres] gestelde toedracht van de aanrijding gemotiveerd betwist. Volgens hem is de toedracht van de aanrijding de volgende. [gedaagde 1] passeerde op het moment van de aanrijding de Suzuki van [eiseres] . Hij reed weliswaar tegen de rijrichting in, maar de aanrijding is veroorzaakt doordat [eiseres] , op het moment dat [gedaagde 1] haar passeerde, achteruit tegen zijn aanhangwagen is aangereden. Omdat de bestelbus en de aanhangwagen zich nog voortbewogen, is de Suzuki in die rijbeweging meegenomen en tegen de Volkswagen aangeschoven. De aanrijding is dus te wijten aan [eiseres] , nu zij bezig was met het verrichten van een bijzondere rijmanoeuvre en in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) geen voorrang heeft verleend aan [gedaagde 1] , aldus [gedaagde 1] c.s.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] , in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde 1] c.s. en de zich in het dossier bevindende stukken, haar stelling dat zij, toen de aanhanger haar Suzuki raakte, nog stil en geparkeerd in het parkeervak stond, onvoldoende heeft gemotiveerd. Het volgende is hiertoe redengevend.

4.1.1.

De door [gedaagde 1] c.s. gestelde toedracht komt overeen met de inhoud van het door [eiseres] en [gedaagde 1] ondertekende schadeformulier (zie 2.4.). Op dat formulier is immers aangekruist dat [eiseres] achteruit reed en dit is in de gemaakte situatieschets op het formulier ook expliciet tot uitdrukking gebracht. Ook in het schadeformulier van [eiseres] en de eigenaar van de Volkswagen, [naam eigenaar] , (zie 2.5.) is vermeld dat [eiseres] achteruit reed en is als opmerking van [eiseres] zelfs expliciet vermeld: “ik reed achteruit en aanhangwagen komt tegen ingestelde richting aanbotsen waardoor ik tegen voertuig A bots.”. Op geen van beide formulieren is vermeld dat [eiseres] op het moment van de aanrijding (nog) stil/geparkeerd stond. [eiseres] heeft, onder verwijzing naar de schriftelijke verklaring van [naam 1] , weliswaar aangevoerd dat [naam 1] het schadeformulier samen met [gedaagde 1] heeft ingevuld en dat [naam 1] daarop abusievelijk heeft vermeld of dat zij er abusievelijk mee heeft ingestemd dat [eiseres] achteruit heeft gereden, maar dat laat onverlet dat ook op het schadeformulier van [eiseres] en [naam eigenaar] het achteruit rijden van [eiseres] tot uitgangspunt is genomen. Gesteld noch gebleken is dat [naam 1] (of een ander, namens [eiseres] ) ook dat formulier heeft ingevuld. Vast staat in elk geval dat [eiseres] de beide formulieren heeft ondertekend. Van de juistheid van de inhoud van de formulieren mag, gelet daarop, in beginsel worden uitgegaan. In dit geval bestaat daar eens te meer aanleiding voor, nu [eiseres] op het intakeformulier van Letsel Advies dat zij op 6 februari 2017 zelf heeft ingevuld, expliciet heeft vermeld dat zij achteruit reed. Ook de Politie Amsterdam-Amstelland is er, blijkens het in 2.6. weergegeven proces-verbaal, vanuit gegaan dat [eiseres] achteruit reed. Hetzelfde geldt voor de ten behoeve van [eiseres] optredende Voogd & Voogd Verzekeringen, blijkens de op 9 maart 2017 verzonden brief aan Allianz (zie 2.14.).

4.2.

Verder wordt in aanmerking genomen dat Dekra in haar quickscanrapport van 13 oktober 2017 – op basis van de aan haar overgelegde en door haar genoemde dossierstukken – heeft vastgesteld dat de Suzuki zich ten tijde van de aanrijding reeds op de rijbaan (dus deels al uit het parkeervak) bevond. Dat dit het geval was, kan ook op basis van de overgelegde foto’s die na de aanrijding zijn gemaakt, worden vastgesteld. Daarop is immers te zien dat de Suzuki zich deels (al) op de rijbaan bevond. [eiseres] wordt niet in haar stelling gevolgd dat dit zich laat verklaren door de slinger die de auto door de aanhangwagen heeft gekregen. Ook in het geval de aanhangwagen tegen de Suzuki zou zijn ‘aan geslingerd’, valt niet in te zien hoe de Suzuki zich dan naar achteren, naar de aanhangwagen toe en richting de rijbaan, heeft kunnen verplaatsen. Gelet op het voorgaande bestaat verder geen aanleiding om aan de schriftelijke verklaring van [getuige 1] van 8 februari 2017, waarin staat dat [eiseres] nog geparkeerd stond, doorslaggevende betekenis toe te kennen. Blijkens de door hem gegeven situatieschets is [getuige 1] er immers vanuit gegaan dat de Suzuki zich op het moment van de aanrijding nog geheel (geparkeerd) in het parkeervak bevond. Gezien de locatie waar [getuige 1] zich ten tijde van de aanrijding bevond en de omstandigheid dat de Mercedes op dat moment de Suzuki reeds deels was gepasseerd en zich zodoende tussen [getuige 1] en de Suzuki bevond, moet ook worden betwijfeld of [getuige 1] heeft kunnen waarnemen dat [eiseres] niet (inmiddels) achteruit was gaan rijden. De door [getuige 2] per e-mail en op het getuigenformulier afgelegde verklaringen (zie 2.15. en 2.16.) hebben voor het antwoord op de vraag of [eiseres] nog geparkeerd stond of achteruit had gereden, geen toegevoegde waarde, nu uit haar verklaringen kan worden afgeleid dat zij hierover niets kan zeggen en zij zich op dit punt geheel baseert op dat wat [eiseres] haar heeft verteld.

4.3.

De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de schade aan de Suzuki, zoals die uit de foto’s en het door [eiseres] overgelegde schaderapport blijkt, niet zou kunnen passen bij de door [gedaagde 1] gestelde toedracht. De schade door de botsing met de aanhanger concentreert zich op de rechter achterhoek van de Suzuki. Nu de Suzuki schuin geparkeerd stond, bestaat er geen aanleiding om [eiseres] te volgen in haar betoog dat de door [gedaagde 1] geschetste toedracht zich alleen kan hebben voorgedaan als de Suzuki (voornamelijk dan wel uitsluitend) schade aan de achterkant zou hebben gehad. De rechter achterhoek is bij het schuin achteruit rijden immers de eerste plek waarmee de aanhanger in aanraking komt.

4.4.

De conclusies, zoals neergelegd in het quickscanrapport geven geen aanknopingspunten om op het punt van de vraag of [eiseres] ten tijde van de aanrijding nog stil en geparkeerd stond, anders te oordelen. Hiertoe wordt overwogen dat Dekra zich bij het formuleren van haar conclusies over de toedracht heeft gebaseerd op het door [eiseres] gepresenteerde scenario dat ‘zij reeds achteruit reed, maar is gestopt toen zij de Mercedes zag naderen’ (zie het quickscanrapport onder 2. BEOORDELING DOSSIERSTUKKEN, 2.17.). Dit uitgangspunt strookt niet met de thans aan de vordering ten grondslag gelegde stelling van [eiseres] dat de aanhangwagen haar heeft geraakt nog voordat zij gas had gegeven en/of haar ter comparitie afgelegde verklaring dat zij, op het moment dat zij gas wilde gaan geven, ineens het geluid van een botsing hoorde en vervolgens met haar hoofd op het stuur is geslagen. Weliswaar heeft Dekra, blijkens de door haar geformuleerde onderzoeksvraag, onderzocht of de Suzuki stil stond of achteruit reed ten tijde van de aanrijding, maar heeft zij, door het door [eiseres] geschetste (alternatieve) scenario tot uitgangspunt te nemen, feitelijk onderzocht of de Suzuki, toen de Mercedes naderde, is gestopt of nog reed. Nu de onderzoeksvraag niet aansluit bij de stelling, zoals die thans aan de vordering ten grondslag is gelegd, worden de op basis van de onderzoeksvraag getrokken conclusies van Dekra bij de verdere beoordeling buiten beschouwing gelaten.

4.5.

Op grond van het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat [eiseres] vanuit het parkeervak achteruit de weg is opgereden en daarbij geen voorrang heeft verleend aan [gedaagde 1] en met zijn aanhangwagen in botsing is gekomen toen zijn bestelbus haar reeds was gepasseerd, maar zijn aanhangwagen nog niet. Hiermee heeft [eiseres] in strijd gehandeld met artikel 54 RVV 1990 dat bepaalt dat bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, waaronder achteruitrijden, het overige verkeer voor moeten laten gaan.

4.6.

Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding om in de omstandigheid dat [gedaagde 1] vanuit de verkeerde rijrichting en mogelijk te hard kwam aangereden, met toepassing van de in de jurisprudentie geformuleerde omkeringsregel, het causaal verband tussen de verkeersfout(en) van [gedaagde 1] en de aanrijding gegeven te achten. Thans staat immers vast dat de aanrijding in causaal verband met een verkeersfout van [eiseres] staat.

4.7.

Rest de vraag of [gedaagde 1] (en daarmee Allianz als WAM-verzekeraar), ondanks het voorgaande, aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die [eiseres] door de aanrijding heeft geleden op grond van de omstandigheid dat [gedaagde 1] tegen de rijrichting en (mogelijk) te hard heeft gereden, zoals [eiseres] (subsidiair) stelt.

4.8.

De rechtbank stelt vast dat [eiseres] haar stelling dat [gedaagde 1] vermoedelijk (zie randnummer 10 van de dagvaarding) te hard heeft gereden uitsluitend heeft gepresenteerd en toegelicht in relatie tot haar stelling dat de aanhangwagen, doordat [gedaagde 1] daarmee te hard over de verkeersheuvel zou hebben gereden, is gaan slingeren en daardoor haar Suzuki heeft geraakt. [eiseres] heeft nagelaten om toe te lichten of en, zo ja, in hoeverre het (gestelde en door [gedaagde 1] betwiste) te hard rijden in relatie staat tot of heeft bijgedragen aan de aanrijding, in het geval ervan moet worden uitgegaan dat de aanrijding is veroorzaakt doordat zij, terwijl zij achteruit reed, [gedaagde 1] geen voorrang heeft verleend, zoals thans het geval is. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de suggestie van [eiseres] dat [gedaagde 1] ook te hard heeft gereden bij de beoordeling te betrekken. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, voor zover [eiseres] met haar stelling heeft beoogd te betogen dat zij [gedaagde 1] als gevolg van zijn gestelde harde rijden pas te laat heeft opgemerkt, dit niet strookt met het door haar aan Dekra gepresenteerde scenario dat zij achteruit reed, maar is gestopt toen zij de Mercedes waarnam.

4.9.

Vast staat dat [gedaagde 1] tegen de toegestane rijrichting inreed. [eiseres] heeft ten aanzien daarvan, onder verwijzing naar een vonnis van een Amsterdamse kantonrechter van 24 december 1974 (ECLI:NL:KTGAMS:1974:AJ4311, VR 1975,107), aangevoerd dat zij er bij het achteruit rijden niet op bedacht hoefde te zijn dat er ook verkeer vanuit de verkeerde rijrichting zou kunnen komen. Dit betoog slaagt niet, nu de verplichting van artikel 54 RVV 1990 naar aard en strekking absoluut is in die zin, dat zij geldt ten opzichte van iedere weggebruiker die op normale wijze (dat wil zeggen: anders dan via het verrichten van een bijzondere manoeuvre) aan het verkeer deelneemt, zoals het geval was met [gedaagde 1] . De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van de Hoge Raad van 17 september 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE4201), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het oordeel van het gerechtshof Leeuwarden “dat art. 54 RVV 1990, inhoudende dat bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren – waaronder achteruitrijden – het overige verkeer voor moeten laten gaan, prevaleert boven de voor dat overige verkeer geldende voorrangsregels” juist is.

4.10.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

4.11.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. worden begroot op:

– griffierecht € 618,00

– salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 1.704,00

4.12.

[eiseres] zal tevens worden veroordeeld in de nakosten op de hierna vermelde wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.704,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2018.

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots