Rb (kort geding): vordering om passende woonruimte ter beschikking te stellen afgewezen

Samenvatting:

Eiseres loopt bij ongeval in 2017 zeer ernstig letsel op; zij verblijft sindsdien gescheiden van haar gezin in zorginstellingen. Zij vordert dat rechter de verzekeraar veroordeelt om passende woonruimte ter beschikking te stellen. De rechtbank wijst de vordering af. In de eerste plaats is op basis van het dossier in dit kort geding niet vast te stellen dat eiseres weer daadwerkelijk ‘thuis’ kan wonen. Zij heeft zeer intensieve zorg nodig. Het is voorshands niet komen vast te staan dat de hierbij benodigde zorg daadwerkelijk thuis geleverd kan worden en zo ja, hoe en op welke termijn. (r.o. 4.8). 2. In de tweede plaats is ook niet duidelijk op basis van welke (juridische) constructie beschikbaarstelling van een woning aan eiseres door verzekeraar gedaan zou moeten worden. (r.o. 4.9). 3. Ook als de vordering zou worden omgezet in een tot vervangende schadevergoeding ter waarde van een koopwoning met verbouwing/aanpassing, zou de vordering zou zijn afgewezen. (r.o. 4.9). NB: deze uitspraak is eerder op het PIV-Kennisnet gepubliceerd, echter met een verkeerde samenvatting. Excuses hiervoor.

 

ECLI:NL:RBMNE:2019:4719

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
C/16/483939 / KG ZA 19-456
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor gevolgen verkeersongeval erkend door verzekeraar. Vordering jegens verzekeraar om passende woonruimte ter beschikking te stellen afgewezen. Kort geding.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/483939 / KG ZA 19-456

Vonnis in kort geding van 27 september 2019

in de zaak van
1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. H.A. Zandijk te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Brussel, mede kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. N.C. Haase te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] respectievelijk Allianz genoemd worden.
1 De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met 8 producties

de producties 1 tot en met 12 van Allianz, ontvangen op 3 september 2019

de mondelinge behandeling op 5 september 2019

de pleitnota van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2]

de pleitnota van Allianz.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1.

Op 18 april 2017 is [eiseres sub 1] een verkeersongeval overkomen in [.] . Terwijl zij als fietser op een kruispunt linksaf sloeg heeft zij onvoldoende voorrang/ruimte gekregen van een eveneens links afslaande vrachtwagen, waardoor zij ten val is gekomen. Een van de wielen van de vrachtwagen is over haar bekken gereden en zij is enkele meters meegesleept voordat de vrachtwagen tot stilstand kwam. [eiseres sub 1] heeft ernstig letsel opgelopen, waaronder een klaplong, letsel aan de wervelkolom, letsel aan de buikwand en de blaas, verbrijzeling van het bekken met verplaatsing en deglovement (huidafstroping) van de buik en het linker bovenbeen. [eiseres sub 1] was na het ongeval aanspreekbaar, maar is nadien tijdelijk in coma geweest waarbij voor haar leven werd gevreesd. Ook zijn complicaties opgetreden als secundaire meningitis, een longembolie, een urineweginfectie en een wondinfectie. [eiseres sub 1] is na het ongeval vele malen geopereerd. Op 16 mei 2017 heeft een bovenbeenamputatie links plaatsgevonden.
2.2.

Allianz, als verzekeraar van de vrachtwagen, heeft de aansprakelijkheid voor (de gevolgen van) het ongeval van [eiseres sub 1] volledig erkend.
2.3.

Tot 9 juni 2017 is [eiseres sub 1] op de intensive care van het [naam ziekenhuis] ( [afkorting] ) verpleegd en nadien op een gewone verpleegafdeling. Op 11 juli 2017 is zij overgeplaatst naar [instelling 1] te [.] , van waaruit nog diverse heropnames in het [afkorting] hebben plaatsgevonden. Sinds 13 april 2018 verblijft zij in [instelling 2] te [.] , welk verblijf per september 2018 is verlengd tot

1 februari 2019 en daarna tot 1 februari 2020. De woon- en servicekosten worden voldaan door Allianz.
2.4.

[eiseres sub 1] leeft thans met forse lichamelijke beperkingen. Zij moet haar linkerbeen missen, er is sprake van verlamming van het rechterbeen (conus-caudaleasie), incontinentie en zwakte in de armen. Als gevolg van de beperkingen is zij afhankelijk van een (elektrische) rolstoel. Daarnaast zijn er cognitieve beperkingen als gevolg van (secundaire) hersenschade.
2.5.

Sinds het ongeval leeft [eiseres sub 1] gescheiden van haar gezin, te weten haar echtgenoot [eiser sub 2] en hun drie kinderen van op dit moment 17, 13 en 7 jaar. [eiser sub 2] heeft na het ongeval vanwege psychische klachten in 2018 en (na uitval van de eerste behandelaar) in 2019 een psycholoog bezocht. Hij heeft Allianz aansprakelijk gesteld voor door hem opgelopen shockschade als gevolg van het ongeval dat zijn vrouw is overkomen. Omdat [eiser sub 2] sinds het ongeval niet voor de kinderen kan zorgen worden zij opgevangen door een zus en de ouders van [eiser sub 2] .
2.6.

Omstreeks februari 2018 hebben partijen in gezamenlijk overleg [bedrijfsnaam 1] ( [A] ) ingeschakeld om [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] te ontzorgen bij het vinden van passende woonruimte voor het gezin en de financiering van de zorg van [eiseres sub 1] zodra zij die woonruimte kan betrekken. [A] heeft op 22 februari 2018 geconcludeerd dat in de door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gehuurde woning aan de [adres] te [woonplaats] geen passende woonruimte kan worden gerealiseerd. Op 12 juli 2018 heeft zij een programma van eisen voor passende woonruimte opgesteld. De zoektocht naar passende woonruimte heeft nog niks opgeleverd, zo heeft [A] partijen bij brief van 24 oktober 2018 en 15 november 2018 bericht en herhaald bij brief van 22 februari 2019.
2.7.

Bij beschikking van 6 maart 2019 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) met terugwerkende kracht per 1 februari 2019 en voor onbepaalde tijd voor [eiseres sub 1] een indicatie vanuit de Wet langdurige zorg (WLZ) afgegeven. Dit betreft een Volledig pakket thuis (VPT) met een geïndiceerd Zorgprofiel van 8VV: VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op verzorging/verpleging / 24-uurs zorg voor onbepaalde tijd.

Vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is aan [eiseres sub 1] een elektrische rolstoel ter beschikking gesteld.
2.8.

Allianz heeft tot op heden € 172.500,– aan voorschotten aan [eiseres sub 1] betaald, waarvan laatstelijk op 2 november 2018 onder algemene titel € 45.000,–, op 7 juni 2019 € 2.500,– en na aanzegging van dit kort geding € 25.000,– ter zake van smartengeld.

Bij e-mail van 19 september 2018 heeft mr. Zandijk Allianz verzocht zorg te dragen voor de terbeschikkingstelling van geschikte en passende woonruimte aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] (door een woning aan te kopen en vervolgens aan hen ter beschikking te stellen tegen betaling van een gebruikersvergoeding). In haar brief van 20 december 2018 heeft een kantoorgenoot van mr. Haase mr. Zandijk op de hoogte gesteld van haar advies aan Allianz wat betreft de door [eiseres sub 1] gevorderde schadeposten en gevraagd om een reactie onder meer wat betreft herinschakeling van [bedrijfsnaam 1] . Mr. Haase heeft mr. Zandijk per e-mail van 18 februari 2019 nogmaals verzocht te reageren. In zijn brief van 5 april 2019 heeft mr. Zandijk een reactie gegeven. In zijn brief van 17 mei 2019 heeft mr. Zandijk Allianz verzocht ervoor zorg te dragen dat uiterlijk 1 juli 2019 passende woonruimte beschikbaar is (en in het bijzonder de terbeschikkingstelling van een potentieel geschikt huis in de wijk [wijk 9] te [woonplaats] te onderzoeken). Allianz heeft dit geweigerd, waarna mr. Zandijk uiteindelijk dit kort geding aanhangig heeft gemaakt.
3 Het geschil
3.1.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] vorderen samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. Allianz veroordeelt om uiterlijk binnen drie maanden na betekening van dit vonnis aan hen passende woonruimte ter beschikking te stellen, dan wel woonruimte die daartoe geschikt gemaakt kan worden, bij voorkeur gelegen in de wijken [wijk 1] , [wijk 2] , [wijk 3] , [wijk 4] , [wijk 5] , [wijk 6] , [wijk 7] , [wijk 8] of [wijk 9] in de Gemeente [.] , conform het programma van eisen als neergelegd in productie 6 bij dagvaarding;

II. Allianz veroordeelt tot betaling van € 20.000,– bij wijze van voorschot op de door hen te maken verhuis- en inrichtingskosten van de te betrekken passende woonruimte;

III. Allianz veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 100.000,– voor elke dag of deel daarvan dat zij niet voldoet aan het gevorderde onder I. en II., met een maximum van € 550.000,–;

IV. Allianz veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.2.

Allianz voert verweer met als conclusie dat de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] afwijst en hen hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Inleidende opmerking
4.1.

Allianz is een rechtspersoon naar buitenlands recht. De vordering jegens haar draagt daarom een internationaal karakter. Nu Allianz niet de exceptie van onbevoegdheid heeft opgeworpen is van een stilzwijgende forumkeuze sprake. De Nederlandse rechter is ook bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen. Daarnaast zijn de stellingen van partijen gebaseerd op het Nederlandse recht en naar de voorzieningenrechter begrijpt op basis van de directe actie van artikel 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) jegens Allianz ingesteld.

Ten aanzien van [eiser sub 2]
4.2.

Door [eiser sub 2] , de echtgenoot van [eiseres sub 1] , is gesteld dat er shockschade is. Het bestaan van shockschade, althans dat voldaan is aan de eisen die de Hoge Raad daarvoor heeft gesteld in het arrest Taxibus (Hoge Raad 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356), wordt door Allianz betwist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent deze kort geding procedure zich er niet voor om daarover een oordeel te vellen, daarvoor is meer onderzoek nodig waarvoor deze procedure zich niet leent. Ook kan op dit moment niet worden ingezien hoe shockschade van [eiser sub 2] op zichzelf in dit kort geding kan leiden tot de beschikbaarstelling van aangepaste woonruimte door Allianz. De vordering van [eiser sub 2] wordt dan ook afgewezen.
4.3.

Het gaat in het navolgende uitsluitend om de inhoudelijke beoordeling van de vordering (en schade) van [eiseres sub 1] , hoezeer het belang van [eiser sub 2] als haar echtgenoot daarmee ook verbonden is.

Ten aanzien van [eiseres sub 1]

Spoedeisend belang
4.4.

Allianz heeft de aansprakelijkheid voor (de gevolgen van) het ongeval volledig erkend. Voorshands kan dan ook worden aangenomen dat [eiseres sub 1] een vordering (tot schadevergoeding) heeft op Allianz.
4.5.

Met de terbeschikkingstelling van woonruimte wordt beoogd een voorschot op de schadevergoeding te verkrijgen, waarbij de terbeschikkingstelling leidt tot een betaling van dat voorschot in natura (artikel 6:103 Burgerlijk Wetboek, BW). Onderzocht moet worden of sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.
4.6.

Dat [eiseres sub 1] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering acht de voorzieningenrechter een gegeven, ondanks dat Allianz een andere mening is toegedaan. Sinds het ongeval, 2 ½ jaar geleden, woont zij gescheiden van haar echtgenoot en kinderen. Zij verblijft nu in een zorghotel, welke mogelijkheid in ieder geval tot 1 februari 2020 bestaat. [eiseres sub 1] heeft aangegeven met haar gezin herenigd te willen worden en het gezinsleven te willen voortzetten. Dat dat gezinsleven niet meer hetzelfde zal zijn als vóór 18 april 2017 is helaas een feit. Dat de woonruimte volledig aangepast moet zijn aan de door het ongeval ontstane beperkingen van [eiseres sub 1] (en dat Allianz de kosten daarvan zal moeten dragen) ook. Nu sprake is van een maximaal bereikte medische toestand (MMI) mag verwacht worden dat indien de huidige woonsituatie gewijzigd kan worden dat ook gebeurt.

Redenen om de vordering toch af te wijzen
4.7.

Ondanks het te respecteren belang van [eiseres sub 1] om weer thuis te wonen, bij haar gezin, kan ook háár vordering in dit kort geding niet worden toegewezen.
4.8.

In de eerste plaats is op basis van het dossier in dit kort geding niet vast te stellen dat [eiseres sub 1] weer daadwerkelijk ‘thuis’ kan wonen. [eiseres sub 1] heeft met terugwerkende kracht per 1 februari 2019 de CIZ-indicatie ‘Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op verzorging/verpleging’ gekregen. Het is voorshands niet komen vast te staan dat de hierbij benodigde zorg daadwerkelijk thuis geleverd kan worden en zo ja, hoe en op welke termijn. Dit volgt niet uit de door [eiseres sub 1] overgelegde stukken. Een concreet zorgplan, waarin (objectief) wordt vastgesteld hoe thuiszorg en familie worden ingezet, ontbreekt. Daar komt bij dat uit het door Allianz overgelegde rapport van 17 juli 2019 van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts [B] van [bedrijfsnaam 2] ( [bedrijfsnaam 2] , productie 11 van Allianz) valt af te leiden dat de door [eiseres sub 1] verkregen CIZ-indicatie feitelijk neerkomt op een verpleeghuisindicatie en dat patiënten met een dergelijke indicatie vaak intensieve 24-uurs zorg nodig hebben en dat dit ook onplanbare zorg omvat (dat wil zeggen niet te voorspellen en niet in te plannen). Ook het zorgprofiel dat hoort bij het desbetreffende indicatiebesluit spreekt van ‘begeleiding in een beschermde woonomgeving’ (productie 4 van Allianz). [B] schrijft voorts dat geen enkele indicatie waarbij 24-uurs zorg nodig is doelmatig thuis georganiseerd kan worden. Ook zou een thuiszorgorganisatie geen onplanbare zorg kunnen bieden, hetgeen betekent dat die zorg neerkomt op de familie (die dan deskundig moet zijn), aldus [B] . Ook wat dat betreft ontbreken concrete gegevens, los van het gegeven dat [A] op zoek is gegaan naar aangepaste woonruimte voor [eiseres sub 1] en haar gezin en [C] (cliëntadviseur bij [instelling 2] ) in zijn verslag van 17 januari 2019 spreekt van verblijf in [instelling 2] in afwachting van het vinden van een passende woning en dat daarvoor in ieder geval een WLZ/VPT (Volledig Pakket Thuis) moest worden aangevraagd. Terecht heeft Allianz daarbij de vraag gesteld hoe [eiser sub 2] voor zijn vrouw kan zorgen als hij de zorg voor de kinderen op dit moment niet aankan als gevolg van zijn psychische klachten.
4.9.

In de tweede plaats is ook niet duidelijk op basis van welke (juridische) constructie beschikbaarstelling van een woning aan [eiseres sub 1] door Allianz gedaan zou moeten worden. Niet ter discussie staat dat Allianz de kosten zal moeten dragen van de realisatie van passende woonruimte voor [eiseres sub 1] , maar de situatie en de totale schade van [eiseres sub 1] is complex. De wijze waarop woonruimte ter beschikking wordt gesteld kan invloed hebben op de totale vermogenspositie van [eiseres sub 1] (en [eiser sub 2] ) en op de vraag welke uitkeringen hun nog toekomen. Ten tijde van het ongeval leefden [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] van een bijstandsuitkering. Dat deze gevolgen volledig zijn doordacht is voorshands niet gebleken, noch welke woonruimte in aanmerking zou komen zonder dat (in financieel opzicht) van bevoordeling sprake is en hoe zich dat verhoudt tot de overige schadecomponenten en de reeds betaalde voorschotten. Over de totale schade van [eiseres sub 1] bestaan tussen partijen immers nog diverse geschilpunten.
4.10.

Dit maakt overigens ook dat als de vordering zou worden omgezet in een tot vervangende schadevergoeding ter waarde van een koopwoning met verbouwing/aanpassing, zoals ter zitting aan de orde is gekomen en waarop in feite de door [eiseres sub 1] gevorderde maximale dwangsom is gebaseerd, deze vordering zou zijn afgewezen. Dit geldt te meer nu in kort geding bij veroordeling tot betaling van een geldsom terughoudendheid op zijn plaats is, juist vanwege – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling.
4.11.

Tot slot heeft Allianz aangegeven, reeds in december 2018, graag (weer) met [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] (en een deskundige) in gesprek te komen over de zorg en verpleging thuis en ook dat zij [bedrijfsnaam 1] , althans [A] , weer zou willen inschakelen. De zoektocht van [A] naar passende woonruimte heeft tot nu toe geen resultaat gehad en ligt min of meer stil. Allianz heeft aangegeven dat bij deze stand van zaken eerder uitgesloten opties opnieuw te willen onderzoeken. [A] heeft weliswaar in haar e-mail van 22 februari 2018 aan mr. Zandijk en Allianz geschreven dat de huidige, van [naam stichting] gehuurde, woning aan de [adres] te [woonplaats] niet rolstoeltoe- en doorgankelijk is, niet aanpasbaar (omdat het een reguliere tussenwoning is) en dat er ook geen uitbreidingsmogelijkheden voor een slaapkamer en badkamer op de begane grond zijn, maar niet gebleken is dat zij daarbij een bouwkundige heeft ingeschakeld. Ook is niet gebleken dat zij constructief contact met [naam stichting] heeft gehad of dat er in een groter verband van hulpverleners, woningbouw en gemeente overleg is geweest. Het voorstel van Allianz is op dit moment dan ook niet onredelijk te noemen, los van de omstandigheid dat duidelijk is dat er schot in de zaak moet komen. Het kan zinvol zijn om opnieuw alle mogelijkheden en onmogelijkheden te onderzoeken, juist vanwege de te respecteren wens van [eiseres sub 1] (en [eiser sub 2] ) om het gezinsleven te herstellen. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [eiseres sub 1] , althans mr. Zandijk namens haar, ten onrechte dit gesprek heeft geweigerd, voorafgaand en tijdens dit kort geding.
4.12.

Nu de vordering tot terbeschikkingstelling van woonruimte zal worden afgewezen, komen ook de gevorderde verhuis- en inrichtingskosten en dwangsom niet voor toewijzing in aanmerking.

Ten aanzien van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2]

Proceskosten
4.13.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Allianz worden begroot op:

– griffierecht € 639,00

– salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.619,00
5 De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.

wijst de vorderingen af;
5.2.

veroordeelt [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hoofdelijk – in die zin dat wanneer de een betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd – in de proceskosten, aan de zijde van Allianz tot op heden begroot op € 1.619,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en, vanwege zijn afwezigheid, ondertekend door mr. J.O. Zuurmond, rechter, en in het openbaar uitgesproken op

27 september 2019.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey