Rb: ondanks taakstraf geen beroep op opzetclausule, geen sprake van “criminele” gedraging

Samenvatting:

Bij burenruzie geeft man zijn buurvrouw (die alcoholpromillage van 2,6 had) een duw, waardoor zij op tuintegel terecht komt en ernstig letsel oploopt. De man heeft hiervoor van de strafrechter een taakstraf gekregen. De rechtbank oordeelt dat het schadevoorval in beginsel aan de voorwaarden voor toepassing van de opzetclausule voldoet. De bijzondere omstandigheden van dit geval maken echter dat de AVP-verzekeraar daarop toch geen beroep toekomt. “Voor deze conclusie zijn de maatschappelijke functie van de aansprakelijkheidsverzekering en van de dader- en slachtofferbescherming die een dergelijke verzekering beoogt te bieden uitgangspunt. Daarbij is doorslaggevend dat, (…) hier geen sprake is van een “criminele” gedraging, waarop de opzetclausule in de kern genomen ziet. Niet iedere strafrechtelijk verwijtbare gedraging moet of kan als zodanig worden aangemerkt. Het gegeven dat [Y] voor de duw strafrechtelijk is veroordeeld, betekent niet zonder meer dat die duw de kwalificatie “crimineel” verdient. (…) Uit niets blijkt dat [Y] de bedoeling had om [X] daadwerkelijk ten val te brengen en/of letsel te veroorzaken.” De rechtbank oordeelt dat de AVP-verzekeraar dekking moet verlenen. Haar beroep op de opzetclausule slaagt niet.

 

ECLI:NL:RBDHA:2019:4183

Uitspraak delen

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

17-04-2019

Datum publicatie

29-04-2019

Zaaknummer

C/09/543533 / HA ZA 17-1206

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Eerste aanleg – meervoudig

Inhoudsindicatie

Letsel; strafrechtelijke veroordeling van gedaagde. Desondanks slaagt beroep van verzekeraar op opzetclausule niet.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2019-0681

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

 

 

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

 

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 17 april 2019

 

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/543533 / HA ZA 17-1206 van

 

[X] te [woonplaats 1],

eiseres,

advocaat mr. C.I. Zaad te Den Haag,

 

tegen

 

[Y] te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. B. van Treijen te Lent,

 

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/551933 / HA ZA 18-457 van

 

[Y] te [woonplaats 2],

eiser,

advocaat mr. B. van Treijen te Lent,

 

tegen

 

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V. te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.

 

Partijen zullen hierna [X], [Y] en Aegon worden genoemd.

 

1

De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding van 21 november 2017 met producties

– de rolbeslissing van 6 december 2017

– de akte van [X] van 20 december 2017

– de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring

– de conclusie van antwoord in het incident

– het vonnis in het incident van 7 maart 2018

– de conclusie van antwoord met producties

het tussenvonnis van 20 juni 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald

de akte van [Y]

de akte overlegging producties van [X]

het proces-verbaal van comparitie van 21 januari 2019 in de hoofdzaak en in de vrijwaring.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is, met hun instemming, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de inhoud van het proces-verbaal. [X] heeft bij brief van 5 februari 2019 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief is aan het procesdossier toegevoegd.

 

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2

De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in vrijwaring van 17 april 2018

de akte overlegging producties van [Y]

de conclusie van antwoord

het tussenvonnis van 20 juni 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald

de akte van [Y]

het proces-verbaal van comparitie van 21 januari 2019 in de hoofdzaak en in de vrijwaring.

2.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is, met hun instemming, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de inhoud van het proces-verbaal. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

 

2.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

3

De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaring

3.1.

[X] en [Y] waren buurtgenoten van elkaar. Op 29 augustus 2015 is tussen hen op het perceel van [X] een verhitte discussie ontstaan over de vraag of [X] kort daarvoor al dan niet de buiten spelende minderjarige zoon van [Y] zou hebben geslagen. [Y] heeft [X] tijdens die discussie met beide handen tegen de schouders geduwd. [X] is hierdoor plat achterover gevallen en is met haar achterhoofd op een tuintegel terecht gekomen.

 

3.2.

[X] is met een ernstig hoofdtrauma onmiddellijk opgenomen op de spoedeisende hulp van het LUMC. Zij is acht dagen kunstmatig in coma gehouden en heeft twee en een halve week op de intensive/medium care afdeling van het ziekenhuis verbleven. Vervolgens is zij zes weken in een revalidatiekliniek opgenomen geweest en heeft zij aansluitend ruim vijf maanden een intensief ambulant revalidatietraject doorlopen.

 

3.3.

Uit een in opdracht van de rechter-commissaris in strafzaken uitgevoerd forensisch geneeskundig onderzoek (NFI-rapport van 16 maart 2016) blijkt dat [X] op 29 augustus 2015 het ziekenhuis is binnengebracht met een neurotrauma, met een breuk aan het achterhoofd doorlopend tot aan het rotsbeen, bloedingen onder het zachte en harde hersenvlies en inklemming van hersenweefsel. Ter verlaging van de druk in het hoofd is een schedellichting uitgevoerd.

 

3.4.

Het NFI-rapport van 16 maart 2016 vermeldt dat bij lichamelijk onderzoek naar de aanwezigheid van letsels op 4 september 2015 onder meer – samengevat – bloeduitstortingen zijn aangetroffen op de rechter- en de linkerschouder van [X]. Het rapport vermeldt hierover verder, voor zover relevant:

 

“De bij lichamelijk onderzoek en op het beschikbare fotomateriaal zichtbare donkerpaarse met gele verkleuringen ter hoogte van het rechtersleutelbeen en de donkerpaarse met geelgroene verkleuring op de linkerschoudertop berusten op onderhuidse bloeduitstortingen, opgeleverd door stomp botsend en/of samendrukkend geweld.”

 

en

 

“Op basis van het beschikbare materiaal kan niet worden vastgesteld of deze zijn opgelopen door krachtig duwen tijdens het incident op 29-08-2015 waarbij zij achterover zou zijn gevallen.”

 

3.5.

Uit het NFI-rapport van 16 maart 2016 blijkt voorts dat bij [X] op 29 augustus 2015 kort na binnenkomst in het ziekenhuis een onderzoek naar de aanwezigheid van alcohol in het bloed is gedaan. Daaruit bleek dat zij een verhoogde concentratie alcohol in haar bloed had van 2,6 ‰. Het rapport vermeldt hierover:

 

“In hoeverre in het onderhavige geval het vastgestelde promillage een rol heeft gespeeld, is afhankelijk van de persoonlijke tolerantie voor alcohol en kan niet worden vastgesteld.”.

 

3.6.

[X] kampt ten gevolge van het hoofdtrauma met chronische hoofdpijnklachten, waarvoor zij op voorschrift pijnstillende medicatie gebruikt. Ook heeft zij last van een verminderde cognitieve, emotionele, psychische en fysieke belastbaarheid. Zij is daarvoor al geruime tijd onder behandeling, aanvankelijk bij PsyQ Zoetermeer en sinds 2018 bij Bavo Europoort.

 

3.7.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag heeft [Y] bij vonnis van 6 december 2016 veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Van het primair ten laste gelegde opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is hij vrijgesproken. Het gerechtshof Den Haag heeft in zijn arrest van 24 mei 2017 deze bewezenverklaring en veroordeling bekrachtigd. Het hof heeft de vordering benadeelde partij van [X] toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 augustus 2015. Voor het overige heeft het hof de vordering van [X] niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van [Y] tegen het arrest van 24 mei 2017 verworpen. Daarmee is dit arrest onherroepelijk geworden.

 

3.8.

Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft aan [X] – na bezwaar tegen de aanvankelijke beslissing – op 2 juli 2018 een uitkering van € 10.000,- toegekend op basis van letselcategorie 4. Op deze uitkering is de in de strafzaak toegewezen vordering benadeelde partij van € 1.000,- in mindering gebracht.

 

3.9.

[Y] heeft met Aegon een verzekeringsovereenkomst Woon & Vrije Tijdpakket gesloten met polisnummer 702687612, op grond waarvan hij bij Aegon onder meer tegen aansprakelijkheid is verzekerd.

 

3.10.

Artikel 3.1. van de bij deze polis behorende Bijzondere voorwaarden aansprakelijkheid rubriek C (verder: de opzetclausule) luidt, voor zover relevant:

 

“3.1. Opzet

Niet gedekt is aansprakelijkheid:

van een verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn/haar opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten;”

 

3.11.

Aegon heeft geweigerd dekking te verlenen voor eventuele aansprakelijkheid van [Y] voor het voorval op 29 augustus 2015 en heeft daartoe een beroep gedaan op de opzetclausule.

 

4

Het geschil

in de hoofdzaak

4.1.

[X] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [Y] een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [X] en om die reden gehouden is tot vergoeding van de daaruit voortgekomen schade, materieel en immaterieel;
  2. [Y] veroordeelt tot betaling aan [X] van € 100.000,- ter vergoeding van immateriële schade, onder aftrek van al hetgeen [Y] in het kader van de bevoorschotting op grond van het strafrechtelijk vonnis aan [X] heeft voldaan, althans van een in goede justitie te betalen bedrag;

III. [Y] veroordeelt tot betaling aan [X] van € 85.460,00 ter vergoeding van materiële schade, althans van een in goede justitie te betalen bedrag;

  1. [Y] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over de onder II. en III. genoemde bedragen vanaf 29 augustus 2015 tot de dag van algehele betaling;
  2. [Y] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.

 

4.2.

[X] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [Y] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar een harde duw tegen de schouders te geven, waardoor zij plat achterover op haar achterhoofd is gevallen. Zij heeft hierdoor ernstig hersenletsel opgelopen, waarvan zij nu nog steeds de mentale en fysieke gevolgen ondervindt. Zij kampt met chronische pijn, angst- en paniekaanvallen, somberheid, cognitieve beperkingen en PTSS en zij is afhankelijk geworden van mantelzorg en hulp in de huishouding, waar zij voorheen een actieve en zelfstandige vrouw was. Naast forse immateriële schade heeft zij schade geleden in de vorm van medische kosten en aan de interne en poliklinische behandelingen gerelateerde kosten, kosten in verband met huishoudelijke hulp en met verlies van zelfwerkzaamheid, toekomstige medische kosten in de vorm van het jaarlijkse eigen risico voor de zorgverzekering en kosten voor juridische bijstand.

 

4.3.

[Y] concludeert tot afwijzing van de vorderingen. [Y] weerspreekt niet de onrechtmatigheid van zijn handelen, mede gelet op de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling. Hij voert aan dat hij nooit had kunnen voorzien en ook niet heeft beoogd dat de duw tot dit ernstige letsel zou leiden, zodat het niet redelijk is om al de schade toe te rekenen aan zijn handelen. In zoverre betwist hij het causaal verband tussen zijn duw en het letsel. Hij stelt dat sprake was van overmacht, omdat hij [X] van zich af heeft geduwd toen zij een dreigende stap in zijn richting maakte. Hij verweert zich voorts met de stelling dat sprake is van eigen schuld aan de kant van [X], omdat zij onder invloed van alcohol verkeerde en daarom minder goed in staat was haar val op te vangen. Volgens [Y] bestaat vanwege de combinatie van de overmachtssituatie, het alcoholgebruik en de tuininrichting bovendien aanleiding voor toepassing van de billijkheidscorrectie. Tot slot betwist hij de hoogte van de gevorderde immateriële schadevergoeding en ten aanzien van verschillende materiële schadeposten het causaal verband met het voorval en de omvang van de schade.

 

in de vrijwaringszaak

4.4.

[Y] vordert dat de rechtbank Aegon uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt om aan [Y] te betalen al hetgeen waartoe [Y] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van Aegon in de kosten van de vrijwaringszaak.

 

4.5.

[Y] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Aegon gehouden is tot nakoming van haar verplichting jegens hem tot het verlenen van dekking onder de aansprakelijkheidsverzekering.

 

4.6.

Aegon concludeert tot afwijzing van de vordering. Zij stelt dat dekking in dit geval is uitgesloten omdat sprake is van schade die is veroorzaakt door opzettelijk wederrechtelijk handelen van [Y] jegens [X], zodat Aegon een beroep toekomt op de opzetclausule.

 

5

De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [Y] [X] op 29 augustus 2015 een duw heeft gegeven tegen haar schouders, waardoor zij ten val is gekomen op haar achterhoofd. [Y] is in verband hiermee door de strafrechter veroordeeld voor het plegen van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De strafrechter heeft bewezen verklaard – kort gezegd – dat [Y] op die dag [X] opzettelijk met twee handen tegen haar schouders heeft geduwd, ten gevolge waarvan zij met haar hoofd op de tuintegels is gevallen en zwaar lichamelijk letsel en pijn heeft bekomen. Dit oordeel van de strafrechter is inmiddels in kracht van gewijsde. Uit artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat dit oordeel van de strafrechter dwingend bewijs oplevert van het feit dat [Y] de mishandeling aldus heeft gepleegd. De rechtbank dient dit feit dan ook als waar aan te nemen, behoudens tegenbewijs (artikel 151 Rv). Nu [Y] noch het feit als zodanig, noch het oordeel dat dit als mishandeling moet worden gekwalificeerd in deze procedure weerspreekt (en dus ook geen tegenbewijs heeft aangeboden), staat in beginsel vast dat [Y] op 29 augustus 2015 tegenover [X] onrechtmatig heeft gehandeld.

 

5.2.

Het beroep van [Y] op overmacht slaagt niet. Partijen zijn het er niet over eens of [X] tijdens de discussie met [Y] en direct voorafgaande aan de duw wel of niet een stap in zijn richting heeft gezet. [X] weerspreekt dit en ook de strafrechter heeft dat op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet aangenomen. Maar zelfs als veronderstellenderwijs van de juistheid van de stelling van [Y] wordt uitgegaan dat [X] (agressief en dreigend) in zijn richting stapte, leidt die gang van zaken niet tot het aannemen van overmacht. [Y] heeft de situatie verder niet toegelicht en heeft niets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat sprake was van een daadwerkelijk dreigende situatie waarin hij zich diende te verweren. Ook in de verklaring van zijn echtgenote ter zitting over het voorval is daarvoor geen steun te vinden. Bovendien blijkt uit niets dat [Y] zich aan een dergelijke situatie niet zou hebben kunnen onttrekken door bijvoorbeeld zelf een stap achteruit te doen of weg te lopen. Dat had hij moeten doen in plaats van [X] van zich af te duwen. Een rechtvaardiging voor zijn handelen is er dus niet. Evenmin bestaat aanleiding om [Y] het duwen van [X] in de gegeven omstandigheden niet toe te rekenen. Het duwen van [X] was dus onrechtmatig en aan [Y] toerekenbaar.

 

5.3.

[Y] is aansprakelijk voor de schade die van die duw het gevolg is. Zijn betwisting van het bestaan van causaliteit tussen de duw en de schade (het letsel) van [X] wordt gepasseerd. Het is evident dat zonder de duw het letsel niet was ontstaan. Door de duw is [X] immers gevallen. Daaraan doet niet af dat het letsel vanwege de zeer ongelukkige landing op het hoofd veel erger was dan wellicht op grond van de enkele duw kon worden verwacht en dat [Y] dit letsel ook niet heeft beoogd.

 

5.4.

Het beroep van [Y] op eigen schuld aan de kant van [X] (artikel 6:101 BW) slaagt niet. Van het feit dat [X] een hoog promillage alcohol in haar bloed had, kan haar geen rechtens relevant verwijt worden gemaakt. Alcohol drinken mag immers, zeker in eigen huis en tuin zoals hier. Het is niet zo dat [X] met teveel alcohol op [Y] heeft opgezocht. Het is [Y] geweest die naar de tuin van [X] is gegaan om verhaal te halen en haar vervolgens een duw tegen de schouders heeft gegeven. Onder die omstandigheden kan [X] niet worden verweten dat zij het gesprek met [Y] onder invloed van alcohol is aangegaan. De mate van alcoholgebruik van [X] is in dit geval dan ook niet relevant, zelfs als juist zou zijn dat zij vanwege de hoeveelheid alcohol in haar bloed minder goed in staat is geweest om haar val op te vangen. Dit laatste kan overigens niet worden vastgesteld, zoals ook blijkt uit het NFI-rapport van 16 maart 2016, omdat dit afhankelijk is van de persoonlijke tolerantie voor alcohol.

Of [X] wel of niet een stap in de richting van [Y] heeft gezet is in dit verband evenmin relevant. Ook als dat juist zou zijn, valt niet in te zien dat dit [Y] ertoe heeft moeten brengen haar een duw te geven, zoals ook in rechtsoverweging 5.2 is overwogen.

Er is dan ook geen grond voor de conclusie dat [X] zelf aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen, waarmee volledige aansprakelijkheid van [Y] gegeven is.

 

5.5.

Omdat geen sprake is van eigen schuld, is toepassing van de billijkheidscorrectie evenmin aan de orde. Wat partijen in dat kader hebben aangevoerd, kan dus onbesproken blijven.

 

5.6.

[Y] moet de schade van [X] die het gevolg is van de duw dus vergoeden. Hieronder volgt een bespreking van de afzonderlijke schadeposten. Bij de weergave van het standpunt van [Y] bij deze posten, is telkens ook het standpunt dat Aegon daarover in de vrijwaringszaak heeft ingenomen meegenomen. [Y] heeft zich namelijk bij die standpunten van Aegon in zijn nadere akte geheel aangesloten.

 

5.7.

Ten aanzien van de materiële schade geldt het volgende.

 

  1. Beschadigde bril en kleding € 250,00

 

[X] stelt dat haar bril bij de val is beschadigd en dat haar kleding in het ziekenhuis van haar lichaam is geknipt. Ze heeft de factuur voor een nieuwe bril à € 144,– overgelegd. Voor de kleding vordert zij € 106,–.

 

[Y] weerspreekt de kosten voor de bril niet, maar stelt dat van de kleding geen onderbouwing is aangeleverd en dat geen aftrek nieuw voor oud is toegepast.

 

Dat de kleding van [X] bij het verwijderen in het ziekenhuis is beschadigd, is aannemelijk, mede gelet op de ernst van de verwondingen en de behandeling op de spoedeisende hulp. Dit is overigens ook niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 106,– komt alleszins redelijk voor en behoeft geen nadere onderbouwing. Dat een aftrek nieuw voor oud zou moeten worden toegepast valt voor een bril en kleding met kosten van deze omvang niet in te zien. De post is toewijsbaar.

 

Medicatie oktober t/m november 2015 € 75,10

 

Volgens [X] gaat het om de eigen bijdrage in de kosten van sederende medicatie naar aanleiding van het hersentrauma.

 

[Y] stelt dat het verband met het voorval niet duidelijk is en dat [X] de nota’s had moeten indienen bij haar zorgverzekeraar.

 

Blijkens de nota’s gaat het om pijnmedicatie en slaapmiddelen. Het verband met het voorval van enkele maanden daarvoor is aannemelijk en ook dat het om kosten gaat, die niet voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aanmerking komen. De post wordt toegewezen.

 

Nota eigen risico 2015 € 337,15

 

[X] stelt dat door het voorval in 2015 het eigen risico van de zorgkosten aan haar volledig in rekening is gebracht.

 

[Y] betwist het causaal verband met het voorval, aangezien bij [X] sprake is van pre-existente medische klachten, waaronder reuma. Daardoor is volgens [Y] aannemelijk dat [X] ten gevolge daarvan haar eigen risico jaarlijks hoe dan ook al volmaakte en dus ook in 2015.

 

Hoewel vast staat dat [X] inderdaad in verband met pre-existente medische aandoeningen jaarlijks (in meer of mindere mate) aanspraak moest maken op haar zorgverzekering, is niet in geschil dat zij ten gevolge van het voorval een intensieve medische behandeling heeft ondergaan in 2015, waaraan haar eigen risico hoe dan ook volledig zou zijn besteed. Daarom moeten deze kosten in het ongevalsjaar in redelijkheid geheel worden toegerekend aan het schadevoorval. Dat zij, het ongeval weggedacht, mogelijk ook haar eigen risico (deels) zou hebben benut, maakt dat niet anders. De post wordt toegewezen.

 

Kosten van een persoonlijk alarm voor het eerste half jaar € 240,–.

 

[X] stelt dat zij dit hulpmiddel nodig had in de fase na het ontslag uit het ziekenhuis, terwijl zij alleen thuis was en afhankelijk van anderen.

 

[Y] wijst op het ontbreken van een medische indicatie bij de stukken en vraagt zich af waarom de kosten niet bij de zorgverzekeraar zijn geclaimd.

 

Dat [X] vanwege haar afhankelijkheid thuis, waar zij destijds alleen woonde, gebaat was bij dit hulpmiddel is aannemelijk en begrijpelijk. Of daarvoor een medische indicatie bestond, is niet van doorslaggevend belang, bij gebrek waaraan het achterwege blijven van een claim onder de zorgverzekeraar haar niet kan worden tegengeworpen. De post is onderbouwd met betalingsbewijzen en wordt toegewezen.

 

Verblijfkosten ziekenhuis 22 dagen € 616,–

Verblijfskosten revalidatiekliniek € 504,–

 

Deze posten zijn toewijsbaar omdat zij onweersproken zijn en zijn gebaseerd op de normbedragen in betreffende Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding van de Letselschaderaad, tegen de toepassing waarvan [Y] evenmin bezwaren heeft geuit.

 

Nota opvragen stukken Sophia Revalidatie € 93,05

 

[X] heeft deze post met een nota onderbouwd, stellende dat het om stukken gaat die (ook) in deze procedure zijn ingebracht.

 

[Y] betwijfelt de link met deze procedure en meent dat ze op de strafzaak zien, vanwege de vermelding van een parketnummer op de nota.

 

Ook als juist is dat de stukken al in het kader van de strafzaak zijn opgevraagd, staat dat niet in de weg aan toewijzing van deze kosten. Gesteld noch gebleken is dat ze reeds anderszins zijn vergoed en duidelijk is dat [X] met onder meer deze stukken haar medische situatie inzichtelijk heeft willen maken. De post is toewijsbaar.

 

Parkeerbonnen € 296,60

  1. Eigen bijdrage Regio Taxi 2016 € 343,–

Kilometervergoeding conform Richtlijn kilometervergoeding € 849,24

 

[Y] heeft aanvankelijk aangevoerd dat deze posten hem onduidelijk zijn en hij heeft om een nadere toelichting gevraagd. [X] heeft deze posten vervolgens bij akte van een nadere toelichting voorzien. Daaruit blijkt dat het gaat om:

– parkeerkosten van vrienden en familie bij bezoeken aan de ziekenhuizen (verplaatste schade dus),

– haar eigen bijdragen voor taxiritten waarop zij was aangewezen omdat zij niet zelfstandig kon reizen naar verschillende specialisten en gezondheidsinstellingen, en

– een conform de betreffende Richtlijn van de Letselschade Raad berekende kilometervergoeding voor reiskosten van haar partner in de periode van twee maanden na het ongeval, voor de afstand tussen zijn woonplaats Den Haag en Leiden, waar zij in het ziekenhuis en een revalidatiekliniek verbleef (eveneens verplaatste schade).

[Y] is daarop na deze nadere onderbouwing niet meer teruggekomen. De posten worden dan ook als onvoldoende gemotiveerd weersproken toegewezen.

 

Zelfwerkzaamheid € 4.332,–

 

[X] vordert voor verlies aan zelfwerkzaamheid een bedrag dat is gebaseerd op de Richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschade Raad, uitgaande van een normbedrag voor een huurhuis met tuin, met weinig onderhoud à € 285,- per jaar, berekend tot haar 70e jaar.

 

[Y] voert aan dat niet is gebleken dat [X] vóór het ongeval de werkzaamheden aan huis en tuin zelf uitvoerde, omdat zij samenwonend/gehuwd is en dat dat ook overigens, gelet op haar medische voorgeschiedenis, niet aannemelijk is. Ook gaat [X] volgens [Y] uit van een onjuist normbedrag, omdat de correctie voor een rijtjeshuis niet is toegepast en de mate van de beperking niet op 100% zou moeten uitkomen. Ook heeft ten onrechte geen kapitalisatie plaatsgevonden, aldus [Y].

 

[Y] heeft geen bezwaren geuit tegen de toepassing van de Richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschade Raad, zodat ook de rechtbank daarvan zal uitgaan.

De rechtbank stelt vast dat [X] ten tijde van het voorval alleenwonend was. Zij had ook toen al een partner, maar vast staat dat hij pas in september 2017 bij haar is ingetrokken. Dat betekent dat de rechtbank er van uit gaat dat [X] de kleinere klussen in huis en tuin in beginsel voor haar eigen rekening nam. Dat zij daartoe gelet op haar medische voorgeschiedenis helemaal niet in staat was, is onvoldoende aannemelijk geworden. De reuma zal haar redelijkerwijs wel het zwaardere werk hebben belet. [Y] wijst er voorts terecht op dat – in elk geval sinds september 2017 – de inwonende partner van [X] kan worden geacht een redelijk aandeel in deze werkzaamheden voor zijn rekening te nemen. Gelet op de mate van beperking van [X] en het soort woning dat zij bewoont (een gehuurd rijtjeshuis met tuin met weinig onderhoud) begroot de rechtbank de reeds geleden en nog tot het 70e levensjaar te lijden schade in redelijkheid per heden op

€ 2.500,-.

 

Mantelzorg € 3.120,–

 

[X] vordert kosten voor dagelijkse mantelzorg, uitgaande van een mate van beperking in de categorie “zwaar beperkt”, voor een periode van 6 maanden na het voorval. De eerste drie maanden berekent zij een bedrag van € 130,– per week en voor de tweede drie maanden een bedrag van € 9,- per dag, in totaal € 3.120,–.

 

[Y] heeft vraagtekens gesteld bij de aangenomen mate van beperking en aangevoerd dat niet is aangetoond dat in deze periode daadwerkelijk mantelzorg is verleend.

 

Gelet op de ernst van het letsel dat [X] heeft opgelopen en de intensiteit van de daarop gevolgde behandeling, gevolgd door een periode van enkele maanden ambulante revalidatie is zonder meer aannemelijk dat [X] in die eerste periode van zes maanden na thuiskomst aangewezen was op veel hulp/mantelzorg in huis. Zij woonde op dat moment alleen. Gelet op de ernst van het letsel en de daarmee zeker in de eerste maanden van herstel gepaard gaande fysieke beperkingen, moet er van worden uitgaan dat [X] inderdaad zwaar beperkt was, zoals zij stelt. De verder niet concreet gemaakte vraagtekens die [Y] hierbij plaatst, worden gepasseerd. Tegen de door [X] gehanteerde (norm)bedragen overeenkomstig de Richtlijn Huishoudelijke hulp van de Letselschade Raad, heeft [Y] geen pijlen gericht. Deze post wordt daarom toegewezen.

 

Huishoudelijke hulp € 65.000,-

 

[X] stelt dat tot haar 70e jaar zeker één à twee uur per dag aan huishoudelijke hulp nodig zal zijn. Volgens [X] verricht nu de partner van [X] feitelijk de huishoudelijke taken, met ondersteuning van een werkster voor vier tot zes uur per maand. Ter zitting heeft [X] toegelicht dat zij niet kan bukken zonder zware druk op haar hoofd te ervaren, dat zij problemen heeft met haar evenwicht en dat de medicatie haar vermoeid maakt. Ook kan zij niet meer veilig koken, omdat zij niet meer kan ruiken. Aanvankelijk had zij huishoudelijke hulp via De Vierstroom. Nu betaalt zij daarvoor een vriendin. Haar partner heeft arbeidsuren ingeleverd om taken in huis te kunnen overnemen, aldus [X].

 

[Y] voert aan dat niet is aangetoond dat [X] hulp in de huishouding heeft. Ook plaatst hij vraagtekens bij de mate van beperking en meent dat aannemelijk is dat [X] ook vóór het voorval al veel minder deed, gelet op haar medische voorgeschiedenis. Dat de partner een redelijk aandeel van de huishoudelijke taken voor zijn rekening neemt, moet worden verdisconteerd in de berekening. Ook heeft [X] deze post volgens hem ten onrechte niet gekapitaliseerd, aldus [Y].

 

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat [X] voor het voorval niet of minder goed in staat was tot de gewone huishoudelijke taken. De medische voorgeschiedenis bestaat uit een doorgemaakt licht hartinfarct, hoge bloeddruk en reuma, die volgens [X] met medicatie goed onder controle was en is. Van COPD, waarvan in verschillende medische stukken bij de anamnese melding wordt gemaakt, is volgens [X] geen sprake. Dat was een – niet bevestigde – verdenking. Dit is niet weersproken en er zijn in de stukken ook geen aanwijzingen dat dit anders is.

Na de ter zitting gegeven toelichting van [X] heeft [Y] niet (langer) betwist dat zij daadwerkelijk in enigerlei mate op hulp in de huishouding is aangewezen en zal blijven. De rechtbank volgt [Y] wel in zijn standpunt dat van de – inmiddels inwonende – partner van [X] mag worden verwacht dat hij een (niet ongebruikelijk) aandeel in de huishoudelijke taken op zich neemt, zoals hij thans ook doet. De rechtbank gaat dan ook uit van vijf uur extra hulp per week á gemiddeld € 10,- per uur, dus gemiddeld € 50,- per week. Gelet op de mate van beperking en ervan uitgaande dat in de eerste periode na het voorval meer hulp nodig zal zijn geweest, begroot de rechtbank de reeds geleden en nog tot het 70e levensjaar te lijden schade, per heden, in redelijkheid op € 50.000,-.

 

Eigen bijdrage medische zorg tot 70e jaar € 6.403,–

 

[X] stelt dat volledig herstel niet tot de mogelijkheid behoort en dat zij voortaan jaarlijks haar eigen bijdrage aan zorgkosten kwijt zal zijn. Zij vindt niet dat de onzekerheid of dat ook zo zou zijn geweest als het voorval wordt weggedacht, voor haar rekening dient te komen.

 

[Y] wijst er op dat [X] ook vóór het voorval aangewezen was op medische zorg met daarbij behorende kosten, zodat niet aannemelijk is dat deze kostenpost (geheel) aan het voorval is toe te rekenen.

 

De rechtbank acht op basis van het letsel en het niet gemotiveerd bestreden medische vooruitzicht dat volledig herstel is uitgesloten, aannemelijk dat [X] ten gevolge van het voorval jaarlijks medische kosten zal maken die haar eigen bijdrage overschrijden. Deze kosten moeten dan ook in zoverre aan het voorval worden toegerekend.

Dat zij ook vóór het voorval al jaarlijks medische kosten maakte die zullen blijven doorlopen, heeft zij niet bestreden en dat is gezien haar pre-existente conditie ook aannemelijk, alleen al gelet op de reuma-medicatie die zij structureel gebruikt. Ook daarmee moet bij de begroting van deze schadepost rekening worden gehouden. Met inachtneming hiervan begroot de rechtbank de reeds geleden en nog tot het 70e levensjaar te lijden schade, per heden, in redelijkheid op € 2.500,-.

 

Juridische bijstand € 3.000,-

 

[X] stelt dat aan kosten voor de onderhavige civiele procedure tot op heden een bedrag van € 2.500,- exclusief BTW aan kosten voor juridische bijstand is besteed.

 

[Y] betwist de omvang en wijst er op dat [X] op basis van een toevoeging procedeert.

 

[X] heeft een kostennota in het geding gebracht die onweersproken is gebleven en op basis waarvan de omvang van deze kostenpost voldoende is aangetoond. Het feit dat op basis van een toevoeging wordt geprocedeerd, staat niet aan toewijzing van deze post in de weg. De toevoeging is immers voorwaardelijk toegekend en nu het toe te wijzen bedrag de maximale resultaatsgrens van afgerond € 15.000,- ruimschoots overschrijdt, zal de Raad voor de Rechtsbijstand conform de geldende voorwaarden de toevoeging naar verwachting intrekken. Deze post is daarom toewijsbaar.

 

5.8.

Totaal toe te wijzen materiële schadeposten

 

Uit het bovenstaande volgt dat aan materiële schade toewijsbaar is:

Beschadigde bril en kleding € 250,00

Medicatie oktober t/m november 2015 € 75,10

Nota eigen risico 2015 € 337,15

Kosten van een persoonlijk alarm voor het eerste half jaar € 240,–

Verblijfkosten ziekenhuis 22 dagen € 616,–

Verblijfskosten revalidatiekliniek € 504,–

Nota opvragen stukken Sophia Revalidatie € 93,05

Parkeerbonnen € 296,60

  1. Eigen bijdrage Regio Taxi 2016 € 343,–

Kilometervergoeding € 849,24

Zelfwerkzaamheid € 2.500,–

Mantelzorg € 3.120,–

Huishoudelijke hulp tot 70e jaar € 50.000,–

Eigen bijdrage medische zorg tot 70e jaar € 2.500,-

Juridische bijstand € 3.000,-

—————————————————————————————————————

Totaal € 64.724,14

 

5.9.

[X] vordert een bedrag van € 100.000,– aan immateriële schade. Zij stelt daartoe dat sprake is van zeer zwaar letsel, gelet op de ernst van de verwondingen, de operatieve ingrepen, de duur van de ziekenhuisopnames en van het verblijf in de revalidatiekliniek, almede gelet op de blijvende lichamelijke en geestelijke gevolgen. Zij stelt dat rekening moet worden gehouden met de tendens in de rechtspraak en literatuur tot vaststelling van hogere smartengeldbedragen ten opzichte van het (recente) verleden. Als vergelijkbare gevallen noemt zij ECLI:NL:GHDHA:2014:621, ECLI:NL:RBROT:2017:2139, ECLI:NL:RBMNE:2016:5346 en ECLI:NL:RBMNE:BX7748.

 

5.10.

[Y] voert aan dat op basis van vergelijkbare gevallen in de rechtspraak een aanzienlijk lagere schadevergoeding passend is.

 

5.11.

De rechtbank stelt voorop dat bij de naar billijkheid toe te kennen immateriële schadevergoeding van artikel 6:106 lid 1 sub b BW moet worden aangesloten bij wat Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen (met inachtneming van de inflatie), rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard en de ernst van de (letsel)schade, de aard en de ernst van de gevolgen en de aard en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de mate van gederfde levensvreugde en de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde.

 

5.12.

Niet in geschil is dat de duw ernstig letsel tot gevolg heeft gehad. [X] is met een schedelbasisfractuur en bloedingen in en onder het hersenvlies in het ziekenhuis opgenomen, alwaar zij na een schedellichting acht dagen in een kunstmatig coma is gehouden. Zij is enkele weken in het LUMC opgenomen geweest en aansluitend heeft zij zes weken gerevalideerd in een kliniek alvorens zij naar huis kon. Daarna volgde een intensief ambulant revalidatietraject van een aantal maanden en begeleiding van fysiotherapeut en logopedist. Ze is haar geur- en smaakvermogen grotendeels verloren. Ze kampt met chronische hoofdpijnklachten, waardoor zij soms ook uitvalsverschijnselen heeft, met PTSS en cognitieve beperkingen, waarvoor zij nog altijd een intensieve behandeling ondergaat. Waar zij voorheen een actieve en zelfstandige vrouw was is zij nu vaak aangewezen op hulp van anderen en zijn veel dagelijkse dingen, zoals boodschappen doen of bezoek ontvangen van haar kleinkinderen, haar snel te veel. Haar levensvreugde heeft hierdoor een aanzienlijke knauw gekregen. Het ziet er niet naar uit dat hierin binnen afzienbare termijn substantiële verbeteringen te verwachten zijn, al zal de therapie die zij nu ondergaat daar wellicht de scherpe kantjes van afhalen.

 

5.13.

Zonder aan de ernst van deze gevolgen voor [X] af te willen doen, zijn de uitspraken waar zij ter onderbouwing van het smartengeld naar verwijst zowel voor wat betreft de toedracht als die van de ernst van de gevolgen niet vergelijkbaar. De gevallen waarnaar [X] verwijst betroffen achtereenvolgens toekenning van smartengeld aan de erfgenamen na de zelfdoding van een vrouw die was overgoten met zwavelzuur, smartengeld na ernstig verwijtbaar medisch handelen waardoor een reële kans op overleving verloren is gegaan, een zeer ernstig verkeersongeval met levensbedreigende verwondingen en zeer langdurig genezingsproces en tot slot een poging tot moord door middel van brandstichting. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om bij de bepaling van het smartengeld voor [X] bij deze zaken aan te sluiten.

 

5.14.

De rechtbank bepaalt het aan [X] toekomende smartengeld, gelet op de in rechtsoverwegingen 5.11. en 5.12. geformuleerde uitgangspunten naar billijkheid en per heden op een bedrag van € 30.000.–. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de gewijzigde opvattingen in Nederland over de omvang van smartengeld, maar niet in de mate die [X] voorstaat.

 

5.15.

Hetgeen aan [X] als voorschot aan haar is uitbetaald op basis van de toewijzing van haar vordering als benadeelde partij in het strafproces (€ 1.000,-) kan, zoals gevorderd, van dit bedrag aan smartengeld worden afgetrokken, zodat een toe te wijzen bedrag van € 29.000,- resteert. [Y] heeft nog gesteld dat van het smartengeld het door het Schadefonds Geweldsmisdrijven toegekende bedrag van € 9.000,- (€ 10.000,- minus voornoemde € 1.000,-) moet worden afgetrokken. De rechtbank ziet daarvoor echter geen aanleiding. Uit artikel 6 lid 3 van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven volgt dat het Schadefonds een eventuele vergoeding van [Y] aan [X] in mindering kan brengen op de uitkering aan [X] uit het Schadefonds. Een uitkering uit het Schadefonds heeft een voorwaardelijk karakter, in die zin dat het Schadefonds uitkeert indien en voor zover niet op andere wijze in de schade van het slachtoffer van een geweldsmisdrijf wordt voorzien. Dit blijkt ook uit de brief van het Schadefonds van 2 juli 2018 (productie 8 van [X]), nu [X] daarin wordt opgedragen melding te maken van een eventuele uitkering door [Y], omdat zo’n betaling kan leiden tot een terugbetalingsverplichting. De ontvangst van een uitkering van het Schadefonds laat het bestaan en de omvang van de schadevergoedingsverplichting van [Y] tegenover [X] derhalve onverlet (zie ECLI:NL:RBDHA:2018:11220).

 

5.16.

De slotsom van het voorgaande is dat van de vordering 4.1. onder II een bedrag van € 29.000,- wordt toegewezen en van de vordering onder III een bedrag van € 64.724,14, met over beide bedragen de onder IV gevorderde en niet zelfstandig weersproken wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige voldoening.

Bij deze stand van zaken bestaat geen belang bij de onder I gevorderde verklaring voor recht, zodat die wordt afgewezen.

 

5.17.

[Y] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze veroordeling omvat mede de tevens gevorderde nakosten, voor zover verschuldigd, zodat daarvoor geen afzonderlijke veroordeling is vereist. Deze kosten zullen worden begroot op de wijze zoals uit de beslissing blijkt.

 

5.18.

De kosten aan de zijde van [X], inclusief het incident, worden tot op heden begroot op:

– dagvaarding € 101,05

– griffierecht € 78,00

– salaris advocaat € 3.414,00 (2 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 3.593,05

 

in de vrijwaringszaak

5.19.

Kernpunt van het geschil in vrijwaring is de vraag of Aegon met recht een beroep doet op de opzetclausule.

 

5.20.

[Y] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzetclausule omdat deze onredelijk bezwarend is. Dit beroep slaagt niet. De opzetclausule betreft de omvang van de dekking, zoals Aegon terecht naar voren heeft gebracht. Bij een verzekeringsovereenkomst behoort de omvang van de dekking tot de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt. De opzetclausule moet worden aangemerkt als een kernbeding, omdat deze clausule bepaalde risico’s uitsluit en daardoor de omvang van de dekking rechtstreeks (mede) bepaalt. Het beroep op vernietigbaarheid van de opzetclausule op grond van art. 6:233 BW moet daarom worden verworpen.

 

5.21.

Aegon onderbouwt haar beroep op de opzetclausule met het betoog dat met de opzetclausule is beoogd dekking uit te sluiten voor schade die het gevolg is van gewelddadig gedrag. [Y] heeft volgens Aegon buitensporig geweld gebruikt, wat blijkt uit de blauwe plekken op de schouders van [X], die in het NFI-rapport van 16 maart 2016 worden genoemd. De strafrechter heeft dit als mishandeling gekwalificeerd. De gevolgen van dergelijk bewust uitgevoerd gewelddadig gedrag zijn niet gedekt, omdat maatschappelijk onaanvaardbaar is dat crimineel gedrag onder de dekking van een aansprakelijkheidsverzekering zou vallen. Aegon stelt dat de door de Hoge Raad voorgestane objectieve invulling van de opzetclausule in deze zaak tot de conclusie moet leiden dat het gedrag van [Y] niet onder de polis is gedekt. Hij heeft [X] immers opzettelijk en wederrechtelijk geduwd, wat een handeling is die objectief is gericht op het doen ontstaan van letsel. De ernst van het letsel dat daarop is gevolgd, is voor die objectieve invulling niet relevant. Het aan [X] in feite toegebrachte letsel – hoofdletsel – is immers een normaal te verwachten gevolg van een harde duw. De bijzondere omstandigheden van dit geval geven volgens Aegon geen aanleiding om de opzetclausule buiten toepassing te laten. Die toepassing is in dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

 

5.22.

De onderhavige opzetclausule is gelijkluidend aan de opzetclausule in het Standaardpolismodel AVP 2000, opgesteld door het Verbond van Verzekeraars. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:601) uitgangspunten geformuleerd voor de uitleg en de toepassing van deze clausule, tegen de achtergrond van de bedoeling en strekking ervan en gegeven de betekenis van de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP) in het maatschappelijk verkeer. De rechtbank neemt bij haar beoordeling dit arrest tot uitgangspunt.

 

5.23.

Voor toepassing van de opzetclausule bij een schadevoorval moet sprake zijn van een opzettelijke en wederrechtelijke gedraging van de verzekerde die objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade, en waarbij het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt.

 

5.24.

[Y] heeft [X] met beide handen tegen haar schouders van zich afgeduwd. Dat deze duw opzettelijk en wederrechtelijk was staat vast. [Y] had de bedoeling [X] te duwen en de wederrechtelijkheid ervan is in de hoofdzaak vastgesteld. Een dergelijke duw is objectief gezien gericht op het doen ontstaan van letsel. De achterwaartse kracht die door een dergelijke duw ontstaat brengt iemand immers plotseling uit balans, waardoor voorzienbaar en aannemelijk is dat dit een val, mogelijk ook achterover, teweegbrengt.

[Y] betoogt op zichzelf terecht dat van een duw in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat die steeds objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel. Maar dat is niet de voorliggende vraag. De omstandigheden van het geval, en dus van de duw in kwestie, zijn daarvoor steeds van bepalend belang. De ene duw is namelijk de andere niet. Overigens kan van de door [Y] gegeven voorbeelden – een duw van een medepassagier bij het instappen van een trein of van spelende kinderen – ook niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat die niet objectief gericht zijn op het doen ontstaan van letsel, zoals [Y] suggereert.

 

5.25.

[X] is door de duw achterwaarts op haar achterhoofd gevallen en heeft daardoor (ernstig hoofd-) letsel opgelopen. Dit letsel is naar objectieve maatstaven een te verwachten gevolg van een duw achterwaarts. Of [Y] bij het geven van de duw het oogmerk op het toebrengen van letsel had of dat hij zich er van bewust was dat dit letsel daarvan het gevolg zou kunnen zijn, doet hier niet ter zake, omdat alleen opzet gericht op de gedraging zelf vereist is.

 

5.26.

Het schadevoorval voldoet aldus in beginsel aan de voorwaarden voor toepassing van de opzetclausule. De bijzondere omstandigheden van dit geval maken echter dat Aegon daarop toch geen beroep toekomt.

 

5.27.

Voor deze conclusie zijn de maatschappelijke functie van de aansprakelijkheidsverzekering en van de dader- en slachtofferbescherming die een dergelijke verzekering beoogt te bieden uitgangspunt. Daarbij is doorslaggevend dat, anders dan Aegon stelt, hier geen sprake is van een “criminele” gedraging, waarop de opzetclausule in de kern genomen ziet. Niet iedere strafrechtelijk verwijtbare gedraging moet of kan als zodanig worden aangemerkt. Het gegeven dat [Y] voor de duw strafrechtelijk is veroordeeld, betekent niet zonder meer dat die duw de kwalificatie “crimineel” verdient. Dat de duw van [Y] een gewelddadig karakter had, zoals Aegon stelt, kan niet worden vastgesteld. De blauwe plekken op de schouders van [X] konden blijkens het NFI-rapport van 16 maart 2016 niet met de duw in verband worden gebracht en zeggen dus niets over de kracht waarmee [Y] heeft geduwd. Het kan niet worden uitgesloten dat de blauwe plekken het gevolg zijn geweest van de medische handelingen nadien. Ook de context waarbinnen de duw plaatsvond, geeft geen aanknopingspunt voor het predicaat “crimineel gedrag”. Het gaat om een uit de hand gelopen verhit gesprek tussen twee buren over het waarheidsgehalte van de mededeling van een kind dat hij door de buurvrouw was geslagen (voor de juistheid waarvan overigens verder geen aanwijzingen waren). Er was al met al sprake van een “droge” duw, zonder risico verhogende factoren. Gesteld noch gebleken is dat voor [Y] duidelijk was dat [X] alcohol had gedronken, laat staan in die mate, dat viel te verwachten dat een duw door haar niet zou kunnen worden opgevangen (en daargelaten of dat in dit geval zo was). Het is onaannemelijk dat strafrechtelijke vervolging – laat staan veroordeling – zou hebben plaatsgevonden als de gevolgen ervan voor [X] niet zo bijzonder ernstig zouden zijn geweest. Uit niets blijkt dat [Y] de bedoeling had om [X] daadwerkelijk ten val te brengen en/of letsel te veroorzaken. Dat dit wel is gebeurd en dat het letsel zo ernstig is uitgepakt lijkt hoofdzakelijk een gevolg van pech, waarbij [X] de val niet met een ander deel van haar lichaam heeft kunnen opvangen en recht achterover viel met haar hoofd op een tuintegel. De omstandigheden van dit geval rechtvaardigen niet een uitkomst waarbij de schadelijke gevolgen van het handelen van [Y] ongedekt blijven.

 

5.28.

De slotsom van het voorgaande is dat Aegon dekking moet verlenen voor de schadevergoeding waartoe [Y] in de hoofdzaak wordt veroordeeld. Haar beroep op de opzetclausule slaagt niet.

 

5.29.

De standpunten van Aegon ten aanzien van de verschillende schadeposten van [X] zijn door [Y] in de hoofdzaak alle onderschreven en overgenomen en aldaar bij de beoordeling van de schade betrokken, zodat Aegon als aansprakelijkheidsverzekeraar van [Y] tot integrale vergoeding van de in de hoofdzaak toegewezen schade gehouden is.

 

5.30.

De vordering van [Y] in de vrijwaring wordt, als overigens onweersproken, toegewezen.

Aegon wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Y] worden begroot op:

– dagvaarding € 103,81

– griffierecht € 78,–

– salaris advocaat € 3.414,– (2 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 3.595,81

 

5.31.

De vordering van [Y] omvat de veroordeling van Aegon tot vergoeding van de proceskosten in de hoofdzaak. Aegon heeft dit niet weersproken. De proceskosten die in de hoofdzaak voor rekening van [Y] zijn gekomen, moeten daarom door Aegon worden vergoed.

 

5.32.

[Y] heeft ook buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, maar niet onderbouwd gesteld dat hij dergelijke kosten heeft gemaakt. Daarom komen zij niet voor toewijzing in aanmerking.

 

6

De beslissing

De rechtbank

 

in de hoofdzaak

6.1.

veroordeelt [Y] om aan [X] te betalen een bedrag van € 93.724,14 (drieënnegentig duizendzevenhonderdvierentwintig euro en vierenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van heden tot de dag van volledige betaling,

 

6.2.

veroordeelt [Y] in de kosten van de hoofdzaak en het incident, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 3.593,05, en aan nakosten begroot op € 157,– , nog te vermeerderen met € 87,– in geval van betekening van dit vonnis,

 

6.3.

verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.

wijs het meer of anders gevorderde af,

 

in de zaak in vrijwaring

6.5.

veroordeelt Aegon aan [Y] te betalen al hetgeen waartoe [Y] in de hoofdzaak jegens [X] is veroordeeld, waaronder de proceskosten van de hoofdzaak waarin [Y] is veroordeeld, aan de zijde van [X] begroot op € 3.593,05,

 

6.6.

veroordeelt Aegon in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op € 3.595,81,

 

6.7.

verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

 

6.8.

wijst het meer of anders gevorderde af

 

Dit vonnis is gewezen door mrs. S.J. Hoekstra-Van Vliet, J.M. Willems en J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2019.1

 

1

type: 2651

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots