Rb: RSI, causaal verband werkzaamheden en schade te onzeker, werkgever niet aansprakelijk

Samenvatting:

RSI. Werknemer – edelsmid/productiemedewerker – raakt in 1997 arbeidsongeschikt vanwege klachten aan arm, pols en hand; diagnose RSI.
De kantonrechter oordeelt dat niet is komen vast te staan dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan zodanige fysiek belastende arbeidsomstandigheden dat zijn chronisch geworden armklachten daardoor zijn veroorzaakt. Het (arbeidsgeneeskundig) expertiserapport biedt hiervoor onvoldoende steun. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat werknemer niet kan profiteren van de in de rechtspraak ontwikkelde regel, dat wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en hij schade heeft opgelopen, het oorzakelijk verband in beginsel moet worden aangenomen. (HR 17 november 2000 NJ 2001/596, Unilever). Het causaal verband is in dit geval te onzeker en te onbepaald is, wat toepassing van genoemde regel verhindert.

ECLI:NL:RBMNE:2014:815
Instantie: Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak: 03-03-2014
Datum publicatie: 07-03-2014
Zaaknummer: 847470 UC EXPL 13-27
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Werkgeversaansprakelijkheid voor RSI? Beoordeling van de bevindingen van deskundigen. Verband met werk te onzeker en te onbepaald. Afwijzing vordering.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 847470 UC EXPL 13-27 LH/4059

Vonnis van 3 maart 2014

inzake

[eiser]
,
wonende te [woonplaats],
verder ook te noemen [eiser],
eisende partij,
gemachtigde: mr. G.J. Knotter,
toevoeging verleend onder nummer 4FO5329,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koninklijke Begeer B.V.,
gevestigd te Zoetermeer,
verder ook te noemen Begeer,
en
2. de naamloze vennootschap Reaal Schadeverzekeringen N.V.,
gevestigd te Zoetermeer,
verder ook te noemen Reaal,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. H. van Katwijk.

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 18 maart 2013, waarbij een comparitie is gelast.

1.2. De comparitie is gehouden op 1 juli 2013. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

1.3. Vervolgens heeft [eiser] gerepliceerd en hebben Begeer en Reaal gedupliceerd. [eiser] heeft twee dvd’s met beeldopnamen ter griffie gedeponeerd, waarvan er slechts één (met een korte, in Zeist gemaakte video) te openen was.

1.4. Daarna is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten
2.1. [eiser], geboren op[1960], is op 25 februari 1997 als algemeen productiemedewerker in dienst getreden van Begeer, nadat hij op basis van een werkervaringsplaats al vanaf 25 november 1996 productiewerk voor Begeer had verricht. [eiser] is edelsmid van beroep. Begeer hield zich destijds bezig met de vervaardiging van en handel in edelsmeedwerken, penningen, relatiegeschenken en onderscheidingstekens.

2.2. In de toenmalige bedrijfsvestiging van Begeer in Zoetermeer heeft [eiser], vanaf 25 november 1996 tot zijn uitval wegens ziekte op 8 oktober 1997, afwisselend de voorkomende productiewerkzaamheden verricht, daaronder het machinaal persen, slijpen, schuren en polijsten, en het emailleren en monteren van goud- en zilverwerk. Ook hield hij zich bezig met (visuele) kwaliteitscontrole. Hij was onder meer van december 1996 tot in april 1997 betrokken bij de massale productie van ‘kruisjes’ voor de deelnemers van de op 4 januari 1997 verreden Elfstedentocht en van medailles voor andere schaatstochten. In het najaar van 1997 heeft [eiser] meegewerkt aan de vervaardiging van 9.500 briefopeners.

2.3. In februari 1996 had Begeer door haar arbodienst een Risico-inventarisatie en
-evaluatie (RI&E) laten opstellen. Daaruit kwam naar voren dat de arbeidsomstandigheden in het bedrijf meer aandacht behoefden. Wat betreft ‘fysieke belasting’ diende te worden ingezet op: ‘Opheffen grootste risico’s’, ‘Voorlichting’ en ‘Vernieuwing van meubilair en werkplekken.’ De ‘knelpunten’ in de perserij, in het magazijn en op de galvano–afdeling lagen met name bij de rugbelasting door zwaar tilwerk, die van de emailleer-, slijp/polijst- en montageafdeling bij ‘gebogen en statische werkhouding (nek/rug).’ In de gereedschapmakerij en op de patineerafdeling lagen de knelpunten tevens bij
‘zware pols- en onderarmbelastingen.’

2.4. Op 8 oktober 1997 heeft [eiser] zich ziek gemeld met plotselinge, niet eerder opgetreden klachten aan zijn (dominante) rechterarm, -pols en -hand. Blijkens de aantekeningen van de arbo-arts die hem op 9 oktober 1997 zag, had [eiser] de ‘laatste 3 weken veel in zelfde houding re-arm/pols gewerkt: polijsten van brievenopeners onder hoge temp. → mogelijk overbelasting.’ De arbo-arts concludeerde tot ‘RSI Re hand/arm’ en achtte hem niet tot het verrichten van de bedongen arbeid in staat. Rust en aangepast werk waarbij de rechterarm kon worden ontzien deden de klachten aanvankelijk verminderen, maar deze keerden terug nadat [eiser] opnieuw werk met repeterende bewegingen had moeten doen en weer aan trillingen was blootgesteld. Toen hij bij hernieuwde hervatting in aangepast werk klachten bleef houden, is de re-integratie in juli 1998 gestaakt. Daarna zijn de klachten, die ook na fysiotherapie en bij ontzien van de rechterarm bleven bestaan, door de arbo-arts als chronisch aangemerkt. Daarna heeft [eiser] niet meer gewerkt.

2.5. Met ingang van 7 oktober 1998 is aan [eiser] een arbeidsongeschiktheidsuitkering verleend, aanvankelijk – en sinds 23 maart 2006 opnieuw – berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, op basis van ‘RSI-problematiek van de rechter dominante hand met forse beperkingen.’ In de loop der tijd heeft [eiser] een toename van zijn klachten – ook aan nek, schouder en elleboog – gerapporteerd. Hij is zijn rechterarm en hand bij zijn dagelijkse bezigheden toenemend gaan ontzien. De uitkerende instantie is hem op den duur (in april 2006) ‘functioneel als volledig eenhandig’ gaan beschouwen.

2.6. [eiser] heeft Begeer aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden schade. Begeer en haar aansprakelijkheidsverzekeraar, Reaal, hebben aansprakelijkheid betwist, omdat er van structurele overbelasting in het werk geen sprake zou zijn geweest. Op 9 maart 2010 hebben partijen gezamenlijk een bezoek gebracht aan het bedrijf van Veluw B.V., de vennootschap die de productieactiviteiten van Begeer had overgenomen en naar Zeist verplaatst.

2.7. Op verzoek van [eiser] heeft de kantonrechter te Utrecht bij beschikking van 17 november 2010 een voorlopig deskundigenbericht bevolen, te verrichten door Polikliniek Mens en Arbeid (PMA) van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) te Amsterdam. In de beschikking is onder meer overwogen: ‘Voor wat de beschrijving van de werkzaamheden zal de kantonrechter aan de deskundige vragen die zelf te (doen) geven, nu het gezamenlijk bezoek van partijen aan de werkplek van [eiser] bij Koninklijke Begeer niet tot een eenduidig en onbetwist verslag heeft geleid.’ [eiser] is belast met de kosten van dit onderzoek.

2.8. De deskundigen, dr. B. Sorgdrager (klinisch arbeidsgeneeskundige) en dr. P.F.M. Kuijer (consulent arbeidsgebonden aandoeningen bewegingsapparaat), beiden verbonden aan het PMA en het NCvB, hebben het onderzoek verricht in samenwerking met fysiotherapeut [A] en neuroloog[B]. Deze neuroloog heeft [eiser] op 19 mei 2011 onderzocht en een MRI laten verrichten. [B] stelde vast dat [eiser] twee verschillende pijnklachten naar voren bracht, die beide zouden dateren van 1997: ‘1. pijn vanuit de nek uitstralend in de schouder en arm tot in de wijsvinger en 2. lokale pijn in de onderarm, gepaard gaande met drukpijn en pijn bij aanspannen van de polsstrekkers en buigers.’ De neuroloog stelde de diagnose: 1. cervicobrachialgie op basis van degeneratieve afwijkingen van de CWK (cervicale wervelkolom, ktr.) en 2. chronisch pijnsyndroom in de onderarm, waarvoor geen neurogene oorzaak.’ Ten aanzien van de armklachten (ad 2) overwoog [B] in zijn rapport: ‘Klachten in het bewegingsapparaat van de arm, zoals bij betrokkene, kunnen ontstaan na overbelasting, maar verdwijnen in het algemeen weer bij rust of het vermijden van de activiteiten die tot overbelasting hebben geleid. Het valt op neurologisch vakgebied niet te verklaren waarom bij betrokkene deze klachten langdurig persisteren en het karakter hebben aangenomen van een chronisch pijnsyndroom.’ Omdat bedoelde pijnklachten in de onderarm niet berusten op een neurologisch verklaarbare aandoening, kende de neuroloog daarvoor geen functieverlies toe. Het functieverlies voor de cervicobrachialgie werd uitgedrukt in een invaliditeit van 2% van de gehele persoon. Op een vraag van mr. Knotter naar de mogelijke arbeidsgerelateerdheid van de cervicobrachialgie heeft [B] naderhand geantwoord dat de degeneratieve afwijkingen in de nek ‘in de loop van vele jaren’ ontstaan, ‘en niet in een korte periode, ook niet in een jaar, ook niet bij werkzaamheden die met gebogen hoofd worden uitgevoerd.’

2.9. De fysiotherapeut ([A]) die [eiser] op 19 mei 2011 onderzocht, concludeerde: ‘Huidige status lijkt mede veroorzaakt door provocatie destijds door/bij werkzaamheden met overbelasting extensoren onderarm. Voor een correcte beoordeling van het voortbestaan van de klachten, welke een duidelijk afwijkend beloop hebben, lijkt een arrousel mede verantwoordelijk. Musculair en artrokinematisch zie ik geen directe reden voor blijvende invaliditeit. Echter door de zeer lange periode van onderbelasting, het afwijkende beloop en de mijns inziens hoge arousel kan ik hier geen uitspraak over doen en verwijs ik voor dit deelgebied naar de expertise van een psycholoog.’ De fysiotherapeut vindt dat ‘er bij voldoende motivatie en een gradueel opbouwend therapeutisch programma nog winst behaald kan worden.’
2.10.

Op 19 mei 2011 is ook de ‘Ergo-Kit FCE’ (deze afkorting staat voor Functionele Capaciteit Evaluatie) fgenomen, bedoeld om inzicht te krijgen in de fysieke belastbaarheid van [eiser]. Geconcludeerd werd dat de arbeidsbelastbaarheid ‘beperkt’ is, onder meer omdat het ‘hanteren van de voorkeurshand (-) tot 33% van een werkdag mogelijk (is) (normaal is 66%), in een laag tempo’ en omdat de ‘vingervaardigheid voorkeurshand (-) sterk beperkt mogelijk (is).’ De ‘validiteit en consistentie’ is door de leider van de test vastgesteld op ‘3=gemiddeld’ (op een schaal van 1 tot 5), omdat ‘het werkvermogen (-) enigszins zelfbeperkt of inconsistent (was)’, zodat de ‘resultaten en bevindingen (-) gedeeltelijk het bestaan van lichamelijke beperkingen of andere klachten (ondersteunen).’ De geobserveerde inconsistenties zouden mogelijk zijn te verklaren ‘doordat de heer [eiser] aangeeft dat hij heel veel moeite heeft om zijn beperkingen te aanvaarden en wisselend te veel of te weinig doet.’ De belastbaarheid, zo werd geconcludeerd, zou door het ‘onder begeleiding opbouwen van de conditie, waarbij ook aandacht besteed(-) wordt aan het op een zeer rustige manier opbouwen van het gebruik van de rechterhand/arm’ kunnen toenemen.

2.11. De deskundigen Sorgdrager en Kuijer voornoemd hebben kennis genomen van de bevindingen van neuroloog [B], fysiotherapeut [A] en van de resultaten van de FCE. Zij hebben [eiser] op 19 mei 2011 ook zelf onderzocht. Er is multidisciplinair overleg geweest. De gemachtigden van partijen hebben gereageerd op de hen toegezonden concept rapportage. In de eindrapportage van 26 maart 2012 hebben Sorgdrager en Kuijer de gestelde vragen beantwoord. Hun diagnose luidde: ‘cervicobrachialgie op basis van degeneratieve afwijkingen van de cervicale wervelkolom en chronisch pijnsyndroom in de onderarm zonder aanwijsbaar substraat (-). Ten tijde van het ontstaan van de klachten was er mogelijk sprake van cervicobrachialgie en aspecifieke klachten aan de rechterarm.’ Over de oorzaak hiervan concludeerden de onderzoekers: ‘De oorzaak van de cervicobrachialgie zijn degeneratieve afwijkingen van de cervicale wervelkolom en voor het chronisch pijnsyndroom in de onderarm is geen aanwijsbaar substraat. Overbelasting is een verklaring van het optreden van de pijnklachten. Het voortbestaan van de klachten is multifactorieel. Slepende juridische procedures, gebrek aan perspectief op herstel, niet succesvolle behandelingen, en verlies van werk zijn mogelijk in stand houdende factoren van de klachten.’

2.12. De werkzaamheden die [eiser] voor Begeer heeft verricht hebben Sorgdrager en Kuijer als volgt beschreven: ‘Betrokkene gaf aan dat zijn werkzaamheden bestonden uit het handmatig schuren en polijsten van elementen van edelmetaal zoals onderdelen voor briefopeners of kandelaars met behulp van slijpmachines en de handmatige montage van deze elementen. Daarbij werden verschillende borstels gebruikt. Dit werk verrichtte betrokkene gedurende 5 dagen in de week gemiddeld 8 uur per dag inclusief 2 maal een pauze van 15 minuten en een middagpauze van 30 minuten. Hij verrichtte de werkzaamheden zittend en staand. Per dag werden tussen 350-500 elementen bewerkt. Daarnaast was betrokkene verantwoordelijk voor de zogenaamde validiteitcontrole: een visuele beoordeling of de elementen aan de kwaliteitscriteria voldeden. In de periode voordat betrokkene voor het eerst(-) klachten kreeg in het najaar van 1997, was er volgens hem sprake van onderbezetting. Meestal werkte(n) er vier in plaats van zes personen en was er ook sprake van meer werk dan gewoonlijk doordat er onder andere veel medailles moesten worden gemaakt voor onder andere de Elfstedentocht van 4 januari 1997. Uit de RisicoInventarisatie en -Evaluatie van februari 1996 voor het onderdeel fysieke belasting zijn de knelpunten voor de slijp- en polijstafdeling: slecht zitmeubilair, gebogen en statisch(e) werkhouding (nek/rug) en vaak fysiek zwaar werk. Voor de montage afdeling zijn het: gebogen en statische werkhouding, nekbelasting, onvoldoende beenruimte en verouderd meubilair. Op basis van de anamnese met betrokkene en op basis van de video’s en foto’s wordt het werk gekwalificeerd als sterk handmatig repeterend voor de bovenste ledematen inclusief kracht leveren. Het schuren en polijsten van een element vereist meerdere handelingen die in een tijdsperiode van seconden worden uitgevoerd. Deze werkzaamheden werden volgens betrokkene gedurende de gehele werkdag uitgevoerd.’ Als factoren in het werk van [eiser], die risico vormden voor het ontstaan van aspecifieke armklachten, wezen onderzoekers op: ‘bewegingen van de elleboog en pols die meer dan tweemaal per minuut voorkomen(-) gedurende minimaal vier uur per dag’, ‘krachtsinspanning van meer dan 40 N met de spieren van de onderarm zoals met de handen knijpen of vasthouden van gereedschap’ en ‘combinatie van deze twee risicofactoren.’ De ‘handarmtrillingen’ zijn niet als risicofactor aangemerkt, omdat deze de grenswaarde niet zouden hebben overschreden. Op de vraag of het werk in overwegende mate de oorzaak van de aandoening is, antwoordden Sorgdrager en Kuijer: ‘Samenvattend, het werk als productiemedewerker is volgens ons niet in overwegende mate de oorzaak van de cervicobrachialgie. Het werk is (-) wel in overwegende mate de oorzaak van de aspecifieke klachten aan de rechterarm: er is sprake van een beroepsziekte.’ De blijvende functionele invaliditeit werd gesteld op 3% van de gehele mens, te weten 2% vanwege de cervicobrachialgie en 1% voor het pijnsyndroom in de rechterarm. Ten slotte hebben de onderzoekers omtrent de prognose van het chronisch pijnsyndroom overwogen ‘dat een gunstig perspectief op arbeidsmogelijkheden en het afronden van de slepende juridische procedure in het algemeen gunstige voorwaarden zijn voor herstel’ en dat
‘fysiotherapie gericht op gedoseerd activeren (-) verder (kan) bijdragen tot functioneel herstel.’

2.13. De gemachtigden van partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om te reageren op het concept rapport van Sorgdrager en Kuijer. Dit heeft op onderdelen tot aanpassingen geleid, maar heeft geen aanleiding gegeven de conclusies te wijzigen. In reactie op de opmerkingen van de zijde van mr. Van Katwijk over de werkbeschrijving hebben onderzoekers benadrukt zich voor de mate van blootstelling te baseren op ‘de videobeelden van het werk, de anamnese met betrokkene, de Risico-Inventarisatie en Evaluatie en de mededeling over de productie in het personeelsblad. (-) Er lijkt in ieder geval sprake te zijn geweest van de risicofactor ‘bewegingen van de elleboog en pols die meer dan tweemaal per minuut voorkomen(-) gedurende minimaal vier uur per dag.’ Op een opmerking over de onbetrouwbaarheid van de FCE, reageerden onderzoekers: ‘Experts en betrokkene zijn niet goed in staat om fysieke beperkingen te kwantificeren alleen (op) basis van observaties en gesprekken (-) Het is daarom zinvol voor het vaststellen van fysieke beperkingen om deze daadwerkelijk te meten. De validiteit van dergelijke testen is inderdaad afhankelijk van onder andere de inzet van betrokkene. Deze is beoordeeld met een 3 (gemiddeld) op een schaal van 1 (zeer laag) tot en met 5 (zeer hoog) (-). De resultaten van de FCE zijn daarom volgens ons wel bruikbaar in het vaststellen van de lichamelijke beperkingen bij betrokkene (-).’ In reactie op een opmerking van medisch adviseur van Begeer en Reaal, [D], over de presentatie van [eiser] als ‘welhaast éénarmig’ maar het ontbreken van ‘inactiviteitsatrofie’, reageerden onderzoekers uitsluitend met een ‘Mee eens.’ Op een verwijzing naar het beloop van de klachten van [eiser] (geen klachtenreductie, maar eerder een langzame progressie na beëindiging van het werk) reageerden onderzoekers: ‘Bij het chronisch worden van klachten, spelen ook de initiële klachten een rol als noodzakelijke voorwaarde. Daarnaast zijn er in stand houdende factoren. Doordat betrokkene niet is hersteld, beschouwen we deze klachten als behorend tot dezelfde episode (-).’ Op de kritiek van de zijde van Begeer en Reaal op de beoordeling van de validiteit van de FCE, waarbij werd benadrukt dat de inzet van [eiser] bij de onderdelen staan en zitten weliswaar goed was maar bij de meting van de belastbaarheid van handen en armen zeer te wensen overliet (zodat het berekende gemiddelde geen juist beeld van de betrouwbaarheid van de testgegevens oplevert), antwoordden onderzoekers:
‘Dank voor de gedegen analyse. De testleider heeft conform het protocol van de Ergo-kit de mogelijkheid om deze waarde naar boven af te ronden (-).’

3 De vordering en de standpunten van partijen

3.1. [eiser] vordert dat voor recht wordt verklaard dat Begeer en Reaal aansprakelijk zijn voor de schade die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Begeer heeft geleden en zal lijden. Voorts vordert [eiser] dat Begeer en Reaal, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, hoofdelijk worden veroordeeld om aan hem te vergoeden de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening, nader op te maken bij staat. Tevens vordert [eiser] dat Begeer en Reaal hoofdelijk worden veroordeeld aan hem een voorschot van € 55.000,– op de vergoeding van geleden en te lijden materiële schade en een voorschot van € 15.000,– op de vergoeding van immateriële schade te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze € 15.000,– vanaf 8 oktober 1997 tot de voldoening. Ook maakt [eiser] aanspraak op een vergoeding van de kosten van het voorlopig deskundigenbericht, ten bedrage van € 10.878,98. Ten slotte vordert [eiser] de hoofdelijke veroordeling van Begeer en Reaal in de buitengerechtelijke kosten van € 18.637,– en in de proceskosten.

3.2. [eiser] baseert zijn vordering tegen Begeer op artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (BW) en die tegen Reaal, in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van Begeer, op de ‘directe actie’ als bedoeld in artikel 7:954 BW. Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Begeer is blootgesteld aan fysiek zwaar belastende werkomstandigheden – onder meer repeterende arm-, pols- en handbewegingen bij het slijpen en polijsten – en aan hoge werkdruk tijdens productiepieken en onderbezetting. Op grond van de bevindingen van Sorgdrager en Kuijer moet ervan worden uitgegaan dat de armklachten door overbelasting in het werk zijn ontstaan. Begeer heeft geen maatregelen genomen teneinde de in de RI&E van februari 1996 omschreven schadelijke arbeidsomstandigheden op de slijp- en polijstafdeling (fysiek zwaar werk in ongemakkelijke werkhouding en slecht zitmeubilair) weg te nemen. Ook heeft Begeer niet voorkómen dat [eiser] bij de fabricage van Elfstedenkruisjes door onderbezetting onder hoge werkdruk heeft moeten werken en aldus aan piekblootstelling onderhevig is geweest. Op Begeer lag destijds, gezien de in februari 1996 gesignaleerde knelpunten, de verplichting om veiligheidsmaatregelen te nemen tegen de haar bekende gezondheidsrisico’s die het werk van [eiser] met zich bracht, ook indien voor haar het specifieke gevaar van RSI onbekend mocht zijn geweest, aldus eiser.

3.3. Begeer en Reaal betwisten de vordering allereerst omdat de door [eiser] gestelde schade niet is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. Aan de rapportage van Sorgdrager en Kuijer komt op dit punt geen betekenis toe, omdat zij zich bij de beoordeling van de blootstelling aan voor de gezondheid schadelijke werkomstandigheden vooral hebben laten leiden door wat [eiser] hen daarover heeft verteld. Zij hebben veronachtzaamd dat de arbeidsdeskundige van het GAK (J.G.P. Grund), die op 24 november 1998 de werkplek van [eiser] heeft bezien, blijkens rapport van 26 november 1998 heeft geconstateerd dat de werkzaamheden in de regel neerkwamen op ‘fijnmotorische handelingen in een normale frequentie’, waarbij ‘kracht zetten aanzienlijk minder’ noodzakelijk was. Ten onrechte is geconcludeerd dat sprake was van RSI-risicofactoren in het werk van [eiser]. De arbeidsbelastbaarheid van [eiser], gemeten door de FCE, is door diens beperkte inzet bij testonderdelen die juist voor de beoordeling van de belastbaarheid van zijn rechterarm van belang zijn niet betrouwbaar. Omdat er geen sprake is van inactiviteitsatrofie, moet worden aangenomen dat de klachten worden overdreven en dat [eiser] het alleen doet vóorkomen dat hij zijn rechterarm en -hand nauwelijks kan gebruiken.

3.4. De vordering wordt voorts betwist, omdat Begeer niet is tekortgeschoten in de op haar, als werkgever, jegens [eiser] rustende zorgverplichting. Extra maatregelen hoefden op de slijp- en polijstafdeling niet te worden getroffen, omdat personeelsleden nooit lang aaneengesloten alleen met polijstwerk bezig waren. Dat werk werd afgewisseld met andersoortige werkzaamheden. Van onderbezetting bij piekdrukte was geen sprake, omdat het personeel steeds waar nodig werd ingezet, aldus gedaagden.

3.5. Op hetgeen partijen voorts hebben aangevoerd, zal hierna worden ingegaan, indien en voor zover dat voor de beslissing van belang is.

4 De beoordeling van het geschil

4.1. Het gaat in dit geding in de kern om de vraag of Begeer op grond van artikel 7:658 BW jegens [eiser] aansprakelijk is. Het debat van partijen heeft zich toegespitst op de vraag of [eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van de door hem voor Begeer verrichte werkzaamheden, alsmede op de vraag of Begeer jegens [eiser] heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om te zorgen voor veilige arbeidsomstandigheden.

4.2. De kantonrechter stelt voorop dat het bepaalde in artikel 7:658 BW meebrengt dat het aan de werknemer, die zijn werkgever aansprakelijk houdt voor een schending van zijn zorgverplichting, is om te stellen en – bij betwisting – te bewijzen dat zijn letsel in de uitoefening van zijn werkzaamheden is ontstaan. Het tweede lid van het artikel legt op de werkgever de last te bewijzen dat hij zijn verplichting om voor een veilige werkplek en arbeidsomstandigheden te zorgen is nagekomen. Om tot aansprakelijkheid van de werkgever te kunnen concluderen, dient zowel een (causale) relatie te kunnen worden gelegd tussen het werk van de werknemer en zijn gezondheidsschade, als tussen een tekortkoming van de werkgever en die schade. In het geval van een multicausale beroepsziekte, zoals RSI (dat algemeen bekend staat als een multifactorieel bepaald klachtensyndroom), dient er voor te worden gewaakt dat de werkgever niet aansprakelijk wordt gehouden voor schade die geen verband houdt met de omstandigheden waaronder hij de werknemer heeft doen werken. Dit maakt dat, indien de ziekte door andere dan werkgerelateerde factoren kan zijn ontstaan, relatief veel gewicht toekomt aan de vraag naar de relatie tussen werk en schade.

4.3. Allereerst zal worden ingegaan op de vraag of de gezondheidsklachten van [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Begeer zijn ontstaan en zijn letsel is veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden waaronder hij voor haar heeft moeten werken. De bewijslast hiervan rust ingevolge artikel 150 Rv op [eiser]. De kantonrechter neemt hierbij tot uitgangspunt dat [eiser] vanaf zijn uitval op 8 oktober 1997 heeft geleden aan, als RSI geduide, klachten aan zijn rechterarm, -pols en -hand met forse beperkingen, die uiteindelijk hebben geresulteerd in een chronisch pijnsyndroom in de rechter onderarm, waarvoor geen neurogene oorzaak is gevonden. Vast staat dat hij door zijn ziekte verhinderd is geweest de bedongen arbeid te verrichten. Niet in geschil is dat de op den duur door [eiser] tevens gerapporteerde nekklachten, uiteindelijk gediagnostiseerd als cervicobrachialgie, geen verband houden met de voor Begeer verrichte werkzaamheden, omdat deze klachten zijn gebaseerd op degeneratieve afwijkingen van de cervicale wervelkolom, die niet binnen een jaar kunnen zijn ontstaan door fysiek belastende arbeid. Bij de vraag naar de werkgerelateerdheid van de gezondheidsschade van [eiser] draait het dan ook om de vraag of zijn armklachten door het werk zijn veroorzaakt. Omdat uit de beschikbare medische informatie volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de nekklachten de armklachten hebben verergerd, zal er in het navolgende veronderstellenderwijs van worden uitgegaan dat een mogelijke toename van de armklachten – ten gevolge van een uitstraling van de nekklachten naar de arm – moet worden toegerekend aan dezelfde oorzaak als die waaruit de armklachten voortvloeien, óók nu de nekklachten op zichzelf geacht moeten worden in de risicosfeer van [eiser] te zijn gelegen en niet aan (nalatigheid van) Begeer te zijn te wijten.

4.4. Teneinde te kunnen bepalen of de door [eiser] voor Begeer verrichte werkzaamheden, en de omstandigheden waaronder hij deze heeft moeten verrichten, bij het ontstaan en voortbestaan van de armklachten een rol hebben gespeeld, dient te worden vastgesteld welke werkzaamheden [eiser] heeft verricht en welke – met het oog op de aard van het letsel relevante – gezondheidsrisico’s die werkzaamheden, mede gezien hun duur en intensiteit, hebben opgeleverd. Vast staat dat [eiser], toen hij op 8 oktober 1997 wegens ziekte uitviel, nog slechts ongeveer zeven maanden in dienst van Begeer was en (inclusief vakantie) niet langer dan tien maanden productiewerk voor Begeer had verricht. [eiser] zoekt de oorzaak van zijn armklachten met name in de repeterende bewegingen die het polijsten van edelsmeedwerk met zich bracht en in de werkdruk waaraan hij bij productiepieken en onderbezetting heeft bloot gestaan. Dat de trillingen waarmee het polijstwerk gepaard ging bij het ontstaan van zijn armklachten geen relevante rol heeft gespeeld, heeft [eiser], nadat in het kader van het onderzoek van Sorgdrager en Kuijer was aangenomen dat de geldende grenswaarde voor trillingen niet zal zijn overschreden, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Uit de reactie van Sorgdrager en Kuijer op de opmerkingen van de zijde van Begeer en Reaal op hun concept rapportage leidt de kantonrechter voorts af dat er niet van kan worden uitgegaan dat ook de krachtsuitoefening die bij het polijsten vereist was als een relevante risicofactor moet worden aangemerkt. Waar onderzoekers in hun bedoelde reactie ‘in ieder geval’ de risicofactor, gelegen in de frequente en langdurige ‘bewegingen van de elleboog en pols’ hebben staande gehouden, zijn zij er kennelijk ook zelf niet van overtuigd dat de mate van krachtsuitoefening bij het ontstaan van de armklachten zelfstandige betekenis heeft gehad. Hiervoor vindt de kantonrechter tevens steun in het standpunt van de arbeidsdeskundige van het GAK die in november 1998 de werkplek van [eiser] heeft bezocht en toen geconstateerd heeft dat het werk ‘fijnmotorische handelingen’ vergde en ‘grijpfuncties’ noodzakelijk maakte, maar ‘kracht zetten aanzienlijk minder.’ Ook de video-opname die in 2010 bij Veluw B.V. in Zeist is gemaakt, wijst er niet op dat voor het polijsten een relevante krachtsuitoefening nodig was.

4.5. Het komt in dit geding, bij de beoordeling van de werkbelasting, derhalve aan op het risico dat repeterende bewegingen bij het verrichten van polijstwerk meebrachten, en op de gestelde werkdruk. [eiser] heeft zich, ter onderbouwing van het verband tussen werk en letsel, gebaseerd op de bevindingen van Sorgdrager en Kuijer, en op hun conclusie dat ‘het werk (-) in overwegende mate de oorzaak (is) van de aspecifieke klachten aan de rechterarm.’ Begeer en Reaal hebben de vraag opgeworpen of de onderzoekers er bij hun gevolgtrekking vanuit mochten gaan dat het werk van [eiser] in betekenende mate repeterende bewegingen vergde. Zij hebben gemotiveerd betoogd dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zouden gedaagden in dat standpunt moeten worden gevolgd, dan tast dat de feitelijke grondslag van de conclusie van Sorgdrager en Kuijer omtrent de (mate van) werkgerelateerdheid van de armklachten zodanig aan dat dit deskundigenoordeel in dit geding niet kan worden overgenomen. De kantonrechter hieromtrent overweegt het volgende.

4.6. Gelet op de beschikking van 17 november 2010, waarbij het voorlopig deskundigenbericht is gelast, behoorde het tot de opdracht aan de deskundigen om een beschrijving te (doen) geven van de werkzaamheden die [eiser] voor Begeer heeft verricht. Sorgdrager en Kuijer kregen in dat verband onder meer inzage in de brief van de gemachtigde van [eiser] van 12 maart 2010, waarin hij aan de toenmalige gemachtigde van Begeer en Reaal uiteenzette wat het bezoek aan Veluw B.V. te Zeist had opgeleverd. In genoemde beschikking heeft de kantonrechter evenwel overwogen dat deze brief niet kan worden aangemerkt als ‘een eenduidig en onbetwist verslag’ van het werkplekbezoek van partijen. Op deze brief van 12 maart 2010 hebben de onderzoekers zich voor hun beschrijving van het werk daarom terecht niet gebaseerd. Sorgdrager en Kuijer hebben zich bij de beschrijving van de werkzaamheden en de beoordeling van de daarin gelegen risicofactoren verlaten op hetgeen [eiser] hen daarover heeft meegedeeld, op de in februari 1996 opgemaakte RI&E, op de verstrekte videobeelden en hetgeen het personeelsblad van Begeer in december 1997 meldde over de productie van 9.500 briefopeners. De kantonrechter oordeelt dat aan deze bronnen onvoldoende feiten en omstandigheden zijn te ontlenen die de conclusie rechtvaardigen dat [eiser] indertijd heeft blootgestaan aan repeterende ‘bewegingen van de elleboog en pols (-) gedurende minimaal vier uur per dag.’ Uit de van het werkplekbezoek in 2010 gemaakte video-opname valt dat reeds hierom niet op te maken, omdat het slechts een korte momentopname betreft, die geen inzicht geeft in de frequentie en duur van het polijstwerk dat [eiser] in 1996/1997 heeft verricht. De op 27 augustus 2013 eveneens ter griffie gedeponeerde dvd met een opname van het in 1997 uitgezonden televisieprogramma ‘Goeie zaken’ kan hier buiten beschouwing blijven, omdat dit volgens [eiser] betrekking heeft op de productie van Elfstedenkruisjes in 1997, ‘slechts een indicatie van het werk en de werkomstandigheden’ geeft en omdat de beelden een onjuist beeld zouden geven van het tempo waarin de kruisjes moesten worden gepolijst. Ook de RI&E van februari 1996 biedt onvoldoende grondslag voor de door de onderzoekers getrokken conclusie over de aan het werk verbonden gezondheidsrisico’s. Waar het de slijp/polijstafdeling betreft, zijn de gesignaleerde knelpunten qua fysieke belasting gelegen in drie factoren, te weten: ‘slecht zitmeubilair’, ‘gebogen en statische werkhouding (nek/rug)’ en ‘vaak fysiek zwaar’, reden waarom de arbodienst adviseerde om ‘voorlichting over werkhoudingen’ te geven en ‘werkplekken op basis van ergonomisch onderzoek (te) verbeteren.’ Hieruit volgt niet dat bij het polijstwerk hoogfrequent repeterende arm- en polsbewegingen een gezondheidsrisico vormden. Blijkens de RI&E speelden ‘pols- en onderarmbelasting’ alleen een rol bij het werk op de gereedschapmakerij en bij de patinage, werkzaamheden waarvan niet is gesteld of gebleken dat [eiser] daar substantieel bij betrokken is geweest.
4.7.
Uit het bovenstaande leidt de kantonrechter af dat Sorgdrager en Kuijer zich bij hun beschrijving van de werkzaamheden uitsluitend of hoofdzakelijk hebben laten leiden door de door [eiser] verstrekte informatie over de duur van de fysieke belasting en over de werkdruk waaronder hij zou hebben gewerkt. Deze informatie hebben de onderzoekers onvoldoende onbevangen voor volledig en juist gehouden. Van hun werkbeschrijving kan in dit geding niet worden uitgegaan, omdat onderzoekers ten onrechte, zonder enige kwantitatieve onderbouwing van de duur van de blootstelling aan relevante risicofactoren, hebben aangenomen dat [eiser] gedurende vijf dagen per week gemiddeld acht uur per dag aan de polijstmachine heeft gewerkt. Miskend is dat hij door Begeer juist afwisselend werd ingezet op alle voorkomende productiewerkzaamheden en dus ook taken heeft verricht die niet of veel minder armbelastend waren, zoals het monteerwerk en de werkzaamheden in het kader van de kwaliteitscontrole. Volgens de toenmalige leidinggevende van [eiser], de heer [C], behoorde ook het vervoer van materialen naar de keurkamer in Gouda tot zijn taak. Ter comparitie heeft [eiser] nog verklaard dat hij ook verantwoordelijk was voor de reparatie van machines.
4.8. Weliswaar kan op grond van de voorhanden informatie niet worden uitgesloten dat [eiser] bij piekdrukte een tijdlang gemiddeld meer dan vier uur per dag heeft moeten polijsten, maar er is geen reden om te veronderstellen dat die situatie representatief was voor het werk dat [eiser] van eind november 1996 tot begin oktober 1997 voor Begeer heeft verricht. Ter adstructie van zijn stelling omtrent de hoge werkdruk heeft hij slechts verwezen naar de piek rond de vervaardiging van de Elfstedenkruisjes en de medailles voor andere schaatstochten, en naar de productie van 9.500 briefopeners in het najaar van 1997. Dat hij in of na afloop van de winter 1996/1997 al last had van zijn rechterarm heeft [eiser] echter niet gesteld. Ook is niet gebleken van armklachten in de kennelijk minder hectische periode van april tot in september 1997. Blijkbaar waren de begin oktober 1997 plotseling optredende pijnklachten een reactie op de gedurende de daaraan voorafgegane drie weken onder tijdsdruk verrichte werkzaamheden bij de productie van genoemde briefopeners.

4.9. Het moge zo zijn dat [eiser] in de drie weken voorafgaande aan zijn uitval op 8 oktober 1997 kan zijn blootgesteld aan overbelastend polijstwerk bij de productie van een grote hoeveelheid briefopeners, en dat daaruit het ontstaan van zijn armklachten is te verklaren, maar daarmee staat geenszins vast dat de ook na het staken van de (armbelastende) werkzaamheden voor Begeer voort-durende armklachten in (oorzakelijk) verband staan met die kortdurende piekbelasting. Sorgdrager en Kuijer hebben geconcludeerd dat overbelasting het optreden van de pijnklachten kan verklaren, maar dat het voortbestaan van de klachten multifactorieel is. Als mogelijke, de klachten in stand houdende factoren, noemden zij ‘slepende juridische procedures, gebrek aan perspectief op herstel, niet succesvolle behandelingen, en verlies van werk’, derhalve omstandigheden die niet aan Begeer zijn toe te rekenen. Ook neuroloog [B] heeft zich over de mogelijke werkgerelateerdheid van het uitblijven van klachtvermindering uiterst kritisch betoond. Hij wees erop dat klachten in het bewegingsapparaat na overbelasting normaliter bij rust verdwijnen en dat in het geval van [eiser] vanuit neurologisch opzicht niet is te verklaren waarom de klachten zijn blijven voortbestaan.

4.10. Op grond van het voorgaande is niet komen vast te staan dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Begeer is blootgesteld aan zodanige fysiek belastende arbeidsomstandigheden dat zijn voortdurende en chronisch geworden armklachten daardoor zijn veroorzaakt. Voor zijn stelling bieden de bevindingen van Sorgdrager en Kuijer onvoldoende steun en is hun rapportage onvoldoende concludent. Vervolgens rijst de vraag of [eiser] kan profiteren van de in de rechtspraak, ter verlichting van de op hem rustende bewijslast, ontwikkelde regel. Deze regel houdt in dat wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, het door hem te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel moet worden aangenomen, indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt (HR 17 november 2000 NJ 2001/596, Unilever/[naam], HR 23 juni 2006 NJ 2006/354, [naam]/Luyckx, en HR 9 januari 2009 NJ 2011/252, [naam]/BAM). Deze in de rechtspraak ontwikkelde regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden kan worden gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dat vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Verwezen wordt naar HR 7 juni 2013 (JAR 2013/177). De kantonrechter oordeelt op grond van hetgeen hierboven is overwogen dat bedoeld verband in dit geval te onzeker en te onbepaald is, wat toepassing van genoemde regel verhindert.

4.11. Daar komt bij dat, wanneer aan een werkgever wordt verweten dat hij is tekortgeschoten in de verplichting om adequate maatregelen te nemen om te voorkómen dat zijn werknemer als RSI te duiden gezondheidsschade oploopt, maar wettelijke voorschriften die aan de werkgever specifieke verplichtingen opleggen (zoals bijvoorbeeld bij beeldschermwerk het geval is) ontbreken, de vraag rijst welke preventieve maatregelen de werkgever redelijkerwijs ter bescherming van de werknemer had kunnen en moeten nemen. De Gezondheidsraad heeft bij rapport van 27 november 2000 (publicatienummer 2000/22) geoordeeld dat de toenmalige stand van de wetenschap nog niet toereikend was om tot het stellen van normen te kunnen komen. Daarin is sindsdien, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, geen wezenlijke verandering gekomen (vgl. de conclusie van Advocaat-Generaal Spier voor HR 7 juni 2013 JAR 2013/177). Waar in voorkomende gevallen een redelijke uitkomst van een geschil als het onderhavige kan worden bereikt door op grond van ongeschreven recht aan te nemen dat van de werkgever mag worden verlangd dat hij een werknemer die bij zijn werk hoogfrequent repeterende bewegingen moet uitvoeren gelegenheid geeft om zijn werkzaamheden te onderbreken met rustperiodes en om deze werkzaamheden af te wisselen met andersoortig werk dat niet met dezelfde belasting gepaard gaat, kan dat [eiser] niet baten. Vast staat dat hij door Begeer bij alle voorkomende productiewerkzaamheden werd ingezet, dat tot zijn taken ook werkzaamheden behoorden die geen gevaar op RSI opleverden, en dat – zoals [eiser] ter comparitie heeft beaamd – in de regel sprake was van afwisselend werk. Het gaat in algemene zin te ver om van een werkgever te verlangen dat hij ook bij piekdrukte van betrekkelijk korte duur zijn personeel geen fysiek zwaar belastende arbeid opdraagt. Dat Begeer [eiser] stelselmatig aan overbelasting heeft blootgesteld, is niet komen vast te staan. Dat [eiser] gedurende de piekdrukte in de winter van 1996/1997 en bij die in het najaar van 1997 (ten tijde van de productie van briefopeners) niet voldoende rust heeft kunnen nemen, is gesteld noch gebleken.

4.12. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering niet toewijsbaar is. [eiser] wordt, als de in het ngelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van Begeer en Reaal tot dit vonnis begroot op € 1.500,–. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 september 2012 (zaaknummer 713852 UE VERZ 10-1169) is [eiser] reeds veroordeeld tot betaling van de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek, zodat deze kosten in dit vonnis buiten beschouwing blijven. Op vordering van gedaagden wordt de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Begeer en Reaal, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.500,– aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2014.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots