Rb: psychiatrisch rapport is bindend uitgangspunt voor schaderegeling, verzoek om aanvullende vragen afgewezen

Samenvatting:

Benadeelde glijdt in 2013 op 12-jarige leeftijd met fiets uit op klep van veerpont en loopt barstwond op het voorhoofd en een licht trauma capitis op. Nadien wordt dysthyme stoornis vastgesteld. Ter vaststelling causaal verband is op gezamenlijk verzoek expertise verricht door psychiater; deze acht alles afwegend causaal verband aannemelijk. Benadeelde verzoekt de rechtbank te bepalen dat de uitkomsten van het rapport als bindend uitgangspunt hebben te gelden bij de afwikkeling van de letselschade. Verzekeraar heeft kritiek op het rapport (pre-existentie onvoldoende onderzocht, latere mishandeling onvoldoende meegenomen) en doet tegenverzoek tot stellen van aanvullende en tot overleggen van aanvullende medische informatie. De rechtbank wijst het tegenverzoek van verzekeraar af. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat onvoldoende aanleiding om benadeelde te bevelen mee te werken aan het stellen van een nadere vraag. De psychiater heeft het bestaan van oorzakelijk verband tussen de val en haar toen aanwezige psychische problematiek de meest aannemelijke optie gevonden en daarmee dus aannemelijk geacht, en dus niet onzeker, zoals verzekeraar veronderstelt. Deze beoordeling van de psychiater volstaat.

 

 

ECLI:NL:RBROT:2020:12150

 

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

23-12-2020

Datum publicatie

26-02-2021

Zaaknummer

C/10/596431 / HA RK 20-415

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Letselschade. Gebondenheid aan uitkomsten van een op gezamenlijk verzoek uitgevoerde expertise van psychiater. Causaal verband. Afwijzing tegenverzoeken mbt stellen van aanvullende vragen en overlegging van aanvullende medische informatie.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

 

Team handel en haven

 

zaaknummer / rekestnummer: C/10/596431 / HA RK 20-415

 

Beschikking van 23 december 2020

 

in de zaak van

 

[naam verzoekster] ,

 

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

 

verzoekster,

 

advocaat mr. F.J. van Benthem te Etten-Leur,

 

tegen

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

CONNEXXION WATER B.V.,

 

gevestigd te Hilversum,

 

  1. de naamloze vennootschap

 

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

 

gevestigd te Rotterdam,

 

verweersters,

 

advocaat mr. A.N.L. de Hoogh te Utrecht.

 

Partijen zullen hierna [naam verzoekster] , Connexxion en HDI-Gerling genoemd worden. Verweersters tezamen zullen ook als HDI c.s. worden aangeduid.

  1. De procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

het verzoekschrift met producties,

 

het verweerschrift met producties, tevens inhoudende zelfstandig tegenverzoek,

 

de aanvullende producties van [naam verzoekster] , toegezonden bij brief van 21 augustus 2020,

 

de brief van mr. De Hoogh van 7 september 2020 met zijn reactie op de door [naam verzoekster] opgegeven kosten van het deelgeschil,

 

de pleitnota van [naam verzoekster] met addendum,

 

de mondelinge behandeling op 7 september 2020,

 

de brief van mr. De Hoogh voornoemd van 21 oktober 2020, waarbij namens partijen gezamenlijk wordt verzocht om een beschikking te wijzen.

 

  1. De feiten

2.1.

 

Op 6 november 2013 is [naam verzoekster] – toen 12 jaar oud – met haar fiets uitgegleden op de oprijdklep van de veerpont Maassluis-Rozenburg van Connexxion en daarbij ten val gekomen. Zij viel met haar gezicht tegen een ijzeren installatie van de veerpont. Daardoor heeft [naam verzoekster] gebitsschade, een hersenschudding, een scheef staande neus en wonden in het gezicht, die moesten worden gehecht, opgelopen.

2.2.

 

HDI c.s. hebben aansprakelijkheid erkend voor de in redelijkheid aan het ongeval toe te rekenen schade. HDI-Gerling is de AVB-verzekeraar van Connexxion.

2.3.

 

[naam verzoekster] heeft op de dag van het ongeval de SEH van het Erasmus MC bezocht, waar men, behalve een barstwond op het voorhoofd, een licht trauma capitis heeft vastgesteld. [naam verzoekster] is vervolgens onder behandeling gekomen van een kinderneuroloog, die eind december 2013 en begin 2014 in een verslag van haar bevindingen vermeldt dat [naam verzoekster] nog last heeft van een brandvormige hoofdpijn en van slaapproblemen. Vanwege postcommotionele klachten is [naam verzoekster] doorverwezen naar de polikliniek aangeboren hersenletsel van de revalidatie-instelling Rijndam, waar zij is gezien door een revalidatiearts en een GZ-psycholoog. In die periode is [naam verzoekster] neuropsychologisch onderzocht. In een neuropsychologisch rapport van begin 2014 is aangetekend dat het onderzoek geen aanwijzingen heeft gegeven voor “restverschijnselen in het cognitief functioneren na de commotio” en dat de “klachten gerelateerd aan de commotio lijken verdwenen”. Door de revalidatiearts wordt in september 2014 geschreven dat [naam verzoekster] nog wat aspecifieke rugklachten heeft, dat haar klachten gerelateerd aan de hersenschudding lijken te zijn verdwenen en dat [naam verzoekster] nog wel wat klaagt over hoofdpijn.

2.4.

 

[naam verzoekster] heeft het eerste schooljaar havo met goed gevolg afgelegd. Vanaf het tweede schooljaar (vanaf september 2014) is het echter slechter met [naam verzoekster] gegaan. Vanaf toen haalde zij voornamelijk onvoldoendes.

2.5.

 

In 2015 is [naam verzoekster] op aanwijzing van Rijndam Revalidatie onder behandeling gekomen van een orthopedagoog werkzaam in de praktijk voor ondersteuning en begeleiding “De Kinderbrigade”. In een brief van eind december 2015 meldt deze orthopedagoog dat [naam verzoekster] wordt begeleid bij haar functioneren op school en dat [naam verzoekster] nog verschillende problemen heeft, zoals beperkte concentratie bij het leren, verzuim als gevolg van vermoeidheidsklachten door een verstoord dag-nachtritme, pieken en dalen in stemming en energie.

2.6.

 

Het probleem met dag-nachtritme dat bij [naam verzoekster] sinds het ongeval heeft bestaan, is een reden geweest om [naam verzoekster] te laten onderzoeken door een kinderpsychiater van het Erasmus MC. Deze kinderpsychiater vermeldt in een verslag van 6 mei 2016 over [naam verzoekster] (die daarin als [naam verzoekster] wordt aangeduid), voor zover hier van belang:

 

“(…)

 

De diagnose dysthyme stoornis die uit het gestructureerd interview op angst- en stemmingsstoornissen (ADIS) naar voren kwam, wordt gesteld. Etiologisch gezien lijkt dysthymie vooral als gevolg van de andere problemen te zijn ontstaan. [naam verzoekster] ervaart dusdanig veel onzekerheid ten aanzien van het sociaal functioneren van zichzelf, welke ook al op kinderleeftijd in enige mate aanwezig was, en wordt gediagnosticeerd als sociale fobie, ondersteund door de uitkomsten van de ADIS. Op sociaal gedragsmatig vlak is er sprake van terugtrekken uit contacten: (…)

 

(…)

 

Concluderend wordt een 14;6-jarig gemiddeld intelligent meisje gezien met momenteel op de voorgrond een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, gezien het disfunctioneren op de terreinen van emotieregulatie, impulsregulatie, zelfbeeld, coping en sociaal vlak. [naam verzoekster] is wat betreft haar karakter kwetsbaar door haar (sociale) onzekerheid en neigen tot passiviteit/vermijding bij problemen. Het lijkt dat zij als gevolg van de val op haar hoofd, ontregeld is geraakt en door haar kwetsbaarheden onvoldoende in staat was haar leven weer op de rit te krijgen. Als gevolg hiervan werd het disfunctioneren steeds groter, raakte zij steeds verder vervreemd van haar omgeving en haar zelfbeeld steeds negatiever. Haar stemming werd somber en angsten werden steeds groter. De diagnose sociale fobie wordt gesteld, hoewel uit procesdiagnostiek mogelijk zal blijken dat het te kaderen valt binnen de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, evenals de dysthyme stoornis. (…) De klachten zijn oorspronkelijk begonnen bij de val op haar hoofd. Volgens de DSM-5 worden de classificaties als volgt benoemd: 294.9 ongespecificeerde psychische stoornis door een somatische aandoening, 300.23 sociale-angststoornis, 300.4 persisterende depressieve stoornis (…)”

2.7.

 

Vanaf 27 september 2016 hebben de medisch adviseurs van [naam verzoekster] en HDI-Gerling gediscussieerd over het laten uitvoeren van een expertise door een psychiater om, kort samengevat, vast te laten stellen of het ziektebeeld en de klachten van [naam verzoekster] kunnen worden beschouwd als een gevolg van het ongeval van 6 november 2013.

2.8.

 

Op 19 april 2017 is [naam verzoekster] een geweldsincident overkomen waarbij medeleerlingen haar hebben geslagen en geschopt. Een aantal van deze medeleerlingen is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. [naam verzoekster] is daarna in haar functioneren teruggevallen. Zij is tijdelijk opgenomen geweest in een GGZ-instelling. Begin 2018 heeft [naam verzoekster] een suïcidepoging gedaan.

2.9.

 

Uiteindelijk hebben de medisch adviseurs van partijen op 9 februari 2018 in gezamenlijk overleg een psychiatrische expertise van [naam 1] aangevraagd met het doel als hiervoor vermeld. De daarbij aan deze deskundige voorgelegde vraagstelling en de toegezonden bijlagen zijn vooraf tussen de medisch adviseurs van partijen afgestemd. Het conceptrapport van [naam 1] is aan de medisch adviseurs van partijen toegezonden. Naar aanleiding daarvan heeft noch de medisch adviseur van [naam verzoekster] noch de medisch adviseur van HDI c.s. opmerkingen of vragen aan de deskundige gesteld.

2.10.

 

Op 5 november 2018 heeft de [naam 1] zijn definitief rapport uitgebracht. Daarin schrijft hij – voor zover hier van belang – :

 

“ Bespreking:

 

Wat is relevant vanuit het dossier?

 

(…)

 

Voor wat betreft de mogelijke lichamelijke gevolgen van het aan betrokkene overkomen ongeval baseer ik mij op berichten uit de behandelende sector. De chirurg [naam 2] meldt op 14 februari 2014. dat zij op 6 november 2013 de SEH van het Erasmus MC heeft bezocht na een val op het hoofd. Men heeft toen, behalve een barstwond op het voorhoofd, een licht trauma capitis vastgesteld.

 

De kinderneurologe [naam 3] doet verslag van haar bevindingen op 30 december 2013. 18 januari 2014, 5 februari 2014 en 12 februari 2014. De laatste twee brieven zijn identiek. De behandelend neurologe vermeldt daarin dat betrokkene nog last heeft van een bandvormige hoofdpijn en van slaapproblemen. Zij is vanwege postcommotionele klachten doorverwezen naar de polikliniek niet aangeboren hersenletsel van de revalidatie-instelling Rijndam.

 

De kinderrevalidatiearts [naam 4] doet op 7 februari 2014, dat wil zeggen ongeveer twee maanden na het ongeval, verslag van betrokkene’s eerste polibezoek aan deze instelling. Zij concludeert voorlopig tot “aanwijzingen voor traumatisch hersenletsel met milde cognitieve stoornissen en gedragsverandering. De hoofdpijn hangt mogelijk samen met overbelasting/ overprikkeling maar er zijn mogelijk ook aanwijzingen voor een verhoogde intracraniële druk”. Een vervolgbrief vanuit Rijndam van 5 september 2014 (waarin de naam van de behandelend revalidatiearts nu niet wordt genoemd), blijkt echter aanmerkelijk gunstiger te zijn. Er is een neuropsychologisch onderzoek verricht, dat geen aanwijzingen heeft gegeven voor “restverschijnselen in het cognitief functioneren na de commotio”. De “klachten gerelateerd aan de commotio lijken verdwenen”. Het genoemde neuropsvchologisch rapport zelf bevindt zich ook in het dossier. Het onderzoek is op 31 januari 2014 verricht door de psychologe [naam 5] en maakt op mij een zorgvuldige indruk.

 

In een niet ondertekende brief van 5 september 2014 schrijft de behandelende revalidatiearts, dat betrokkene nog wat aspecifieke rugklachten heeft, maar “de klachten gerelateerd aan de commotio lijken verdwenen”. Wel klaagt betrokkene nog wat over hoofdpijn, maar daarover wordt zij gerustgesteld.

 

(…)

 

Na deze relatief positieve berichten meldt de orthopedagoge [naam 6] op 28 december 2015 vanuit de KinderBrigade, dat betrokkene wordt begeleid hij haar functioneren op school. In deze brief worden verschillende problemen genoemd, zoals een beperkte concentratie bij het leren, verzuim als gevolg van vermoeidheidsklachten door een verstoord dag-nachtritme, en pieken en dalen in stemming en energie. Het blijkt niet gemakkelijk te zijn om een onderscheid te maken tussen ongevalsgevolgen en pubergedrag. Op 23 maart 2016 schrijft [naam 6] een brief met vrijwel gelijke tekst. Ze duidt zichzelf dan aan als “specialist NAH begeleiding”. Ze meldt nogmaals het moeilijk te vinden om van de in deze brief herhaalde problemen aan te geven, wat moet worden toegeschreven aan niet aangeboren hersenletsel en wat het gevolg is van “aangeleerde hulpeloosheid”. Er is volgens haar in ieder geval meer hulp nodig, zeker ook omdat betrokkene weer is teruggevallen in haar verkeerde dag en nachtpatroon.

 

Het probleem met het dag-nachtritme dat kennelijk sinds het ongeval heeft bestaan, is een reden geweest waarom betrokkene tijdens haar revalidatie in consult is gezien door een kinderpsychiater van het Erasmus MC [naam 7] . Deze schrijft op 29 januari 2016 dat langdurige bed rust na het ongeval heeft geleid tot vermijding van school en sociale contacten, waarbij betrokkene haar daginvulling kwijtraakte en het dag-nachtritme omkeerde. Ze zal daardoor in de tweede klas blijven zitten. In emotioneel opzicht is ze faalangstig, vooral ten aanzien van spreken in het openbaar. Ook vermijdt ze kleine of drukke ruimtes en heeft ze een neiging tot piekeren. Tijdens de revalidatie is de stemming wel verbeterd, zodat niet van een echte depressie kan worden gesproken. De diagnose wordt gesteld op een ongedifferentieerde somatoforme stoornis.

 

Op 6 mei 2016 doet de kinderpsychiater [naam 7] uitgebreid verslag van de behandeling op de polikliniek kinder- en jeugdpsychiatrie van het Erasmus MC in het voorjaar van 2016. Concluderend wordt betrokkene een “gemiddeld intelligent meisje” genoemd, “met een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, gezien het disfunctioneren op de terreinen van emotieregulatie, impulsregulatie, zelf beeld, coping en problemen op sociaal vlak”. Ze is “wat betreft haar karakter kwetsbaar door haar (sociale) onzekerheid en neigen tot passiviteit/vermijding bij problemen. Het lijkt dat zij als gevolg van de val op haar hoofd ontregeld is geraakt en door haar kwetsbaarheden onvoldoende in staat was haar leven weer op de rit te krijgen. Als gevolg hiervan werd het disfunctioneren steeds groter, raakte zij steeds verder vervreemd van haar omgeving en werd haar zelfbeeld steeds negatiever. Haar stemming werd somber en angsten werden groter”. Vervolgens wordt gesteld dat er in betrokkene’s persoonlijkheidsontwikkeling kenmerken van een borderline hem een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis opvallen. De volgende DSM-5 classificaties worden genoemd: ongespecificeerde psychische stoornis door een somatische aandoening, sociale angststoornis en persisterende depressieve stoornis. (…)

 

Wat vind ik zelf bij huidig onderzoek?

 

(…)

 

Ten tijde van mijn onderzoek lijkt er wel een verbetering te zijn, omdat de Voorlopige Machtiging inmiddels is opgeheven en betrokkene niet meer is opgenomen. Ze heeft nu wekelijkse gesprekken met een psycholoog en krijgt via de GGZ begeleiding aan huis. Ze woont nu bij haar ouders. Ze heeft volgens haar eigen verhaal normale contacten met leeftijdsgenoten, maar heeft verder weinig activiteiten. Het slaappatroon is nog steeds niet normaal. Tijdens mijn onderzoek lijkt betrokkene’s stemming echter wel weer normaal. Zij vertelt ook zelf dat het subjectief redelijk met haar gaat, zolang zij zich maar niet onder druk gezet voelt.

 

De vraag is dus hoe dit alles moet worden geïnterpreteerd, niet alleen in diagnostische zin maar ook in relatie tot het ongeval in 2013. Wat het eerste betreft lijkt het mij dat betrokkene’s psychische klachten en het beloop daarvan het beste passen bij een dysthyme (c.q. persisterende depressieve) stoornis. De DSM-5 hanteert daarvoor de volgende criteria: A. Een sombere stemming gedurende het grootste deel van de dag of de meeste dagen van de week, gedurende tenminste twee jaren. Bij adolescenten kan ook sprake zijn van prikkelbaarheid en moet de duur minstens één jaar zijn. B. Hierbij moeten twee of meer van de volgende klachten aanwezig zijn: 1) problemen met eten, 2) problemen met slapen, 3) vermoeidheid of gebrek aan energie. 4) negatief zelfgevoel. 5) problemen met concentratie of met het nemen van beslissingen, en 6) gevoelens van hopeloosheid. Behalve de problemen met eten zijn de overige klachten goed herkenbaar in betrokkene’s verhaal. Deze classificatie lijkt mij dan ook in haar geval op zijn plaats te zijn. Of ook van een sociale angststoornis moet worden gesproken (zoals dat door behandelaars is gedaan) betwijfel ik echter. In ieder geval stel ik nu vast dat betrokkene kennelijk redelijk normale sociale contacten heeft met althans haar leeftijdsgenoten, en dat zij daar ook plezier aan beleeft. Faalangstig lijkt ze wel te zijn, zoals dat blijkt uit de herhaalde verzekering dat ze niet onder druk moet worden gezet. Dat kan echter goed passen hij een negatief zelfgevoel als aspect van de dysthyme stoornis.

 

(…)

 

Ik heb geen aanwijzingen gezien dat het ongeval zelf of de latere mishandeling door leeftijdgenoten bij betrokkene tot klachten van een posttraumatische stressstoornis hebben geleid.

 

Samenvattend kan betrokkene’s klachtenpatroon in combinatie met haar gedrag mijns inziens dus beste worden geclassificeerd als een dysthyme stoornis. Daarbij moet dan worden aangetekend dat die gepaard gaat met gevoelens van emotionele distantie en secundaire automutilatie. Een ontregeld slaappatroon speelt een belangrijke rol.

 

De volgende vraag is dan of deze dysthyme stoornis is veroorzaakt door het ongeval op 6 november 2013. In ieder geval is er geen rechtstreeks causaal verband, in die zin dat een val op het hoofd regelmatig zou uitmonden in een toestand als van betrokkene. Individuele factoren moeten dus wel een rol spelen. De kinderpsychiater [naam 7] heeft gepoogd de ontwikkeling van betrokkene’s ziektebeeld te reconstrueren. Ik heb dat hierboven aangehaald. Dan nog blijft het een probleem dat een dysthyme stoornis en automutilatie ook bij adolescenten kunnen voorkomen, die in het geheel geen hoofdletsel hebben opgelopen. Bovendien is betrokkene’s hersenschudding genezen zonder stoornissen in cerebrale functies achter te laten. (…)

 

Dit betekent dat er dus een psychologische verklaring zou moeten zijn voor een verband tussen de val in 2013 en de daaropvolgende psychische ontregeling. Voor zo’n verklaring kunnen wel een aantal opties worden overwogen. In de eerste plaats is betrokkene aanvankelijk geconfronteerd geweest met nogal alarmerende uitspraken door artsen. Zo is aanvankelijk zelfs een verhoogde intracraniële druk verondersteld. De term “niet-aangeboren hersenletsel (NAH)” is bij herhaling gebezigd, ook nadat met een neuropsychologisch onderzoek was aangetoond dat daarvan geen sprake was. Dat kan voor betrokkene (en haar ouders) uiteraard verwarrend zijn geweest en onrust hebben veroorzaakt.

 

Een ander aspect betreft het probleem dat betrokkene kennelijk heeft met het ervaren van druk. Ze vertelt zelf dat ze voor het ongeluk geneigd was zichzelf onder druk te zetten door bijvoorbeeld te concurreren met een vriendin, die later naar het gymnasium is gegaan. Nu vaststaat dat betrokkene ook zonder hersenschade een gemiddelde intelligentie heeft, zou zij een dergelijke concurrentie hebben moeten verliezen. Het krijgen van een hersenschudding biedt dan een mogelijkheid van een externe attributie daarvan. Uiteraard betreft dat een onbewust proces, maar de invloed daarvan kan niettemin groot zijn. Het is heel wel mogelijk dat zo’n vicieuze cirkel op gang komt, waarbij een bepaald ziektegedrag (met in begrip van een omgekeerd dag-nachtritme) het zelfgevoel beschermt, terwijl dat vervolgens tegelijkertijd de oorzaak is van een verder achterop raken. Omdat daaruit geen uitweg mogelijk is, is een escalatie te verwachten. Daarbij zou ook kunnen passen dat betrokkene volgens haar behandelaars aanvankelijk leek te zijn opgeknapt, maar dat zij door haar slaapstoornis toch niet aan de daarbij horende verwachtingen kon voldoen. Dat zij zichzelf daarbij teleurstelde kan de sombere gevoelens, de teleurstelling in zichzelf, het ervaren van emotionele leegte, het zichzelf beschadigen en het doen van een suïcidepoging als opeenvolgende stappen van verergering op gang hebben gebracht.

 

Dit alles betreft een redelijke hypothese, die niet zonder meer “objectief” bewijsbaar is. Ik zie echter niet direct een alternatief hiervoor. Zo’n alternatief is ook door betrokkene’s behandelaars niet aangedragen.

 

Niettemin zou men zich kunnen afvragen of een dergelijke ontwikkeling niet op gang had kunnen komen zonder het ongeval in 2013 als uitlokkend incident. Dat dit helemaal zonder enige aanleiding het geval zou zijn geweest, lijkt mij echter niet zo waarschijnlijk. Wel zou een andere gebeurtenissen zoals bijvoorbeeld een ziekte een vergelijkbaar resultaat teweeg hebben kunnen brengen. In ieder geval heb ik geen aanwijzingen dat betrokkene ook al vóór 2013 disfunctioneerde. Van enige vorm van hulpverlening is, voor zover na te gaan, geen sprake geweest. De val op de veerpont met de daaruit voortvloeiende medische bemoeienis moet ook een heftige ervaring geweest, die als een soort cesuur kan hebben gefunctioneerd. Het valt zeker niet uit te sluiten dat betrokkene op een meer constructieve manier met eventuele beperkingen had kunnen omgaan wanneer dit ongeval niet was gebeurd.

 

Voor zover een neiging oorzaken buiten zichzelf te zoeken en een niet-productieve manier van coping de verwerking van het ongeluk heeft bemoeilijkt, kan dat op zichzelf niet als pre-existente ziekte worden beschouwd. Het gaat dan meer om een hoedanigheid van betrokkene, waarin zij zal moeten worden genomen zoals hij op het moment van het ongeval nu eenmaal was.

 

Samenvattend is een echt “harde” uitspraak over een causaal verband tussen betrokkene’s huidige psychische toestand en het ongeval in geding niet mogelijk. Alles afwegend lijkt zo’n verband mij echter wel de meest aannemelijke optie.

 

(…)

 

Naar mijn indruk komen mijn bevindingen redelijk overeen met die van de behandelend kinderpsychiater [naam 7] . Ik heb hierboven al toegelicht waarom ik de diagnose van een sociale angststoornis niet onderschrijf. Ook in de diagnose van een “ongespecificeerde psychische stoornis door een somatische aandoening” kan ik mij niet goed vinden. Ik neem aan dat met de “somatische aandoening” wordt verwezen naar de commotio cerebri. Aangezien echter vaststaat dat deze zonder functieverlies is genezen, lijkt de genoemde classificatie mij niet terecht.

 

Op grond van bovenstaande bevindingen en overwegingen kom ik tot de volgende beantwoording van de vraagstelling:

 

Vraag 1. DE SITUATIE MET ONGEV4L

 

(…)

 

Medische gegevens

 

(…)

 

Voor de bedoelde dossiergegevens verwijs ik naar mijn overzicht daarvan hierboven.

 

(…)

 

Diagnose

 

(…)

 

Om redenen die ik hierboven heb toegelicht concludeer ik bij betrokkene tot een dysthyme c.q. persisterende depressieve stoornis (DSM-5: 300.4), met als niet classificeerbare bijzonderheden emotionele dissociatie en automutilatie. (…)

 

Medische eindsituatie

 

(…)

 

Betrokkene is nog zo jong, dat zeker niet van een definitieve eindtoestand kan worden gesproken. Ik kan aan de andere kant niet te voorspellen hoeveel tijd er met verdere verbetering gemoeid zal zijn, terwijl ik eventuele verslechtering ook niet zeker kan uitsluiten. Ik geef partijen wel in overweging dat het langdurig openhouden van deze procedure een negatief effect op verder herstel zou kunnen hebben.

 

(…)

 

Vraag 2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

 

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongevaI

 

(…)

 

Ik heb geen aanwijzingen dat betrokkene haar huidige klachten ook al voor het ongeval op 6 november 2013 had.

 

(…)

 

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

 

(…)

 

Naast betrokkene’s huidige klachten en afwijkingen op mijn vakgebied, zie ik geen relevante andere klachten en afwijkingen.” .

2.11.

 

Op 8 januari 2019 heeft de belangenbehartiger van [naam verzoekster] aan de belangenbehartiger van HDI c.s. om een definitief standpunt met betrekking tot het causaal verband gevraagd. Na een aantal herinneringen heeft de advocaat van HDI c.s. op 1 augustus 2019 aan de belangenbehartiger van [naam verzoekster] medegedeeld dat HDI is overgestapt naar een andere medisch adviseur en heeft zij om overlegging van medische informatie verzocht.

2.12.

 

Bij brief van 8 oktober 2019 heeft de advocaat van HDI het rapport van [naam 1] bekritiseerd en gesteld dat er aanvullende vragen gesteld moeten worden. Bij deze brief is een medisch advies gevoegd van [naam 8] van 13 september 2019.

2.13.

 

Het medisch advies van [naam 8] van 1 juli 2020 vermeldt – voor zover hier van belang –:

 

“Vraagstelling

 

Door KBS Advocaten B.V. is mij gevraagd aanvullend te adviseren ten aanzien van de volgende twee vragen :

 

– Wat valt in het medisch dossier te vinden over pre-existente slaapproblemen bij betrokkene?

 

(…) Hierna volgt een samenvatting van de voor de beantwoording van deze vragen relevante informatie, zoals ik die bij herlezing van het volledig beschikbare medisch dossier vond.

 

(…) 20-12-2013:brief van [naam 3] , kinderneuroloog, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam

 

Verslag van eerste bezoek aan de polikliniek Kinderneurologie op 20 december 2013, ter controle na een als licht traumatisch beschreven schedelhersenletsel op 6 november 2013 na een val met de fiets. Betrokkene vertelde door de hoofdpijn slecht te slapen, maar zei tegelijkertijd dat ze altijd al een slechte slaper was, maar nu slaapt ze pas na middernacht.

 

(…)

 

03-01-2014: brief van [naam 4] , kinderrevalidatiearts, Rijndam Revalidatie, Rotterdam

 

De afgenomen anamnese meldt onder andere dat betrokkene niet weet of ze meer vermoeid is dan voorheen. Betrokkene meldt altijd al moeite met het slapen te hebben gehad, maar dat gaat nu extra lastig. Ze slaapt vervolgens langer dan normaal en moet gewekt worden.(…)”

  1. Het geschil

3.1.

 

[naam verzoekster] verzoekt de rechtbank bij beschikking te bepalen dat:

 

  1. de uitkomsten van de expertise van [naam 1] van 5 november 2018 als bindend uitgangspunt hebben te gelden tussen partijen bij de verdere afwikkeling van de schade van [naam verzoekster] ;

 

  1. uit het rapport van [naam 1] van 5 november 2018 volgt dat er een causaal verband bestaat tussen het ongeval van 6 november 2013 en de klachten en beperkingen van [naam verzoekster] zoals genoemd onder “V De door [naam 1] vastgestelde klachten en beperkingen” in het verzoekschrift;

 

III. HDI gehouden is de schadeafwikkeling voortvarend te vervolgen;

 

  1. de kosten van deze procedure op grond van artikel 6:96 BW dienen te worden vastgesteld conform de opgave van de advocaat van [naam verzoekster] , althans een nader in goede justitie te bepalen bedrag alsmede dat verweerster gehouden is tot betaling van deze kosten, met veroordeling van HDI tot betaling van dit bedrag over te gaan binnen 14 dagen na het wijzen van de onderhavige beschikking.

3.2.

 

HDI c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [naam verzoekster] in haar verzoeken, met veroordeling van [naam verzoekster] in de kosten van de procedure, dan wel afwijzing van haar verzoeken. Tevens verzoekt HDI c.s.:

 

  1. [naam verzoekster] te bevelen zo spoedig mogelijk aan de medisch adviseur van HDI c.s. de navolgende medische informatie te verstrekken:

 

  1. a) het volledige elektronisch patiëntendossier – waaronder ook de onderliggende behandelverslagen – van de afdeling Kinderpsychiatrie van het Erasmus MC;

 

  1. b) het ongeschoonde huisartsenjournaal over de periode 2017 tot en met heden;

 

  1. c) het ongeschoonde huisartsenjournaal van vijf jaar vóór het ongeval;

 

  1. d) alle medische informatie die betrekking heeft op de behandeling van de psychische en psychiatrische problematiek over de periode 2017 tot en met heden, waaronder ook de informatie over de doorlopen EMDR-behandeling in 2017 en de informatie over de behandeling bij Pollux en Yulius;

 

  1. [naam verzoekster] te bevelen medewerking te verlenen aan het stellen van aanvullende vragen aan [naam 1] ;

 

III. te bepalen dat de aanvullende vragen pas aan [naam 1] worden gesteld nadat de in het verzoek onder I. genoemde medische informatie aan de medisch adviseur van verweersters ter beschikking is gesteld en door hem is beoordeeld.

3.3.

 

[naam verzoekster] heeft geen bezwaar tegen verstrekking van haar actuele medische informatie. Voor het overige voert zij verweer tegen de verzoeken van HDI c.s. en concludeert tot afwijzing daarvan.

  1. De beoordeling

4.1.

 

Het verzoek van [naam verzoekster] berust op artikel 1019w Rv. Dit artikel geeft, indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel, ieder van hen de mogelijkheid om de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade.

4.2.

 

Tussen partijen bestaat een impasse over de vraag of het expertiserapport van [naam 1] als uitgangspunt voor de verdere afwikkeling van de schade heeft te gelden en of op basis van dat rapport causaal verband kan worden aangenomen tussen het [naam verzoekster] overkomen ongeval en de door haar genoemde klachten en beperkingen, alsmede of HDI c.s. nog dient te worden toegestaan aanvullende vragen aan [naam 1] te stellen en door [naam verzoekster] nog nadere medische informatie dient te worden verstrekt. Een oordeel daarover kan een bijdrage leveren aan het vlot trekken van de onderhandelingen tussen partijen en het eventueel tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst. De zaak is daarom geschikt voor behandeling als deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv.

 

het eerste verzoek van [naam verzoekster]

4.3.

 

[naam verzoekster] verzoekt de rechtbank onder I te bepalen dat de uitkomsten van het rapport van [naam 1] als bindend uitgangspunt hebben te gelden bij de afwikkeling van de schade van verzoekster.

4.4.

 

Wanneer partijen in een zaak als de onderhavige gezamenlijk zijn overeengekomen expertise in te winnen, waarbij zij beiden en hun beider medisch adviseurs betrokken zijn geweest bij de vraagstelling en het ter beschikking stellen van medische informatie, kan aan hen, nadat het rapport van de deskundige is uitgebracht en zij bij de totstandkoming daarvan in de gelegenheid zijn geweest om zich over het concept-rapport uit te laten, slechts op grond van zwaarwegende argumenten worden toegestaan de deskundige wederom te benaderen met vragen en opmerkingen die zij al eerder, toen hen de conceptrapportage ter beschikking was gesteld, naar voren hadden kunnen brengen. Zulke zwaarwegende argumenten zouden bijvoorbeeld kunnen zijn dat de uitgebrachte rapportage niet voldoet aan de elementaire eisen van deugdelijkheid, het deskundigenrapport intern inconsistent is of onbegrijpelijk of daarin zonder grond en/of om onduidelijke redenen relevante beschikbare informatie wordt genegeerd, daarin niet wordt gereageerd op door partijen gestelde vragen, logische denkfouten bevat, of als de rapportage op partijdige wijze tot stand is gekomen. De enkele omstandigheid dat de deskundige zijn beoordeling naar de mening van een partij niet genoegzaam heeft toegelicht of gemotiveerd is een onvoldoende grond om de procedure van raadpleging van de deskundige uit te breiden met een nieuwe debatronde met de deskundige, waarin aan deze nieuwe vragen worden voorgelegd en waarop deze dan moet reageren. Het beginsel dat een rechtsstrijd op een efficiënte manier plaatsvindt en ook binnen een afzienbare termijn, geldt ook hier.

4.5.

 

De reden waarom psychiater [naam 1] is verzocht een expertise uit te brengen was gelegen in het feit dat tussen (de medisch adviseurs van) partijen onenigheid bestond over – zeer specifiek – de vraag of bij [naam verzoekster] als gevolg van het haar op 6 november 2013 overkomen ongeval een psychiatrische stoornis is ontstaan, die aanleiding heeft gegeven tot beperkingen of blijvend functieverlies.

 

Na een uitvoerige beschouwing waarin hij nauwkeurig uiteenzet dat en waarom hij zijn mening is toegedaan, heeft [naam 1] de hem gestelde vraag in zijn rapport van 5 november 2018, samenvattend, beantwoord met de zinnen: “Samenvattend is een echt “harde” uitspraak over causaal verband tussen betrokkene’s huidige psychische toestand en het ongeval in geding niet mogelijk. Alles afwegend lijkt zo’n verband echter wel de meest aannemelijke optie.” Dit rapport is uitgebracht nadat op 13 september 2018 een conceptrapport aan partijen was toegestuurd, maar (de medisch adviseur van) HDI c.s. geen aanleiding heeft gevonden op het concept te reageren.

 

Eerst bij brief van 8 oktober 2019 van haar advocaten heeft HDI c.s. een reactie gegeven op de rapportage van [naam 1] , daarop kritiek geuit, uiteenvallend in een viertal onderdelen, en te kennen gegeven dat het noodzakelijk was een groot aantal aanvullende vragen aan [naam 1] voor te leggen. Die kritiek heeft HDI c.s. in haar verweerschrift, met nadere onderbouwing door middel van verwijzing naar een nieuwe brief van haar (nieuwe) medisch adviseur van 1 juli 2020, verder uiteengezet.

4.6.

 

Naar het oordeel van de rechtbank heeft HDI c.s. onvoldoende gronden aangevoerd om [naam verzoekster] te bevelen eraan mee te werken de deskundige opnieuw te benaderen om hem nadere vragen te laten beantwoorden. Dit wordt hierna verder toegelicht. Daar komt bij dat HDI c.s. die vragen deels nog niet heeft geformuleerd om reden dat zij eerst nadere medische informatie van [naam verzoekster] wenst te ontvangen. Dit leidt tot verdere vertraging van de afwikkeling van de schade met daarmee gepaard gaande langer durende onzekerheid bij [naam verzoekster] die niet wenselijk is en die zij niet behoeft te dulden.

 

(i) ten onrechte invloed toegekend aan alarmerende uitspraken

4.7.

 

In de eerste plaats richt HDI c.s. haar kritiek op de opmerking in het rapport van [naam 1] dat het voor [naam verzoekster] en haar ouders verwarrend kan zijn geweest en onrust kan hebben veroorzaakt toen zij aanvankelijk geconfronteerd zijn geweest met nogal alarmerende uitspraken door artsen over een mogelijke verhoogde intracraniële druk en het bij herhaling bezigen van de term “niet-aangeboren hersenletsel (NAH), ook nadat met een neuropsychologisch onderzoek was aangetoond dat daarvan geen sprake was.

 

Volgens HDI c.s. komt deze conclusie volledig uit de lucht vallen en blijkt nergens uit de rapportage, ook niet uit de afgenomen (hetero)anamnese, dat er alarmerende uitspraken door artsen zijn gedaan, laat staan dat de confrontatie met deze uitspraken een grote impact zouden hebben gehad en tot verontrusting zouden hebben geleid.

4.8.

 

Deze kritiek is niet voldoende om de deskundige wederom te benaderen en hierop een nadere toelichting te geven. Voor zover HDI c.s. erover valt dat [naam 1] de kwalificatie “nogal alarmerend” voor de genoemde uitspraken over “intercraniële druk” en “NAH” heeft gebruikt zonder dat (de ouders van) [naam verzoekster] zich in die zin daarover hebben uitgesproken, wordt door HDI c.s. miskend dat het de deskundige vrijstond de kwalificatie te bezigen ook al zouden [naam verzoekster] en haar ouders dat niet hebben gedaan. Het behoorde immers tot de taak van de deskundige na te gaan hoe [naam verzoekster] bijvoorbeeld de informatieverstrekking in het medisch behandeltraject dat zij door haar val moest doorlopen heeft ondergaan. Dit kan mede tot de gevolgen worden gerekend van de val. Voor zover HDI c.s. meent dat de door [naam 1] genoemde uitspraken niet door artsen of zelfs helemaal niet zouden zijn gedaan, ziet HDI c.s. eraan voorbij dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat om te veronderstellen dat dit wel het geval is geweest (zie bijvoorbeeld aanpassing behandelplan (februari 2017), bijlage bij productie 29 inleidend verzoekschrift, het verslag van psychologisch onderzoek onder het kopje “Intake” met o.a. de revalidatiearts van Rijndam, bijlage bij productie 30). Overigens wordt door HDI c.s. erkend dat in elk geval de ingeschakelde orthopedagoog bij herhaling in de richting van [naam verzoekster] en haar ouders over NAH heeft gesproken. De omstandigheid dat de orthopeed geen arts is, doet geen wezenlijke afbreuk aan de constatering van [naam 1] . Het eerste kritiekpunt is dus ongegrond.

 

(ii) pre-existentie of predispositie onvoldoende onderzocht

4.9.

 

Een tweede punt van kritiek van HDI c.s. heeft betrekking op de vraag of bij [naam verzoekster] relevantie pre-existentie of predispositie heeft bestaan.

4.9.1.

 

Ten eerste wordt door HDI c.s. in dat verband gewezen op de opmerking van [naam 1] in het rapport (onder het kopje “Wat vind ik zelf bij huidig onderzoek?”) dat hij betwijfelt of, zoals de behandelend kinderpsychiater had gedaan, ook van een angststoornis bij [naam verzoekster] kan worden gesproken. Volgens (de medisch adviseur van) HDI c.s. wijst de opmerking van de kinderpsychiater dat de onzekerheid bij [naam verzoekster] over haar sociaal functioneren “die ook al op de kinderleeftijd in enige mate aanwezig was” erop dat mogelijk sprake is van een relevante pre-existentie of predispositie bij [naam verzoekster] en dit zou [naam 1] onvoldoende hebben onderzocht.

 

Ook deze kritiek rechtvaardigt niet nieuwe rapportage of een nieuw onderzoek door de deskundige. De beoordeling door [naam 1] dat betwijfeld moet worden of bij [naam verzoekster] sprake is van een sociale fobie ligt geheel binnen het terrein van zijn deskundigheid en het stond hem vanzelfsprekend geheel vrij een andere visie daarop te hebben dan de genoemde kinderpsychiater. Partijen hebben immers [naam 1] juist vanwege zijn expertise ingeroepen. Ook kan niet worden geconcludeerd dat [naam 1] de vraag niet onder ogen heeft gezien of, en zo ja welke, mogelijke pre-existentie of predispositie bij [naam verzoekster] een rol speelt. De vraag die hem was voorgelegd had immers juist betrekking op de causale relatie tussen ongeval en de bij [naam verzoekster] waargenomen stoornis en daardoor verminderd functioneren. Door zijn vaststelling dat hij “geen aanwijzingen (heeft) dat betrokkene ook al voor 2013 disfunctioneerde” heeft hij de vraag over het bestaan van pre-existentie of predispositie ontkennend beantwoord. Door HDI c.s. is niet aannemelijk gemaakt dat [naam 1] op grond van de opmerking van de kinderpsychiater dat [naam verzoekster] ook al op kinderleeftijd mogelijk in enige mate onzeker was over sociaal functioneren – die in het dossier is terug te lezen -, tot een andere conclusie had behoren te komen. De mogelijk andere mening van de (nieuwe) medisch adviseur van HDI c.s. daarover biedt daarvoor onvoldoende grondslag.

4.9.2.

 

In de tweede plaats heeft HDI c.s. erop gewezen dat uit de medische informatie volgt dat er kennelijk pre-existente slaapproblematiek is en dat [naam 1] dit punt niet in zijn beoordeling heeft meegenomen. Het is echter onaannemelijk dat [naam 1] deze omstandigheid, als die van relevant belang zou zijn geweest, niet zou hebben opgemerkt. Bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel moet worden aangenomen dat [naam 1] de door HDI c.s. gestelde “pre-existente slaapproblematiek” uit het medisch dossier niet heeft kunnen afleiden. Dat hij dat op grond van het voorliggende dossier wel had behoren te doen, is door HDI c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt. De enkele opmerking in het dossier van [naam verzoekster] dat zij ook vroeger wel slecht sliep, heeft [naam 1] klaarblijkelijk onvoldoende gevonden om van een pre-existent slaapprobleem uit te gaan. Ook op dit punt leidt de eventuele andere mening van de medisch adviseur van HDI c.s. niet tot een ander oordeel. De door HDI c.s. op het onderhavige punt geuite kritiek mist voldoende feitelijke grondslag.

 

(iii) mishandeling onvoldoende in beoordeling betrokken

4.10.

 

Het derde kritiekpunt van HDI c.s. betreft de beoordeling van de invloed van de mishandeling van [naam verzoekster] op 19 april 2017 door een aantal medeleerlingen. Volgens HDI c.s. staat “buiten kijf” dat dit geweldsincident “een enorme impact” op [naam verzoekster] moet hebben gehad.

4.11.

 

Hiermee poneert HDI c.s. echter veronderstellingen die door [naam 1] klaarblijkelijk niet zijn onderschreven. [naam 1] heeft in zijn analyse het genoemde geweldsincident betrokken. Dit blijkt uit het feit dat hij in de anamnese het incident uitdrukkelijk noemt en in zijn eigen beschouwing (onder het kopje “Wat vind ik zelf bij huidig onderzoek”) heeft vermeld dat het met [naam verzoekster] na de laatste brief van de kinderpsychiater, dat wil zeggen na het incident, niet beter is gegaan, maar slechter, waarmee hij dus oog heeft gehad voor de terugval van [naam verzoekster] in de loop van 2017 vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar. De deskundige heeft expliciet vastgesteld dat hij “geen aanwijzingen (heeft) gezien dat het ongeval zelf of de latere mishandeling door leeftijdgenoten bij betrokkene tot klachten van een posttraumatische stressstoornis hebben geleid”. Daarmee heeft de deskundige de invloed van dit incident beoordeeld en daaraan klaarblijkelijk geen relevante betekenis toegekend voor de beoordeling van de vraag of de dysthyme stoornis van [naam verzoekster] mede daardoor kan zijn veroorzaakt. De deskundige behoefde zich niet duidelijker uit te laten dan hij heeft gedaan. [naam 1] diende zich een oordeel te vormen over het eventuele oorzakelijk verband tussen de psychische toestand van [naam verzoekster] ten tijde van zijn onderzoek en het ongeval. Dit heeft hij gedaan, waarbij niet gebleken is dat de hem voorgelegde vragen onjuist zijn beantwoord. De omstandigheid dat de medisch adviseur van HDI c.s. vindt dat [naam 1] aanvullende informatie had moeten opvragen, brengt niet mee dat het onderzoek van [naam 1] ondeugdelijk is geweest of dat hij bepaalde vragen anders had moeten beantwoorden. Ook het derde onderdeel van de kritiek op het rapport van [naam 1] treft geen doel. Er bestaat (daarom) geen reden om op dit punt aanvullende rapportage aan [naam 1] te vragen.

 

(iv) proportionele benadering

4.12.

 

Tot slot is door HDI c.s. aangevoerd dat uit de rapportage van [naam 1] volgt dat sprake is van causaliteitsonzekerheid en dat [naam 1] daarom partijen ten behoeve van de verdere afwikkeling moet voorlichten over de grootte van de kans dat het ongeval psychische problematiek heeft veroorzaakt.

 

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat echter onvoldoende aanleiding om [naam verzoekster] te bevelen mee te werken aan het stellen van een nadere vraag hierover aan [naam 1] . [naam 1] heeft het bestaan van oorzakelijk verband tussen de val van [naam verzoekster] en haar toen aanwezige psychische problematiek de meest aannemelijke optie gevonden en daarmee dus aannemelijk geacht, en dus niet onzeker, zoals HDI c.s. veronderstelt. Deze beoordeling van [naam 1] volstaat naar het oordeel van de rechtbank om het causaal verband tussen het ongeval en de psychische problematiek zoals vastgesteld bij het uitbrengen van de rapportage van [naam verzoekster] aanwezig te achten.

 

conclusie m.b.t. tot het eerste verzoek van [naam verzoekster]

4.13.

 

Nu uit het bovenstaande volgt dat onvoldoende aanleiding bestaat om [naam 1] te verzoeken aanvullende rapportage uit te laten brengen of aanvullende vragen te laten beantwoorden, zijn er geen belemmeringen om het eerste verzoek van [naam verzoekster] toe te wijzen. Het woord “bindend” lijkt wellicht te suggereren dat het rapport van [naam 1] een bindend advies is, wat het niet is, maar dat is onvoldoende om dat onderdeel van het verzoek af te wijzen, te meer nu HDI c.s. daarover geen opmerking heeft gemaakt.

4.14.

 

Het verweer van HDI c.s. dat [naam verzoekster] niet heeft voldaan aan de substantiëringsplicht is ongegrond omdat [naam verzoekster] , subsidiair, bij de mondelinge behandeling van het verzoekschrift op de inhoud van de bezwaren van HDI c.s. tegen het rapport van [naam 1] is ingegaan. Handelen door [naam verzoekster] in strijd met artikel 6:2, 6:58 of 6:59 BW is niet aan de orde, omdat [naam verzoekster] niet behoefde in te gaan om de verzoeken van HDI c.s. om de deskundige wederom te benaderen.

 

het tweede verzoek van [naam verzoekster]

4.15.

 

Uit de laatste zin van overweging 4.12 volgt dat de rechtbank van oordeel is dat ook het tweede verzoek van [naam verzoekster] kan worden toegewezen. Uit de rapportage van [naam 1] volgt dat aannemelijk is dat tussen de val van [naam verzoekster] en haar klachten en beperkingen zoals vastgesteld in de rapportage causaal verband bestaat.

4.16.

 

Niet in geschil is dat de door [naam 1] vastgestelde klachten door hem zijn geclassificeerd als een dysthyme stoornis die gepaard gaat met gevoelens van emotionele distantie en secundaire automutilatie. Niet in geschil is verder dat [naam 1] de beperkingen heeft vastgesteld die in het verzoekschrift onder (lees:) “VI De door [naam 1] vastgestelde klachten en beperkingen” zijn beschreven. In de beslissing zal daarom naar deze bedoelde klachten en beperkingen met deze verwijzing worden verwezen.

4.17.

 

De omstandigheid dat nog geen medische eindsituatie bij [naam verzoekster] is ingetreden staat naar het oordeel van de rechtbank aan toewijzing van het verzoek, zoals geformuleerd, niet in de weg.

 

het derde verzoek van [naam verzoekster]

4.18.

 

HDI c.s. heeft tegen toewijzing van het verzoek onder III onder meer het verweer gevoerd dat het onvoldoende bepaald is, omdat niet vastgesteld kan worden tot welke rechten en verplichtingen toewijzing ervan zal leiden. Dat verweer heeft [naam verzoekster] verder onbesproken gelaten en het verzoek op dit punt zal daarom worden afgewezen.

 

De tegenverzoeken van HDI c.s.

4.19.

 

De verzoeken van HDI c.s. moeten klaarblijkelijk aldus worden begrepen dat de van [naam verzoekster] gewenste medische informatie als vermeld onder I nodig is om de aanvullende vragen te kunnen stellen als vermeld onder II van het tegenverzoek. Nu geen aanleiding bestaat [naam verzoekster] te bevelen medewerking te verlenen aan het stellen van aanvullende vragen aan [naam 1] , worden beide verzoeken afgewezen. [naam verzoekster] heeft verklaard bereid te zijn alle actuele medische informatie te verstrekken. Omdat HDI c.s. die bereidheid niet in twijfel heeft getrokken, zal een veroordeling van [naam verzoekster] op dat punt als onnodig worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt dat ook het verzoek onder III wordt afgewezen.

 

kosten deelgeschil

4.20.

 

Op grond van artikel 1019aa Rv dient in beginsel begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Van onnodig of onterecht instellen van de deelgeschilprocedure is, in het licht van de niet door HDI c.s. benutte mogelijkheid om naar aanleiding van diens conceptrapport vragen aan de deskundige te stellen en de periode van 11 maanden die is verstreken tussen het uitbrengen van het definitieve rapport van de deskundige en het moment dat HDI c.s. kritiek op dat rapport uitte en stelde dat er aanvullende vragen diende worden gesteld, geen sprake.

4.21.

 

De redelijkheid van de door de advocaten van [naam verzoekster] gehanteerde uurtarieven van € 180,- exclusief BTW voor mr. Jurcka en € 270,- exclusief BTW voor mr. Van Benthem is niet door HDI c.s. bestreden. Deze uurtarieven zullen daarom bij de begroting van de kosten van het deelgeschil worden gehanteerd.

4.22.

 

Volgens opgave van [naam verzoekster] heeft mr. Van Benthem 1,1 uur aan het deelgeschil besteed en mr. Jurcka 49 uur, inclusief het bijwonen van de zitting met 6 uur extra voor bestudering van het verweerschrift en voorbereiding van de zitting bovenop de oorspronkelijk daarvoor begrote tijd van 8 uur.

4.23.

 

Ter betwisting van de redelijkheid van voormelde tijdsbesteding heeft HDI c.s. aangevoerd dat [naam verzoekster] niet efficiënt heeft geprocedeerd door in het verzoekschrift niet in te gaan op de standpunten en bezwaren van HDI c.s. en dat dit voor rekening en risico van [naam verzoekster] moet komen. Dat die handelwijze van (de advocaten van) [naam verzoekster] ertoe heeft geleid dat zij of HDI c.s. extra tijd aan het deelgeschil hebben moeten besteden is echter niet door HDI c.s. inzichtelijk gemaakt. HDI c.s. heeft aangevoerd dat het niet redelijk is haar de kosten van twee advocaten in rekening te brengen. Mede gezien de beperkte tijd die door mr. Van Benthem is besteed en dat het op zichzelf niet onredelijk is dat een tweede advocaat in een dossier meekijkt, acht de rechtbank dit bezwaar ongegrond. De tijdsbesteding van 5,7 uur voor “lezen stukken/dossier” acht de rechtbank, gezien de omvang van het dossier, niet bovenmatig, ook niet in het licht van de besteding van 12,6 uur voor het opstellen van het verzoekschrift. Het verweerschrift van HDI c.s. heeft een omvang van 30 pagina’s en is zeer gedetailleerd, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dat aan het opstellen van een reactie bij de mondelinge behandeling 8 uur is besteed. Aanvullend is voor die werkzaamheden door de advocaten van [naam verzoekster] nog 6 uur extra opgevoerd, maar deze uren zijn niet nader gespecificeerd en de rechtbank zal deze uren daarom niet meerekenen. Ten slotte maakt HDI c.s. bezwaar tegen de 10,4 uur die in de specificatie is opgenomen voor “correspondentie/e-mail/telefoon”. Dit aantal uren hebben de advocaten van [naam verzoekster] gerechtvaardigd door erop te wijzen dat de zaak grote gevolgen heeft voor het slachtoffer, zich niet leent voor een vluchtige behandeling, en goed contact met de ouders van [naam verzoekster] van wezenlijk belang is. Het komt de rechtbank echter voor dat een efficiëntere tijdsbesteding mogelijk moet zijn geweest, bijvoorbeeld door het aantal besprekingen en overleggen te clusteren. Voor deze werkzaamheden zal de rechtbank daarom het aantal van 4 uren meetellen. De slotsom is dat bij de begroting van de kosten van het deelgeschil zal worden uitgegaan van een tijdsbesteding van in totaal (1,1 + 36,6 =) 37,7 uur.

4.24.

 

De aan de zijde van [naam verzoekster] gemaakte kosten komen daarmee op ((1,1 x € 270,00 =) € 297,00 + (36,6 x € 180,00 =) € 6.588,00 = € 6.885,,00 + 21%) = € 8.330,85 te vermeerderen met het door [naam verzoekster] betaalde griffierecht van € 304,00.

4.25.

 

Het vorenstaande leidt tot begroting van de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van [naam verzoekster] op € 8.634,85 in totaal. Nu de aansprakelijkheid van HDI c.s. voor het ongeval vast staat zal zij overeenkomstig het niet afzonderlijk bestreden verzoek van [naam verzoekster] worden veroordeelt tot betaling van deze kosten.

  1. De beslissing

 

De rechtbank

5.1.

 

bepaalt dat de uitkomsten van de expertise van [naam 1] van 5 november 2018 als bindend uitgangspunt hebben te gelden tussen partijen bij de verdere afwikkeling van de schade van [naam verzoekster] ;

5.2.

 

bepaalt dat uit het rapport van [naam 1] van 5 november 2018 volgt dat er een causaal verband bestaat tussen het ongeval van 6 november 2013 en de klachten en beperkingen als vermeld onder “VI De door [naam 1] vastgestelde klachten en beperkingen” in het verzoekschrift;

5.3.

 

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 8.634,85 en veroordeelt HDI tot betaling van deze kosten binnen 14 dagen na de uitspraak van deze beschikking;

5.4.

 

wijst de verzoeken van [naam verzoekster] af voor het overige;

5.5.

 

wijst af de tegenverzoeken van HDI c.s.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Molenaar en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020.

 

2515/3152

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey