Rb: onderlinge draagplicht aannemer en onderaannemer na arbeidongeval: 65%-35%

Samenvatting:

Werknemer loopt letsel op als loopplank naar steiger waar hij werkzaamheden verricht naar beneden valt. In deze procedure gaat het om de onderlinge draagplicht tussen de aannemer en de onderaannemer. De kantonrechter oordeelt dat de hoofdaannemer in beginsel verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid op de hele bouwplaats. Die verantwoordelijkheid wordt begrensd door hetgeen partijen in afwijking daarvan zijn overeengekomen als ook door te treffen maatregelen die evident gerelateerd zijn aan de werkzaamheden in onderaanneming, waarvoor de hoofdaannemer redelijkerwijs geen verantwoordelijkheid kan dragen. De kantonrechter ziet aanleiding om in de onderlinge verhouding de aansprakelijkheid deels bij onderaannemer te laten (35%).

ECLI:NL:RBOVE:2018:2225

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 13-06-2018
Datum publicatie 28-06-2018
Zaaknummer 206609 HAZA 17/381

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Tussenuitspraak

Inhoudsindicatie

 

Onderlinge draagplichtverdeling aannemer en onderaannemer voor schade van werknemer van de onderaannemer door arbeidsongeval. Hoofdaannemer draagt in beginsel verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de hele bouwplaats. Die verantwoordelijkheid wordt begrensd door hetgeen partijen in afwijking daarvan zijn overeengekomen als ook door te treffen maatregelen die evident gerelateerd zijn aan de werkzaamheden in onderaanneming, waarvoor de hoofdaannemer redelijkerwijs geen verantwoordelijkheid kan dragen. Rechtbank ziet in casu wel aanleiding om in de onderlinge verhouding de aansprakelijkheid deels bij onderaannemer te laten.

VindplaatsenRechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2018-0534

Verrijkte uitspraak

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

RECHTBANK OVERIJSSEL

 

Team kanton en handelsrecht

 

Zittingsplaats Almelo

 

 

 

Zaaknummer : 206609 HAZA 17/381

 

 

 

 

Vonnis van 13 juni 2018

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

  1. besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 1],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] , en

 

 

2 naamloze vennootschap ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

 

 

eisende partijen, ook wel [eiseres 1] , respectievelijk ASR te noemen, en gezamenlijk ‘eisers’ te noemen,

 

advocaat: mr. M.M. Klunder, te Ermelo,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ,

 

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

 

advocaat: mr. A.A.M. Zeeman, te Voorburg.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Deze blijkt uit:

 

– het tussenvonnis van 8 november 2017 ter bepaling van een comparitie na antwoord;

 

– de aan de zijde van [gedaagde] , ter voorbereiding van de comparitie na antwoord, in het geding gebrachte producties;

 

– het proces-verbaal van de comparitie na antwoord, gehouden op 1 maart 2018.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Een (inmiddels voormalige) werknemer van [eiseres 1] , de heer [X] [ook wel werknemer te noemen], heeft op 5 juni 2013 letsel opgelopen als gevolg van een hem tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden overkomen ongeval.

 

 

2.2.

Het ongeval vond plaats op een bouwlocatie aan de Tukkerstraat te Almelo waar [gedaagde] als hoofdaannemer de bouw van 18 woningen realiseerde. [eiseres 1] was daar, als onderaannemer, ingeschakeld voor installatiewerkzaamheden in de in aanbouw zijnde woningen.

 

 

2.3.

 

[gedaagde] is een werkmaatschappij van Volker Wessels Bouw & Vastgoedontwikkeling B.V. In het kader van de overeenkomst van onderaanneming heeft [gedaagde] aan [eiseres 1] een op 7 december 2012 gedateerde schriftelijke overeenkomst (prod. 5 bij dagvaarding) gestuurd. [eiseres 1] was op dat moment al met de uitvoering van de werkzaamheden in onderaanneming begonnen. [eiseres 1] heeft de schriftelijke overeenkomst niet getekend.

 

[gedaagde] en [eiseres 1] werk(t)en vaker op basis van hoofd- en onderaanneming samen.

 

 

 

2.4.

In het Veiligheids- en gezondheidsplan van [gedaagde] staat op pag. 11 vermeld voor welke bouwplaatsvoorzieningen [gedaagde] zou zorg dragen. Daarin wordt onder meer vermeld: ‘steigers’. Daarin is niet specifiek iets vermeld over het treffen van voorzieningen die toegang tot de woningen moeten verschaffen.

 

 

2.5.

 

In het ‘Aanvullend V&G plan: Neven-/Onder aanneming’(productie 2, bijlage 7 bij dagvaarding) staat:

 

‘De opdrachtnemer maakt op het bouwterrein gebruik van aanwezige voorzieningen.’

 

 

 

2.6.

In het stuk ‘Project risico-inventarisatie en evaluatie “Project” van [gedaagde] [verder: de RI&E] zijn op pag. 8, onder paragraaf 2.4. aangekruist de – door [gedaagde] – te nemen V&G maatregelen rondom het bouwen en vrijgeven van steigers, waaronder het ‘dichtleggen van sparingen en schachten’.

 

 

2.7.

 

Voor de woning waarin werknemer en zijn collega’s op 5 juni 2013 installatiewerkzaamheden zouden verrichten stond een door [gedaagde] geplaatste steiger. Het onderslag van de steiger bevond zich deels voor de deuropening. Tussen de deuropening en de steigervloer bevond zich een open ruimte. Ter overbrugging van die ruimte was een loopplank neergelegd. De loopplank was aan één zijde neergelegd op het onderslag van het steigerwerk. Aan de andere zijde was de loopplank op een houten lat gelegd, die fungeerde als afstandshouder aan de onderzijde van het deurkozijn. De loopplank was aan geen van beide zijden vastgezet.

 

Werknemer is, om materialen in de woning te brengen, net als zijn collega’s en werknemers van andere onderaannemers over de loopplank heen en weer gelopen. Op enig moment is de loopplank aan de zijde van de steigervloer ongeveer 60 cm naar beneden gevallen waardoor werknemer ten val kwam. Werknemer heeft daarbij schouderletsel opgelopen.

 

 

 

2.8.

 

Het ongeval is door [eiseres 1] (eerst) op 11 juni 2013 bij de inspectie SZW [verder: de inspectie] gemeld. Naar aanleiding daarvan is een ongevallenboeterapport opgemaakt door de inspectie. In dit rapport (productie 2 bij dagvaarding) is onder meer het volgende opgenomen:

 

“De arbeidsplaats was niet zodanig ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf gesteld, gebruikt en onderhouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk was voorkomen, aldus zijnde een overtreding van artikel 16, 10e lid, van de arbeidsomstandighedenwet, juncto artikel 3.2, 1e lid van het arbeidsomstandighedenbesluit, bestuurlijk beboetbaar gesteld in artikel 9.9b, 1e lid onder c van datzelfde besluit.”

 

[eiseres 1] is bij genoemd besluit een boete opgelegd van € 3.600,- vanwege niet genomen veiligheidsmaatregelen en € 450,- wegens het te laat melden van het ongeval.

 

2.9.

Door de inspectie zijn in het kader van het door haar ingestelde onderzoek gehoord werknemer, alsmede de heren [B] (in dienst van [eiseres 1] ) en [C] (in dienst van [gedaagde] ), beiden ten tijde van het ongeval werkzaam op de bouwlocatie.

 

 

2.10.

 

[B] heeft verklaard, voor zover van belang (bijlage 5 bij inspectierapport):

 

“Ik ben een dienst van de firma [eiseres 1] te [vestigingsplaats 1] . Ik was erbij toen het ongeval met collega [X] gebeurde. De plank waar [X] overheen liep toen hij viel, hierbij deze woning, lag gewoon los. De plank lag aan de deurzijde los op een dikke lat en aan de steigerzijde lag de plank los op de steigerplanken. […] We zijn allemaal al eens over die plank heen gelopen. Ik was me er ook niet van bewust dat die plank kon verschuiven.”

 

 

 

 

[C] heeft verklaard, voor zover van belang (bijlage 4 bij inspectierapport):

 

“Ik ben in dienst van [gedaagde] . Ik bevond mij hier op de bouwplaats toen het ongeval met [X] van de firma [eiseres 1] gebeurde. De plank waarover [X] de woning binnen wilde lopen lag deels op te stijger en deels op een afstandshouden aan de onderzijde van de deuropening. Die plank lag daar gewoon los. Na de val van [X] zag ik dat de plank aan de kant van de steiger onder de steigervloer lag. […]”

 

 

 

 

[X] heeft verklaard, voor zover van belang (bijlage 6 bij inspectierapport):

 

“[…]

 

Ik was in opdracht van [eiseres 1] aan het werk. We waren bezig met installatiewerk in de nieuwe woningen.

 

 

 

 

We waren net klaar met zijn woning en zouden naar de volgende gaan. We waren met een paar man bezig om alle materialen en gereedschappen in de woning te brengen. Het materiaal bestond uit aansluitmateriaal voor de schoorsteenkappen.

 

 

 

 

We gingen via de opening van de voordeur de woning binnen. Voor de deur lag een loopplank.

 

Deze lag aan één kant op te steigervloer en aan de andere kant lag die op een afstandshouder aan de onderkant van de deuropening. Iedereen liep over die loopplank heen. De tegelzetters, de timmerlui. Toen ik voor het eerst bij die woning kwam lag die loopplank daar al.

 

Ik was zelf al zeker een keer of 10 via die loopplank de woning in en uit gelopen, toen het ineens misging.

 

[…]

 

De loopplank lag zo gezegd aan de ene kant op te steigervloer. Aan de andere kant lag de plank op een afstandshouder aan de onderzijde van de deuropening en stak zeker zo’n 30 cm naar binnen. De plank lag recht en was ook breed genoeg om overheen te lopen. Ik heb er eigenlijk helemaal niet opgelet of de plank wel vastzat. Dit bleek dus niet zo te zijn. Ook bij de andere woningen lagen soortgelijke loopplanken en volgens mij lagen die net zo.

 

De plank is er vermoed ik neergelegd door iemand van de bouwkundig aannemer, [gedaagde] dus.

 

 

 

 

We hadden op deze bouw goed overleg tussen onze mensen en de uitvoerder van [gedaagde] . [D] noemden we hem. Als iets geregeld moet worden dan zorgde [D] er voor dat dat gebeurde.

 

 

 

 

Er was veel overleg over en weer. Over de toegang naar de woningen is niet gesproken. Dat wordt meestal gewoon goed geregeld.

 

Bij ons op het werk wordt ook veel overleg gevoerd over de uitvoering van het werk en veiligheid die we daarbij in acht moeten nemen. Ik kan niet zeggen dat we daarbij ook moeten letten of zo’n loopplank wel vast is gezet. Ik denk dat men bij ons er wel van uit gaat dat we daar zelf opletten. Normaal doe ik dat ook wel, maar op die bewuste morgen heb daar eerlijk gezegd niet opgelet.

 

 

 

 

Als zo’n plank daar ligt dan loop je daar gewoon over heen.

 

[…].”

 

 

 

2.11.

 

[E] , in dienst van [eiseres 1] , heeft verklaard (productie 3 bij dagvaarding):

 

“Toen ik en mijn collega’s van [eiseres 1] voor het eerst werkzaamheden in de nieuwbouwwoningen moesten verrichten, lagen de loopplankjes al voor de nieuwbouwwoningen. Op dat moment waren er op de bouwlocatie ook al werknemers van [gedaagde] en steigerbouwers aanwezig.

 

 

 

 

Het is zeer onwaarschijnlijk dat één van mijn collega’s deze loopplankjes hebben geplaatst omdat dit normaal gesproken een taak is van de hoofdaannemer, in dit geval [gedaagde] of de steigerbouwers.

 

 

 

 

Na het ongeval heeft plaatsgevonden heeft [gedaagde] alle loopplankjes voor de woning vastgezet.“

 

 

 

2.12.

 

[F] , in dienst van [eiseres 1] , heeft verklaard (productie 4 bij dagvaarding):

 

“[…]

 

Deze plank diende als overbrugging tussen de steiger en de nieuwbouwwoning. De lengte van deze plank is ongeveer 40 a 50 cm. De ruimte onder deze plank is ongeveer 40 cm diep.

 

 

 

 

Deze plank was al aanwezig voordat ik en mijn collega’s van [eiseres 1] op de bouwlocatie werkzaamheden moesten verrichten.

 

Ten tijde van het arbeidsongeval waren veel andere bedrijven aanwezig die werkzaamheden in de woning moesten verrichten. Denk hierbij aan de wandensteller en timmermannen van hoofdaannemer [gedaagde] .

 

 

 

 

Ik heb deze loopplank niet geplaatst en het lijkt me ook zeer onwaarschijnlijk dat een van mijn collega’s van [eiseres 1] de loopplank hebben geplaatst.

 

[…].”

 

 

 

2.13.

 

[X] heeft nogmaals een verklaring afgelegd en heeft verklaard (productie 5 bij dagvaarding):

 

“Met betrekking tot de toedracht van het arbeidsongeval blijf ik bij mijn verklaring zoals ik deze heb afgelegd tegenover de inspecteur van inspectie SZW.

 

 

 

 

Ik weet niet wie de steiger voor de woning heeft geplaatst.

 

 

 

 

Ik weet dat de loopplank er al lag voordat ik in de woning moest om de installatiewerkzaamheden uit te voeren. Ik weet niet wie deze loopplank heeft geplaatst.

 

 

 

 

Van de kant van [eiseres 1] was de heer [G] elke dag aanwezig om toezicht te houden op de bouwplaats terwijl de uitvoerder van [eiseres 1] , de heer [H] , wisselend langskwam op de bouwlocatie.

 

 

 

 

De heer [D] (geen familie van [H] ) was de uitvoerder van [gedaagde] . Hij was continu aanwezig op de bouwlocatie.

 

 

 

 

Ik wist niet dat de loopplank los lag. Collega’s heb ik hier ook niet over gehoord. Voor elke woning op de bouwlocatie lag een loopplank die de toegang tot de woning verschafte.

 

 

 

 

Ik ben wel 10 keer over de loopplank heen gelopen. Het was gewoon pech dat de plank naar beneden is gevallen toen ik er overheen liep.”

 

 

 

2.14.

Na het ongeval is de loopplank vastgezet door de heer [D] , medewerker van [gedaagde] . Ook andere losliggende loopplanken op de bouw zijn vervolgens door [D] nagekeken en vastgezet.

 

 

2.15.

ASR, verzekeraar van [eiseres 1] , heeft de schadeafwikkeling jegens werknemer ter hand genomen. [eiseres 1] heeft het loon tijdens ziekte van werknemer tot het einde van zijn arbeidsovereenkomst, per 1 februari 2014, doorbetaald.

 

 

2.16.

Bij brief van 24 januari 2014 heeft ASR [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade van werknemer als gevolg van het ongeval op 5 juni 2013. [gedaagde] heeft de kwestie gemeld bij haar verzekeraar, Zurich Insurance Public Limited Company [verder: Zurich].

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

 

De vordering

 

[eiseres 1] en ASR vorderen – samengevat – bij vonnis en na eisvermindering tijdens de comparitie na antwoord, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade van werknemer en [eiseres 1] als gevolg van het ongeval op 5 juni 2013, waarbij de interne draagplicht betreffende de vergoeding van de schade volledig ligt bij [gedaagde] ;

 

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van de nog resterende helft van de aan [eiseres 1] opgelegde boete, zijnde € 1.800,-;

 

[gedaagde] te veroordelen om aan ASR een voorschot betalen van € 50.000,-;

 

[gedaagde] te veroordelen in de kosten procedure als gespecificeerd bij dagvaarding;

 

[gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres 1] en ASR te vergoeden de reeds door hen betaalde materiële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening

 

 

3.2.

 

Het verweer

 

[gedaagde] concludeert – samengevat – tot afwijzing van de vorderingen.

 

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

Het gaat in dit geschil niet om de vraag wie van partijen jegens werknemer gehouden is diens schade te vergoeden maar om de vraag wie van partijen in hun onderlinge verhouding die schade, die is en/of wordt vergoed door [eiseres 1] en/of ASR moet dragen.

 

 

4.2.

Voor beantwoording van die vraag is van belang wie van partijen (primair) verantwoordelijk was voor een veilige toegang tot de woning waar [X] zijn werkzaamheden moest verrichten.

 

 

4.3.

Nu de schriftelijke door [gedaagde] getekende en aan [eiseres 1] gezonden overeenkomst door laatstgenoemde niet is getekend dient uitgegaan te worden van een mondeling tussen partijen gesloten overeenkomst van onderaanneming.

 

 

4.4.

 

Met [eiseres 1] is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] als hoofdaannemer in beginsel verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid op de hele bouwplaats. Die verantwoordelijkheid wordt begrensd door hetgeen partijen in afwijking daarvan zijn overeengekomen als ook door te treffen maatregelen die evident gerelateerd zijn aan de werkzaamheden in onderaanneming, waarvoor de hoofdaannemer redelijkerwijs geen verantwoordelijkheid kan dragen. Te denken is dan aan bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van de juiste, veilige werkgereedschappen of specifiek voor de werkzaamheden in onderaanneming vereiste beschermingsmiddelen, nodig voor het uitvoeren van het installatiewerk waartoe [eiseres 1] als onderaannemer is gecontracteerd. Daarvoor is de onderaannemer in zijn verhouding tot de hoofdaannemer in beginsel aansprakelijk.

 

In dit geschil gaat het niet om een veiligheidsmaatregel die specifiek op het installatiewerk ziet, maar om een veilige toegang tot een woning waarin de werknemer, net als werknemers van (onder meer) de hoofaannemer en andere onderaannemers zijn werkzaamheden moest verrichten.

 

De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de hoofdaannemer en niet bij – iedere – individuele onderaannemer die in die woningen werkzaamheden moet (laten) verrichten. Indien [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst die verantwoordelijkheid bij [eiseres 1] had willen leggen had verwacht mogen worden dat [gedaagde] dat expliciet zou bedingen. In de door haar opgestelde overeenkomst, noch elders, zijn daarvoor aanwijzingen te vinden.

 

 

 

4.5.

 

Dat de verantwoordelijkheid ter zake bij de hoofdaannemer rust volgt (ook) uit het Veiligheids- en gezondheidsplan van [gedaagde] , waarin is opgenomen (pag. 11) dat [gedaagde] voor steigers, als onderdeel van de bouwplaatsvoorzieningen, zou zorg dragen. Steigers betreffen voorzieningen bedoeld om werkzaamheden aan en in een woning mogelijk te maken en zijn als bouwplaatsvoorziening te beschouwen. [gedaagde] heeft tijdens de comparitie na antwoord gesteld dat aan de steiger, om via de voordeur toegang tot de woning te verkrijgen, door (de medewerkers van) [eiseres 1] gebruik gemaakt had kunnen worden van de – als onderdeel van de – steiger aanwezige uitschuifkorteling(en). Daarop had een plank gelegd kunnen worden waarmee – veilige – toegang tot de woning kon worden verschaft. Nu die uitschuifkortelingen onderdeel uitmaken van de steiger en uit het gegeven dat [gedaagde] als hoofdaannemer voor steigers en daarmee toegankelijkheid voor het verrichten van werkzaamheden in- en aan de woningen(en) zou zorg dragen, is [gedaagde] voor een veilige toegang in relatie tot [eiseres 1] verantwoordelijk. Hiervoor is voorts een aanwijzing te vinden in de RI&E, hoofdstuk 2.14 waarin is opgenomen dat als door [gedaagde] te nemen V&G maatregelen ook valt ‘het dichtleggen van sparingen en schachten’. Het stuk dat ‘overbrugd’ moest worden is als een dergelijke sparing te duiden.

 

Ook in de omstandigheid dat [D] , in dienst van [gedaagde] , na het ongeval alle losliggende planken heeft vastgezet, kan een bevestiging, niet meer dan dat, worden gevonden dat de primaire verantwoordelijkheid bij [gedaagde] lag.

 

 

 

4.6.

 

[eiseres 1] heeft er in beginsel dan ook op mogen vertrouwen dat [gedaagde] voor overbrugging van de sparing, oftewel een veilige toegang tot de woning(en) zou zorg dragen.

 

Nog daargelaten dat, nu de overeenkomst tussen partijen niet is getekend de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn, zijn de door [gedaagde] ter bevrijding van haar aansprakelijkheid aangehaalde artikelen niet op een situatie als de onderhavige van toepassing. Ook de door [gedaagde] aangehaalde bepalingen uit het Arbeidsomstandighedenbesluit kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Die artikelen zien op de relatie tussen [eiseres 1] en haar werknemers. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de inspectie [eiseres 1] een boete heeft opgelegd onder verwijzing naar de verantwoordelijkheid die [eiseres 1] heeft voor de veiligheid van haar werknemers. Ook dat ziet niet op de onderlinge draagplicht.

 

 

 

4.7.

Indien, zoals door [gedaagde] gesteld, werknemers van [eiseres 1] de plank zelf zouden hebben neergelegd zou dat [gedaagde] van haar aansprakelijkheid kunnen bevrijden. Dat daarvan sprake is geweest is door [gedaagde] niet meer dan in algemene bewoordingen, als geopperde mogelijkheid, gesteld. Nu het, gelet op haar primaire verantwoordelijkheid in deze, op haar weg ligt onderbouwd te stellen en, gelet op de betwisting door [eiseres 1] , te bewijzen dat werknemers van [eiseres 1] de plank hebben neergelegd, kan zij ter onderbouwing van haar stelling niet volstaan met genoemde ‘in het algemeen bestaande mogelijkheden’. Aan een bewijsopdracht ter zake wordt dan ook niet toegekomen.

 

 

4.8.

 

Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat in de onderlinge verhouding tussen partijen [gedaagde] primair gehouden is de als gevolg van het ongeval door [eiseres 1] en/of haar verzekeraar ASR geleden en nog te lijden schade, bestaande uit de schadevergoeding die zij aan [X] heeft/hebben betaald en/of moet(en) betalen, te voldoen.

 

Dat neemt niet weg dat ter zake van de veiligheid ook op [eiseres 1] en haar werknemers, zoals zowel door de heer [eiseres 1] als [X] ook wel is onderkend, een verantwoordelijkheid rust om te checken of de toegang tot de woning veilig is en bij gebreken ter zake [gedaagde] te waarschuwen dan wel maatregelen te nemen. Dat de plank los lag, was evident en had [eiseres 1] , althans zijn ter plaatse werkzame werknemers, moeten althans kunnen opvallen. Dat is hen kennelijk in de drukte tijdens de uitvoering van werkzaamheden niet opgevallen. Een onachtzaamheid die aan uitvoering van werkzaamheden nogal eens ‘eigen is’. Nu oplettendheid, zowel van [eiseres 1] als haar werknemers, waaronder [X] , wel verlangd worden, wordt aanleiding gezien om in de onderlinge verhouding de aansprakelijkheid deels bij [eiseres 1] te laten en wel voor 35%.

 

 

 

4.9.

De gevorderde verklaring voor recht, voor zover die betrekking heeft op de door [eiseres 1] geleden en te lijden schade (bestaande uit hetgeen zij aan [X] heeft vergoed of nog zal vergoeden) zal worden toegewezen, met dien verstande dat de aansprakelijkheid van [gedaagde] wordt beperkt tot 65%. Voor zover een verklaring voor recht wordt gevraagd inhoudend dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [X] – naast de door [eiseres 1] – geleden schade, dient die vordering te worden afgewezen. Immers [X] is geen partij in deze procedure, die vordering is ook niet onderbouwd of toegelicht. Het gaat in deze procedure om de onderlinge draagplicht tussen [eiseres 1] (en haar verzekeraar ASR) enerzijds en [gedaagde] anderzijds.

 

4.10.

Nu [gedaagde] reeds de helft (50%) van de boete heeft voldaan zal zij veroordeeld worden tot de resterende 15%, zijnde € 540,- . De vordering ter zake van de boete is nog slechts toewijsbaar tot dat bedrag. Voor wat betreft het gevorderde voorschot heeft [gedaagde] betwist dat betaling van schadevergoeding aan [X] heeft plaatsgevonden. [eiseres 1] noch ASR hebben tot op heden betalingsbewijzen in het geding gebracht. Nu zij dat bij comparitie na antwoord wel hebben aangeboden zullen zij daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Overigens is niet goed te begrijpen waarom dat bewijs niet reeds ten behoeve van de comparitie na antwoord in het geding is gebracht. Immers reeds bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] ter zake verweer gevoerd. Het had op de weg van [eiseres 1] en ASR gelegen om te zorgen dat die bewijzen ten tijde van de comparitie na antwoord aan het procesdossier waren toegevoegd. Nu is daarvoor een extra procesronde noodzakelijk, hetgeen en vertraging en onnodige kosten met zich brengt. De kantonrechter zal daar te zijner tijd bij de proceskostenveroordeling rekening mee houden. De zaak zal worden aangehouden voor het overleggen van een betalingsbewijs/betalingsbewijzen ter zake van de door [eiseres 1] en/of ASR aan [X] betaalde voorschotten in het geding.

 

 

4.11.

 

[eiseres 1] en ASR vorderen voorts [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres 1] en ASR te vergoeden de reeds door hen betaalde materiële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Ter zake van reeds betaalde schade is onbegrijpelijk waarom de zaak naar de schadestaatprocedure verwezen moet worden, immers reeds betaalde schade kan worden afgewikkeld. De rechtbank begrijpt de vordering zo dat het gaat om veroordeling van de reeds door [eiseres 1] en/of ASR betaalde en nog te betalen materiële en immateriële schade aan [X] . Zo verstaan zal de vordering met verwijzing naar de schadestaat procedure worden toegewezen.

 

Anders dan door [gedaagde] gesteld heeft ASR, die als verzekeraar in de (verhaals-) rechten van haar verzekerde [eiseres 1] treedt, een vordering op [gedaagde] . Wel moet aan [gedaagde] worden toegegeven dat zulks aan de zijde van [eiseres 1] en ASR nadrukkelijker had kunnen worden gesteld. De rechtbank zal de gronden op dit onderdeel evenwel aanvullen.

 

 

 

4.12.

Iedere verdere beslissing, waaronder die ter zake van de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindvonnis.

 

 

 

5 De beslissing

 

 

 

 

De rechtbank

 

 

 

5.1.

 

draagt [eiseres 1] en ASR op te bewijzen dat en tot welk bedrag zij voorschotten op de schade, door [X] geleden als gevolg van het hem op 5 juni 2013 overkomen ongeval, hebben voldaan.

 

verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 8 augustus 2018 voor het nemen van een akte overleggen bewijsstukken aan de zijde van eisers, ambtshalve peremptoir!

 

 

 

5.2.

houdt iedere verdere beslissing, waaronder die ter zake van de proceskosten aan.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en door mr. K.J. Haarhuis in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2018.

 

(ATH)

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots