Rb: organisator outdoor event aansprakelijk voor letsel op springkussen, 50% eigen schuld

Samenvatting:

Eiser breekt rugwervels tijdens Outdoor Event letsel op, als hij van 9 meter hoge toren springt op deels leeggelopen springkussen. 1. De rechtbank acht de organisator aansprakelijkheid o.g.v. art 6:173 en art 6:162 BW. 2. De rechtbank oordeelt dat sprake is van 50% eigen schuld; geen billijkheidscorrectie.

ECLI:NL:RBOBR:2018:4483

 

Instantie

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak

12-09-2018

Datum publicatie

13-09-2018

Zaaknummer

C/01/318638 / HA ZA 17-172

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

 

Aansprakelijkheid op grond van Artikel 6:173 BW, gebrekkige zaak .

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

 

Civiel Recht

 

Zittingsplaats Eindhoven

 

zaaknummer / rolnummer: C/01/318638 / HA ZA 17-172

 

Vonnis van 12 september 2018

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. P.H.M. Hartmans-Jansen te Margraten,

 

tegen

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

WE PROJECTS B.V., h.o.d.n. Wish Outdoor

 

gevestigd te Beek en Donk, gemeente Laarbeek,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. J. Veenis te Amsterdam.

 

Partijen zullen hierna [eiser] en WE Projects genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

het tussenvonnis van 15 november 2017;

 

het proces-verbaal van comparitie van 19 maart 2018;

 

brief zijdens WE Projects van 23 maart 2018;

 

brief zijdens [eiser] van 29 maart 2018.

 

1.2.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

 

[eiser] heeft op 5 juli 2014 met vrienden het Wish Outdoor Event, een muziekfestival/dance-event, te Beek en Donk bezocht. Dit buitenevenement werd georganiseerd door Wish Outdoor.

2.2.

 

Op het festivalterrein bevond zich een attractie, de zogenaamde Big Air, een hoge toren bestaande uit 2 verdiepingen, met op 4 meter en op 9 meter hoogte, een springgedeelte waarvan gesprongen kon worden op een daaronder gelegen luchtkussen en op 9 meter hoogte tevens een uitkijkplateau.

2.3.

 

Het uitkijkdeel en het springgedeelte op 9 meter hoogte werden van elkaar gescheiden door middel van een steigerbuis die horizontaal bevestigd was op een hoogte tussen de 80-120 cm. Ten tijde van de sprong door [eiser] waren er geen (waarschuwings)borden aangebracht bij de steigerbuis. Op de attractie waren sfeerbeheerders aanwezig om toezicht te houden. Ten tijde van de sprong door [eiser] was de heer [naam sfeerbeheerder] , sfeerbeheerder, op het springplateau op 9 meter aanwezig.

2.4.

 

[eiser] is over de steigerbuis gestapt van het uitkijkgedeelte naar het springgedeelte en van dit plateau naar beneden gesprongen op het daaronder gelegen luchtkussen. Het luchtkussen was op het moment van de sprong door [eiser] al deels leeg gelaten door een medewerker van de Big Air. [eiser] valt na de sprong op zijn rug en breekt bij de val 3 ruggenwervels.

2.5.

 

[eiser] heeft WE Projects aansprakelijk gesteld. Namens WE Projects is bij schrijven van 6 augustus 2014 de aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

 

[eiser] vordert -samengevat-:

 

– een verklaring voor recht dat WE Projects aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en lijdt, materieel en immaterieel als gevolg van het ongeval op 5 juli 2014;

 

– alsmede veroordeling van WE Projects in de kosten.

3.2.

 

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag:

 

– dat primair sprake is van een gebrekkige zaak ingevolge artikel 6:173 BW jo artikel 6:181 BW omdat sprake was van onvoldoende adequate veiligheidsvoorzieningen;

 

– dat subsidiair WE Projects heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt zoals bepaald in 6:162 BW.

3.3.

 

WE Projects voert verweer.

 

WE Projects betwist dat sprake is van een gebrekkige zaak en van onrechtmatig handelen dan wel nalaten. Als er al sprake is van enige aansprakelijkheid dan is er sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiser] in de zin van artikel 6:101 BW door het eigen actief en doelbewust handelen van [eiser] omdat hij over de afscheiding is geklommen en diverse waarschuwingen heeft genegeerd.

3.4.

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

 

Ter beoordeling ligt voor de vraag of WE Projects aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het hem overkomen ongeval op 5 juli 2014.

4.2.

 

Partijen verschillen van mening over de feitelijke gang van zaken.

 

[eiser] stelt dat het 9 meter springplateau ook op andere wijze te bereiken was dan alleen via het 4 meter plateau. Er bevond zich een trap aan de achterzijde van de Big Air die rechtsreeks toegang gaf tot het 9 meter uitkijkplateau. Bovenaan deze trap was geen aanduiding welk gedeelte toegang gaf tot het uitkijkdeel en welk tot het springgedeelte. [eiser] was er niet mee bekend dat er eerst een stempel op het 4 meter plateau moest worden verkregen alvorens te mogen springen van het 9 meter plateau. Er werd, aldus [eiser] , ook niet gecontroleerd op stempels op het 9 meter plateau. Er waren geen waarschuwingsborden geplaatst en geen fysieke blokkades aangebracht. Er was enkel een afscheiding tussen het uitkijkdeel en het springgedeelte door een steigerbuis die op heuphoogte was geplaatst. De heer [naam sfeerbeheerder] (sfeerbeheerder), die aanwezig was op de toren, heeft hem niet gewaarschuwd, althans heeft geen serieuze waarschuwing afgegeven. Er is ook niet anderszins gewaarschuwd dat de Big Air zou gaan sluiten.

4.3.

 

WE Projects voert aan dat bezoekers enkel toegang hadden tot het 9 meter plateau indien zij na een oefensprong op het 4 meter plateau een stempel hadden gekregen. Uitsluitend met deze stempel werd toegang verkregen tot het springplateau op 9 meter hoogte. Het springplateau en het uitkijkplateau waren fysiek van elkaar gescheiden door middel van een barrière aangebracht tussen het uitkijkplateau en het springplateau. De schade is ontstaan door actief handelen van [eiser] . [eiser] heeft zich hiermee bewust onttrokken aan de instructies en waarschuwingen. [naam sfeerbeheerder] heeft aan [eiser] laten zien en kenbaar gemaakt dat de attractie gesloten was. [eiser] was bovendien al diverse keren gecorrigeerd door [naam sfeerbeheerder] .

4.4.

 

Voorafgaand aan deze procedure heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Deze verklaringen zijn als producties 20 tot en met 30 bij dagvaarding in het geding gebracht. De getuigen hebben voor zover hier relevant verklaard:

 

[eiser] heeft onder meer verklaard:

 

“(…). Ik heb niet gezien dat [naam sfeerbeheerder] mensen doorliet of tegenhield om te springen. Ik heb wel met [naam sfeerbeheerder] gesproken en heb ook nog iemand voor mij zien springen. [naam sfeerbeheerder] heeft tegen mij gezegd dat ze gingen sluiten. Ik heb toen tegen hem gezegd dat ik vond dat hij eerst maar de mensen die in de rij hebben gestaan, waaronder ik, moest laten springen voordat hij zou gaan sluiten.(…). Ik hoorde [naam sfeerbeheerder] zeggen dat als er toch gesprongen zou gaan worden hij er niets aan zou kunnen doen. Toen ik dat hoorde meende ik te kunnen springen. Dat in combinatie met het feit dat ik vlak daarvoor nog iemand heb zien springen en ben vervolgens gesprongen.(…). [naam sfeerbeheerder] heeft mij maar een keer gezegd dat ze zouden gaan sluiten en verder heeft men mij niet gewaarschuwd. (…)”.

 

[naam getuige 1] heeft onder meer verklaard:

 

”(….). In dat gesprek met de sfeerbeheerder gaf de sfeerbeheerder aan dat ze zo zouden gaan sluiten. Wij vroegen aan hem wanneer ze dan zouden gaan sluiten. Hij heeft vervolgens contact willen zoeken met andere medewerkers, maar dat is niet gelukt. Op mijn vraag waarom die man voor ons nog mocht springen, grinnikte hij. Hij liep vervolgens naar de groep met meisjes.(…). Hoe die afscheiding er precies uitzag, weet ik niet meer, maar ik weet wel dat ik [eiser] eroverheen heb zien stappen en dat hij vervolgens nog even heeft staan wachten voordat hij heeft gesprongen.(…). De sfeerbeheerder heeft niets tegen [eiser] gezegd toen [eiser] klaar stond om te gaan springen. (….). De tijd tussen de sprong van de man vóór [eiser] en [eiser] zelf, schat ik op enkele minuten.(…). Er is door niemand groen licht gegeven aan [eiser] om de sprong te maken, maar ik vond dat de sfeerbeheerder er wel erg makkelijk mee omging.(…)”.

 

[naam getuige 2] heeft onder meer verklaard:

 

“(…). Voordat [eiser] sprong is er nog iemand anders naar beneden gesprongen(…). Ik meen niet dat daar minuten tussen zaten, maar dat [eiser] vrij snel daarna is gesprongen. Ik heb er niet opgelet of hij net voor zijn sprong nog met iemand heeft gesproken.(…). U vraagt mij een inschatting te geven van de tijd die ligt tussen het lopen van [eiser] en mijn vriendin naar de attractie toe en de sprong van [eiser] . Ik meen dat dit een paar minuten zijn geweest”.

 

[naam getuige 3] heeft onder meer verklaard:

 

“(…). Die twee delen waren van elkaar gescheiden door een steigerbuis. De steigerbuis hing op heuphoogte. Of daar een waarschuwing hing ter voorkoming dat mensen over de steigerbuis zouden klimmen kan ik mij niet herinneren.(…).De trap werd de gehele dag gebruikt door personen die naar de uitkijktoren gingen. (…)”.

 

[naam getuige 4] heeft onder meer verklaard:

 

“(…). De toegang tot vanuit de uitkijktoren tot de springattractie was met een steigerpijp geblokkeerd. Ik weet niet of daar verder nog een waarschuwing aan hing. Op uw vraag of er meerdere toegangen waren tot het hoogste springdeel zeg ik u dat er ook nog een trap was die gelegen was achter de attractie die evenwel niet bestemd was voor het springdeel, maar tot toegang diende voor de uitkijktoren. Zoals gezegd werd de toegang tot het springdeel vervolgens met een steigerpijp geblokkeerd. Ik ben die dag geconfronteerd met vragen van mensen die op de uitkijktoren stonden of zij via de steigerbuis naar het springdeel mochten komen. Dat heeft verder niet tot discussie geleid. (…). Op uw vraag of ik weet dat er mensen zonder toestemming en of zonder stempel naar beneden zijn gesprongen zeg ik u dat dit gebeurd kan zijn op het moment dat het zo druk was. Ik weet nog wel dat ik aan de kant werd geduwd en daardoor erg boos werd.(…).Wel weet ik dat het springgedeelte zelf tijdens de pauze werd afgezet met kruislings geplaatste steigerbuizen bij het springplateau op de rand.(…)”.

 

[naam getuige 5] heeft onder mee verklaard:

 

“(…). Het is juist dat het gehele springgedeelte, dus ook het hoogste niveau, door mij is gecheckt op de barricades waar ik over sprak voordat [eiser] is gesprongen. De versperring was toen al aangebracht(…)”.

 

[naam getuige 6] heeft onder meer verklaard:

 

“(…). Tussen het moment dat ik te horen kreeg dat de attractie zou sluiten, dat de laatste persoon had gesprongen en het moment dat ik de val hoorde zal naar mijn gevoel zo’n twee minuten hebben gezeten. Ik was nog bezig om de opening af te sluiten. We waren nog niet klaar met het veilig stellen van de attractie toen ik de val hoorde.(…).”

 

[naam sfeerbeheerder] heeft onder meer verklaard:

 

“(…). Naar mijn mening kon men makkelijk over de scheiding klimmen. De scheiding bestond uit twee steigerpijpen op ongeveer knie- en heuphoogte.(…). Ik geloof dat hij wel een uur heeft gestaan op het uitkijkdeel. Ik weet dat hij een paar keer heeft geprobeerd om over de scheiding heen te klimmen om te springen. Ik heb hem toen telkens tegen gehouden. (…).Ik ben toen met hem naar de zijkant van de attractie op dat niveau gelopen, hij vanaf de uitkijktoren ik vanaf het springplateau en heb hem er toen op gewezen dat ze bezig waren met het leeg laten lopen van het luchtkussen(…). In een ooghoek zag ik vervolgens [eiser] over de scheiding klimmen. Ik heb hem nog geprobeerd te tackelen heb naar hem geroepen maar ik was te laat(…). Wat ik tegen [eiser] gezegd heb is dat als je toch wil springen, dat hij dat dan maar aan de andere kant zou moeten doen zodat ik het dan niet zou zien. (…).”

 

Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:173 BW

4.5.

 

Artikel 6:173 BW bepaalt dat de bezitter van een roerende zaak, waarvan bekend is dat zij, zo deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, in beginsel aansprakelijk is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Of een zaak gebrekkig is in de zin van artikel 6:173 BW hangt af van het antwoord op de vraag welke eisen men in de gegeven omstandigheden aan die zaak mag stellen. Het gaat om welke eigenschappen men van de zaak mag verwachten en de eisen die men uit het oogpunt van veiligheid mag stellen.

 

Bij de vraag of de Big Air gebrekkig is dienen ook de eisen die men uit oogpunt van veiligheid aan de zaak mag stellen, waarbij zowel de veiligheidsnormen als zorgvuldigheidsnormen een rol spelen, te worden betrokken (Wilnisarrest ECLI:NL:HR:2010:BN6236, ECLI:NL:GHSHE:2013:4196) .

 

Niet bestreden is dat de Big Air een roerende zaak betreft die bedrijfsmatig door WE Projects werd geëxploiteerd.

4.6.

 

De Big Air betreft volgens [eiser] een gevaarlijke activiteit. Het is daarom nodig zo begrijpt de rechtbank de stelling van [eiser] , dat er deugdelijke instructies worden gegeven en toezicht wordt gehouden op de bezoekers van het springplateau. [eiser] stelt dat onvoldoende maatregelen zijn genomen om gebruikers op veilige wijze te laten springen en te voorkomen dat bezoekers van het festival niet alsnog naar beneden zouden springen tijdens het leeg laten lopen van de attractie. Er was geen fysieke blokkade aangebracht, enkel een steigerbuis op heuphoogte waar overeen gestapt kon worden. Dit maakt dat sprake is van een gebrekkige zaak.

 

We Projects betwist dat de attractie gevaarlijk was omdat het springgedeelte en het uitkijk- gedeelte fysiek en voldoende van elkaar gescheiden werden door steigermateriaal op 1.00-1.20 meter hoogte. Bovendien waren er sfeerbeheerders aanwezig op het plateau om toezicht te houden.

 

De rechtbank oordeelt als volgt

4.7.

 

Dat een activiteit op hoogte plaatsvindt hoeft nog niet te betekenen dat deze gevaarlijk is. Dit hangt af van de vraag of het juiste materiaal wordt gebruikt en of er voldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen.

 

Als niet bestreden staat vast dat het ongeval niet is veroorzaakt doordat de Big Air defect was of een ander intrinsiek gebrek vertoonde. Vast staat dat bij de trap die toegang gaf tot het 9 meter uitkijkplateau geen toezicht dan wel waarschuwings- dan wel aanwijzingsborden aanwezig waren toen [eiser] deze trap beklom. Partijen zijn het er over eens dat het uitkijkdeel en het springgedeelte van elkaar werden gescheiden door middel van een steigerbuis op heuphoogte. De vraag is dan of een dergelijke afscheiding gegeven de omstandigheden voldoende is om de veiligheid te garanderen die van een dergelijke attractie mag worden verwacht. Vast staat dat door de afscheiding niet zonder meer toegang kon worden verkregen naar het springgedeelte maar het wel mogelijk was om over de afscheiding (dwarse steigerbalk op heuphoogte) heen te stappen. Ook staat vast dat er geen waarschuwingsborden of verboden toegangsborden waren geplaatst bij de afscheiding. Vast staat ook dat op het evenement alcohol werd geschonken en dat het uitkijkplateau toegang kon geven aan een groot aantal (circa 100) bezoekers.

 

De rechtbank is van oordeel dat gezien de omstandigheden, dat sprake was van een evenement met vele bezoekers waar alcohol gedronken kon worden en bezoekers doorgaans, tijdens een dance-event, in een uitgelaten stemming zijn, het enkel plaatsen van een steigerbalk op heuphoogte tussen het uitkijkdeel en het springgedeelte onvoldoende was. Dat de afscheiding door middel van de steigerbuis ook voor het publiek niet steeds duidelijk was als een verboden doorgang, blijkt uit onder meer uit de verklaring van [naam getuige 4] : Ik ben die dag geconfronteerd met vragen van mensen die op de uitkijktoren stonden of zij via de steigerbuis naar het springdeel mochten komen.

 

Dat zoals WE Projects aanvoert niet alleen sprake was van steigermateriaal ter afscheiding, maar ook aanwezigheid van sfeerbeheerders om te voorkomen dat er van het uitkijkplateau naar het springgedeelte kon worden gegaan, is onvoldoende onderbouwd. Weliswaar was [naam sfeerbeheerder] , als sfeerbeheerder, op het springgedeelte aanwezig, maar onvoldoende is komen vast te staan dat sfeerbeheerders hebben belemmerd dan wel als taak hadden te belemmeren dat tijdens het leeg laten van het luchtkussen, van het uitkijkdeel naar het springgedeelte kon worden gegaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar de getuigenverklaringen van [eiser] en [naam getuige 1] . Uit de verklaringen blijkt onvoldoende dat tegen [eiser] zou zijn gezegd dat hij niet meer mocht springen dan wel dat hem werd belemmerd om over de steigerbuis te stappen. Alleen [naam sfeerbeheerder] heeft verklaard dat hij [eiser] heeft tegen gehouden. Maar dit volgt niet uit de verklaringen van [eiser] en [naam getuige 1] . Vast staat dat kort voordat [eiser] is gesprongen, een medewerker ( [naam getuige 4] ), nog van het 9 meter plateau naar beneden is gesprongen. Ook staat vast dat het luchtkussen al werd leeggelaten terwijl er nog bezoekers op het uitkijk plateau aanwezig waren en er op dat moment geen waarschuwingsborden of signalen aanwezig waren om het publiek er op te wijzen dat het kussen werd leeggelaten en er niet meer gesprongen kon worden. Hiermee is niet gebleken dat er voldoende toezicht was bij de afscheiding naar het 9 meter springplateau om te voorkomen dat bezoekers over de steigerbalk zouden stappen en nog zouden kunnen springen ook niet nadat het luchtkussen al werd leeggelaten. De verklaring van [naam sfeerbeheerder] dat hij met [eiser] naar de zijkant is gelopen om hem er op te wijzen dat het kussen werd leeggelaten wordt niet ondersteund door enige andere verklaring. [eiser] hoefde en kon er derhalve niet op bedacht zijn dat op dat moment de lucht al uit het luchtkussen werd gelaten.

4.8.

 

Naar het oordeel van de rechtbank dient een attractie zoals de Big Air zodanig te zijn ontworpen dat deze voldoende veilig is ook in een situatie zoals een festival waarbij er sprake is van grote getalen bezoekers die ook in beschonken toestand gebruik kunnen maken van de Big Air en mogelijk niet alleen de gewenste route volgen. Ook volgens WE Projects was het noodzakelijk om voordat veilig kon worden gesprongen van het 9 meter plateau eerst een oefensprong werd gemaakt op 4 meter. Hierbij werden voor de oefensprong aan de bezoekers instructies gegeven hoe veilig kon worden gesprongen zoals de instructie om niet met het hoofd naar beneden te springen. Nu ook via een andere opgang op het 9 meter plateau kon worden gekomen dat enkel door een steigerbuis op heuphoogte werd afgescheiden van het springgedeelte, had het op de weg van WE Projects gelegen om meer maatregelen te treffen om deze routing te voorkomen door bijvoorbeeld een volledige afsluiting, dan wel het plaatsen van waarschuwingsborden of meer sfeerbeheerders op het uitkijkplateau. Alleen de steigerbuis op heuphoogte en de aanwezigheid van een sfeerbeheerder op het springplateau is daarbij onvoldoende.

 

De conclusie op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden is dat sprake is van een gebrekkige zaak in de zin van artikel 6:173 BW omdat het mogelijk was via een andere toegangstrap, zonder toezicht, toegang te krijgen tot het uitkijkplateau op 9 meter en dit uitkijkdeel naar het springgedeelte enkel was afgescheiden door middel van een steigerpijp op heuphoogte waar overheen gestapt kon worden. Deze afscheiding was gezien de aard van de zaak, de aard van het evenement, de risico’s van het springen zonder oefensprong en het feit dat het luchtkussen al werd leeggelaten terwijl zich nog personen op het uitkijk deel bevonden, onvoldoende om te voldoen aan de veiligheidsnormen die men aan de Big Air in de gegeven omstandigheden mocht stellen. WE Projects is op grond van artikel 6:173 BW in beginsel aansprakelijk voor de schade die [eiser] heeft geleden en lijdt als gevolg van het ongeval.

 

Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW

4.9.

 

Bovendien en ten overvloede is de rechtbank van oordeel dat sprake is van gevaar zettend handelen door WE Projects. Nu het springkussen al werd leeg gelaten terwijl zich nog mensen op het uitkijkdeel bevonden waarvandaan het mogelijk was om het springgedeelte op 9 meter hoogte te bereiken door het stappen over de steigerbuis. De vraag of het in het leven roepen of laten voortbestaan bestaan van een gevaar onrechtmatig is, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij in het bijzonder dienen te worden betrokken de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans, dat dit tot ongevallen leidt, de ernst van de gevolgen van zodanige ongevallen en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (de kelderluikcriteria). Niet is komen vast te staan dat er waarschuwingsborden waren geplaatst dan wel een sfeerbeheerder aanwezig was bij de afscheiding om te voorkomen dat over de steigerbuis kon worden gestapt. Hetgeen een niet bezwaarlijke veiligheidsmaatregel zou zijn geweest. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat WE Projects door niet voldoende maatregelen te nemen om te voorkomen dat over de steigerbuis kon worden gestapt terwijl het luchtkussen werd leeggelaten, heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van haar in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht. Er is daarmee tevens sprake van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW.

 

Eigen schuld

4.10.

 

WE Projects doet een beroep op eigen schuld van [eiser] in de zin van artikel 6:101 BW omdat hij over de steigerbuis, die bedoeld was als afscheiding, is gestapt en de instructies van [naam sfeerbeheerder] onvoldoende heeft opgevolgd.

 

[eiser] voert hiertegen aan dat geen sprake is geweest van eigen schuld en hij er van uit mocht gaan dat hij nog kon springen gezien het feit dat er enkel een steigerbalk was op heuphoogte die volgens hem enkel bedoeld was om de bezoekers in een bepaalde richting te leiden. Er waren geen waarschuwingsborden geplaatst, hij is niet teruggestuurd of gewaarschuwd door [naam sfeerbeheerder] en het feit dat er vlak voor hem nog iemand was gesprongen van het 9 meter plateau, maken dat er geen sprake is van eigen schuld omdat hij niet kon weten noch kon vermoeden dat het luchtkussen al werd leeg gelaten.

 

De rechtbank oordeelt als volgt

4.11.

 

De vraag of [eiser] ook zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en daarmee aan het ontstaan van de schade beantwoordt de rechtbank bevestigend, zodat sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW.

 

Het staat vast dat het uitkijk gedeelte naar het springgedeelte was afgescheiden door middel van een steigerbalk op heuphoogte. Het moet daarmee voor [eiser] voldoende duidelijk zijn geweest dat hij niet zonder meer vrije toegang had tot het springgedeelte. Ook staat vast dat is gezegd dat de attractie zou gaan sluiten, ook hieruit had [eiser] moeten afleiden dat springen niet meer was toegestaan. Het feit dat [eiser] desondanks over de afscheiding is gestapt is aan [eiser] zelf toe te rekenen. [eiser] heeft voorts zelf verklaard: “Ik vermoed dat het de taak van [naam sfeerbeheerder] was om aan gebruikers van de attractie aan te geven dat ze wel of niet mochten sprongen. Op dat moment dat ik naar het hoge springplateau ging, waren daar nog een tien- tot vijftiental mensen, zoals ik eerder verklaarde. Ik ben buiten hen langsgegaan en heb als het ware voorgedrongen”. [eiser] is zich dus wel bewust geweest van de aanwezigheid van [naam sfeerbeheerder] en zijn taak, doch heeft welbewust er voor gekozen dit te negeren en zoals hij zelf aangeeft voor te dringen en zonder toestemming te springen.

 

De schade van [eiser] is derhalve mede het gevolg van een omstandigheid die aan hem kan worden toegerekend en dus is er sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW. De rechtbank is van oordeel dat het zonder toestemming over de afscheiding stappen aanzienlijk heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Nu de schade is ontstaan doordat de Big Air gebrekkig was en niet de veiligheid bood die daarvan verwacht mocht worden, maar ook door het doelbewust handelen van [eiser] zoals hiervoor overwogen, ziet de rechtbank redenen om de vergoedingsplicht van WE Projects te verminderen tot 50% van de schade.

4.12.

 

WE Projects zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

 

– dagvaarding € 97,31

 

– overige explootkosten 00,00

 

– griffierecht 78,00

 

– salaris advocaat 1086,00 (2,0 punt × tarief € 543,00)

 

Totaal € 1261,31

4.13.

 

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

 

De rechtbank

5.1.

 

verklaart voor recht dat WE Projects jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade, materieel en immaterieel die [eiser] heeft geleden en tot op heden lijdt als gevolg van het ongeval op 5 juli 2014,

5.2.

 

veroordeelt WE Projects tot vergoeding aan [eiser] van 50% van de schade,

5.3.

 

veroordeelt WE Projects in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1261,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

 

veroordeelt We Projects in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

 

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M.A. van der Put en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots