Rb: Steken met mes in nek geen noodweer of noodweerexces

Samenvatting:

Het Amtsgericht Köln veroordeelde gedaagde omdat hij eiser in de nek had gestoken. Eiser spreekt gedaagde aan uit OD. De Nederlandse rechter is bevoegd omdat de gedaagde in Nederland woont. Omdat ook de eiser zijn gewone verblijfplaats in Nederland had is Nederlands recht van toepassing. Het steken met een mes is een inbreuk op het recht op lichamelijke integriteit. Dat levert een OD op, behoudens een rechtvaardigingsgrond. Het gegeven dat de Duitse strafrechter het beroep op noodweer op basis van het Duitse strafrecht niet heeft gehonoreerd, neemt niet weg dat een dergelijk beroep gedaagde onder bepaalde omstandigheden naar Nederlands recht wel kan toekomen. Geen van de vier in het kader van de Duitse strafprocedure gehoorde onafhankelijke getuigen ondersteunt de stelling van gedaagde dat zijn vader door eiser geschopt en geslagen werd, alleen dat de vader en eiser elkaar heen en weer duwden maar niet sloegen en dat de ruzie tussen eiser en de vader reeds teneinde was. Toen eiser zich omdraaide om weg te lopen, kwam gedaagde er opeens aan en stak eiser van achteren. De verklaringen van de vader en moeder zijn in het licht daarvan onvoldoende overtuigend mede vanwege de familierelatie.

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 07-11-2018
Datum publicatie 29-11-2018
Zaaknummer C/03/248565 / HA ZA 18-181
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Letselschade; steekpartij; onrechtmatige daad; geen noodweer(-exces); geen eigen schuld.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/248565 / HA ZA 18-181

Vonnis van 7 november 2018

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
advocaat mr. D. Knecht,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.F.J.M. van Rooy.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 27 maart 2018 met producties,
– de conclusie van antwoord met producties,
– het proces-verbaal van comparitie van 19 september 2018.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. Op 22 mei 2016 heeft er op een markt te Keulen, Duitsland, een steekincident plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] [eiser] met een mes in de nek/hals heeft gestoken.

2.2. [gedaagde] is op 9 mei 2016 door het Amtsgericht Köln schuldig bevonden aan “einer gefährlichen Körperverletzung” en is veroordeeld tot één jaar voorwaardelijke gevangenisstraf. Er is geen hoger beroep ingesteld en de uitspraak van het Amtsgericht Köln is onherroepelijk geworden.

2.3. In het kader van de Duitse strafprocedure zijn een aantal getuigen gehoord.

2.3.1. Getuige [getuige 1] heeft onder meer het volgende verklaard:
Ich stand zusammen mit 5 weiteren Personen an einer Bierbude am Tanzbrunnen; dem “Sion-Stand” nahe der Toilettenanalgen. Ich schaute in Richtung Ausgang Tanzbrunnen und sah wie sich ca. 20 – 25 Meter entfernt von mir links an den Büschen, zwei Leute offensichtlich streiten.

Da schubsten sich die zwei Personen ein wenig hin und her. Sie sprachen wohl auch miteinander, verstanden habe ich nichts.

Ich hatte ein freien Blich auf diese Szene und habe diese dann auch weiter beobachtet.

Rechts stand der später Geschädigte und links vor ihm stand die andere Person. Ich denke, die waren beide gleichalt, aber der mit dem schwarzen Muskelshirt war größer und muskulöser.

Ich dachte eigentlich dass der Streit zwischen den beiden erledigt sei, da der Muskulöse sich zu mir wandte und dann umdrehte. Ich dachte der geht zur Toilette. Er stand dann mit dem Rücken von mir abgewandt in Richtung des Weges, welcher von links in Richtung Toilette führt.

Plötzlich sah ich wie eine weitere Person von hinten an den Muskulösen herangelaufen kam. Es sah für mich aus als ob der ihm auf den Rücken springen wollte.
Er holte jedoch aus und hielt dabei einen ca. 20-25cm langen, silberfarbenen Gegenstand in der rechten Hand und stieß diesen von oben, beinahe senkrecht in den Schulter/Nackenbereich der Person hinein.
(…)
Ich habe also gesehen wie die beiden älteren Männer sich geschubst haben. Dieses Schubsen war wie im Kindergarten, nicht feste oder so, Mehr so lächerlich. (…). Es wurde sich auch nicht geschlagen, sondern wirklich nur geschubst.

2.3.2. Getuige [getuige 2] heeft onder meer het volgende verklaard:
Ich habe zwei Männer streiten sehen. Die standen ca. 20 Meter von mir weg und zwar links an der Buschkante.
(…).
Die schubsten sich so hin und her und brüllten sich an. Verstanden habe ich nichts.

Ich hatte den Eindruck, dass der große den anderen immer wegschubste und der sah so aus, als ob er dem anderen nur mitteilen möchte “Lass mich in Ruhe” oder so ähnlich.

Der große, schwere mit dem Muskelshirt dreht sich dann einmal rum und stand mit dem Rücken zum Ausgang.

In dem Moment kam von hinten einer angesprungen und stach dem Großen einen Gegenstand in den Rücken.
(…).
Wenn ich den Zeitraum zwischen dem letzten Schubser zwischen den beide Männern und dem Stich in den Hals bezeichnen müßte, dann würde ich sagen etwa 30 Sekunden. Es keine Minute gedauert aber es lag schon eine gewisse Zeit dazwischen. In dieser Zeit hatte sich der kräftigere Mann von dem kleineren Mann abgewandt und schien sich entfernen zu wollen.
Dann kam aus dem Nichts dieses kleine Männlein angesprungen und klammerte sich an seinen Rücken, wirklich wie ein Äffchen.
Es sah für mich so aus, als wäre vorher das Schubsen bereits beendet gewesen. Es bestand aus meiner Sicht auch keine Gefahr für den anderen mehr, der an dieser Schubserei davor beteiligt gewesen ist. Natürlich kann auch eine Schubserei gefährlich werden, aber so richtig bedrohlich wirkte das auf mich nicht.
Es wirkte auch nicht so, als wäre einer der beiden Kontrahenten deutlich unterlegen oder hätte der Hilfe bedurft.
(…).
Mich hat die Heftigkeit dieses Angriffs in Verbindung mit der Schubserei davor doch sehr überrascht.

2.3.3. Getuige [getuige 3] heeft onder meer het volgende verklaard:
Ich stand an einer leicht erhöhten Steile an diesen Fischbuden und blickte genau dorthin, wo nachher alles stattgefunden hat.
Wir haben uns noch ein wenig über das spätere Opfer lustig gemacht, weil er so ein auffälliges Muskelshirt trug und tätowiert war. Dann kam es dort irgendwie zu einem Handgemenge zwischen 2-3 Personen. Nicht mehr. Der Mann mit dem schwarzen Muskelshirt war daran beteiligt.
Wir haben das erstmal alles gar nicht so genau wahrgenommen, erst als dann ein jüngerer Mann in der Kleidung der Fischhändler aus der Gruppe herausgelaufen kam und ein Messer wegwarf, haben wir aufmerksamer darauf geachtet, was dort passierte (…).

2.3.4. Getuige [getuige 4] heeft onder meer het volgende verklaard:
Es war das spätere Opfer und der, der dann geboxt gekriegt hat, also der Kontrahent, oder wie man das nennen möchte. Der Herr mit dem Müskelshirt, das spätere Opfer, ist vorweggegangen. Dahinter dann der kräftige Herr mit dem grauen T-Shirt und graue Haare.
(…).
Frage:
Wie genau sind die an Ihnen vorbeigelaufen, wie war deren Stimmung, haben die was gesagt?
Antwort:
Nichts gesagt eigentlich, in schnellem Schrittempo sind die aus der Menge raus und Richtung Toilette gegangen. Auf jeden Fall war aggressive Stimmung in der Luft. So “wir klären das Mal vor der Tür” so mäßig.
Da haben sie noch nichts gemacht, nur beide hinterher zur Toilette gestampft.
Und ca. 10 Sekunden später kam schon der vermutliche Täter hinterher.
Er kam hinterher und hat dann hinter seinem Rücken des Messer gehalten und ist in schnellerem Tempo hinterhergegangen.

3 De vordering

3.1. [eiser] vordert, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, samengevat:
te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende geleden en nog te lijden schade van [eiser];
[gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de nader bij staat op te maken en volgens de wet te vereffenen schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf de datum van het instellen van deze eis, althans vanaf de datum die de rechtbank rechtvaardig acht, tot en met de datum van algehele voldoening;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade ad € 10.000,00 dan wel dat bedrag dat de rechtbank rechtvaardig acht, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf de datum van het instellen van deze eis, althans vanaf de datum die de rechtbank rechtvaardig acht, tot en met de datum van algehele voldoening;
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure en met de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering kort samengevat het volgende ten grondslag. Nu [gedaagde] strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld, staat vast dat hij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de geleden schade. De geleden schade laat zich op dit moment nog niet exact begroten, maar bestaat in ieder geval uit de volgende componenten: smartengeld, materiële schade, medische kosten, reiskosten, huishoudelijke hulp, verlies van zelfwerkzaamheid, kosten tijdens ziekenhuisopname, porto- en telefoonkosten en wettelijke rente.

4 Het verweer

4.1. [gedaagde] voert verweer en voert – kort samengevat – het volgende aan. [gedaagde] beroept zich ter afwering van de vordering op noodweer dan wel noodweer-exces. De vader van [gedaagde] werd namelijk onverhoeds aangevallen door [eiser], waarbij de vader op de grond terecht kwam. Desondanks bleef [eiser] inslaan op de vader van [gedaagde] . [gedaagde] vreesde dat zijn vader zou worden doodgeslagen of -geschopt en vreesde zelf door [eiser] te worden aangevallen. Dit mede gezien het feit dat [eiser] dronken was en daarnaast een zeer goed getraind K1-vechter is geweest, althans in ieder geval buitengewoon sterk is en omdat [eiser] de vader van [gedaagde] eerder op de dag bedreigd had. Ondanks de schreeuw van [gedaagde] om hulp werd door niemand enige actie ondernomen. [gedaagde] heeft [eiser] gestoken in een volslagen paniekreactie, met een visfileermes dat hij toevallig bij zich droeg. [gedaagde] heeft hieraan nagenoeg geen herinnering meer. Voorts voert [gedaagde] verweer tegen de schadeposten. Tot slot beroept [gedaagde] zich op eigen schuld van [eiser] .

5 De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1. Onderhavige zaak draagt een internationaal karakter nu de steekpartij heeft plaatsgevonden te Keulen, Duitsland. De rechtbank dient daarom ambtshalve te onderzoeken of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Nu [gedaagde] woonachtig is in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om van de zaak kennis te nemen op grond van artikel 4 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 12 december 2012.

5.2. Aan de hand van Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet contractuele verbintenissen (Rome II) van 11 juli 2007, moet worden bepaald naar welk recht de vordering (uit hoofde van onrechtmatige daad) moet worden beoordeeld. Nu vast staat dat zowel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is als degene die schade lijdt hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden op het tijdstip waarop de schade zich voordeed, is Nederlands recht van toepassing (artikel 4 lid 2).

Onrechtmatige daad

5.3. De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] niet heeft betwist dat hij met een mes heeft ingestoken op [eiser] , zodat dit vast staat. De rechtbank is van oordeel dat het steken van iemand met een mes gekwalificeerd kan worden als een inbreuk op een recht, te weten het recht op lichamelijke integriteit, en derhalve een onrechtmatige daad oplevert, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond (artikel 6:162 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).

Noodweer

5.4. [gedaagde] voert aan dat van een dergelijke rechtvaardigingsgrond sprake is en beroept zich op noodweer. [gedaagde] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat van noodweer sprake is geweest naar een tweetal getuigenverklaringen, te weten die van zijn vader en moeder.

5.5. [eiser] betwist dat sprake is geweest van noodweer en verwijst daartoe naar het vonnis van de Duitse strafrechter waarin expliciet is overwogen dat van noodweer geen sprake is geweest en naar de getuigenverklaringen die zijn opgesteld ten behoeve van de Duitse strafprocedure. De rechtbank overweegt als volgt.

5.6. Onder noodweer wordt verstaan een gedraging die geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding (artikel 6:162 lid 2 BW jo. artikel 41 lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr)). Het beroep van [gedaagde] kwalificeert als een bevrijdend verweer (vgl. HR 10 december 1999, ECLI:NL:PHR:1999:AA3841). Dit betekent dat het op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan [gedaagde] is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat er sprake is geweest van noodweer. Het gegeven dat de Duitse strafrechter het beroep op noodweer op basis van het Duitse strafrecht niet heeft gehonoreerd, neemt niet weg dat een dergelijk beroep [gedaagde] onder bepaalde omstandigheden naar Nederlands recht wel kan toekomen (vgl. HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760). Uit de overgelegde stukken uit het Duitse strafdossier blijkt dat er een viertal getuigen is gehoord die als omstanders over het voorval hebben verklaard, te weten: [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . Uit de verklaring van [getuige 3] leidt de rechtbank af dat [getuige 3] enkel de steekpartij heeft waargenomen en niet het daaraan voorafgaande voorval tussen de vader van [gedaagde] en [eiser] .

5.7. De rechtbank stelt vast dat de versies van [eiser] en [gedaagde] van het voorval lijnrecht tegenover elkaar staan. Verder stelt de rechtbank vast dat geen van de vier in het kader van de Duitse strafprocedure gehoorde getuigen de stelling van [gedaagde] ondersteunt dat zijn vader door [eiser] geschopt en geslagen werd. Getuige [getuige 1] omschrijft het als duwen zoals kleuters doen, niet hard maar eerder lachwekkend (“Schubsen wie im Kindergarten, nicht feste oder so, Mehr so lächerlich”) en verklaart expliciet dat er niet geslagen werd, alleen maar geduwd (“es wurde sich auch nicht geschlagen, sondern wirklich nur geschubst”). Getuige [getuige 2] spreekt over elkaar heen en weer duwen (“sich so hin und her schubsten”). Verder verklaart [getuige 2] dat hij de indruk had dat [eiser] de vader van [gedaagde] steeds wegduwde, terwijl de vader van [gedaagde] eruit zag alsof hij alleen maar duidelijk wilde maken dat hij met rust gelaten wilde worden (“der große den anderen immer wegschubste und der sah so aus, als ob er dem anderen nur mitteilen möchte “Lass mich in Ruhe” oder so ähnlich”). Voorts verklaart [getuige 2] expliciet dat het er ook niet op leek dat één van beiden fysiek duidelijk zwakker was dan de ander of hulp nodig had (‘Es wirkte auch nicht so, als wäre einer der beiden Kontrahenten deutlich unterlegen oder hätte der Hilfe bedurft’).
Bovenstaande getuigenverklaringen ondersteunen daarentegen wel de stellingen van [eiser] dat de ruzie tussen hem en de vader [gedaagde] reeds teneinde was op het moment waarop hij door [gedaagde] met het mes werd gestoken en dat hij zich van de vader van [gedaagde] afwendde. Getuige [getuige 1] verklaart immers expliciet dat hij dacht dat de ruzie tussen de twee over was, aangezien de gespierde man zich naar hem toe wendde en toen omdraaide (‘der Streit zwischen den beiden erledigt sei, da der Muskulöse sich zu mir wandte und dan umdrehte’). Ook getuige [getuige 2] verklaart dat het er voor hem uitzag alsof het duwen afgelopen was (‘das Schubsen bereits beendet gewesen’). En dat er volgens hem ook geen gevaar voor de vader van [gedaagde] meer bestond (‘keine Gefahr für den anderen der an dieser Schubserei davor beteiligt gewesen ist’). Verder verklaart [getuige 2] dat de duwpartij niet bedreigend op hem overkwam (‘natürlich kann auch eine Schubserei gefährlich werden, aber so richtig bedrohlich wirkte das auf mich nicht’). Voorts verklaart [getuige 2] dat het erop leek dat [eiser] zich van de vader van [gedaagde] afwendde en wilde weglopen (‘hatte sich der kräftigere Mann von dem kleineren Mann abgewandt und schien sich entfernen zu wollen’). Ook getuige [getuige 4] bevestigt dat [eiser] (eerst) wegliep. Uit deze getuigenverklaringen kan derhalve worden afgeleid dat de ruzie tussen de vader van [gedaagde] en [eiser] niet meer inhield dan een duwpartij en dat op het moment dat [gedaagde] [eiser] met het mes stak de ruzie teneinde was en [eiser] zich afwendde van de vader van [gedaagde]. Uit de getuigenverklaringen kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] zich in een situatie bevond waarin er direct of indirect gevaar bestond voor lijf, eerbaarheid of goederen van [gedaagde] dan wel de vader van [gedaagde] . Het enkele feit dat iemand die (mogelijk) sterker is dan een gemiddeld persoon, terwijl hij gedronken heeft, een confrontatie aangaat met aan ander, is daartoe onvoldoende. Ook is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat [eiser] de vader van [gedaagde] eerder op de dag bedreigd heeft. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat hij met (onder andere) [eiser] aan een tafeltje bij de viskraam zat en dat [eiser] zei “dat het de vader van [gedaagde] veel geld zou gaan kosten” en dat [gedaagde] “dat nog wel zou gaan zien”. [eiser] heeft dit ter comparitie betwist. De rechtbank overweegt dat, zo [eiser] dit al gezegd zou hebben – zonder nadere toelichting, welke ontbreekt – niet valt in te zien waarom [gedaagde] dit als een (fysieke) bedreiging richting zijn vader heeft opgevat. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] tevens heeft verklaard dat hij na deze opmerkingen van [eiser] nog ongeveer tien minuten op een normale manier met [eiser] heeft gesproken en dat er niets aan de hand leek.
Door [gedaagde] zijn getuigenverklaringen overgelegd van zijn vader en moeder waarin onder meer wordt verklaard dat de vader van [gedaagde] werd geslagen en geschopt door [eiser] . Deze verklaringen van getuigen met een familiaire relatie met [gedaagde] zijn naar het oordeel van de rechtbank in het licht van bovenstaande verklaringen van getuigen die geen band hebben met een der partijen (de onder 2.3.1. tot en met 2.3.3. genoemde getuigen), onvoldoende overtuigend. [gedaagde] heeft aangevoerd dat er naast de vader en moeder van [gedaagde] ook nog andere getuigenverklaringen zijn die zijn versie van het verhaal bevestigen. [gedaagde] heeft die stelling echter niet geconcretiseerd door het noemen van deze andere getuigen of door te verwijzen naar bepaalde specifieke (passages uit) de overgelegde getuigenverklaringen, zodat die stelling wordt gepasseerd.

5.8. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet is gebleken dat het handelen van [gedaagde] een rechtvaardiging kon vinden in een wederrechtelijke aanranding van of dreiging jegens de vader van [gedaagde] dan wel [gedaagde] zelf. Op het moment van het steken met het mes was derhalve geen sprake van een noodweersituatie. Nu niet is komen vast te staan dat er sprake was van een rechtvaardigingsgrond, betekent dit dat het handelen van [gedaagde] gekwalificeerd moet worden als onrechtmatige daad.

5.9. Vervolgens moet beoordeeld worden of de onrechtmatige daad aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Een onrechtmatige daad kan onder andere aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld (artikel 6:162 lid 3 BW).

Noodweer-exces

5.10. [gedaagde] voert subsidiair aan dat de onrechtmatige daad niet aan hem kan worden toegerekend omdat hij uit zelfverdediging en vanwege een hevige gemoedsbeweging buitensporig handelde (noodweer-exces) en hem daarom geen schuld treft. Van noodweer-exces is sprake wanneer de grenzen van noodzakelijke verdediging weliswaar zijn overschreden, maar dit het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is veroorzaakt (artikel 6:162 lid 3 BW jo. artikel 41 lid 2 Sr). Nu gelet op hetgeen bovenstaand is overwogen geen sprake is geweest van een situatie waarin het voor [gedaagde] gerechtvaardigd was om zichzelf dan wel een ander te verdedigen, faalt ook het beroep op noodweer-exces. Voor zover [gedaagde] een beroep heeft willen doen op tardief noodweer-exces, stuit dat beroep eveneens af op die grond.

5.11. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om [gedaagde] toe te laten tot enige bewijslevering ten aanzien van zijn beroep op (tardief) noodweer(-exces).

5.12. Nu gelet op het vorenoverwogene vast staat dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] , is [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden schade.

Schadestaat

5.13. [eiser] vordert veroordeling tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat, alsmede een voorschot op de schadevergoeding van € 10.000,-. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is en dat er causaal verband in de zin van condicio sine qua non bestaat tussen de daad en de schade. Uit de uitspraak van het Amtsgericht Köln en uit de overgelegde medische stukken (producties 1 en 8 bij dagvaarding) blijkt dat [eiser] na het steekincident met de ambulance met spoed naar het ziekenhuis is vervoerd, dat hij in het ziekenhuis een spoedoperatie heeft moeten ondergaan en dat hij hierna zes dagen in het ziekenhuis heeft verbleven. [gedaagde] heeft dit niet betwist. [gedaagde] betwist ook niet dat er causaal verband in de zin van condicio sine qua non bestaat tussen de steekpartij en de schade. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande reeds voldoende aannemelijk is geworden dat de mogelijkheid bestaat dat [eiser] schade heeft geleden en dat dit het gevolg was van het steekincident (condicio sine qua non). Voor zover [gedaagde] betwist dat een causaal verband bestaat tussen de door [eiser] opgevoerde schadeposten, dient de verdere discussie daarover gevoerd te worden in de schadestaatprocedure.

Eigen schuld

5.14. Door [gedaagde] is nog aangevoerd dat [eiser] eigen schuld treft omdat [eiser] de vader van [gedaagde] in beschonken toestand zonder reden heeft aangevallen en op hem in heeft geslagen en geschopt. Ingevolge artikel 6:101 BW kan de vergoedingsplicht van [gedaagde] worden verminderd, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (‘eigen schuld’). Slechts voor zover de rechtbank reeds nu van oordeel zou zijn dat de vergoedingsplicht van [gedaagde] op grond van eigen schuld van [eiser] tot nihil verminderd zou moeten worden, kan dit leiden tot de conclusie dat de vordering om naar de schadestaatprocedure te verwijzen, moet worden afgewezen. Het verweer van [gedaagde] dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] faalt naar het oordeel van de rechtbank om dezelfde redenen als het verweer ten aanzien van de onrechtmatige daad, waaraan [gedaagde] dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. De verdere discussie omtrent de eigen schuld kan, voor zover deze betrekking heeft op de concrete schadeposten, plaatsvinden in de schadestaatprocedure.

5.1.5 De vordering aangaande de verwijzing naar de schadestaatprocedure is, gelet op het vorenoverwogene, in beginsel toewijsbaar. De verwijzing naar de schadestaatprocedure dient echter achterwege te blijven indien de rechtbank de schade reeds nu zelf kan begroten. De rechtbank ziet daarvoor evenwel onvoldoende aanknopingspunten, zodat het onder 2 gevorderde zal worden toegewezen. Nu de omvang van de geleden schade nog niet vast staat, zal de onder 2 gevorderde wettelijke rente over de bij schadestaat op te maken schade thans worden afgewezen.

Voorschot

5.16. [eiser] maakt voorts aanspraak op een voorschot van € 10.000,- op de aan hem toekomende schadevergoeding. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. [eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval immateriële schade heeft geleden en verwijst naar volgens hem vergelijkbare zaken waarin bedragen variërend tussen ongeveer € 6.000,00 en € 15.000,00 aan smartengeld werden toegekend. [gedaagde] betwist niet dat [eiser] als gevolg van het ongeval immateriële schade heeft geleden, maar betwist wel de hoogte van het door [eiser] wegens immateriële schade gevorderde bedrag. Als onbetwist staat vast dat [eiser] met een mes van ongeveer 17 centimeter tot aan het heft van achteren in zijn nek/hals is gestoken en dat het mes er aan de andere kant weer uit is gekomen. De rechtbank acht gelet daarop toewijzing van een voorschot op de immateriële schadevergoeding gerechtvaardigd. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat [eiser] na het steekincident met spoed naar het ziekenhuis is vervoerd, waar hij een spoedoperatie heeft moeten ondergaan en vervolgens zes dagen opgenomen is geweest. Deze omstandigheden in aanmerking nemende acht de rechtbank een voorschot op de immateriële schade van € 5.000,- gerechtvaardigd.

5.17. Voor het overige zijn de verschillende kostenposten naar het oordeel van de rechtbank door [eiser] onvoldoende nader geconcretiseerd om op basis daarvan reeds nu een (hoger) voorschot toe te kunnen kennen. Op grond van het voorgaande zal daarom een bedrag van € 5.000,- aan voorschot worden toegewezen.

5.18. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiser] op:
– dagvaarding € 103,79
– griffierecht 291,00
– salaris advocaat 922,00 (2,0 punten × tarief € 461,00)
Totaal € 1.316,79

6 De beslissing
De rechtbank

6.1. verklaart voor recht dat:
– [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door [eiser] op 22 mei 2016 in Keulen, Duitsland, met een mes in de nek te steken,
– [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende geleden en nog te lijden schade van [eiser] ,

6.2. veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de nader bij staat op te maken en volgens de wet te vereffenen schade,

6.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een voorschot op de schade van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 maart 2018 tot en met de datum van algehele voldoening,

6.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.316,79,

6.5. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.6. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 t/m 6.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2018.1 1
type: KB/FA coll:

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots