Rb: Op claims made polis geen dekking voor failliete kliniek

Samenvatting:

Na laserbehandeling aan zijn oog liep eiser letsel op. De kliniek waaraan de behandelend oogarts verbonden was is failliet. Er kan alleen sprake zijn van een direct vorderingsrecht op verzekeraar als de kliniek een vorderingsrecht op verzekeraar zou hebben. Daarvan is geen sprake. De verzekering is een claims made-verzekering. Er is dan alleen dekking als de melding van de claim is gedaan tijdens de looptijd van de verzekering. Dit is niet het geval. De verzekering is geëindigd op het moment dat de kliniek failliet is verklaard. Ook heeft de curator niet gereageerd op het aanbod van verzekeraar om uitloopdekking te verzekeren. Omdat eiser geen gelijk heeft gekregen, moet hij de proceskosten van verzekeraar betalen.

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 11-01-2019
Datum publicatie 30-01-2019
Zaaknummer NL18.3344
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht. Claims made-verzekering. Directe actie. Benadeelde heeft laserbehandeling ondergaan. Mogelijk is daar een fout gemaakt. Centrum is inmiddels failliet. Benadeelde heeft geen directie actie op verzekeraar bij wie centrum beroepsaansprakelijkheidsverzekering had afgesloten: centrum zou geen beroep meer kunnen doen op deze claims made-verzekering, omdat melding van de claim van benadeelde niet tijdens looptijd van de verzekering is gedaan. In dat geval heeft benadeelde ook geen daarvan afgeleid rechtstreeks vorderingsrecht op de verzekeraar.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2019-0027

Verrijkte uitspraak
Uitspraak
vonnis
_
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht Zittingsplaats Utrecht zaaknummer: NL18.3344
Vonnis van 11 januari 2019
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] , advocaat B. Wernik te Haarlem,
tegen
de naamloze vennootschap
VVAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Utrecht,
verweerster, hierna te noemen: VvAA, advocaat C.I.M. de Haan te Utrecht.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het vonnis in incident van 14 juni 2018, waarbij de incidentele vordering tot verwijzing naar de kantonrechter is afgewezen en een mondelinge behandeling is bepaald;
– de mondelinge behandeling op 22 november 2018 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
– de aantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling van mr. De Haan.

1.2. Daarna heeft de rechter beslist dat er uitspraak wordt gedaan.

2 De beoordeling
Inleiding

2.1. [eiser] heeft op 26 maart 2015 een laserbehandeling ondergaan aan zijn linker oog bij [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ). [bedrijfsnaam] had een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij VvAA.

Wat is er gebeurd?

2.2. Na de laserbehandeling kreeg [eiser] last van een zwart vlekje boven in zijn linker oog. De behandelend oogarts van [bedrijfsnaam] heeft dat vlekje op 21 april 2015 ook geconstateerd, maar geen actie ondernomen. [eiser] verwijt hem dat nu. De arts had wel actie moet ondernemen: het bleek om een netvliesloslating te gaan. Dit is [eiser] later door een arts van het VU medisch centrum verteld. Als daaraan meteen wat gedaan zou zijn, zouden de gevolgen minder ernstig zijn geweest dan nu: [eiser] heeft een verlies aan gezichtsvermogen van ongeveer 50%. [eiser] vindt dat [bedrijfsnaam] medisch verwijtbaar heeft gehandeld en aansprakelijk is voor zijn schade.
Wat is het punt?

2.3. [bedrijfsnaam] is inmiddels failliet. [eiser] wil daarom dat VvAA rechtstreeks aan hem uitkeert. Uit de wet, artikel 7:954 lid 1 en 2 BW, volgt dat een benadeelde rechtstreeks betaling kan vorderen van de verzekeraar. Volgens VvAA kan dit niet. Zij wijst op de verzekeringsvoorwaarden. Daarin is een insolventieclausule opgenomen waarin staat dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekering met [bedrijfsnaam] per faillissementsdatum eindigt. Ook bepalen de verzekeringsvoorwaarden dat de verzekering dekking biedt voor claims die tijdens de looptijd bij VvAA zijn gemeld. [bedrijfsnaam] (of de curator) heeft de aanspraak van [eiser] nooit bij VvAA gemeld. [bedrijfsnaam] zou dus als verzekerde ook geen aanspraak kunnen maken op polisdekking, zodat [eiser] ook VvAA niet rechtstreeks kan aanspreken.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat zijn insteek is duidelijkheid te krijgen over de vraag of hij VvAA rechtstreeks kan aanspreken voordat op zijn andere vorderingen wordt beslist.
Kan [eiser] VvAA rechtstreeks aanspreken?

2.4. Er kan alleen sprake zijn van een direct vorderingsrecht van [eiser] op VvAA als [bedrijfsnaam] uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst een vorderingsrecht op VvAA zou hebben. De directe actie van artikel 7:954 lid 1 BW geeft een benadeelde geen zelfstandig eigen recht maar een eigen recht dat is afgeleid van het vorderingsrecht van de verzekerde: [eiser] kan van VvAA alleen betaling vorderen van wat [bedrijfsnaam] van haar verzekeraar te vorderen heeft. [eiser] heeft met andere woorden niet meer rechten dan [bedrijfsnaam] heeft.
In dit geval heeft [bedrijfsnaam] geen vorderingsrecht op VvAA. Daarom heeft [eiser] ook geen daarvan afgeleid rechtstreeks vorderingsrecht op VvAA. [bedrijfsnaam] kan voor de claim van [eiser] namelijk geen aanspraak maken op dekking onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering die [bedrijfsnaam] heeft afgesloten is een zogenoemde claims made-verzekering. Er is dan alleen dekking als de melding van de claim is gedaan tijdens de looptijd van de verzekering. Dit is niet het geval. De verzekering is geëindigd op het moment dat [bedrijfsnaam] failliet is verklaard. Dat was op 13 september 2016. Voor die tijd heeft [bedrijfsnaam] bij VvAA geen melding gemaakt van een claim van [eiser] . Ook heeft de curator niet gereageerd op het aanbod van VvAA om uitloopdekking te verzekeren en evenmin in dat stadium de claim van [eiser] bij haar gemeld. De advocaat van [eiser] heeft VvAA op 8 juni 2017 aansprakelijk gesteld. Dit is na afloop van de geldigheidsduur van de verzekering. Er is dan geen dekking onder de polis: [bedrijfsnaam] zou geen rechten meer kunnen ontlenen aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Voor [eiser] betekent dit dat hij geen betaling kan vorderen van VvAA. De rechtbank zal de vordering van [eiser] voor recht te verklaren dat hij een rechtstreekse vordering tot betaling heeft op VvAA afwijzen. De andere vorderingen van [eiser] hoeven hierdoor niet meer besproken te worden en zullen ook worden afgewezen.
Afsluiting

2.5. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is aangegeven, moet de rechtbank de zaak juridisch beoordelen. Dat neemt natuurlijk niet weg, zoals ook VvAA in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven, dat het te betreuren is dat [eiser] mogelijk door toedoen van [bedrijfsnaam] geconfronteerd is met verlies aan gezichtsvermogen.

2.6. Omdat [eiser] geen gelijk heeft gekregen, moet hij de proceskosten van VvAA betalen. Deze kosten zijn begroot op:
– griffierecht € 1.950,00
– salaris advocaat 922,00 (2,0 punten × tarief € 461,00) Totaal € 2.872,00

3 De beslissing
De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,

3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van VvAA tot op heden begroot
op € 2.872,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2019.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey