Rb: mishandeling bewezen, geen eigen schuld, diverse schadeposten

Samenvatting:

Mishandeling beveiliger. 1. De rechtbank acht gedaagde aansprakelijk op basis van strafvonnis. 2. Verlies van arbeidsvermogen is onvoldoende onderbouwd. 3. Huishoudelijke hulp is onvoldoende onderbouwd; enkele verwijzing naar Richtlijn De Letselschade Raad is onvoldoende. 4. Smartengeld: € 1500,-.  5. Geen eigen schuld eiser. De omstandigheid dat eiser als beveiliger werkzaam was en daardoor meer dan gemiddeld het risico liep op letsel betekent niet dat sprake is van eigen schuld.

 

 

ECLI:NL:RBROT:2020:8190

 

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

16-09-2020

Datum publicatie

17-09-2020

Zaaknummer

C/10/592753 / HA ZA 20-256

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Een op tegenspraak gewezen strafvonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Artikel 161 Rv. Onrechtmatige daad als gevolg van mishandeling. Gevorderd voorschot op de (immateriële) schade deels toegewezen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

 

Team handel en haven

 

zaaknummer / rolnummer: C/10/592753 / HA ZA 20-256

 

Vonnis van 16 september 2020

 

in de zaak van

 

[naam eiser] ,

 

wonende te [woonplaats eiser] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. P.M. Vrijmoed te Amsterdam,

 

tegen

 

[naam gedaagde] ,

 

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. G.W. Boogaard te Leerdam.

 

Partijen zullen hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd worden.

  1. De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

de dagvaarding van 24 februari 2020, met producties;

 

de conclusie van antwoord;

 

de conclusie van repliek met producties;

 

de conclusie van dupliek.

 

1.2.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

  1. De feiten

2.1.

 

Op 4 juni 2018 was [naam eiser] als beveiliger aan het werk op het festival Intents in Oisterwijk.

2.2.

 

Tussen [naam eiser] en [naam gedaagde] heeft op 4 juni 2018 een fysieke confrontatie plaatsgevonden. [naam eiser] is diezelfde dag naar zijn huisarts gegaan in verband met klachten als gevolg van het incident.

2.3.

 

[naam eiser] heeft op 4 juni 2018 aangifte tegen [naam gedaagde] gedaan van mishandeling. In zijn aangifte heeft hij – voor zover relevant – het volgende verklaard:

 

“Ik werk bij het beveiligingsbedrijf (…). Op (…) 4 juni was ik als (…) beveiliger werkzaam op het festivalterrein (…). Ik trof aan de buitenzijde van het hek van de camping (…) [een] persoon aan. Hij had enkel een onderbroek en vest aan. (…) Hij vertelde dat hij waarschijnlijk in een trip had gezeten. Ik hoorde dat hij zei drugs te hebben gebruikt en niet meer wist waar hij was (…). Ik vroeg aan de jongen om met mij mee te lopen (…). Kort hierna zei hij dat hij naar zijn tent wilde gaan. Ik vertelde hem dat hij eerst met mij mee moest lopen waarop hij uit het niks erg agressief werd. Ik zag dat hij met zijn rechter arm uithaalde en krachtig met zijn vuist tegen mijn rechter schouder sloeg. Het ging zo snel dat ik mij niet kon weren. Ik voelde een hevige pijn aan mijn rechter schouder, borst en arm. (…)”

2.4.

 

In het proces-verbaal van verhoor van [naam gedaagde] van 4 juni 2018 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

 

“(…)

 

V: Hoe is het gegaan van het hek tot het moment dat je aan de politie bent overgedragen?

 

A: Dat is wel soepel gegaan eigenlijk. Tot het moment dat ik naar mijn tent toe wilde. Op dat moment is er wat geduwd en getrokken maar ik heb niemand op zijn gezicht geslagen ofzo hoor.

 

V: Waar bestond dat duwen en trekken uit?

 

A: Gewoon een beetje stoeien noem ik het, maar dan maximaal.

 

(…)”

2.5.

 

Op 1 augustus 2018 is [naam eiser] onderzocht door een orthopeed. In zijn specialistenbericht van dezelfde datum aan de huisarts schrijft de orthopeed – voor zover van belang – het volgende:

 

“Aanvullend onderzoek

 

X-schouder RECHTS (1/8/2018) geen afwijkingen

 

Echo schouder RECHTS (4/7/2018) normaal aspect van de bicepspees.

 

Bicepspees verloopt in zijn groeve. Normaal aspect van

 

Infraspinatuspees, supraspinatuspees en subscapularispees. Er is een

 

scheur in de musculus pectoralis major.”

2.6.

 

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 4 december 2018 is [naam gedaagde] veroordeeld voor mishandeling. Uit de aantekening mondeling vonnis blijkt – samengevat – dat:

 

– [naam gedaagde] is veroordeeld tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis;

 

– de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering.

2.7.

 

Door een medewerker van het Openbaar Ministerie is een afschrift van een tenlastelegging aan [naam eiser] verstrekt met een parketnummer dat correspondeert met het parketnummer van het hierboven genoemde vonnis van de politierechter. Deze tenlastelegging luidt:

 

“Dat hij op of omstreeks 4 juni 2018 te Oisterwijk [naam eiser] heeft mishandeld door die [naam eiser] in/op/tegen zijn lichaam te slaan en/of te stompen en/of zich (vervolgens) (trachtte) los te rukken/trekken.”

2.8.

 

Op 2 mei 2019 schrijft de huisarts van [naam eiser] – voor zover van belang – het volgende:

 

“In den beginnen leek het niet zo’n ernstig trauma, maar helaas bleek toch een forse scheur in de m. pectoralis maior met blijvend letsel. Zeker voor hem een fors trauma, want hij ontleent veel plezier, kracht en zelfvertrouwen uit zijn sport. Emotioneel zeer zwaar en somber stemmend. (…)

 

Hierbij enkele relevante gegevens uit het journaal:

 

(…)

 

09-07-18 S Wegens ruptuur m. pectoralis major verwezen naar

 

S orthopedie in flevoziekenhuis.

 

(…)

 

04-06-18 S vanmorgen bij werk re schouder/bovenarm

 

S geforceerd, drugsgebruiker heeft zijn re arm naar

 

S achter geforceerd, pijn en blauwe plek bovenarm,

 

S heeft met luchtwegen en gezichtsverbranding veel

 

S verzuim gehad, nu problemen met werkgever, heeft 2

 

S banen in beveiliging en op Schiphol

 

O hematoom fors van re bovenarm, voor/boven biceps,

 

O pijn bij palpatie voorste deel deltoideus en

 

O laterale deel pectoralis major, biceps gda,

 

O schouder zelf lijkt in orde

 

E hematoom, forceren re bovenarm/schouder (…)

 

Relevantie voorgeschiedenis:

 

06-2015 blessure borstspier/scheur”

2.9.

 

Op 1 augustus 2019 schrijft de fysiotherapeut die [naam eiser] heeft behandeld – voor zover van belang – het volgende:

 

“1. Wanneer vond de eerste consult plaats n.a.v. het voorval op 4 juni 2018?

 

Het eerste consult was op woensdag 15 augustus 2018

 

  1. Wat waren uw bevindingen tijdens dit consult?

 

Dat de heer een scheur had in zijn m.pectoralis major rechts. De schouder was daardoor vermindert mobiel, kon veel minder kracht leveren dan met links.

 

  1. (…)”

 

  1. Zijn er op dit moment nog klachten? Zoja, welke?

 

De klacht is niet veel verminderd. Nog steeds pijn, verminderde kracht en mobiliteit.”

  1. Het geschil

3.1.

 

[naam eiser] vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat [naam gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [naam eiser] lijdt als gevolg van de mishandeling op 4 juni 2018 en veroordeling van [naam gedaagde] tot betaling van een voorschotbedrag van € 7.500,00, vermeerderd met rente en (na)kosten.

3.2.

 

[naam gedaagde] voert verweer.

3.3.

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

  1. De beoordeling

4.1.

 

Tussen partijen is in geschil of [naam eiser] door [naam gedaagde] is mishandeld. [naam eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar het vonnis van de politierechter en het politiedossier. [naam gedaagde] betwist dat hij [naam eiser] heeft mishandeld en betwist eveneens dat hij is veroordeeld voor de mishandeling van [naam eiser] .

4.2.

 

Ter zake dit laatste punt voert [naam gedaagde] aan dat uit de aantekening mondeling vonnis van de politierechter weliswaar blijkt dat hij is veroordeeld voor een mishandeling op 4 juni 2018, maar niet dat hij is veroordeeld voor mishandeling van [naam eiser] . [naam gedaagde] heeft zijn verweer voor het overige niet gemotiveerd of onderbouwd.

4.3.

 

De rechtbank verwerpt dit verweer van [naam gedaagde] . Vaststaat dat [naam gedaagde] is veroordeeld voor een mishandeling die plaatsvond op 4 juni 2018. Eveneens staat vast dat [naam eiser] zich (als enige) in de strafzaak als benadeelde partij heeft gesteld, hetgeen blijkt uit de aantekening mondeling vonnis. Voorts blijkt uit de tenlastelegging behorend bij het vonnis dat aan [naam gedaagde] ten laste is gelegd dat hij [naam eiser] heeft mishandeld. Uit het onderliggende politiedossier blijkt dat aangifte is gedaan door [naam eiser] . Uit dit dossier noch uit de tenlastelegging blijkt dat (daarnaast) sprake zou zijn van verdenking van mishandeling van één of meerdere andere perso(o)n(en) door [naam gedaagde] . Dit samenstel van feiten rechtvaardigt de conclusie dat [naam gedaagde] is veroordeeld voor mishandeling van [naam eiser] .

4.4.

 

Tussen partijen is niet in geschil dat het strafvonnis van 4 december 2018 in kracht van gewijsde is gegaan. Op grond van artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. Dit brengt mee dat behoudens tegenbewijs vaststaat dat [naam gedaagde] op 4 juni 2018 [naam eiser] heeft mishandeld.

4.5.

 

[naam gedaagde] betwist dat hij [naam eiser] heeft mishandeld. Volgens [naam gedaagde] heeft [naam eiser] hem zonder geldige reden vastgepakt en vastgehouden. [naam gedaagde] heeft geprobeerd zich los te trekken dan wel los te worstelen, daarbij heeft hij niet geslagen of gestompt. Mocht er desondanks pijn of letsel bij [naam eiser] zijn ontstaan dan heeft [naam eiser] dat aan zichzelf te wijten, aldus [naam gedaagde] . [naam gedaagde] heeft een algemeen bewijsaanbod van zijn stellingen gedaan.

4.6.

 

De rechtbank overweegt dat een aanbod om tegenbewijs te leveren volgens vaste rechtspraak niet gespecificeerd hoeft te worden. [naam gedaagde] dient echter wel voldoende te stellen om tot het leveren van bewijs toegelaten te worden. De enkele ontkenning dat hij [naam eiser] heeft geslagen of gestompt is daartoe onvoldoende. Dit mede in het licht van de eigen verklaring van [naam gedaagde] ten overstaan van de politie dat er is ‘geduwd en getrokken’ en dat er ‘maximaal’ is ‘gestoeid’. Nu [naam gedaagde] de mishandeling van [naam eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist is tegenbewijslevering niet aan de orde.

4.7.

 

Gelet op wat hiervoor is overwogen staat de mishandeling van [naam eiser] door [naam gedaagde] vast. Dit levert in beginsel een onrechtmatige daad op in de zin van artikel 6:162 BW.

4.8.

 

In zoverre [naam gedaagde] meent te stellen dat de mishandeling niet aan hem kan worden toegerekend dan wel dat sprake was van een rechtvaardigingsgrond omdat hij zich probeerde te ontworstelen aan de onrechtmatige greep van [naam eiser] geldt het volgende. De stelplicht (en de eventuele bewijslast) van deze stellingen rust op [naam gedaagde] . [naam eiser] heeft deze stellingen gemotiveerd betwist onder verwijzing naar het politiedossier. Het had vervolgens op de weg van [naam gedaagde] gelegen om zijn stellingen nader toe te lichten of te onderbouwen, dit heeft hij echter nagelaten. Hierbij geldt dat de enkele omstandigheid dat [naam eiser] [naam gedaagde] zou hebben vastgehouden – als dit zou komen vast te staan – op zichzelf niet voldoende is om te concluderen dat de mishandeling gerechtvaardigd was dan wel dat deze [naam gedaagde] niet kan worden toegerekend. Het verweer van [naam gedaagde] wordt gepasseerd.

4.9.

 

De rechtbank komt tot de conclusie dat [naam gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam eiser] en dat dit aan [naam gedaagde] kan worden toegerekend. [naam gedaagde] is daarom gehouden tot vergoeding van de schade die [naam eiser] als gevolg van de mishandeling lijdt. Dat [naam eiser] als benadeelde partij in het strafproces niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering, maakt dit niet anders. De rechtbank zal de gevraagde verklaring voor recht toewijzen.

4.10.

 

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of, en zo ja in welke mate, de mishandeling tot schade bij [naam eiser] heeft geleid. [naam eiser] stelt dat hij door de mishandeling letsel heeft opgelopen. Dit letsel bestaat uit een partieel afgescheurde grote borstspier (rechts) ter plaatse van de schouderaanhechting.

4.11.

 

[naam gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat niet vaststaat dat de klachten van [naam eiser] in verband staan met het voorval op 4 juni 2018. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat er in 2015 al sprake was van een gescheurde borstspier en van veel verzuim als gevolg van “luchtwegen en gezichtsverbranding”.

4.12.

 

De rechtbank overweegt dat voor het bestaan van de verplichting tot schadevergoeding op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is vereist dat sprake is van schade en causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van [naam gedaagde] . Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het causaal verband in de vestigingsfase en anderzijds de kwestie van de omvang van de schadevergoedingsverbintenis. Voor de vestiging van aansprakelijkheid is voldoende dat tussen de onrechtmatige daad en de geleden schade een condicio sine qua non-verband bestaat.

4.13.

 

Het staat reeds vast dat [naam gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam eiser] . Dat [naam eiser] als gevolg daarvan enige schade heeft geleden, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Uit medische informatie van de huisarts (productie 3 bij de dagvaarding) blijkt immers dat [naam eiser] zich na de mishandeling diezelfde dag met pijn in zijn rechterbovenarm bij de huisarts heeft gemeld. Vervolgens is hij op 9 juli 2018 wegens een scheur in zijn grote borstspier verwezen naar de afdeling orthopedie van het Flevoziekenhuis. Verder blijkt uit het bericht van de orthopeed eveneens dat sprake is van een scheur in de grote borstspier waarvoor [naam eiser] is behandeld door een fysiotherapeut. Het verweer van [naam gedaagde] dat ook andere omstandigheden, zoals een gescheurde borstspier in 2015, hebben bijgedragen aan de schade van [naam eiser] , doet aan het condicio sine qua non-verband niet af en komt aan de orde bij de omvang van de schade. Het verweer van [naam gedaagde] dat de klachten van [naam eiser] niet in verband staan met de mishandeling, wordt derhalve verworpen.

4.14.

 

Omtrent het voorschot op de gevorderde schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. [naam eiser] vordert een voorschot van € 7.500,00 op de schade die hij stelt te hebben geleden. De rechtbank neemt bij de beoordeling van deze vordering het volgende tot uitgangspunt.

 

Bij het toekennen van een voorschot op de schadevergoeding moet beoordeeld worden of een afweging van de materiële belangen het gevorderde voorschot rechtvaardigt, waarbij heeft te gelden dat dit doorgaans alleen het geval is, gelet op het restitutierisico, indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot reeds voldoende vast staat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. De rechtbank zal hierna de afzonderlijke schadeposten bespreken.

4.15.

 

[naam eiser] heeft in de dagvaarding de volgende schadeposten opgenomen:

 

  1. a) verlies aan verdienvermogen door het niet kunnen aannemen van opdrachten als ZZP’er en het moeten afwijzen van opdrachten vanuit Intelligent Security gedurende een periode van ruim één jaar;

 

  1. b) ziekenhuiskosten (niet vergoed door zorgverzekeraar);

 

  1. c) kosten psychologische hulp (niet vergoed door zorgverzekeraar);

 

  1. d) huishoudelijke hulp, conform de richtlijn van de Letselschaderaad;

 

  1. e) reiskosten en parkeerkosten ziekenhuisbezoeken;

 

  1. f) immateriële schade, enigszins vergelijkbaar met de situatie zoals omschreven in de Smartengeldgids onder nummer 899 (Rb. Almelo 19-09-2007), waarin een bedrag van € 5.000,00 werd toegekend aan smartengeld. Bij conclusie van repliek heeft [naam eiser] aanvullend verwezen naar uitspraak 2070 uit de Smartengeldgids.

 

Verlies verdienvermogen

4.16.

 

[naam eiser] stelt voor ongeveer 16 uur per maand werkzaam te zijn als oproepkracht bij Intelligent Security. Daarnaast werkt hij 34 uur per week bij I-Sec Nederland B.V. op Schiphol. Zijn eigen onderneming [naam bedrijf] is een half jaar voor de mishandeling opgericht. In die periode heeft [naam eiser] aan twee opdrachtgevers diensten verleend met een omzet van ongeveer € 5.000,00. Na de mishandeling heeft [naam eiser] geen opdrachten kunnen aannemen.

4.17.

 

[naam gedaagde] heeft het verweer gevoerd dat het verlies van verdienvermogen niet is aangetoond of zelfs maar aannemelijk is gemaakt.

4.18.

 

De rechtbank overweegt dat [naam eiser] niet onderbouwt met stukken of anderszins dat sprake is van verlies van verdienvermogen en daarnaast geen concreet bedrag vordert in dit verband. Een voorschot op verlies van verdienvermogen is daarom niet toewijsbaar.

 

Ziekenhuiskosten, kosten psychologische hulp en reis- en parkeerkosten ziekenhuisbezoeken

4.19.

 

Vanwege de pijn aan zijn borst, schouder en biceps rechts, stelt [naam eiser] bij verschillende specialisten onder behandeling te zijn, waaronder een psycholoog. Hiervoor heeft hij kosten moeten maken die niet door zijn zorgverzekering worden gedekt. [naam eiser] heeft daarvan overzichten overgelegd (productie 6 en 7 bij dagvaarding). Ter behandeling van zijn klachten heeft [naam eiser] moeten afreizen naar de hiervoor bedoelde specialisten. Dit heeft reiskosten met zich gebracht.

4.20.

 

Volgens [naam gedaagde] moet worden aangetoond dat [naam eiser] later in het jaar niet alsnog zorgkosten vergoed heeft gekregen omdat zijn eigen bijdrage inmiddels geheel verbruikt was, waardoor hij voordeel heeft behaald dat verrekend dient te worden. Zonder enige toelichting is onduidelijk wat uit de door [naam eiser] overgelegde overzichten van de ziekenhuiskosten en de kosten voor psychologische hulp moet worden opgemaakt en wat het verband is met de onderhavige procedure. Ook de reis- en parkeerkosten zijn op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

4.21.

 

Anders dan [naam gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat [naam eiser] voldoende heeft onderbouwd dat hij in verband met de mishandeling ziekenhuiskosten heeft moeten maken. Uit de eerder genoemde medische informatie (productie 3 bij de dagvaarding) blijkt dat [naam eiser] naast de huisarts diverse specialisten, waaronder een fysiotherapeut en een orthopeed heeft bezocht. Dat [naam eiser] een psycholoog heeft bezocht komt de rechtbank evenmin onaannemelijk voor omdat de huisarts schrijft dat sprake is van een fors trauma (naar de rechtbank begrijpt: de scheur in de grote borstspier) voor [naam eiser] en dat hij het emotioneel zeer zwaar heeft en somber gestemd is. Dat deze bezoeken aan de huisarts en diverse specialisten, die plaatsvonden in de periode na de mishandeling op 4 juni 2018, (mede) verband zouden houden met een blessure aan de borstspier in 2015 blijkt niet uit de medische informatie en ligt gelet op het tijdsverloop niet voor de hand.

 

Het door [naam eiser] gevorderde voorschot op de ziekenhuiskosten en de psychologische hulp kan op eenvoudige wijze worden vastgesteld. Uit de door [naam eiser] als productie 6 en 7 overgelegde overzichten volgt dat [naam eiser] aan ziekenhuiskosten c.q. specialistische hulp in totaal (€ 142,90 + € 132,16 =) € 275,06 heeft moeten maken die niet door zijn zorgverzekering worden gedekt. De kosten voor psychologische zorg bedragen blijkens het overzicht € 102,47. Deze kosten zullen daarom bij wijze van voorschot worden toegewezen. Of [naam eiser] op een later moment de zorgkosten alsnog (deels) vergoed heeft gekregen, zoals [naam gedaagde] aanvoert, zal moeten blijken bij de daadwerkelijke begroting van de schade. Met de reis- en parkeerkosten kan bij de bepaling van de hoogte van het voorschot geen rekening worden gehouden nu [naam eiser] geen concreet bedrag heeft genoemd en ook geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij deze kosten heeft gemaakt.

 

Kosten huishoudelijke hulp

4.22.

 

[naam eiser] stelt in de huishouding te worden bijgestaan door zijn moeder en zus omdat hij niet in staat is dit alleen te doen. Voor de mishandeling was deze noodzaak er niet. Voor de kosten van de huishoudelijke hulp sluit [naam eiser] aan bij de richtlijn van de Letselschaderaad.

4.23.

 

[naam gedaagde] betwist de noodzaak van huishoudelijke hulp.

4.24.

 

De rechtbank kan bij de bepaling van de hoogte van het voorschot geen rekening houden met kosten voor huishoudelijke hulp. [naam eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat dergelijke kosten zijn gemaakt. De enkele stelling dat zijn moeder en zus hem in de huishouding helpen is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft [naam eiser] niet gesteld hoeveel uur huishoudelijke hulp hij krijgt en op welk uurtarief hij aanspraak maakt. Met de enkele verwijzing naar de richtlijn huishoudelijke hulp van de Letselschaderaad heeft [naam eiser] op dit punt niet aan zijn stelplicht voldaan.

 

Immateriële schade

4.25.

 

Voor de hoogte van de immateriële schade zoekt [naam eiser] aansluiting bij een tweetal uitspraken uit de Smartengeldgids (nummer 899 en 2070) waarin aan immateriële schade een bedrag van € 5.000,00 is toegekend.

4.26.

 

[naam gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat niet vast staat dat [naam eiser] immateriële schade heeft geleden. Bovendien gaat de vergelijking met de door [naam eiser] aangehaalde uitspraken uit de Smartengeldgids niet op.

4.27.

 

De rechtbank stelt voorop dat voor toekenning van immateriële schade artikel 6:106 aanhef en onder b BW het uitgangspunt is: voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

 

Hiervoor is reeds overwogen dat [naam eiser] voldoende heeft onderbouwd dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de mishandeling. In beginsel heeft [naam eiser] dan ook recht op vergoeding van immateriële schade. Voor de hoogte van (het voorschot op) de naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij wat Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard en de ernst van de (letsel)schade, de aard en de ernst van de gevolgen en de aard en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de mate van gederfde levensvreugde en de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde (zie o.a. HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358).

4.28.

 

Anders dan in de gevallen uit de Smartengeldgids waar [naam eiser] naar verwijst, is [naam eiser] na de mishandeling niet in het ziekenhuis opgenomen, heeft hij geen operatie ondergaan en is van blijvende schade (in deze procedure) niet gebleken. Tevens is bij [naam eiser] geen psychisch letsel vastgesteld. Dat volgt althans niet uit de stukken. In zoverre zijn de gevallen waar [naam eiser] naar verwijst niet vergelijkbaar met het onderhavige geval. Onder meer aansluiting zoekend bij nummer 2306 uit de Smartengeldgids (ECLI:NL:GHAMS:2018:3751) betreffende een mishandeling met soortgelijk letsel, stelt de rechtbank de hoogte van het voorschot op de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op € 1.500,00.

4.29.

 

De rechtbank komt tot de conclusie dat de schade die [naam eiser] stelt te hebben geleden en waar hij een voorschot op vordert, voor een groot deel niet voldoet aan het onder 4.14. opgenomen criterium om een voorschot op de schadevergoeding toe te kennen. Een uitzondering hierop zijn de ziekenhuiskosten van € 275,06, de kosten voor psychologische hulp van € 102,47 en de immateriële schadevergoeding van € 1.500,00. De rechtbank zal daarom in beginsel een bedrag van € 1.877,53 als voorschot op de schadevergoeding toewijzen. [naam gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de door [naam eiser] gevorderde wettelijke rente over het voorschot vanaf de tijdstippen waarop de schade is geleden, zodat dit zal worden toegewezen als gevorderd.

4.30.

 

[naam gedaagde] heeft nog gesteld dat [naam eiser] als beveiliger meer dan gemiddeld risico liep om letsel op te lopen en dat dit letsel in belangrijke mate is te wijten aan de eigen schuld van [naam eiser] . Door zelf in te grijpen en [naam gedaagde] vast te pakken en vast te houden, heeft [naam eiser] de situatie laten escaleren.

4.31.

 

Bij de beoordeling van dit verweer stelt de rechtbank het bepaalde in artikel 6:101 lid 1 BW voorop: wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde ( [naam eiser] ) kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige ( [naam gedaagde] ) te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. De stelplicht en de eventuele bewijslast van het door [naam gedaagde] gevoerde verweer rusten conform de hoofdregel van artikel 150 Rv op [naam gedaagde] .

4.32.

 

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat [naam eiser] als beveiliger werkzaam was en daardoor meer dan gemiddeld het risico liep op letsel niet betekent dat sprake is van eigen schuld. Dat [naam eiser] [naam gedaagde] zou hebben vastgepakt, leidt evenmin tot het aannemen van eigen schuld. [naam eiser] hoefde geen rekening te houden met de buitenproportionele reactie van [naam gedaagde] . Aan een bewijsopdracht op dit punt komt de rechtbank dan ook niet toe.

4.33.

 

[naam gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam eiser] worden begroot op:

 

– dagvaarding € 105,03

 

– griffierecht € 937,00

 

– salaris advocaat €          922,00 (2,0 punten × tarief € 461,00)

 

Totaal € 1.964,03

  1. De beslissing

 

De rechtbank

5.1.

 

verklaart voor recht dat [naam gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [naam eiser] lijdt als gevolg van de mishandeling op 4 juni 2018,

5.2.

 

veroordeelt [naam gedaagde] tot betaling aan [naam eiser] van een voorschot op de schadevergoeding van € 1.877,53, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de tijdstippen waarop de schade is geleden,

5.3.

 

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 1.964,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

 

veroordeelt [naam gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.5.

 

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman, rolrechter, op 16 september 2020.

 

3078/2872

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey