Rb: Moord geen reden tot afwijking van de regel wie voorschot deskundigen betaalt

Samenvatting:

De rechtbank benoemt een deskundige om vast te stellen of bij eisers sprake is van geestelijk letsel als gevolg van de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de moord door gedaagde. De rechtbank neemt een aanvullende vraag van partijen over. De deskundige verlangt een voorschot op zijn honorarium dat overeenkomstig wordt vastgesteld. De rechtbank ziet in de door eisers aangevoerde gronden geen reden om terug te komen van haar beslissing dat op grond van het uitgangspunt van de wet het voorschot door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Met de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling staat de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor shockschade niet vast in tegenstelling tot de uitvaartkosten. Een en ander laat onverlet da aan eisers toevoegingen zijn verleend. Daarom zal het voorschot door de griffier ten laste van ’s Rijks kas worden voorgeschoten. De rechtbank zal in het eindvonnis bepalen ten laste van welke partij de kosten uiteindelijk zullen komen.

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-11-2018
Datum publicatie 27-11-2018
Zaaknummer C/09/535594 / HA ZA 17-715
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken Bodemzaak
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Bevel deskundigenbericht.Shockschade. Deskundige dient vast te stellen of bij eisers sprake is van geestelijk letsel als gevolg van de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van een moord. Vervolg op ECLI:NL:RBDHA:2018:11220.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/535594 / HA ZA 17-715

Vonnis van 21 november 2018

in de zaak van

1 [eiser 1] te [plaats 1] ,

2. [eiseres 2] te [plaats 1] ,

3. [eiser 3] te [plaats 1] ,
eisers,
advocaat: mr. L.J.G. Derks te Den Haag,

tegen

[gedaagde] te [plaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. M. de Reus te Rotterdam.

Eisers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid met [eiser 1 c.s.] of ieder afzonderlijk met de vader, de moeder en de broer. Gedaagde wordt hierna [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van deze rechtbank van 19 september 2018 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde stukken;
– de akte van 17 oktober 2018 van [eiser 1 c.s.]

1.2. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij voornemens is een deskundige te benoemen met het verzoek vast te stellen of bij [eiser 1 c.s.] sprake is van geestelijk letsel als gevolg van de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de moord op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de te stellen vragen. Vervolgens is iedere verdere beslissing aangehouden.

2.2. Partijen hebben gezamenlijk voorgesteld om de heer drs. J.J.D. Tilanus tot deskundige te benoemen. Deze deskundige heeft de rechtbank desgevraagd laten weten in staat en bereid te zijn deze opdracht op zich te nemen en dat hij verwacht op een termijn van vier maanden na dit vonnis te kunnen rapporteren. Gelet hierop zal de rechtbank de heer drs. J.J.D. Tilanus benoemen tot deskundige.

2.3. Partijen hebben op de door de rechtbank beoogde vraagstelling, zoals in het tussenvonnis in 4.26 weergegeven, een aanvullende vraag voorgesteld, namelijk: “Kunt u de diagnose weergeven volgens de DSM-classificatie?”. De rechtbank neemt deze aanvullende vraag over, zodat de vraagstelling aan de deskundige komt te luiden zoals in het dictum verwoord.

2.4. De deskundige verlangt als voorschot op zijn honorarium een bedrag van € 6.715,50 inclusief btw. Hij heeft toegelicht dat de vader, de moeder en de broer apart moeten worden onderzocht. Per persoon moet worden beoordeeld of sprake is van een psychiatrische diagnose met een direct medisch-causale relatie met de confrontatie met de moord op [slachtoffer] . De deskundige gaat hierbij uit van een (op verzoek van de rechtbank ruim geschatte) tijdsbesteding van circa 10 uur per onderzoek, in totaal derhalve 30 uur, tegen een uurtarief van € 185,– exclusief btw (2018). De rechtbank komt een en ander niet onredelijk voor en ook partijen hebben de rechtbank desgevraagd laten weten dat zij kunnen instemmen met de hoogte van dit voorschot. De rechtbank zal het voorschot daarom overeenkomstig de inschatting van de deskundige vaststellen.

2.5. [eiser 1 c.s.] hebben aangevoerd dat er aanleiding is om, in afwijking van de hoofdregel, het voorschot te laten deponeren door de gedaagde. De rechtbank ziet in de door [eiser 1 c.s.] aangevoerde gronden geen reden om terug te komen van haar beslissing in 4.27 van het tussenvonnis dat op grond van het uitgangspunt van de wet (de hoofdregel van artikel 195 Rv) het voorschot door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Met de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van [gedaagde] voor de moord op [slachtoffer] staat zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid tegenover de nabestaanden voor shockschade niet vast. Die veroordeling, en daarmee ook de aard van het misdrijf waarvoor [gedaagde] is veroordeeld, is derhalve op zichzelf geen omstandigheid die meebrengt dat [gedaagde] tot betaling van het voorschot is aangewezen. Nu het deskundigenbericht wordt gelast in verband met de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde] voor shockschade (6:162 BW) en niet voor de gemaakte uitvaartkosten (6:108 BW), ziet de rechtbank evenmin reden voor afwijking van de hoofdregel op de grond dat [gedaagde] aansprakelijk is tegenover [eiser 1 c.s.] op die laatste grondslag. Een en ander laat onverlet dat, nu aan [eiser 1 c.s.] toevoegingen zijn verleend en anders dan in 4.27 van het tussenvonnis overwogen, aan hen op grond van artikel 195 derde tot en met vijfde volzin, geen voorschot wordt opgelegd. Het voorschot van de deskundige zal op grond van artikel 199 lid 3 Rv door de griffier ten laste van ’s Rijks kas worden voorgeschoten. De rechtbank zal in het eindvonnis bepalen ten laste van welke partij(en) de kosten van de deskundige uiteindelijk zullen komen.

2.6. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.7. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige zendt, moet zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij verstrekken.

2.8. In afwachting van het deskundigenbericht zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3 De beslissing
De rechtbank:

3.1. beveelt een onderzoek door de volgende deskundige:

de heer drs. J.J.D. Tilanus,
als psychiater werkzaam bij het ETZ Elisabeth,
adres: Hilvarenbeekseweg 60, 5022 GC Tilburg
telefoon: [nummer] ,
e-mailadres: [e-mailadres]

3.2. bepaalt dat in het kader van de te verrichten onderzoeken de volgende vragen gemotiveerd dienen te worden beantwoord:

Kunt u – op basis van dossieronderzoek en/of onderzoek van [eiser 1 c.s.] in persoon – omschrijven met welke klachten, afwijkingen en beperkingen [eiser 1 c.s.] te maken hebben gehad na het overlijden van [slachtoffer] , te specificeren per persoon (vader, moeder en broer)?
Zijn de onder 1. bedoelde klachten en beperkingen te herleiden tot geestelijk letsel dat medisch voldoende kan worden vastgesteld? Zo ja, wat is uw diagnose en wilt u daarbij een differentiaaldiagnostische overweging op uw vakgebied geven? Is sprake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld en zo ja, welk? Kunt u de diagnose weergeven volgens de DSM-classificatie?
Wilt u bij bevestigende beantwoording van vraag 2. ook de volgende vragen beantwoorden:
Hoe is het beloop geweest tot nu toe?
Zijn de klachten adequaat behandeld?
Indien nog steeds sprake is van een ziektebeeld: is verder herstel te verwachten?
Acht u dit ziektebeeld (mede) het gevolg van de directe confrontatie van [eiser 1 c.s.] met de ernstige gevolgen van de moord op [slachtoffer] ? Voor zover uw deze vraag niet met zekerheid kunt beantwoorden, wordt u gevraagd om uw mening vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied over kansen en waarschijnlijkheden.
Heeft u nog andere op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?
het voorschot

3.3. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 6.715,50 (inclusief btw);

3.4. verstaat dat de griffier het door [eiser 1 c.s.] te betalen voorschot van € 6.715,50 in debet zal stellen nu aan hen een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand;

de onderzoeken

3.5. bepaalt dat [eiser 1 c.s.] hun procesdossier, alsmede hun volledige medische dossiers, voorafgaand aan de onderzoeken in afschrift aan de deskundige ter beschikking moeten stellen;

3.6. bepaalt dat de deskundige de onderzoeken zelfstandig zal instellen op de door hem in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;

3.7. wijst de deskundige erop dat:
– hij voor aanvang van de onderzoeken dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);
– hij de onderzoeken onmiddellijk moet staken en contact moet opnemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;

3.8. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien hij daarom verzoekt en hem ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van de onderzoeken;

de schriftelijke rapporten

3.9. draagt de deskundige op om uiterlijk vier maanden na deze beslissing drie schriftelijke en ondertekende berichten in drievoud bij de griffie, team handel afdeling bodemzaken van deze rechtbank (postbus 20302, 2500 EH Den Haag) in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie en met vermelding van het zaak- en rolnummer van deze zaak;

3.10. wijst de deskundige erop dat:
– uit de schriftelijke berichten moet blijken op welke stukken zijn oordeel is gebaseerd;
– hij de vader, de moeder en de broer in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van hun inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b BW en, indien de vader, de moeder en de broer als eerste kennis wensen te nemen van het betreffende deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan hen (eventueel onder gesloten couvert via hun advocaat) moet toesturen en hen daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik willen maken van hun blokkeringsrecht (waarbij zij zich van commentaar op het concept moeten onthouden);
– indien de vader, de moeder en de broer binnen die termijn mededelen gebruik te maken van hun blokkeringsrecht, hij de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen;
– indien de vader, de moeder en de broer geen gebruik maken van hun inzage- of blokkeringsrecht, hij de concepten van de deskundigenrapporten aan de advocaten van partijen moet toezenden opdat partijen de gelegenheid krijgen daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in de definitieve rapporten de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en zijn reactie daarop moet vermelden;

3.11. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op de concept-rapporten van de deskundige nadat deze aan partijen zijn toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van de concept-rapporten te reageren;

overige bepalingen

3.12. bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis aan partijen en aan de deskundige zal zenden;

3.13. bepaalt dat de zaak, nadat de deskundigenberichten bij de griffie van deze rechtbank zijn ingeleverd en nadat de griffier exemplaren daarvan heeft toegezonden aan partijen, op de rol wordt gebracht voor een conclusie na deskundigenbericht aan beide zijden op een termijn van vier weken;

3.14. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, mr. J. Brandt en mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots