Rb: mesothelioom, beroep op verjaring niet onaanvaardbaar, t.a.v. blootstelling latere periode bewijsopdracht

Samenvatting:

Asbestzaak, mesothelioom. Nabestaande van ex-werknemer vordert schadevergoeding wegens het niet voldoen van de voormalig werkgever aan de zorgplicht van art. 7:658 BW dan wel art. 7:611 BW. Ex-werknemer is in zijn functie als monteur in de periode 1970-1973 blootgesteld aan asbest. Ten aanzien van die periode doet de nabestaande een beroep op doorbreking van de verjaring. Beoordeling aan de hand van de gezichtspunten van de Hoge Raad. Het beroep op doorbreking van de verjaring wordt niet gehonoreerd. Voor wat betreft de gestelde blootstelling door ex-werknemer aan asbest tijdens verbouwingen gedurende een niet verjaarde periode wordt eiseres toegelaten te bewijzen dat de werknemer in 1987 bij de vervanging van daken is blootgesteld aan asbest.

ECLI:NL:RBZWB:2017:8679

 

Instantie

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak

24-05-2017

Datum publicatie

16-02-2018

Zaaknummer

5279797 CV EXPL 16-4750

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Inhoudsindicatie

Asbestzaak, mesothelioom. Nabestaande van ex-werknemer vordert schadevergoeding wegens het niet voldoen van de voormalig werkgever aan de zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW dan wel artikel 7:611 BW. Ex-werknemer is in zijn functie als monteur in de periode 1970-1973 blootgesteld aan asbest. Ten aanzien van die periode doet de nabestaande een beroep op doorbreking van de verjaring. Beoordeling aan de hand van de gezichtspunten van de Hoge Raad zoals ontwikkeld in het arrest (partijnamen). Het beroep op doorbreking van de verjaring wordt niet gehonoreerd. Voor wat betreft de gestelde blootstelling door ex-werknemer aan asbest tijdens verbouwingen gedurende een niet verjaarde periode wordt een bewijsopdracht gegeven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

 

Breda

 

zaak/rolnr.: 5279797 CV EXPL 16-4750

 

vonnis d.d. 24 mei 2017

 

inzake

 

[eiseres] , als enig erfgenaam van de heer [erflater] ,

wonende te [plaats A] , procederend met toevoeging met nummer 4LP1147,

eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het voorwaardelijk incident,

gemachtigde: mr. G.P. Sholeh, advocaat te Hoofddorp,

 

tegen

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Struyk Verwo Infra B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te (4905 AA) Oosterhout, Havenweg 47,

gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het voorwaardelijk incident,

gemachtigde: mr. drs. H.A. Pasveer, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

 

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” respectievelijk “Struyk”.

 

1

Het verdere verloop van het geding

 

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het tussenvonnis van 2 november 2016 en de daarin genoemde processtukken;

b. de aantekeningen van de griffier van de gehouden comparitie van partijen van 23 januari 2017;

c. het e-mailbericht van 2 mei 2017 van de zijde van [eiseres] .

 

2

Het geschil

 

In de hoofdzaak

 

2.1

[eiseres] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht wordt verklaard dat Struyk onrechtmatig heeft gehandeld jegens de heer [erflater]

en [eiseres] , althans tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht zoals

bedoeld in artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (BW) (dan wel 7:611 BW) en daardoor

schadeplichtig is geworden;

B. Struyk wordt veroordeeld om aan [eiseres] te vergoeden de immateriële

schade/smartengeld krachtens artikel 6:106 BW, door [eiseres] begroot op het

standaardbedrag van € 56.860,–, dan wel een ander door de kantonrechter in

redelijkheid te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel

6:119 BW vanaf 14 augustus 2015 tot de dag der algehele voldoening;

C. Struyk wordt veroordeeld tot vergoeding van de materiële schade van [eiseres]

krachtens de artikelen 6:107 en 6:108 BW, nader op te maken bij staat en te vereffenen

volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW

vanaf 14 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

D. Struyk wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten die verschuldigd zullen zijn om

de exacte omvang te berekenen van het bedrag dat op grond van de artikelen 6:107 lid 1

BW en 6:108 lid 1 BW verschuldigd is;

E. Struyk wordt veroordeeld om aan [eiseres] te vergoeden haar buitengerechtelijke

incassokosten begroot op € 1.343,60;

F. Struyk wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

 

2.2

Struyk voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen dan wel de vorderingen als ongegrond te ontzeggen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure (uitvoerbaar bij voorraad).

 

In het voorwaardelijke incident

 

2.3

[eiseres] vordert dat Struyk wordt bevolen om binnen vijf werkdagen na de datum van betekening van het vonnis de gemachtigde van [eiseres] te voorzien van een (voor zover mogelijk: digitaal) afschrift van de onder punt 107 van de dagvaarding genoemde bescheiden (vermeld met nummers 1 tot en met 8) op straffe van een dwangsom van € 250,– voor elke dag of gedeelte van een dag dat Struyk op enigerlei wijze in gebreke zal blijven met de nakoming van het bevel, tot een maximum van € 25.000,–, met veroordeling van Struyk in de kosten van het incident.

 

2.4

Struyk voert verweer.

 

3

De beoordeling

 

De feiten

 

In de hoofdzaak en in het voorwaardelijke incident

 

3.1

Tussen partijen staan als niet weersproken de volgende feiten vast:

– [eiseres] is de echtgenote, weduwe en erfgename van de in augustus 2015 overleden heer [erflater] (hierna: [erflater] ).

– [erflater] is in de periode van 1970 tot ongeveer 1973 monteur en van 1973 tot 1985 technisch bedrijfsleider geweest bij Beton- en Tegelfabriek De Cruquius B.V. (hierna: Cruquius) aan de Bennebroekersdijk te Cruquius.

– Cruquius is na fusie voortgegaan als Kellen Beton B.V., welk bedrijf later is gefuseerd tot Struyk.

– Cruquius was een onderneming die trottoirtegels en –banden fabriceerde.

– Op 18 september 2014 is bij [erflater] (toen 68 jaar) de diagnose maligne mesothelioom vastgesteld.

– Bij brief van 3 november 2014 heeft [erflater] Struyk aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van zijn ziekte geleden materiële en immateriële schade.

– Op 5 november 2014 is het Instituut asbestslachtoffers (na een aanvraag van [erflater] ) aangevangen met bemiddeling ter verkrijging van schadevergoeding wegens diens ziekte maligne mesothelioom en heeft zij Struyk aansprakelijk gesteld.

– Op 7 november 2014 heeft de Sociale Verzekeringsbank op grond van de regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers aan [erflater] een voorschot van € 19.200,– toegekend dat moet worden terugbetaald indien hij van Struyk een schadevergoeding ontvangt.

– Bij brief van 22 oktober 2015 heeft het Instituut asbestslachtoffers aan [eiseres] medegedeeld dat de bemiddeling zonder resultaat wordt beëindigd.

– Begin december 2015 heeft de gemachtigde van [eiseres] nogmaals aan Struyk verzocht om aansprakelijkheid te erkennen en de door [erflater] geleden schade te vergoeden.

– Als reactie heeft de gemachtigde van Struyk bij e-mailbericht van 15 december 2015 medegedeeld dat Struyk geen aansprakelijkheid erkent en zich beroept op verjaring.

 

De vorderingen

 

In de hoofdzaak

 

3.2

[eiseres] legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag.

[erflater] was van 1970 tot 1973 monteur bij Cruquius en heeft toen bij onderhoud aan heftrucks asbesthoudende remvoeringen en koppelingsplaten gecontroleerd en vervangen waardoor hij regelmatig en intensief aan asbest is blootgesteld. In de periode van 1973 tot 1985 was [erflater] technisch bedrijfsleider bij Cruquius en begaf zich toen regelmatig in de fabriekshallen waar asbesthoudende materialen vrijkwamen. In de periode van 1985 tot 1995 (eind jaren 80) is [erflater] blootgesteld aan asbesthoudende materialen bij het vervangen van asbesthoudende golfplaten bij Cruquius en de daarnaast gelegen onderneming Cementbouw B.V. (hierna: Cementbouw). Struyk heeft onvoldoende veiligheidsmaatregelen getroffen ter bescherming van de gezondheid van [erflater] en heeft evenmin gewezen op de gezondheidsrisico’s van het werken met asbest. Het risico van werken met asbesthoudende producten was begin jaren ‘70 in ieder geval bekend en moet ook algemeen bekend zijn geweest bij Cruquius, zoals uit publicaties blijkt. Van verjaring (van de termijn van 30 jaar) van de vordering van [eiseres] is geen sprake omdat [erflater] in de periode 1985-1995 bij verbouwingswerkzaamheden is blootgesteld aan asbesthoudende materialen. Voor zover een beroep van Struyk op verjaring op zou gaan, is dat op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar op basis van de zeven gezichtspunten van de Hoge Raad in het arrest [partijnamen] . Voor wat betreft gezichtspunt A gaat het om immateriële schade en schade nader op te maken bij staat die vanwege het snelle overlijden van [erflater] aan de weduwe van [erflater] ten goede dient te komen. Voor wat betreft gezichtspunt B geldt dat enkel het voorschot in het kader van de Regeling TAS is ontvangen en geen andere uitkering. Voor wat betreft gezichtspunt C geldt dat Struyk ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [erflater] . Ten aanzien van gezichtspunt D geldt dat Struyk voor het verstrijken van de verjaringstermijn (bij een laatste blootstelling eind 1973 is dat 2003) rekening had moeten houden met een aansprakelijkheidstelling voor asbest. Ten aanzien van gezichtspunt E geldt dat Struyk in staat is om informatie in archieven te vinden over de gestelde perioden en zich kan verweren tegen de vordering. Ten aanzien van gezichtspunt F geldt dat [eiseres] er niet mee bekend is dat de aansprakelijkheid van Struyk door een verzekering is gedekt en ten aanzien van gezichtspunt G geldt dat Struyk binnen twee maanden na het stellen van de diagnose al aansprakelijk is gesteld. Op grond van het voorgaande dient voor recht te worden verklaard dat Struyk onrechtmatig heeft gehandeld jegens [erflater] , althans tekort geschoten is in de op haar rustende zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW (dan wel 7:611 BW) en daardoor schadeplichtig is. Struyk is op grond van artikel 6:106 BW een bedrag van € 56.860,– aan immateriële schade (zijnde het normbedrag dat IAS hanteert), vermeerderd met de wettelijke rente, verschuldigd. Voorts is Struyk materiële schade vanaf augustus 2015 op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 BW op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente verschuldigd. Aan buitengerechtelijke incassokosten is Struyk een bedrag van € 1.343,60 verschuldigd.

3.3

Struyk voert als verweer – samengevat – het volgende aan.

Primair wordt betwist dat [erflater] bij Cruquius de gestelde werkzaamheden aan heftrucks heeft uitgevoerd en daarmee is blootgesteld aan asbest. Subsidiair, indien hij wel onderhoud aan heftrucks heeft verzorgd van 1970-1973 wordt betwist dat hij dagelijks en intensief aan asbest is blootgesteld. Struyk betwist ook dat [erflater] na 1973 in de periode waarin hij leidinggevende was is blootgesteld aan asbest. Het ligt niet in de rede dat een monteur toen hulp nodig had van [erflater] voor het vervangen van een remvoering of koppelingsplaat. Struyk erkent dat er bij Cruquius in 1987 een verbouwing en uitbreiding heeft plaatsgevonden, maar betwist dat er toen asbesthoudende platen zijn aangebracht. In het asbestinventarisatierapport van het bedrijf Hofstede c.s. Bedrijfsadviseurs B.V. van 28 november 2007 staat namelijk enkel vermeld dat de daken van de bandenloods en twee werkplaatsen aan de weg met een afdak aan de achterzijde asbesthoudend waren. Struyk betwist voorts dat er bij Cementbouw een asbestsanering heeft plaatsgevonden en overigens is het niet zo dat er bij het verwijderen van asbesthoudende golfplaten asbestvezels vrijkomen. Cruquius had in 1970-1973 nog niet op de hoogte moeten zijn van de gevaren van asbest en zij handelde ook niet onrechtmatig indien [erflater] zou zijn blootgesteld aan asbest door asbestsanering bij een buurbedrijf dat geen verband houdt met de bedrijfsvoering van Cruquius zelf. Overigens betwist Struyk dat bij het buurbedrijf een onjuiste asbestsanering plaatsvond. De vordering van [eiseres] is verjaard omdat de laatste potentiële blootstelling aan asbest in 1973 heeft plaatsgevonden. Het beroep op verjaring is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar, gelet op de gezichtspunten van de Hoge Raad. Voor wat betreft gezichtspunt A geldt dat het gaat om materiële schade die niet ten goede komt aan het slachtoffer en voor wat betreft gezichtspunt B geldt dat er geen inzicht is in de financiële positie van [eiseres] . Voor wat betreft gezichtspunt C geldt dat de risico’s in 1970-1973 niet algemeen bekend waren en Cruquius toen geen asbest verwerkte en het waarschijnlijker is dat [erflater] ziek is geworden door eerdere dienstverbanden elders in de periode 1961-1970. Voor wat betreft gezichtspunt D geldt dat Struyk voor het einde van de verjaringsperiode in 2003 geen rekening had hoeven houden met aanspraken. Voor wat betreft gezichtspunt E geldt dat Struyk door tijdsverloop is geschaad omdat zij behoudens het inventarisatierapport uit 2007 niets kan terugvinden in haar archieven. Voor wat betreft gezichtspunt F geldt dat de onderhavige schade niet verzekerd is en ten aanzien van gezichtspunt G erkent Struyk dat de schade zo spoedig mogelijk na de diagnose door [erflater] is gemeld.

 

Voorwaardelijk incident

 

3.4

[eiseres] vordert afgifte van 8 soorten in de dagvaarding genoemde bescheiden op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) indien de vorderingen van [eiseres] niet op voorhand toewijsbaar zijn en zij aanvullend bewijs dient te leveren. [eiseres] stelt dat zij rechtmatig belang heeft bij de gevorderde documenten omdat deze noodzakelijk zijn om (overtuigend) bewijs te kunnen leveren in de procedure. Het gaat om specifieke bescheiden waarvan het bestaan bekend is en die betrekking hebben op een rechtsverhouding waarbij [eiseres] en (de rechtsvoorganger van) Struyk partij zijn, namelijk de arbeidsovereenkomst van [erflater] en de vorderingen van [erflater] voortkomend uit de artikelen 7:658 en 7:611 BW.

 

3.5

Struyk voert als verweer – samengevat – het volgende aan.

Struyk kan geen documenten van buurbedrijf Cementbouw overleggen omdat zij daar geen rechtsopvolger van is. Daarnaast hebben de gevraagde stukken geen betrekking op de contractuele relatie tussen Struyk/Cruquius en [erflater] . De documenten zijn, behoudens de koopovereenkomst waarmee Struyk Cruquius heeft gekocht, ook onvoldoende specifiek omschreven. De gevorderde dwangsom dient te worden afgewezen omdat Struyk bij toewijzing van de vordering tot overlegging van een stuk, daaraan zal voldoen.

 

Het oordeel van de kantonrechter

 

In de hoofdzaak

3.6

In geschil is de vraag of Struyk op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk

is voor de door [erflater] geleden schade ten gevolge van de bij hem vastgestelde

ziekte maligne mesothelioom.

 

3.7

In artikel 7:685 BW is bepaald dat een werkgever jegens een werknemer

aansprakelijk is voor de schade die deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij zijn zorgplicht is nagekomen of indien hij aantoont dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

 

Blootstelling aan asbest?

3.8 De vraag is allereerst of [erflater] tijdens zijn werkzaamheden bij Cruquius aan asbest is blootgesteld. [eiseres] stelt dat [erflater] in zijn functie van monteur van 1970 tot 1973, als leidinggevende van 1973 tot 1985 en tijdens verbouwingswerkzaamheden in 1987 bij Cruquius is blootgesteld aan asbest. Struyk betwist gemotiveerd dat [erflater] in de gestelde perioden aan asbest is blootgesteld.

 

3.9

[eiseres] heeft de stelling dat [erflater] in zijn functie van monteur tot 1973 aan asbest is blootgesteld, onderbouwd door getuigenverklaringen van de heren [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ). [getuige 1] verklaart dat [erflater] aan asbest is blootgesteld door onderhoud van het remsysteem van heftrucks. Daarnaast verklaart [getuige 2] dat [erflater] als monteur remmen van heftrucks heeft vernieuwd en [erflater] in aanraking kwam met asbestfrictiemateriaal zoals remvoering, koppeling en remschijf. Nu Struyk tegenover de voormelde onderbouwing van [eiseres] in deze procedure slechts aanvoert dat er geen zekerheid is van blootstelling van [erflater] als monteur aan asbest, wordt geoordeeld dat Struyk de blootstelling van [erflater] aan asbest in zijn functie als monteur onvoldoende heeft weersproken. Overigens heeft Struyk in een brief van 20 april 2015, die onder punt 38 van de dagvaarding is geciteerd en waarvan Struyk de juistheid niet heeft betwist, zelf aangegeven dat [erflater] in de periode waarin hij als monteur in dienst was werkzaamheden heeft uitgevoerd aan asbesthoudende onderdelen van heftrucks. Op grond van het voorgaande wordt dan ook als vaststaand aangenomen dat [erflater] in zijn functie als monteur bij Cruquius aan asbest is blootgesteld. Struyk voert nog aan dat de blootstelling maximaal éénmaal per maand plaats vond, maar nu ook een geringe mate van blootstelling aan (wit) asbest de ziekte maligne mesothelioom kan veroorzaken en deze ziekte geen andere bekende oorzaak heeft dan blootstelling aan asbest is het oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en de schade in beginsel gegeven.

 

3.10

Voor wat betreft de periode van 1973 tot 1985 waarin [erflater] leidinggevende was, verwijst [eiseres] naar een verklaring van [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ). Nu [getuige 3] , zoals Struyk aanvoert, pas in 1989 bij Cruquius in dienst is getreden en dit na de gestelde periode van blootstelling door [erflater] als leidinggevende is, kan hij daarover niet uit eigen waarneming verklaren. Overigens volgt uit de verklaring van [getuige 3] dat de gestelde asbestblootstelling zag op verwijdering van het dak en niet op andere asbestblootstellingen. Daarnaast kan uit de verklaring van [erflater] bij het Instituut Asbestslachtoffers van 13 oktober 2014, die op gedegen wijze is afgelegd, niets worden afgeleid over de periode waarin hij leidinggevende was. De stelling van [eiseres] dat [erflater] veel in de fabriekshal heeft rondgelopen is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat er sprake was van asbestblootstelling. Voorts stelt [eiseres] dat [erflater] als leidinggevende specifiek betrokken is geweest bij het onderhoud van heftrucks, maar Struyk heeft dit gemotiveerd betwist en aangevoerd dat dit een taak was die de monteurs zelf en zonder hulp konden verrichten. Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar stelling ten aanzien van de blootstelling aan asbest van [erflater] in de periode van 1973 tot 1985 (terwijl er geen sprake is van bekende feiten waaruit een feitelijk vermoeden kan worden afgeleid) zodat niet aan bewijslevering wordt toegekomen en niet is komen vast te staan dat [erflater] als leidinggevende is blootgesteld aan asbest. Rest nog de vraag of er blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden tijdens de verbouwingswerkzaamheden in 1987.

 

3.11

Partijen zijn het erover eens dat er bij Cruquius in 1987 een verbouwing heeft plaatsgevonden. De vraag is echter of er toen bij vervanging van dakplaten asbest is vrijgekomen waaraan [erflater] is blootgesteld. [eiseres] verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat [erflater] in 1987 is blootgesteld aan asbestplaten naar verklaringen van [erflater] , [getuige 3] en [getuige 1] . [erflater] verklaart blijkens het rapport van het Instituut Asbestslachtoffers van 13 oktober 2014 dat voor de deur van de werkplaats asbesthoudende golfplaten op maat werden gezaagd en werden gebruikt voor het vervangen van asbesthoudende daken van de loodsen van Cruquius en van Cementbouw. Voorts verklaart [getuige 3] dat [erflater] in de hal waar het asbestdak werd verwijderd controleerde of materialen in orde waren. [getuige 1] verklaart dat [erflater] door golfplaten is blootgesteld aan asbest. Struyk betwist harerzijds dat er bij Cruquius in 1987 asbestplaten zijn aangebracht en verwijst naar het asbestinventarisatie-rapport van 28 november 2007 waaruit volgens haar blijkt dat er in 1987 geen asbestdak is aangebracht omdat in dat rapport (behoudens de bandenloods en de twee werkplaatsen aan de weg) niets staat over een asbestdak. Voorts voert Struyk aan dat het niet zo is dat bij het verwijderen van asbesthoudende golfplaten asbestvezels vrijkomen. Gezien de gemotiveerde betwisting van Struyk en nu [eiseres] zich op de rechtsgevolgen van haar stelling beroept, dient [eiseres] ingevolge artikel 150 Rv te bewijzen dat [erflater] in 1987 op het terrein van Cruquius is blootgesteld aan asbest bij de vervanging van asbestdaken. De voormelde bewijslevering kan evenwel achterwege blijven voor zover het beroep van Struyk op verjaring van aansprakelijkheid voor de periode van blootstelling in 1970-1973 niet opgaat en doorbroken wordt. Over het beroep op verjaring zijdens Struyk en het beroep van [eiseres] op doorbreking van verjaring wordt het volgende overwogen.

 

Doorbreking verjaring?

3.12

De verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:310 BW gaat lopen na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, in dit geval de laatste blootstelling aan asbest. Dit betekent dat, ervan uitgaande dat [erflater] enkel als monteur is blootgesteld aan asbest, de laatste blootstelling in 1973 plaatsvond, waardoor de verjaring in dat geval in 2003 is voltooid. De vordering is dan verjaard voordat Struyk aansprakelijk is gesteld. Aan deze verjaring moet naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel, in het belang van de rechtszekerheid, strikt de hand worden gehouden. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Of dat het geval is moet worden beoordeeld aan de hand van een zevental gezichtspunten zoals door de Hoge Raad ontwikkeld in zijn arrest [partijnamen] (HR 28 april 2000, LJN:AA5635). Beide partijen hebben deze gezichtspunten ook in hun stellingen betrokken.

 

Gezichtspunt a: Gaat het om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en komt de gevorderde schadevergoeding ten goede aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde?

 

3.14

De gevorderde immateriële schade (artikel 6:106 BW) en (nog niet begrote) materiële schade (artikel 6:107 BW) komt ten goede aan de nabestaande van [erflater] . [eiseres] stelt dat deze situatie op één lijn dient te worden gesteld met uitkering aan het slachtoffer vanwege de korte levensverwachting bij mesothelioom, hetgeen Struyk betwist.

 

3.15

De kantonrechter overweegt dat het feit dat de gevorderde schadevergoeding ten goede zal komen aan [eiseres] als nabestaande geen aanleiding vormt om dit gezichtspunt ten nadele van [eiseres] te laten strekken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het hier niet gaat om een willekeurige erfgenaam maar om de weduwe van [erflater] . Ook acht de kantonrechter van belang dat het, gelet op de in de regel zeer korte levensverwachting van de slachtoffers van mesothelioom nadat de diagnose is gesteld, zelden zal voorkomen dat het slachtoffer (ten volle) van de schadevergoeding kan ‘profiteren’; meestal zullen dat de nabestaanden zijn. Om die reden behoren die beide situaties vrijwel op één lijn gesteld te worden. Dit gezichtspunt strekt dan ook ten voordele van [eiseres] .

 

Gezichtspunt b: In hoeverre bestaat voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde?

 

3.16

De Sociale Verzekeringsbank heeft aan [erflater] op grond van de Regeling TAS een bedrag van € 19.201,– uitgekeerd, welk bedrag moet worden terugbetaald als [eiseres] de schade op een aansprakelijke werkgever kan verhalen. Nu het bedrag niet voorziet in een volledige schadevergoeding, heeft [eiseres] naar het oordeel van de kantonrechter belang bij de mogelijkheid de resterende schade vergoed te krijgen. Of [eiseres] nog andere uitkeringen ontvangt ter zake de schade is niet duidelijk gemaakt en [eiseres] heeft ter zitting aangegeven dit nog verder te willen onderbouwen. Gelet op het overwogene onder 3.23 acht de kantonrechter dit evenwel niet nodig en de kantonrechter gaat er bij de beslissing vanuit dat [eiseres] geen andere uitkering heeft dan de TAS-uitkering. Dit gezichtspunt strekt derhalve eveneens ten voordele van [eiseres] .

 

Gezichtspunt c: In welke mate kan de gebeurtenis de aangesprokene worden verweten?

 

3.17

[eiseres] stelt dat Struyk een ernstig verwijt te maken valt van het feit dat [erflater] tijdens het dienstverband met Cruquius aan asbest is blootgesteld en zij verwijst in haar dagvaarding naar diverse publicaties waaruit volgens haar blijkt dat de gevaren van asbest algemeen bekend waren. Struyk betwist dat de gevaren bij asbest destijds bij Cruquius bekend waren.

 

3.18

De kantonrechter overweegt dat er in de jaren ‘60 diverse publicaties zijn verschenen van wetenschappers waarin zij wezen op de gevaren van asbest en het optreden van asbestose en mesothelioom. Vervolgens hebben er na 1969 nog verdere onderzoeken plaatsgevonden omdat er onduidelijkheid en controverse was. Eerst bij Asbestbesluit in 1978 heeft de Nederlandse overheid beperkingen gesteld aan de productie, verwerking en toepassing van asbest en asbesthoudende materialen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de Nederlandse overheid in de periode 1970-1973 weinig maatregelen heeft getroffen ter bescherming tegen de gevaren van wit asbest. In 1971 heeft de Arbeidsinspectie weliswaar een advies gegeven, maar toen zijn geen regels gesteld. Nu Cruquius zelf geen producent of (directe) verwerker was van asbest is het naar het oordeel van de kantonrechter aannemelijk dat zij niet op de hoogte was van de specifieke gevaren van asbest. Verder wordt geoordeeld dat Cruquius vanwege het feit dat reparatie van remvoeringen/koppelingsplaten van heftrucks zijdelingse werkzaamheden waren en gelet op de terughoudende rol van de overheid ten aanzien van (wit) asbest, er ook niet mee bekend behoorde te zijn. In de periode 1970-1973 bestond er overigens nog controverse over de gevaren van asbest. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Cruquius niet kan worden verweten dat zij geen specifieke maatregelen heeft genomen ter voorkoming van iedere blootstelling aan asbest. Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat er zijdens Cruquius geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid. Dit gezichtspunt strekt dan ook ten voordele van Struyk.

 

Gezichtspunt d: In hoeverre heeft de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening gehouden of had hij rekening behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn?

 

3.19

Naar het oordeel van de kantonrechter had Struyk vóór het verstrijken van de verjaringstermijn geen rekening hoeven te houden met de mogelijkheid dat zij voor de schade aansprakelijk zou zijn. Hierbij neemt de kantonrechter het overwogene onder 3.18 in aanmerking. [eiseres] verwijst naar de overnameovereenkomst tussen Struyk en Jonker Beton B.V. (hierna: Jonker) waaruit blijkt dat door Struyk rekening is gehouden met asbestclaims. De kantonrechter is van oordeel dat hetgeen is overeengekomen bij de overname van Jonker hier niet relevant is omdat deze pas in 2008 heeft plaatsgevonden, terwijl het er hier om gaat of Struyk voor afloop van de verjaringstermijn in 2003 met een claim rekening diende te houden. Daarbij komt dat de overname van Jonker andersoortig was dan de overname van Cruquius omdat Struyk onweersproken heeft gesteld dat de overname van Jonker vanwege de productielocatie is gedaan en Cruquius door haar is overgenomen om een groter marktaandeel te verkrijgen en de bedrijfslocatie van Cruquius na overname direct is gesloten. Geoordeeld wordt dan ook dat dit gezichtspunt ten voordele van Struyk strekt.

 

Gezichtspunt e: Heeft de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid zich tegen de vordering te verweren?

 

3.20

Bij dit gezichtspunt gaat het er om of de aangesprokene nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren, waarbij niet van belang is door welke oorzaken er bewijsmateriaal verloren is gegaan. (HR 26 november 2004, NJ 2006, 228). Struyk heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende weersproken gesteld dat er weinig documentatie bewaard is gebleven. Daardoor heeft Struyk een beperkte mogelijkheid om verweer te voeren bij doorbreking van de verjaringstermijn en dit gezichtspunt strekt dan ook ten voordele van Struyk.

 

Gezichtspunt f: Is de aansprakelijkheid (nog) door verzekering gedekt?

 

3.21

Struyk heeft onweersproken gesteld dat de schade niet door haar verzekering is gedekt, zodat dit gezichtspunt ten voordele van haar strekt.

 

Gezichtspunt g: Heeft binnen redelijke termijn na het aan het licht komen van de schade een aansprakelijkstelling plaatsgevonden en is (eveneens binnen redelijke termijn) een vordering tot schadevergoeding ingesteld?

 

3.22

Gebleken is dat [erflater] Struyk binnen enkele maanden na de vastgestelde diagnose mesothelioom aansprakelijk heeft gesteld en geoordeeld wordt dat dit binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Gebleken is ook dat de bemiddeling van IAS direct na de aansprakelijkheidstelling van Struyk is opgestart, welke heeft voortgeduurd tot 22 oktober 2015 waarna op 27 juli 2016 tot dagvaarding is overgegaan. De kantonrechter is van oordeel dat de periode tussen de beëindiging van de bemiddeling door IAS en dagvaarding niet onredelijk lang is geweest, zodat [eiseres] aldus binnen redelijke termijn een vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld. Dit gezichtspunt strekt dan ook ten voordele van [eiseres] .

 

Slotsom ten aanzien van het beroep op verjaring

 

3.23

Voor “onaanvaardbaarheid” van het beroep op verjaring is nodig dat ofwel het merendeel van de gezichtspunten in de richting van sprekende onbillijkheid of onredelijkheid van het beroep op verjaring wijst, ofwel enkele gezichtspunten zeer sterk in die richting wijzen. De gezichtspunten a, b en g pleiten voor doorbreking van de verjaringstermijn, maar daartegenover staan de gezichtspunten c, d, e en f die voor toepassing van de verjaringsregel pleiten. Daarbij acht de kantonrechter met name de gezichtspunten c en e van bijzonder belang, gelet ook op de ratio van het instituut verjaring. Het vorenstaande in aanmerking nemende kan dus niet gezegd worden dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Struyk komt dus een beroep op verjaring toe voor wat betreft de vordering gegrond op de periode 1970-1973.

 

3.24

Gezien het voorgaande zal [eiseres] worden toegelaten om te bewijzen dat [erflater] in 1987 op het terrein van Cruquius is blootgesteld aan asbest bij de vervanging van daken.

 

3.25

Voor het overige zal iedere beslissing worden aangehouden.

 

In het incident

 

3.26

Nu de vordering in de hoofdzaak niet op voorhand toewijsbaar is, is de incidentele vordering onvoorwaardelijk geworden.

 

3.27

[eiseres] vordert afgifte van 8 op pagina 32 van de dagvaarding genoemde bescheiden op grond van artikel 843a Rv. Voormeld artikel verbindt vier cumulatieve voorwaarden aan de toewijsbaarheid van een vordering tot overlegging van stukken: 1) degene die de vordering doet, dient op het moment dat hij de vordering doet een rechtmatig belang te hebben, 2) het moet gaan om bepaalde bescheiden 3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is en 4) degene van wie de bescheiden worden gevraagd moet deze te zijner beschikking of onder zijn berusting hebben.

 

3.28

Voor wat betreft het onder 1 gevorderde asbestinventarisatierapport heeft Struyk ter zitting medegedeeld dat zij vermoedt dat dat ziet op gebouwen van Cementbouw en dat zij daarover niet beschikt. Nu derhalve niet gebleken is dat Struyk daarover beschikt, zal de vordering ten aanzien van het onder 1 genoemde stuk worden afgewezen.

 

3.29

[eiseres] vordert onder 2 alle bescheiden (met betrekking tot bouw en/of sloopactiviteiten aan de [adres] ) welke Struyk in de maand mei 2016 bij haar gemachtigde heeft laten bezorgen (in het kader van de onderhavige procedure). Struyk heeft ter zitting aangegeven over een doos met diverse stukken (zoals bouwvergunningen) te beschikken. Uit het e-mailbericht van 2 mei 2017 van [eiseres] blijkt dat Struyk deze bescheiden, voor zover relevant, al aan [eiseres] heeft afgegeven. Hierover hoeft dan ook niet meer te worden beslist.

 

3.30

De onder 3, 4 en 5 genoemde stukken zien op een verbouwing en Struyk heeft ten aanzien daarvan aangevoerd dat zij daarover niet beschikt, hetgeen [eiseres] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

 

3.31

[eiseres] vordert onder 6 nog stukken van personen die bij Cruquius werkzaam zijn geweest en onder 7 bescheiden met het oog op het beperken en voorkomen van schade door asbesthoudende producten, doch Struyk heeft ten aanzien van die verzochte stukken aangegeven daarover niet te beschikken. De kantonrechter acht dit ook begrijpelijk nu het bedrijf Cruquius al zeer lange tijd is gesloten. De vorderingen tot afgifte van de onder 6 en 7 genoemde stukken wordt dan ook afgewezen.

 

3.32

Het onder 8 genoemde stuk betreft een koopovereenkomst tussen Kellen Betton B.V. en Struyk en de kantonrechter is van oordeel dat dit in een te ver verwijderd verband staat tot het gestelde belang dat [eiseres] meent te hebben. De vordering tot afgifte van de gestelde koopovereenkomst wordt op die grond dan ook afgewezen.

 

3.33

Over de proceskosten in het incident zal bij eindvonnis worden beslist.

 

4

De beslissing

 

De kantonrechter:

 

In de hoofdzaak

 

laat [eiseres] toe, om door alle middelen rechtens en speciaal door middel van getuigen, te bewijzen dat [erflater] in 1987 op het terrein van Cruquius bij de vervanging van daken is blootgesteld aan asbest;

 

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 21 juni 2017 te 09.00 uur opdat [eiseres] dan bij akte aangeeft of en zo ja op welke wijze zij het verlangde bewijs wenst te leveren;

 

bepaalt, voor het geval dat [eiseres] dat bewijs schriftelijk wil leveren, dat [eiseres] uiterlijk op genoemde zitting daartoe stukken kan indienen middels toezending of afgifte aan de griffie;

 

bepaalt, voor het geval [eiseres] dat bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dat [eiseres] uiterlijk op genoemde zitting het aantal en de personalia van de getuigen zal opgeven alsmede haar verhinderdata en die van de getuigen en de wederpartij in de komende drie maanden;

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

In het incident

 

wijst de vordering af;

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2017.

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots