Rb: Na deskundigenbericht alleen causaliteit nekklachten aangenomen

Samenvatting:

Gedaagde reed achterop de stilstaande auto van eiser. Geen al te hoge eisen mogen bij whiplashklachten worden gesteld. De rechtbank volgt de deskundige. Deze neuroloog acht een whiplash trauma aannemelijk. De nekklachten zijn enkele malen gedocumenteerd. De lage rugklachten passen het meest bij aspecifieke rugklachten. Een causale relatie met het ongeval is niet duidelijk, omdat een specifiek ongevalsmechanisme, zoals bij de nek hier niet aanwezig is. Ook in het verleden had betrokkene wel eens lage rugklachten. De klachten over aanvalsgewijs optredende draaiduizeligheid had betrokkene voor het ongeval bij zijn huisarts gemeld. De rechtbank stelt vast dat eiser als gevolg van het ongeval alleen nek- en schouderklachten heeft, zonder dat er bewegingsbeperkingen zijn geconstateerd en dat hij als gevolg van deze klachten lichte beperkingen heeft bij werkzaamheden en activiteiten. De rechtbank heeft voor de vaststelling van het verlies aan arbeidsvermogen behoefte eraan om een arbeidskundige te raadplegen en stelt het smartengeld op € 2600 i.p.v. de gevorderde € 55.000.

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 01-08-2018
Datum publicatie 30-10-2018
Zaaknummer C/16/445317 / HA ZA 17-694
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie
Letselschade. causaal verband. voornemen benoemen arbeidskundige
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0898

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/445317 / HA ZA 17-694

Vonnis van 1 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. J.F.D. Bruinsma,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. de naamloze vennootschap
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagden,
advocaat mr. W.A.M. Rupert, behandelend advocaat mr. J.C. Rous.

Partijen zullen hierna [eiser] en ASR c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 24 januari 2018,
– het proces-verbaal van comparitie van 3 mei 2018.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1982, was zelfstandig ondernemer in de autohandel. Hij is op 18 september 2012 betrokken geweest bij een auto-ongeval waarbij de heer [gedaagde sub 1] achterop de stilstaande auto van [eiser] is gereden. De auto van [gedaagde sub 1] was voor de wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij ASR. ASR c.s. heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.2. [eiser] heeft zich de dag na het ongeval – wegens afwezigheid van zijn eigen huisarts – gemeld bij de spoedeisende hulp van het ziekenhuis vanwege pijn in de nek en hoofdpijn. Het verslag van de spoedeisende hulp vermeldt als diagnose: “tendomyogene pijnklachten na aanrijding van achteren.”

2.3. Op 26 november 2011 is [eiser] bij het verwisselen van een lamp in zijn bedrijf van een ladder gevallen. Hij heeft daarbij zijn linker pols en zijn rechter knieschijf gebroken.

2.4. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft P. Verlooy, neuroloog, een expertise uitgebracht. In zijn rapport van 19 juni 2015 vermeldt Verlooy onder het kopje “Overwegingen”:
“Het is aannemelijk gezien de aard en impact van het ongeval dat er door het ongeval een geforceerde flexie/extensie is geweest van de CWK (rechtbank: cervicale wervelkolom) met overrekking van de weke delen, die de CWK omgeven. Middels beeldvormend onderzoek zijn traumatische afwijkingen van de CWK uitgesloten. Er is dus in principe sprake van een whiplash trauma, waardoor klachten over pijn in de nek en hoofdpijn, die na het ongeval zijn ontstaan, kunnen worden verklaard. Meestal verdwijnen whiplash gerelateerde klachten binnen enkele maanden, maar in sommige gevallen persisteren de klachten, waarbij geen anatomisch substraat aanwijsbaar is, maar de klachten kunnen worden gezien als een chronisch pijnsyndroom. Kennelijk is dit bij de betrokkene ook het geval geweest. De nekklachten zijn enkele malen gedocumenteerd, waarbij geen duidelijke bewegingsbeperking is vastgelegd. Ook thans bestaat er geen bewegingsbeperking, maar alleen eindstandige pijn. Er is anamnestisch uitstraling naar beide schouders
(…)

De schouderklachten passen het meest bij referred pain vanuit de nek, omdat bij onderzoek van beide schouders er geen pijn of bewegingsbeperking bestaat bij bewegingen in het schoudergewricht.

De lage rugklachten passen het meest bij aspecifieke rugklachten, omdat er anamnestisch en bij onderzoek geen aanwijzingen zijn voor radiculaire klachten of radiculaire stoornissen. Een causale relatie met het ongeval is hier niet duidelijk, omdat een specifiek ongevalsmechanisme, zoals bij de nek hier niet aanwezig is en er geen gedocumenteerd letsel is van de LWK (rechtbank: lumbale wervelkolom). Daarbij dient overwogen te worden dat lage rugklachten in een normale populatie niet zeldzaam zijn. Ook in het verleden heeft betrokkene blijkens het journaal van de huisarts wel eens lage rugklachten gehad.
(…)

Betrokkene heeft klachten over aanvalsgewijs optredende draaiduizeligheid, die anamnestisch het meest passen bij benigne paroxysmale positieduizeligheid. (…)
Blijkens het huisartsenjournaal heeft betrokkene zich op 6-9-2012, dus voor het eerste ongeval, bij zijn huisarts gemeld in verband met klachten over draaiduizeligheid, die toen zijn geduid als een labyrinthitis. Betrokkene heeft daarna nog enkele malen blijkens de anamnese aanvallen gehad en het is mogelijk en ook aannemelijk dat hij hierdoor van de ladder is gevallen. Omdat de duizeligheidsklachten al voor het ongeval zijn opgetreden en bovendien niet kunnen worden gerelateerd aan een whiplashtrauma kunnen de klachten over draaiduizeligheid niet gerelateerd worden aan het ongeval op 18-9-2012”

Verlooy heeft de volgende diagnosen gesteld:

1. Whiplash Associated Disorder graad 1

2. Benigne paroxysmale positieduizeligheid

3. aspecifieke rugklachten.
Op de vraag welke beperkingen [eiser] thans ondervindt, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval, heeft de deskundige geantwoord:
“Het is aannemelijk dat betrokkene als gevolg van zijn nekklachten lichte beperkingen ondervindt bij werkzaamheden of activiteiten, waarbij hij regelmatig zijn hoofd eindstandig dient te roteren of te lateroflecteren naar rechts of links dan wel maximaal dient te extenderen of te flecteren.

De beperkingen als gevolg van het oude en nieuwe letsel van de linker arm valt buiten beschouwing van het neurologisch onderzoek.

Voor aspecifieke lage rugklachten kan geen functieverlies en dus geen beperking worden vastgesteld op neurologisch gebied.

Het is aannemelijk dat betrokkene als gevolg van de aanvalsgewijs optredende draaiduizeligheid een beperking ondervindt bij werkzaamheden of activiteiten, waarbij hij gevaar zou kunnen lopen, bijvoorbeeld het beklimmen van ladders of steigers of het bedienen van bepaalde machines.”
De vraag welke mate van functieverlies voortvloeit uit de ongeval gerelateerde klachten en ongeval gerelateerde afwijkingen heeft de deskundige beantwoord als volgt:
“Uitgaande van de AMA Guides 6e editie kan het whiplashtrauma worden geëvalueerd op pagina 564, tabel 17-2. Indien er sprake is van een specifiek nektrauma met persisterende nekklachten, waarbij irradiatie optreedt zoals in het geval van betrokkene naar het achterhoofd en schouders, kan er functieverlies worden toegekend met een maximum tot 3% van de persoon. Het functieverlies in casu zou kunnen worden geschat op 2%, rekening houdend met het neurologisch onderzoek, waarbij er geen bewegingsbeperking van de CWK bestaat.

Uitgaande van de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie kan bij persisterende nekklachten na een whiplashtrauma geen functieverlies worden toegekend.”

3 Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis,
ASR c.s. veroordeelt om aan hem een bedrag van € 403.710,43 te betalen, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 september 2012, althans vanaf 23 oktober 2014, met veroordeling van ASR c.s. in de kosten van dit geding daaronder begrepen de nakosten.

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat uit het rapport van Verlooy blijkt dat zijn klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval. [eiser] stelt dat hij als gevolg van deze klachten blijvend beperkt zal zijn in de uitvoering van zijn taken in en rond het huis en blijvend ongeschikt zal zijn voor zijn beroep van zelfstandig ondernemer in de autohandel. Volgens [eiser] zal hij als gevolg van zijn beperkingen ook niet in staat zijn een dienstbetrekking te vinden. [eiser] heeft de volgende schadeposten vermeld:
– zijn eigen bijdrage in de ziektekosten: € 2.150,00 over de jaren 2012 tot en met 2017, en
€ 250,00 per jaar (€ 6.099,00) voor de toekomstige ziektekosten;
– kosten voor verzorging door derden: € 350,00 gedurende de eerste periode na het ongeval:
– verlies van zelfwerkzaamheid: € 5.712,00 over de jaren 2012 tot en met 2017, en
€ 950,00 per jaar (€ 22.250,00) voor het toekomstig verlies aan zelfwerkzaamheid
– verlies arbeidsvermogen: € 231.173,29 over de periode 2012 tot en met 2019, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2014 ten bedrage van € 55.466,98;
– de immateriële schade: € 55.000,00.
Omdat ASR c.s. aansprakelijk is voor het ongeval, dient zij volgens [eiser] deze schade te vergoeden.

3.3. ASR c.s. stelt zich op het standpunt dat uit het rapport van Verlooy blijkt dat het aannemelijk is dat [eiser] als gevolg van het ongeval nekklachten heeft. Volgens ASR c.s. zijn de lichte beperkingen, die [eiser] volgens Verlooy als gevolg van deze nekklachten ondervindt, niet van dien aard dat hij als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is of dat deze zouden leiden tot een vermindering van zijn mogelijkheden tot zelfwerkzaamheid. Nader onderzoek door een deskundige acht ASR c.s. onder deze omstandigheden niet aan de orde. ASR c.s. heeft de (hoogte) van de diverse schadeposten gemotiveerd betwist.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre de klachten en beperkingen die [eiser] ondervindt het gevolg zijn van het ongeval en in hoeverre [eiser] als gevolg daarvan beperkt is in de uitoefening van zijn werkzaamheden als zelfstandig autohandelaar. [eiser] beroept zich op de jurisprudentie betreffende het causaal verband tussen een ongeval en whiplashklachten.

4.2. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2054,) blijkt van een ruime toerekening in geval van letselschade. Op grond van de jurisprudentie waarop [eiser] zich beroept kunnen aan het bewijs van het bestaan van whiplash(achtige) klachten geen al te hoge eisen worden gesteld. Inherent aan whiplash(achtige) klachten is immers dat deze moeilijk objectiveerbaar zijn omdat bij deze klachten veelal een medisch, neurologisch substraat ontbreekt. Voor het bewijs van het bestaan van de geuite klachten is over het algemeen voldoende dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten. Als dan komt vast te staan dat het slachtoffer de klachten voor het ongeval niet had, de klachten het gevolg kunnen zijn van het ongeval en een andere verklaring voor de klachten ontbreekt, zal doorgaans het bewijs voor het conditio sine qua non verband tussen deze klachten en het ongeval geleverd worden geacht. Deze ruime toerekening laat onverlet dat de bewijslast van het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde schade op [eiser] rust.

4.3. Bij de beoordeling van dit geschil neemt de rechtbank in aanmerking dat een rapport dat is uitgebracht door een door partijen gezamenlijk benoemde deskundige, in beginsel als uitgangspunt heeft te gelden. Dit kan anders zijn indien er steekhoudende en zwaarwegende bezwaren tegen het rapport zijn, bijvoorbeeld indien de door de deskundige gehanteerde methode van onderzoek niet juist is, of de rapportage niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. De rechtbank acht het rapport van Verlooy deugdelijk van opzet en de conclusies van de deskundigen goed gemotiveerd. De bezwaren van [eiser] tegen onderdelen van het rapport zullen – voor zover van belang – hierna aan de orde komen, maar zijn geen reden om voorbij te gaan aan de bevindingen van de deskundige. De rechtbank ziet dan ook geen reden om een andere neuroloog als deskundige te benoemen, zoals [eiser] heeft verzocht.

4.4. Uit het rapport blijkt dat Verlooy op basis van zijn onderzoek tot de conclusie is gekomen dat nekklachten, die uitstralen naar de schouders het gevolg zijn van het ongeval. Verlooy heeft ook duidelijk verwoord welke beperkingen deze klachten met zich brengen. Uit het rapport van Verlooy blijkt dat hij van mening is dat de andere door [eiser] genoemde klachten geen verband houden met het ongeval. Op grond van de hierna volgende overwegingen ziet de rechtbank in hetgeen [eiser] heeft aangevoerd geen grond om deze conclusies van Verlooy voor onjuist te houden.

4.5. Het betoog van [eiser] dat Verlooy de vraag naar het causaal verband tussen het ongeval en de lage rugklachten slechts in algemene zin heeft beantwoord gaat niet op. Verlooy heeft naast zijn mededeling dat lage rugklachten veel voorkomen in de normale populatie, er op gewezen dat lage rugklachten, anders dan nekklachten, niet specifiek zijn voor het ongeval dat [eiser] heeft doorgemaakt. Daar komt bij dat uit de beantwoording van vraag 1b over de medische voorgeschiedenis blijkt dat het huisartsenjournaal van [eiser] in 2006 lage rugklachten vermeldt. Op dit punt is er dus – anders dan [eiser] stelt – geen sprake van klachten die [eiser] voorheen nimmer heeft gehad en is niet voldaan aan de hiervoor in 4.2 gestelde voorwaarde dat hij de betreffende klachten voor het ongeval niet had.

4.6. Ter zitting heeft [eiser] naar voren gebracht dat ook de duizeligheidsklachten, als gevolg waarvan hij van de ladder is gevallen, het gevolg zijn van het ongeval. Volgens hem is het rapport van Verlooy op dit punt niet deugdelijk, omdat de oorzaken van de draaiduizeligheid voor en na het ongeval niet zijn onderzocht. Ook dit betoog is voor de rechtbank geen reden om de conclusies van Verlooy niet te volgen. Verlooy heeft vermeld dat uit het huisartsenjournaal blijkt dat reeds op 6 september 2012, dus voor het ongeval, de diagnose draaiduizeligheid is gesteld en dat deze klachten werden geduid als labyrinthitis, waarvoor cinnarizine en een neusspray werden voorgeschreven. Verlooy heeft op grond van het door hem uitgevoerde onderzoek kennelijk geen aanleiding gezien om te veronderstellen dat de draaiduizeligheid die de val van de trap heeft veroorzaakt een andere oorzaak had dan de reeds door de huisarts gestelde diagnose. Daarbij is ook van belang dat Verlooy heeft aangegeven (beantwoording van vraag 2f naar de prognose) dat de klachten van “benigne positieduizeligheid” na behandeling kunnen verdwijnen, maar dat deze ook kunnen recidiveren. Ook op dit punt is dus niet voldaan aan de voorwaarde dat [eiser] de klachten voor het ongeval niet had. Uit het rapport van Verlooy blijkt dat er een andere oorzaak is voor deze klachten. [eiser] heeft naar aanleiding van het conceptrapport geen bezwaren ingebracht tegen deze conclusie van Verlooy en ook nu heeft hij geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan blijken dat Verlooy zijn conclusies op grond van de voorhanden gegevens niet had kunnen trekken.

4.7. Op grond van het voorgaande volgt de rechtbank de conclusies van Van der Looy en stelt vast:
– dat [eiser] als gevolg van het ongeval nek- en schouderklachten heeft, zonder dat er bewegingsbeperkingen zijn geconstateerd en
– dat hij als gevolg van deze klachten lichte beperkingen heeft bij werkzaamheden of activiteiten, waarbij hij regelmatig zijn hoofd eindstandig dient te roteren (draaien) of te lateroflecteren (opzij buigen) naar rechts of links dan wel maximaal dient te extenderen (strekken) of te flecteren (buigen).
Omdat Verlooy de beperkingen duidelijk heeft beschreven, is de rechtbank van oordeel dat een nadere opdracht aan een verzekeringsarts niet nodig is.

4.8. De grootste schadepost is het door [eiser] gestelde verlies aan arbeidsvermogen. Voor de begroting daarvan is van belang in hoeverre de hiervoor genoemde beperkingen, gevolgen hebben voor de uitoefening van zijn werkzaamheden als zelfstandig autohandelaar.

4.9. Voor de conclusie dat [eiser] als gevolg van zijn nek- en schouderklachten tot geen enkele werkzaamheid in staat is en daardoor volledig arbeidsongeschikt is zoals hij stelt, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Voorts is van belang dat naast de door Verlooy geconstateerde beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval een aantal andere klachten en beperkingen aan de orde zijn. Het is niet duidelijk in hoeverre deze beperkingen invloed hebben op zijn mogelijkheden tot het verrichten van werkzaamheden. Het gaat om de reeds genoemde draaiduizeligheid en de lage rugklachten en om de beperkingen aan de linker pols als gevolg van de val van de ladder. Verder heeft ASR c.s. naar aanleiding van de stelling van [eiser] dat hij vanwege het gebruik van medicijnen niet meer kan autorijden, naar voren gebracht dat uit het rapport van Verlooy enkel blijkt dat [eiser] medicatie heeft voorgeschreven gekregen in verband met draaiduizeligheid en spanningsklachten die geen verband houden met het ongeval. Naar aanleiding van dit verweer had het op de weg van [eiser] gelegen zijn stelling dat hij vanwege zijn medicatie niet in staat is auto te rijden nader te onderbouwen. [eiser] is hier echter niet op ingegaan. Daarom zal bij de beoordeling van het verlies aan arbeidsvermogen de gestelde gevolgen van het medicijngebruik bij het autorijden buiten beschouwing worden gelaten.

4.10. Anderzijds volgt de rechtbank ook niet de conclusie van ASR c.s. dat reeds nu – zonder nader onderzoek door een arbeidskundige – vaststaat dat de door Verlooy gevonden beperkingen in het geheel geen van verlies van arbeidsvermogen tot gevolg zouden kunnen hebben. De rechtbank heeft er daarom behoefte aan op dit punt een arbeidskundige te raadplegen.

4.11. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het voornemen om een arbeidskundige als deskundige te benoemen. De deskundige zal worden gevraagd welke gevolgen de hiervoor in 4.7 genoemde beperkingen hebben voor het werk van [eiser] als zelfstandig autoverkoper. Wat betreft de inhoud van zijn werkzaamheden zal in beginsel worden uitgegaan van de toelichting door [eiser] ter zitting dat deze voornamelijk bestonden uit het via de computer bijhouden van de advertenties op marktplaats en reageren daarop, dat hij incidenteel een gekochte auto ging ophalen en dat hij de eventueel noodzakelijke monteurswerkzaamheden aan een ingekochte auto zelf verrichtte.

4.12. Nadat in kaart is gebracht welke gevolgen de beperkingen voor de werkzaamheden van [eiser] hebben, moet worden beoordeeld of en zo ja in hoeverre dit leidt tot een vermindering van zijn inkomsten. Voor de begroting van de schade als gevolg van het ongeval moet een vergelijking worden gemaakt tussen het feitelijk inkomen en het inkomen dat [eiser] zou hebben verdiend, het ongeval weggedacht. Omdat, zoals hiervoor is overwogen er ook andere oorzaken zijn voor de vermindering van zijn arbeidsvermogen, komt geen doorslaggevend belang toe aan de door [eiser] overgelegde jaarstukken over het jaar 2013 (het jaar na het ongeval) waaruit blijkt dat de omzet in dat jaar fors is gedaald en het resultaat negatief is. Zoals ook ASR c.s. heeft opgemerkt heeft de accountant in het voorwoord aangegeven dat deze daling het gevolg is van de operaties die [eiser] in dat jaar heeft ondergaan. Deze operaties houden geen verband met het ongeval.

4.13. Gelet op het voorgaande doet de rechtbank een voorzet voor een mogelijke benaderingswijze voor het begroten van een eventueel verlies aan arbeidsvermogen in de gegeven omstandigheden. Aan de hand van de gemiddelde omzet in de jaren voor het ongeval kan een schatting worden gemaakt van het inkomen dat [eiser] zou hebben kunnen verwerven als hij zonder enige beperking zou hebben kunnen doorwerken. Indien de arbeidskundige tot de conclusie komt dat de aan het ongeval gerelateerde beperkingen gevolgen hebben voor de mogelijkheid voor [eiser] tot uitoefening van zijn beroep, kan de arbeidskundige worden gevraagd (in abstracto) te schatten met welk percentage deze geschatte jaaromzet als gevolg van deze beperkingen zou zijn verminderd. Deze vermindering kan dan als basis dienen voor de begroting van de jaarschade vanwege het verlies aan arbeidsvermogen. Deze benadering doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan het feit dat [eiser] als gevolg van het ongeval mogelijk beperkingen ondervindt, maar dat er daarnaast andere, niet aan het ongeval te relateren omstandigheden zijn die invloed hebben op zijn arbeidsvermogen.

4.14. Voordat wordt overgegaan tot benoeming van de deskundige stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over dit voornemen, over de persoon van de deskundige en over de aan de deskundige voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak daarvoor naar de rol verwijzen.

4.1.5 Omdat de beperkingen als gevolg van het ongeval zijn komen te staan zal de rechtbank oordelen over het gevorderde smartengeld. [eiser] vordert een bedrag van € 55.000,00 wegens smartengeld. Hij heeft deze vordering slechts onderbouwd door in algemene bewoordingen te stellen dat er sprake is van ernstig fysiek en geestelijk lijden. ASR heeft erop gewezen dat in vergelijkbare gevallen aanzienlijk lagere bedragen (tussen € 2.527,00 en € 3.000,00) zijn uitgekeerd. Zij wijst daartoe op relevante uitspraken die zijn gepubliceerd in de smartengeldgids ANWB (hierna: de Smartengeldgids).

4.16. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.7 is overwogen heeft [eiser] als gevolg van het ongeval nek- en schouderklachten die op een aantal punten tot lichte beperkingen hebben geleid. Onder deze omstandigheden is de rechtbank – vergelijkbare gevallen in de rechtspraak in aanmerking genomen – van oordeel dat een vergoeding van een bedrag van € 2.600,00 voor smartengeld passend is. Dit bedrag zal te zijner tijd bij einduitspraak worden toegewezen.

4.17. Over de overige punten van geschil wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4.18. Nu de rechtbank in dit vonnis op een aantal essentiële punten een oordeel heeft uitgesproken, geeft zij partijen in overweging te trachten op basis van deze uitgangspunten in gezamenlijk overleg tot afwikkeling van de schade te komen

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 29 augustus 2018 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2018.1 1
type: SM/4183 coll:

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots