Rb, kort geding: whiplash zelfstandige, totale schade niet aangetoond, voorschot € 15.000,- toegewezen

Samenvatting:

Whiplash. 1. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de gezondheidsklachten van eiser in ieder geval voor een deel het gevolg zijn van het ongeval uit 2019. 2. Het ligt op de weg van eiser om de nodige informatie t.a.v. de schade te verstrekken. Wat daar ook van zij, ook staat vast dat verzekeraar geen enkel voorschot heeft betaald, terwijl het naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter wel aannemelijk is dat er sprake is van enig verlies van verdienvermogen. 3. Hoewel de volledige omvang van de schade nog niet vaststaat en eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade ten minste € 65.000,- bedraagt, wijst de voorzieningenrechter een voorschot van € 15.000,- toe.

 

ECLI:NL:RBMNE:2020:1445

Instantie

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak

05-02-2020

Datum publicatie

15-04-2020

Zaaknummer

C/16/492237 / KG ZA 19-721

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Kort geding

Inhoudsindicatie

Verzekering. Voorschot schade na aanrijding. Beperkte schade is aannemelijk.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak delen

Print
Opslaan als PDF

Kopieer link
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/492237 / KG ZA 19-721

Vonnis in kort geding van 5 februari 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H.A. Zandijk te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en Allianz genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 23 december 2019 met 6 producties;

productie 7 van [eiser] ;

de conclusie van antwoord van Allianz met 15 producties;

de mondelinge behandeling van 17 januari 2020, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;

de pleitnota van [eiser] met bijlagen A tot en met C;

de pleitnota van Allianz.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft zijn eigen garagebedrijf in [vestigingsplaats] : [onderneming 1] . [eiser] is op 4 februari 2019 betrokken geweest bij een verkeersongeval, waarbij hij met zijn nieuwe werknemer, de heer [A] , is aangereden door een Renault Megane die werd bestuurd door de heer [B] . [eiser] is na de aanrijding onderzocht door ambulancepersoneel, maar werd niet naar het ziekenhuis vervoerd. [A] is wel in de ambulance meegenomen naar het ziekenhuis. [eiser] is door een kennis naar het ziekenhuis gebracht, waar hij is onderzocht. Er werden geen afwijkingen gevonden.

2.2.

[eiser] heeft zich vervolgens tot zijn huisarts gewend in verband met pijnklachten aan onder meer nek, rug en rechterknie en slaapproblemen. Hij is door de huisarts verwezen naar een fysiotherapeut en een psycholoog.

2.3.

[A] zat ten tijde van de aanrijding nog in zijn proeftijd, maar [eiser] heeft de arbeidsovereenkomst niet opgezegd. [A] heeft sinds het ongeval niet gewerkt. Nadat de duur van de arbeidsovereenkomst (zes maanden) was verstreken, is deze voortgezet als nul-urencontract.

2.4.

Allianz heeft, als WAM-verzekeraar van de heer [B] , aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.5.

Mevrouw [C] , [functie van C] bij Allianz, heeft op 4 juni 2019 een bezoek gebracht aan [eiser] , ter inventarisatie van het letsel en de schade. Daarna heeft de heer [D] , expert bij [onderneming 2] , nog met [eiser] gesproken in opdracht van Allianz op 23 augustus 2019.

2.6.

[eiser] is eerder, in 2013, slachtoffer geweest van een verkeersongeval, waarbij ook sprake was van letselschade (whiplashklachten). Die schade is op 26 februari 2014 vergoed door ING.

2.7.

Mr. Zandijk heeft Allianz verzocht om een voorschot op de schadevergoeding te betalen, maar Allianz heeft aan dit verzoek niet voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – veroordeling van Allianz tot betaling van een voorschot op de geleden schade van € 65.000,- en de proceskosten. Hij stelt daartoe dat hij sinds het ongeval grotendeels arbeidsongeschikt is, dat hij [A] een half jaar heeft moeten doorbetalen en dat hij zzp-er [E] heeft moeten inschakelen om de garage draaiende te houden, die inmiddels verlies maakt. Daar komt bij dat hij twee keer 3,5 uur per week huishoudelijke hulp krijgt en tot en met augustus 2019 € 894,- heeft betaald voor behandelingen bij de fysiotherapeut.

3.2.

Allianz voert verweer. Kort gezegd betwist zij het spoedeisend belang van [eiser] bij de vordering, wijst zij op het ontbreken van (medische) informatie en een voldoende onderbouwing van de gestelde schade. Zij betwist dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de klachten van [eiser] en wijst daarbij op het feit dat [eiser] eerder is aangereden, met letselschade tot gevolg. Er is geen informatie gegeven over die aanrijding, het letsel dat daardoor is opgelopen en de vergoeding die daarvoor is ontvangen. De schade ten aanzien van [onderneming 1] moet worden vastgesteld op grond van de IB-aanslagen van de Belastingdienst (en niet de aangiftes die [eiser] zelf heeft ingediend) en de jaarrekeningen. Die heeft Allianz ook niet ontvangen. Zij plaatst bovendien vraagtekens bij de loonstroken van [A] en de betalingen aan [E] en zij wijst op het aanzienlijke restitutierisico als een voorschot moet worden betaald.

De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2.

In de eerste plaats heeft Allianz het gestelde spoedeisende belang bij de gevraagde voorziening weersproken. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het spoedeisend belang voortvloeit uit het feit dat [eiser] voor het ongeval voltijd werkte in zijn garagebedrijf waarmee hij structureel inkomen genereerde en in zijn levensonderhoud voorzag. Uit de stukken blijkt voldoende dat hij sinds het ongeval zeer beperkt is in de werkzaamheden die hij voor zijn bedrijf kan uitvoeren en veel is aangewezen op de door hem ingeschakelde zzp-er, [E] . Dat zijn financiële situatie daardoor is verslechterd, acht de voorzieningenrechter daarom aannemelijk. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.

4.3.

Allianz heeft het causaal verband tussen de gestelde schade en het ongeval betwist, en heeft daarbij gewezen op het ontbreken van informatie over het ongeval uit 2013 en de restklachten. De voorzieningenrechter acht het echter aannemelijk dat de gezondheidsklachten van [eiser] , blijkens uit de door hem overgelegde medische informatie, in ieder geval voor een deel het gevolg zijn van het ongeval uit 2019. De medisch adviseur heeft aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat de klachten zouden zijn ontwikkeld zónder de aanrijding, zodat hij geen twijfels heeft over de causale relatie tussen het ongeval en de gestelde diagnosen. De voorzieningenrechter heeft geen reden om hieraan in deze procedure wél te twijfelen.

4.4.

De volgende vraag is of [eiser] de door hem gestelde schade voldoende heeft onderbouwd. Allianz stelt zich kritisch op. Uit het oogpunt van controle en verificatie is dit begrijpelijk. Zo vraagt Allianz ook terecht volledig inzicht in de financiële stukken van (de onderneming van) [eiser] . Allianz heeft kennelijk geen financiële stukken van [onderneming 1] (zoals jaarrekeningen en belastingaanslagen) gekregen, zodat zij de door [eiser] gestelde schade niet kan controleren. Deze stukken zaten ook niet bij het rapport van NRL met als gevolg dat de hierin berekende schade vooralsnog niet als uitgangspunt kan dienen. Allianz heeft al op 29 maart 2019 (productie 5 bij conclusie van antwoord) verzocht om financiële informatie. Het ligt op de weg van [eiser] om de nodige informatie aan Allianz te verstrekken. Wat daar ook van zij, ook staat vast dat Allianz geen enkel voorschot heeft betaald, terwijl het naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter wel aannemelijk is dat er sprake is van enig verlies van verdienvermogen als gevolg van de fysieke pijnklachten en psychische klachten (en slaapproblemen als gevolg daarvan). [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij [E] heeft ingeschakeld om het zwaardere fysieke werk te doen, en dat hij [E] daarvoor ook in ieder geval twee keer € 2.500,- heeft betaald (op 1 en 8 september 2019). Verder ligt het voor de hand dat [eiser] (tot op zekere hoogte) medische kosten heeft moeten maken, hoewel hij geen declaraties van zijn zorgverzekeraar of betalingsbewijzen voor betalingen aan de fysiotherapeut heeft overgelegd (wat wel op zijn weg had gelegen). Daar komt nog bij dat hij heeft gesteld hulp in de huishouding te hebben ingeschakeld, waarvoor op basis van de richtlijn in ieder geval recht bestaat op een vergoeding gedurende de eerste 13 weken (hoewel over de omvang daarvan wel nog kan worden gediscussieerd). Ondanks dat de volledige omvang van de schade nog niet vaststaat en [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade ten minste € 65.000,- bedraagt, acht de voorzieningenrechter – gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden – een voorschot op de schadevergoeding redelijk. Gelet op de gestelde schadeposten is een schadeomvang van € 15.000,- wel voldoende aannemelijk. Ondanks het gestelde en aannemelijke restitutierisico is de omvang van dit bedrag onvoldoende reden om van toewijzing van een voorschot af te zien. Het betreft een schadevergoeding van beperkte omvang die is bestemd als voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan. Om die reden wordt een voorschot van € 15.000,- toegewezen.

4.5.

Allianz zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

– dagvaarding € 99,01

– griffierecht 937,00

– salaris advocaat 980,00

Totaal € 2.016,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Allianz om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro),

5.2.

veroordeelt Allianz in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.016,01,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2020.1

1type: SW4247 coll:

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey