Rb: ongeval tussen tegemoetkomende fietsers, rechtbank gebonden aan bindende eindbeslissing in deelgeschil

Samenvatting:

Ongeval tussen elkaar tegemoetkomende fietsers (A en B), waarbij één van de fietsers (B) letsel heeft opgelopen. In eerder deelgeschil heeft de rechter geoordeeld dat A aansprakelijk. A vordert in deze procedure de beschikking te vernietigen en voor recht te verklaren dat A niet aansprakelijk is. B verzoekt (in reconventie) om voorschot (voorlopige voorziening in incident). 1. De rechtbank stelt vast dat de deelgeschilrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist dat A aansprakelijk is, waaraan de rechtbank o.g.v. art. 1019cc lid 1 Rv in beginsel gebonden is (leer van de bindende eindbeslissing). De rechtbank ziet voorshands geen aanleiding om te oordelen dat de beschikking op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust en acht zich gebonden. 2. Voorschot. De rechtbank oordeelt dat het causaal verband tussen de klachten en het ongeval nog geenszins vast staat. Het verzochte voorschot wordt afgewezen; klein voorschot smartengeld en BGK toegewezen.

ECLI:NL:RBOVE:2018:317

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 17-01-2018
Datum publicatie 01-02-2018
Zaaknummer C/08/212575 / KG ZA 18-5

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Incident ex artikel 223 Rv in letselschadezaak. Leerstuk van bindende eindbeslissing. Voorschot op schadevergoeding deels toegewezen.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

.   .vonnis

 

RECHTBANK OVERIJSSEL

 

 

Team kanton en handelsrecht

 

 

 

 

Zittingsplaats Zwolle

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/08/212575 / KG ZA 18-5

 

 

 

 

Vonnis in incident ex artikel 223 Rv van 17 januari 2018

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[A] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiser in conventie in de hoofdzaak,

 

verweerder in reconventie in de hoofdzaak,

 

verweerder in het incident,

 

advocaat mr. G. Loman te Assen,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

[B] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

 

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

 

eiseres in het incident,

 

advocaat mr. Z.J. Rittersma te Laag-Keppel.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding d.d. 27 juni 2017 in de hoofdzaak met zaak-/rolnummer C/08/205090 / HA ZA 17-334

de conclusie van antwoord met eis in reconventie in de hoofdzaak, tevens houdende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening

 

de conclusie van antwoord in het incident.

 

 

1.2.

Hierna is vonnis bepaald in het incident.

 

 

 

2 De feiten in het incident

2.1. Op 11 juli 2014 heeft op een fietspad nabij Staphorst een verkeersongeval plaatsgehad tussen partijen, waarbij [B] letsel heeft opgelopen.

 

 

 

2.2.

[A] fietste [B] die dag vanuit tegengestelde richting tegemoet. [A] reed achter zijn echtgenote. Nadat [B] al fietsend de echtgenote van [A] was gepasseerd, hebben (de fietsen van) [A] en [B] elkaar geraakt, waarbij [B] ten val is gekomen in de berm naast het fietspad.

 

 

2.3.

[B] heeft in mei 2016 bij deze rechtbank een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt. Bij beschikking van 21 december 2016 is in die procedure voor recht verklaard dat [A] aansprakelijk is voor de door [B] als gevolg van het ongeval van 11 juli 2014 geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en is [A] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.268,90 aan kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv.

 

 

 

3 De vordering

 

In de hoofdzaak

 

3.1.

[A] vordert in conventie in de hoofdzaak bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de vernietiging van voornoemde beschikking van 21 december 2016 en een verklaring voor recht dat [A] niet aansprakelijk is jegens [B] voor de gevolgen van het ongeval van 11 juli 2014, althans dat [B] niet geslaagd is in de op haar rustende bewijslast van de stelling dat [A] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van dat ongeval. Ook vordert [A] veroordeling van [B] tot (terug)betaling van een bedrag van € 4.556,90 en tot betaling van de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen.

 

3.2.

[A] legt aan deze vordering – samengevat – het navolgende ten grondslag. De beschikking van 21 december 2016 berust op een onjuiste grondslag en dus is de rechtbank in de hoofdzaak niet aan de betreffende beslissing gebonden. De rechtbank heeft in de beschikking ten onrechte overwogen dat [A] gevaarzettend heeft gehandeld en dat niet kan worden vastgesteld dat [A] voldoende rechts heeft gereden. Ook heeft de rechtbank in de deelgeschilprocedure de hoofdregel omtrent de bewijslastverdeling onjuist toegepast, hetgeen tevens als een juridische dan wel feitelijke misslag kan worden gekwalificeerd. [A] heeft een bedrag van € 4.556,90 aan [B] betaald ter zake de kosten van het deelgeschil. Deze betaling is onverschuldigd geschied, nu [A] niet jegens [B] aansprakelijk is.

 

 

3.3.

[B] vordert in reconventie in de hoofdzaak veroordeling van [A] tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het ongeval van 11 juli 2014, begroot op een bedrag van € 42.046,24, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede vergoeding van de schade die [B] in de toekomst nog zal lijden, nader op te maken bij staat, met veroordeling van [A] in de kosten van de procedure.

 

 

3.4.

[B] legt aan deze vordering – samengevat – het navolgende ten grondslag. [B] heeft bij het ongeval van 11 juli 2014 letsel opgelopen, bestaande uit een ribfractuur, kortademigheid, kneuzingen van de borstkas, hoofdpijn, nekpijn, duizeligheid, spierpijnen en rugklachten. [B] heeft op en na 24 februari 2016 te maken gehad met aanvallen die als TIA zijn geduid en er bestaat een duidelijk vermoeden dat sprake is geweest van een oudere (hersen)bloeding die in tijd moet samenhangen met het ongeval en/of van een schedelhersentrauma. Een en ander heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheid van [B] gedurende zeven weken aansluitend aan het ongeval en vanaf 24 februari 2016 tot heden. De door [B] tot op heden als gevolg van het ongeval geleden schade bestaat uit de volgende posten:

 

– € 926,78 aan reiskosten over de periode van 11 juli 2014 tot en met 20 januari 2017;

 

– € 10.248,21 aan kosten van huishoudelijke hulp over de periode van 11 juli 2014 tot de 70e verjaardag van [B] ;

 

– € 700,00 ter vergoeding van de door de zoon van [B] en een bekende verrichte werkzaamheden in de tuin en het schilderen van de woning;

 

– € 19.132,00 wegens verlies van arbeidsvermogen;

 

– € 1.191,41 aan kosten van medische behandelingen;

 

– € 135,49 wegens schade aan fiets en bezittingen;

 

– € 4.712,35 aan buitengerechtelijke incassokosten;

 

– € 5.000,00 aan smartengeld;

 

– wettelijke rente (nog te begroten).

 

 

 

In het incident

 

 

 

3.5.

[B] vordert in het incident veroordeling van [A] tot betaling van een bedrag van € 10.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorschot op de in of buiten rechte vast te stellen schade.

 

 

3.6.

[B] legt aan deze incidentele vordering ten grondslag dat het gelet op haar financiële situatie vooruitlopend op de vaststelling van de schade gewenst is een voorschot te ontvangen op de uit te keren schadevergoeding. Volgens [B] was te verwachten geweest dat als zij in de deelgeschilprocedure een voorschot op de geleden schade had gevorderd, een dergelijk voorschot was toegewezen en bestaat er ook gezien de wijze waarop Univé met de betreffende kwestie omgaat aanleiding voor toekenning van een voorschot op de schadevergoeding. [B] stelt dat op grond van de bewijsmiddelen voldoende kan worden ingeschat dat een smartengeld van € 5.000,00 exclusief daarover vervallen wettelijke rente in de rede ligt en dat de kosten die zij heeft gemaakt tenminste een bedrag van € 5.000,00 overschrijden, zodat een bedrag van € 10.000,00 aan voorschot toewijsbaar is.

 

3.7.

[A] heeft verweer gevoerd in het incident. Voor zover van belang, zal dit verweer hierna worden besproken.

 

 

4

  1. De beoordeling

 

In het incident

 

4.1.

Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. In lid 2 van dat artikel is bepaald dat de betreffende vordering moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak. Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer daarbij voldoende belang bestaat. Dit betekent dat het belang bij de gevraagde voorziening dringend moet zijn, in die zin dat van de eisende partij niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht.

 

 

4.2.

Aan de vereisten van artikel 223 lid 1 en 2 Rv is in dit geval voldaan. De gevorderde voorziening hangt samen met de vordering in reconventie in de hoofdzaak en betreft een voorziening die voor de duur van de aanhangige hoofdzaak kan worden gegeven.

 

 

4.3.

Wat betreft het vereiste van voldoende belang bij een provisionele vordering geldt dat deze eis minder zwaar is dan die van spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding. Uit de stellingen van [B] vloeit naar het oordeel van de rechtbank voldoende voort dat zij een dringend belang heeft bij de gevraagde voorziening en aan het verweer van [A] dienaangaande zal derhalve voorbij worden gegaan.

 

 

4.4.

Nu voldaan is aan de vereisten voor het instellen van een provisonele vordering, moet beoordeeld worden of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt. Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat in verband met het restitutierisico meestal alleen het geval indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot reeds voldoende vaststaat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld.

 

 

4.5.

[A] stelt zich op het standpunt dat de reconventionele vordering van [B] onvoldoende aannemelijk is. Hij betoogt daartoe allereerst, net als in de hoofdzaak, dat de beschikking van 21 december 2016 feitelijke dan wel juridische misslagen bevat die maken dat niet aannemelijk is dat hij in rechte uiteindelijk aansprakelijk wordt geacht jegens [B] . [A] doet hiermee een beroep op de jurisprudentie van de Hoge Raad over het leerstuk van de bindende eindbeslissing.

 

 

4.6.

Het leerstuk van de bindende eindbeslissing houdt in dat de rechter die een geschilpunt uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, daarvan in het verdere verloop van de procedure in beginsel niet mag terugkomen. Dit geldt echter niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553). Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn (HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521).

 

 

4.7.

De rechtbank stelt vast dat de deelgeschilrechter in de beschikking van 21 december 2016 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist dat [A] aansprakelijk is voor de door [B] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 11 juli 2014. Deze beslissing is een eindbeslissing waaraan de rechtbank op grond van artikel 1019cc lid 1 Rv in beginsel gebonden is.

 

 

4.8.

De rechtbank ziet voorshands geen aanleiding om te oordelen dat de beschikking van 21 december 2016 op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. [A] heeft geen nieuwe feiten aangedragen op grond waarvan moet worden aangenomen dat de betreffende beslissing onjuist is en ook overigens bestaat geen aanleiding de beschikking van 21 december 2016 als ondeugdelijk te beschouwen. De rechtbank acht voorshands dan ook voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zich aan die beschikking gebonden acht.

 

 

4.9.

[A] voert ook aan dat volstrekt niet aannemelijk is dat de door [B] gestelde schade het gevolg is van het ongeval. Volgens [A] kampte [B] reeds ruim voor het ongeval met diverse medische klachten welke de gestelde schade eveneens kunnen hebben veroorzaakt en hebben zich na het ongeval omstandigheden voorgedaan in de medische sfeer die, het ongeval weggedacht, tot dezelfde schade leiden als door [B] wordt gesteld. [A] stelt ook dat [B] de omvang van de schade onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

 

 

 

4.10.

 

De rechtbank volgt [A] in zijn stelling dat het oorzakelijk verband tussen de door [B] gestelde klachten en beperkingen en het ongeval van 11 juli 2014 nog geenszins vaststaat. Teneinde vast te stellen welke klachten en beperkingen precies het gevolg zijn van het ongeval, zal in de hoofdzaak mogelijk een medisch deskundige benoemd worden, hetgeen [B] zelf ook inziet. Voor een voorschot op de door [B] gestelde kosten van medische behandelingen, de kosten van huishoudelijke hulp, de kosten voor het schilderen van de woning en voor de werkzaamheden aan de tuin, alsmede het gestelde verlies van arbeidsvermogen ziet de rechtbank daarom geen aanleiding. Anderzijds staat wel vast dat [B] door het ongeval letsel heeft opgelopen en dat er in ieder geval sprake is geweest van een ribfractuur als gevolg van het ongeval. Een klein voorschot op het gevorderde smartengeld is thans naar het oordeel van de rechtbank daarom wel toewijsbaar. [B] kan naar het oordeel van de rechtbank bovendien aanspraak maken op een voorschot op de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Voorshands is immers voldoende aannemelijk dat [A] aansprakelijk is te houden voor de door [B] als gevolg van het ongeval geleden schade, hetgeen betekent dat aannemelijk is dat de inspanningen van de raadsman van [B] om te trachten een minnelijke regeling tot stand te brengen voor vergoeding in aanmerking komen. [A] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, terwijl de betreffende kosten de rechtbank voorshands niet onredelijk voorkomen. Als onweersproken staat thans eveneens voldoende vast dat [B] als gevolg van het ongeval € 135,49 aan schade heeft geleden aan haar fiets en andere bezittingen, welke schade [B] voldoende heeft gespecificeerd. Al met al en rekening houdend met de gestelde reiskosten, waarvan een (klein) deel ziet op de deelgeschilprocedure, staat naar het voorlopig oordeel van de rechtbank thans voldoende vast dat [B] aanspraak kan maken op een bedrag van

 

€ 5.500,00 aan schadevergoeding. Aan voorschot op de vast te stellen schade zal derhalve een bedrag van € 5.500,00 worden toegewezen.

 

 

 

4.11.

 

Als de in het ongelijk gestelde partij dient [A] in de kosten van het incident te worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op heden aan de zijde van [B] begroot op een bedrag van € 384,00 aan salaris gemachtigde.

 

 

In de hoofdzaak

 

 

 

4.12.

Verwijst de zaak naar de rol voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

 

 

5

  1. De beslissing

 

De rechtbank

 

 

 

in het incident

 

5.1.

veroordeelt [A] voor de duur van het geding tot betaling aan [B] van een bedrag van € 5.500,00 als voorschot op de in of buiten rechte vast te stellen schade die het gevolg is van het ongeval van 11 juli 2014;

 

 

5.2.

veroordeelt [A] in de kosten van het incident, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 384,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling;

 

 

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

 

 

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

 

 

 

in de hoofdzaak

 

5.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 31 januari 2018 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots