Rb: Staat niet aansprakelijk voor letsel gedetineerde bij slijpwerkzaamheden, art 7:658 lid 2 en 4 niet van toepassing

Samenvatting:

Gedetineerde loopt zwaar letsel op tijdens het slijpen van metalen plaatjes met een bandschuurmachine in de penitentiaire instelling. 1. Art 7:658 BW is niet van toepassing, want er is geen sprake van arbeidsovereenkomst. 2. Art 7:658 lid 4 BW is niet van toepassing is. De Hoge Raad heeft in het Davelaar/Allspan-arrest geoordeeld dat is vereist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden “in de uitoefening van het beroep of bedrijf”. Hieraan is niet voldaan. De uitgevoerde werkzaamheden, te weten het slijpen van metalen plaatjes, behoren niet tot de uitoefening van het beroep of bedrijf van de PI. De personeelsleden van de PI houden zich immers bezig met het reilen en zeilen van de PI zelf. 2. Art 6:162 BW. De stelling van eiser dat onvoldoende instructie is gegeven, is onvoldoende onderbouwd. Geen onrechtmatig handelen van de Staat.

 

 

ECLI:NL:RBROT:2020:2905

 

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

27-03-2020

Datum publicatie

03-04-2020

Zaaknummer

8107254 CV EXPL 19-44720

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Bedrijfsongeval gedetineerde tijdens uitvoer werkzaamheden in de PI. Geen arbeidsovereenkomst. Ook geen aansprakelijkheid van de PI op grond van art. 7:658 lid 4 BW of op grond van art.6:162 BW

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

 

zaaknummer: 8107254 / 19-44720

 

uitspraak: 27 maart 2020

 

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

 

thans gedetineerd te [naam PI] ,

 

eiser bij exploot van dagvaarding van 10 oktober 2019,

 

gemachtigde: mr. G.F. van den Ende,

 

tegen

 

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) Dienst Justitiële inrichtingen (DJI),

 

zetelend te Den Haag,

 

gedaagde,

 

gemachtigde: mr. R.W.M. van der Zon.

 

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ respectievelijk ‘De Staat’.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

 

 

het exploot van dagvaarding van 10 oktober 2019, met de daarbij overgelegde producties;

 

de conclusie van antwoord, met één productie.

 

1.2

 

Op 11 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen [eiser] in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en namens de Staat mevrouw [naam 1] en de heren [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , allen werkzaam in de PI [naam PI] en mr. A.A.E. Spoor, juridisch adviseur van de PI. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3

 

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

 

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

2.1

 

[eiser] verblijft als veroordeeld gedetineerde in de PI [naam PI] (hierna: de PI).

2.2

 

Met ingang van 3 januari 2019 is [eiser] in de PI op de afdeling metaalbewerking werkzaamheden gaan verrichten in de functie van lasser in opleiding.

2.3

 

Op 28 juni 2019 is [eiser] tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden ernstig gewond geraakt. Bij het slijpen van metalen plaatjes met een bandschuurmachine is de linkerhand van [eiser] bekneld geraakt tussen de schuurband en het zogenaamde ‘support’ van de schuurmachine als gevolg waarvan [eiser] twee vingers is kwijtgeraakt.

2.4

 

Naar aanleiding van het ongeval heeft de Inspectie SZW een onderzoek ingesteld naar eventuele overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet. De arbeidsinspecteur heeft geen oorzakelijk verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het ongeval en heeft om die reden geen aanleiding gezien om maatregelen te treffen.

3 De vordering

3.1

 

[eiser] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval dat heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden, met de veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

3.2

 

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de PI en daarmee de Staat als zijn werkgever moet worden aangemerkt omdat hij in opdracht van de Staat, tegen betaling van (een bescheiden) loon, werkzaamheden verricht. Nu [eiser] schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden is de Staat op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk, aldus [eiser] .

3.3

 

Op het verweer van de Staat zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

 

De Staat heeft aanvankelijk een onbevoegdheidsverweer gevoerd, in die zin dat is aangevoerd dat de kantonrechter niet (absoluut) bevoegd is. De Staat heeft in dit verband gesteld dat van een arbeidsovereenkomst tussen partijen geen sprake is en dat [eiser] evenmin zijn vordering onvoorwaardelijk heeft beperkt tot € 25.000,-.

 

Ter zitting heeft [eiser] uitdrukkelijk verklaard zijn eventuele uit de verklaring voor recht voortvloeiende vordering tot schadevergoeding te beperken tot € 25.000,-, zodat de kantonrechter in ieder geval (absoluut) bevoegd is.

 

Ten aanzien van de relatieve bevoegdheid, die eveneens onderwerp van geschil is indien zou worden geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zijn partijen ter zitting overeengekomen de procedure op de voet van artikel 108 Rv te laten behandelen en beslissen door de kantonrechter te Rotterdam. De kantonrechter acht zich dan ook (relatief) bevoegd van de vordering kennis te nemen.

4.2

 

[eiser] heeft primair gesteld dat de Staat aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 lid 2 BW. Anders dan [eiser] , is de kantonrechter van oordeel dat tussen partijen geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Hiertoe wordt overwogen dat [eiser] weliswaar arbeid verricht, (een bescheiden) loon ontvangt en sprake is van een gezagsverhouding, maar dat partijen hiertoe geen overeenkomst hebben gesloten. De rechten en plichten die verband houden met het verrichten van werk in de PI vloeien voort uit de Penitentiaire Beginselenwet en niet uit een tussen partijen gesloten overeenkomst.

4.3

 

Hoewel niet specifiek door [eiser] gesteld, moet in het kader van de ambtshalve aanvulling van gronden, vervolgens worden beoordeeld of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW. Op die grond is hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De vraag is of de door een gedetineerde verrichte werkzaamheden vallen onder de reikwijdte van dit artikel.

4.4

 

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2012:BV0616 Davelaar/ Allspan) overwogen: ‘Voor toepassing van art. 7:658 lid 4 is tevens vereist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden “in de uitoefening van het beroep of bedrijf” van degene in wiens opdracht de arbeid is verricht”. Door de minister is in dit verband opgemerkt dat het moet gaan om “werkzaamheden die de derde in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten” (Kamerstukken II, 1998-1999, 26 257, nr. 7, p. 15)’.

4.5

 

Aan dit criterium is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval niet voldaan. Daartoe is van doorslaggevend belang dat de uitgevoerde werkzaamheden, te weten het slijpen van metalen plaatjes, niet behoren tot de uitoefening van het beroep of bedrijf van de PI. De personeelsleden van de PI houden zich immers bezig met het reilen en zeilen van de PI zelf. Op het moment dat om wat voor reden geen werk zou worden verricht door gedetineerden, zouden deze werkzaamheden (het slijpen van plaatjes) niet worden overgenomen door het personeel van de PI. De werkzaamheden zijn speciaal in het leven geroepen om gedetineerden, op basis van de wettelijke regeling, een zinvolle tijdsbesteding te geven en hen voor te bereiden op terugkeer in de maatschappij. Het verrichten van werkzaamheden door een gedetineerde valt daarom niet binnen het toepassingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW. Daarbij komt dat met de invoering van het vierde lid van artikel 7:658 BW beoogd is de werkgeversaansprakelijkheid uit te breiden naar uitzendrelaties. Inmiddels is in de rechtspraak geoordeeld dat onder omstandigheden degene die in het kader van een stage of als vrijwilliger werkzaamheden verricht onder de bescherming van genoemd artikellid valt, doch het is nooit de bedoeling geweest om ook de gedetineerde die tijdens zijn detentie werkzaamheden in de PI verricht op basis van de Penitentiaire Beginselenwet onder het bereik van genoemd artikellid te brengen.

4.6

 

Het voorgaande neemt niet weg dat onder omstandigheden sprake zou kunnen zijn van onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW. De Staat is immers verantwoordelijk voor de veiligheid van gedetineerden en kan daarmee ook aansprakelijk zijn voor de wijze waarop gestalte wordt gegeven aan de tijdsbesteding van gedetineerden alsmede de inrichting van lokalen waar zij werken en de gereedschappen waarmee zij die werkzaamheden moeten verrichten. [eiser] heeft in dit geval gesteld dat hij de Staat verwijt dat er onvoldoende instructie is gegeven ten aanzien van het slijpen van de kleine metalen plaatjes alsmede ten aanzien van de afstelling van de afstand tussen de zogenaamde ‘support’ en de lopende band van de bandschuurmachine. Daarnaast ontbrak aan de machine volgens [eiser] een zogenaamde rode paddenstoelknop.

4.7

 

Nu artikel 7:658 BW niet van toepassing op de relatie tussen partijen geldt dat [eiser] moet stellen en zo nodig moet bewijzen dat aan de voorwaarden voor een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW is voldaan. Ten aanzien van het onvoldoende instructie geven, heeft de Staat als verweer aangevoerd dat gedetineerden instructie krijgen over het gebruik van de bandschuurmachine en dat het toezicht op het werk pas afneemt als gedetineerden een bepaalde mate van bekwaamheid ontwikkeld hebben. [eiser] heeft erkend veelvuldig te hebben gewerkt met deze bandschuurmachine en bekend te zijn met de werking van die machine. Daarnaast heeft [eiser] erkend dat voorafgaande aan deze specifieke opdracht aan hem een voorbeeld is getoond van wat de bedoeling was en dat voorts is aangeboden om deze opdracht een keer voor te doen. [eiser] heeft toen te kennen gegeven dat hij wist wat de bedoeling was en dat verdere instructie niet nodig was. Gelet op deze gang van zaken, is de stelling van [eiser] dat onvoldoende instructie is gegeven, onvoldoende onderbouwd, zodat die stelling verworpen dient te worden.

4.8

 

Ten aanzien van de afstelling van de afstand tussen de support en de lopende band heeft [eiser] eerder verklaard dat hij wist hoe hij de support moest instellen en voorts dat hij wist dat die afstelling zodanig moest zijn dat de afstand tussen de support en de loopband zo klein mogelijk was. Daarnaast heeft de Staat onweersproken gesteld dat de afstelling alleen gewijzigd hoefde te worden na het vervangen van een rol schuurpapier en heeft [eiser] niet gesteld dat hij voorafgaande aan de werkzaamheden op 28 juni 2019 de afstelling heeft gewijzigd. Evenmin is gesteld of gebleken dat de support zodanig stond afgesteld dat dit heeft geleid tot het ongeval. Ook deze stelling wordt daarom verworpen.

4.9

 

Ten aanzien van ontbreken van de zogenaamde paddenstoelknop is ter zitting duidelijk geworden dat het gaat om een knop die bovenop de uitknop van de machine kan worden bevestigd. Door de aanwezigheid van die knop is de uitknop, die zich bevindt naast de aan-knop, eenvoudiger te bedienen. Wat eveneens is vast komen te staan, is dat die knop niet maakt dat de machine daarmee een noodstop maakt en van het ene op het andere moment stilstaat. De werking van de uitknop is hetzelfde met en zonder paddenstoelknop; de knop moet worden ingedrukt om de machine tot stilstand te brengen. Tijdens het voorval op 28 juni 2019 heeft [eiser] die knop ook daadwerkelijk zelf ingedrukt nadat hij met zijn hand bekneld was geraakt. Hoewel voorstelbaar is dat de aanwezigheid van de paddenstoelknop een fractie tijdwinst zou hebben opgeleverd bij het uitzetten van de machine, is onvoldoende vast komen te staan dat de afwezigheid van de paddenstoel een rol heeft gespeeld in de toedracht van het ongeval en de gevolgen daarvan. In dat opzicht is ook van belang dat de Arbeidsinspectie heeft geconstateerd dat de machine geen gebreken vertoonde die het ongeval hebben kunnen veroorzaken en dat de Arbeidsinspectie geen aanleiding heeft gezien om maatregelen te treffen dan wel voorstellen te doen om de machine veiliger te maken.

4.9

 

De conclusie uit het voorgaande is dat tegenover het verweer van de Staat, [eiser] onvoldoende onderbouwing heeft gegeven van het gestelde onrechtmatig handelen. Om die reden zal de vordering van [eiser] worden afgewezen, met zijn veroordeling in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

 

De kantonrechter:

 

wijst de vordering af;

 

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 600,- aan salaris gemachtigde.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

 

31945

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey