Rb: Gewijzigde inzichten over letseluitkering geen reden staken bijstand

Samenvatting:

Bij besluit van 14 maart 2013 is aan eiser bijstand toegekend. Een letselschadevergoeding werd tot een bedrag van € 140.000,- vrijgelaten. Daarna is bijstand beëindigd omdat het overgebleven bedrag van de schadevergoeding van ongeveer € 120.000,- als vermogen moet worden aangemerkt. Het oorspronkelijke besluit kan evenwel niet als een fout besluit worden aangemerkt omdat de gemeente nu eenmaal bevoegd was om bijstand toe te kennen ook al lag het vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens. Deze bevoegdheid was geregeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Dat artikel bepaalt dat vergoedingen voor materiële en immateriële schade niet tot de middelen worden gerekend, voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Een bestuursorgaan is bevoegd om terug te komen van een rechtmatig en begunstigend besluit mits sprake is van onvoorziene omstandigheden en zwaarwegende redenen. Daarbij moet het orgaan steeds een belangenafweging maken tussen de nieuwe omstandigheden en de belangen die de betrokkene heeft bij het besluit waarop hij vertrouwt. Tevens moet recht worden gedaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Niet gemotiveerde gewijzigde inzichten die niet in geschreven beleid zijn vastgelegd volstaan niet.

Instantie Rechtbank Gelderland
datum uitspraak 30-04-2018
datum publicatie 01-05-2018
Zaaknummer AWB – 17 _ 4624
Rechtsgebieden Sociale zekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Bijstand, schadevergoeding, vrij te laten vermogen vastgesteld bij aanvang van de bijstand, geen fout. Bij het besluit tot toekenning van bijstand in 2013 heeft verweerder bepaald dat een bedrag van € 140.000,- aan letselschadevergoeding wordt vrijgelaten. In 2017 neemt verweerder vervolgens een besluit tot beëindiging van de bijstand omdat in 2013 een fout besluit is genomen. De rechtbank is van oordeel dat het besluit in 2013 niet als een fout besluit kan worden aangemerkt omdat het niet in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel. Verweerder heeft in 2013 een weloverwogen afweging gemaakt en gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om een deel van het vermogen buiten beschouwing te laten. De rechtbank overweegt vervolgens dat een bestuursorgaan bevoegd is om terug te komen van een rechtmatig en begunstigend besluit mits sprake is van onvoorziene omstandigheden en zwaarwegende redenen. De rechtbank is daarover van oordeel dat de enkele stelling dat sprake is van gewijzigde inzichten geen onvoorziene omstandigheid of zwaarwegende reden oplevert om terug te kunnen komen op een niet onjuist genomen besluit. Verweerder heeft niet kunnen onderbouwen op grond van welke zwaarwegende redenen de rechtszekerheid van eiser moet wijken. Verweerder heeft daarnaast nagelaten een deugdelijke belangenafweging te maken. Beroep is gegrond.
vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer : 17/4624

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2018
in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. T.J.C. Bueters),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen te Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand van eiser met ingang van 1 april 2017 beëindigd.

Bij besluit van 27 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
P. van Berkum.

Overwegingen

1.1. Eiser heeft op 16 april 2004 en op 11 maart 2009 verkeersongevallen gehad waarna hij de veroorzakers van de ongevallen aansprakelijk heeft gesteld. In maart 2012 heeft eiser van schadeverzekeraar Achmea een letselschadevergoeding ontvangen van € 150.000,-. De schadevergoeding omvatte een bedrag van € 15.000 aan smartengeld of immateriële schade. Eiser heeft in augustus 2012 bijstand aangevraagd. Eiser heeft bij zijn aanvraag gemeld dat hij een schadevergoeding had ontvangen.

1.2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eisers vermogen was vastgesteld op € 14.354,16 terwijl de vermogensgrens € 5.685,- bedroeg. Volgens verweerder werd van de letselschadevergoeding slechts 2/3 deel van de immateriële schadevergoeding als vermogen in aanmerking genomen, terwijl de rest van de letselschadevergoeding buiten beschouwing werd gelaten. Eiser heeft berust in de afwijzing en heeft vervolgens ingeteerd op een deel van zijn vermogen.

1.3. Eiser heeft zich op 16 januari 2013 weer gemeld voor bijstand. Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat van eiseres vermogen een bedrag van € 140.000,- volledig buiten beschouwing wordt gelaten. Bij besluit van 14 maart 2013 is aan eiser bijstand toegekend per 2 maart 2013. In dat besluit heeft verweerder vermeld dat de letselschadevergoeding tot een bedrag van € 140.000,- wordt vrijgelaten.

2. Verweerder heeft eisers recht op bijstand beëindigd bij het primaire besluit omdat de schadevergoeding in verband met verlies aan arbeidsvermogen moet worden aangemerkt als inkomen waarmee eiser in zijn levensonderhoud kan voorzien. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de motivering van de beëindiging gewijzigd in die zin dat het overgebleven bedrag van de schadevergoeding van ongeveer € 120.000,- niet aangemerkt moet worden als inkomen maar als vermogen. Eiser beschikt volgens verweerder met dat vermogen over voldoende middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien.

3. Eiser betoogt dat verweerder niet mag terugkomen op het besluit van 14 maart 2013 waarbij bijstand is toegekend onder vrijlating van € 140.000,- van de letselschadevergoeding. De beëindiging van de bijstand is in strijd met de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel nu eiser al in 2013 beschikte over dat vermogen en verweerder gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om bijstand toe te kennen ondanks de aanwezigheid van vermogen boven de vermogensgrens.

4. Verweerder stelt in reactie hierop dat het besluit van 14 maart 2013 een fout is geweest. Volgens verweerder is hij bevoegd om een fout te herstellen. Het besluit is niet in strijd met de rechtszekerheid omdat de fout naar de toekomst is hersteld. Omdat met het besluit een fout wordt hersteld, is er geen strijd met het vertrouwensbeginsel.

5. De rechtbank stelt vast dat met de letselschadevergoeding materiële en immateriële schade is vergoed. De letselschadevergoeding omvat een bedrag aan verlies van verdienvermogen en economische kwetsbaarheid. Eiser heeft een voorlopig schaderapport van 2 augustus 2011 in het geding gebracht waarin de schadeposten tot en na 1 september 2011 zijn opgesomd. Volgens eiser heeft Achmea de schade, die voor 1 september 2011 is ontstaan, vergoed. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de resterende schadevergoeding terecht als vermogen aangemerkt en niet als inkomen omdat daarmee de schade is vergoed die voor 1 september 2011 is ontstaan. De schadevergoeding heeft dan ook geen betrekking op een periode waarover eiser bijstand heeft aangevraagd.

6. Volgens vaste rechtspraak komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel. Daartoe zal buiten twijfel moeten staan dat het oorspronkelijke besluit onjuist was.1 7. De rechtbank is van oordeel dat het oorspronkelijke besluit van 14 maart 2013 niet als een fout besluit kan worden aangemerkt omdat het niet in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel. Verweerder was bevoegd om aan eiser bijstand toe te kennen ook al lag zijn vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens. Deze bevoegdheid was geregeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Dat artikel bepaalt dat vergoedingen voor materiële en immateriële schade niet tot de middelen worden gerekend, voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Volgens vaste rechtspraak is verweerder op grond van deze bepaling vrij om zelf de grenzen te bepalen van wat bij de bijstandsverlening verantwoord is.2 Verweerder heeft geen beleid opgesteld voor de gebruikmaking van deze bevoegdheid zodat verweerder in het geval van eiser een individuele afweging heeft gemaakt. In 2012 heeft verweerder geconcludeerd dat een bedrag van € 140.000,- van de letselschadevergoeding buiten beschouwing werd gelaten en dat eiser moest interen op zijn vermogen van € 14.354,16. Nadat eiser op dat deel van zijn vermogen had ingeteerd, heeft verweerder de bijstand in 2013 toegekend waarbij eisers vermogen tot een bedrag van € 140.000 buiten beschouwing is gelaten. Bij zowel de beoordeling in 2012 als in 2013 had verweerder de beschikking over alle benodigde gegevens. Verweerder heeft een weloverwogen afweging gemaakt en gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om een deel van het vermogen buiten beschouwing te laten.

9. De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan bevoegd is om terug te komen van een rechtmatig en begunstigend besluit mits sprake is van onvoorziene omstandigheden en zwaarwegende redenen. Het bestuursorgaan zal bij het voor de toekomst beëindigen van begunstigende besluiten in concrete situaties steeds een belangenafweging moeten maken tussen de nieuwe omstandigheden en de belangen die de betrokkene heeft bij het besluit waarop hij vertrouwt. Bij het maken van die afweging is van belang in hoeverre de betrokkene mocht vertrouwen op het ongewijzigd in stand blijven van het besluit. Bij de belangenafweging moet bovendien recht worden gedaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

10. Verweerder heeft aan de beëindiging van de bijstand ten grondslag gelegd dat sprake is van gewijzigde inzichten. Verweerder heeft desgevraagd niet bekend gemaakt waaruit de gewijzigde inzichten bestaan. Verweerder heeft geen beleid opgesteld of een vaste gedragslijn gevolgd, zodat een wijziging daarvan niet aan de orde is. De enkele stelling dat sprake is van gewijzigde inzichten levert geen onvoorziene omstandigheid of zwaarwegende reden op om terug te kunnen komen op een niet onjuist genomen besluit. Verweerder heeft niet kunnen onderbouwen op grond van welke zwaarwegende redenen de rechtszekerheid van eiser moet wijken. Verweerder heeft daarnaast nagelaten een deugdelijke belangenafweging te maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om terug te komen van het besluit van 14 maart 2013.

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat er geen andere grond was voor beëindiging van de bijstand, heeft verweerder deze ten onrechte beëindigd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 9 februari 2017 te herroepen. Hieruit vloeit voort dat eiser ongewijzigd recht heeft op bijstand vanaf 1 april 2017.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, wordt verweerder veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht rechtsbijstand vast op € 1.216,32. Dat bedrag bestaat uit € 1.204,- voor de door een derde beroepsmatig verleende (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor van 1), en € 12,32 voor de door eiser gemaakte reiskosten. Daarnaast zal verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46,- aan hem dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt het bestreden besluit;
– herroept het primaire besluit;
– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.216,32;
– gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. K. Looijschilder, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 30 april 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4455.
2 ECLI:NL:CRVB:2017:483.

  • Jurisprudentie

  • ECLI:NL:RBGEL:2018:1965
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • folder Rechtbank Gelderland

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots