Rb: geschil over louter BGK niet geschikt voor deelgeschil, misbruik van deelgeschilprocedure

Samenvatting:

De kantonrechter stelt vast dat, anders dan in het verzoekschrift is gesuggereerd, er geen schadeposten meer zijn waarover verder moet worden onderhandeld. Hieruit vloeit voort dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Het verzoek ziet louter op het beslechten van een discussie tussen (de gemachtigde van) verzoeker en verzekeraar over de hoogte van de BGK. Een oordeel daarover is niet het startpunt voor (verdere) onderhandelingen tussen partijen die waren al afgerond. Het debat over de BGK moet gevoerd worden in een dagvaardingsprocedure met het forfaitaire kostenregime dat daarin heerst. Door dit over te hevelen naar de deelgeschilprocedure met het integrale kostenregime misbruikt (de gemachtigde van) verzoeker. Kosten deelgeschil afgewezen.

 

 

ECLI:NL:RBGEL:2020:5304

 

Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

03-09-2020

Datum publicatie

08-10-2020

Zaaknummer

8468415 AZ VERZ 20-9

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschilprocedure niet geschikt om debat over buitengerechtelijke kosten te beslechten indien de schaderegeling al is afgerond.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

 

Team kanton en handelsrecht

 

Zittingsplaats Apeldoorn

 

Zaaknummer : 8468415 AZ 20-9

 

Afschrift aan : (gemachtigde) partijen

 

Verzonden d.d. :

 

beschikking d.d. 3 september 2020

 

in de zaak van:

 

[verzoeker],

 

wonende te [woonplaats],

 

verzoeker,

 

gemachtigde: F. Krougman,

 

tegen

 

1.[veweerder sub 1],

 

wonende te [woonplaats],

 

2.Nationale-Nederlanden Schadeverzekeringsmaatschappij N.V.,

 

gevestigd te Den Haag

 

verweerders,

 

gemachtigde: mr. S.C. van Dijke.

 

Partijen worden hierna [verzoeker], [veweerder sub 1] en NN genoemd.

1 Het procesverloop

 

Dit blijkt uit:

 

 

het verzoekschrift ter griffie ingekomen op 21 april 2020

 

het verweerschrift ter griffie ingekomen op 4 juni 2020

 

de griffiersaantekeningen van de op 13 augustus 2020 gehouden zitting, met daaraan gehecht de spreekaantekeningen van F. Krougman

 

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

 

Op 17 oktober 2019 was [verzoeker] betrokken bij een verkeersongeval in Apeldoorn. Rijdend op een scooter is hij toen aangereden door de door [naam bestuurder] bestuurde auto van [veweerder sub 1], welke auto [veweerder sub 1] verzekerd heeft bij NN.

2.2

 

[verzoeker] heeft met Letsel020 een schaderegelingsovereenkomst gesloten. Daarin staat onder meer:

 

“Letsel020 verricht haar werkzaamheden kosteloos […]. Het door opdrachtgever verschuldigde honorarium bestaat uit het bedrag aan buitengerechtelijke kosten, dat Letsel020 kan verhalen op de aansprakelijke tegenpartij.”

2.3

 

Namens [verzoeker] heeft de heer [naam 1] van Letsel020 NN als WAM-verzekeraar bij brief van 27 januari 2020 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het verkeersongeval.

2.4

 

Bij brief van 4 maart 2020 heeft NN de aansprakelijkheid erkend.

2.5

 

Mevrouw [naam 2] van Letsel020 heeft NN bij brief van 9 maart 2020 een schadestaat toegestuurd welke sluit op een bedrag van € 4.542,-. De op deze schadestaat genoteerde posten zijn daarbij niet toegelicht.

2.6

 

Bij brief van 31 maart 2020 heeft NN aan Letsel020 een regelingsvoorstel gedaan, als volgt:

 

“Wij kunnen met de huidige stukken in ons dossier (c.q. het ontbreken daarvan) uw voorstel absoluut niet serieus nemen. Wij zijn bereid uit pragmatisch oogpunt, zonder verdere medische informatie in ons dossier, deze schade met uw cliënt te regelen voor een all-in bedrag van € 3.250,-.”

2.7

 

De heer F. Krougman van Letsel020 heeft bij brief van 2 april 2020 een nieuwe schadestaat aan NN toegestuurd, welke sluit op een bedrag van € 5.002,-, met het verzoek:

 

“in weerwil van het reeds eerder door u gedane voorstel, om nogmaals naar deze schadestaat te kijken en te bezien of een andere regeling mogelijk is.”

2.8

 

Bij brief van 3 april 2020 aan Letsel020 heeft NN haar regelingsvoorstel verhoogd tot € 4.680,-. Op dit voorstel heeft Letsel020 niet meer gereageerd.

2.9

 

NN heeft het door haar aangeboden bedrag van € 4.680,- op 23 juli 2020 aan [verzoeker] betaald.

2.10

 

Letsel020 heeft in maart en april 2020 aan NN een drietal facturen gestuurd voor buitengerechtelijke kosten tot een totaalbedrag van € 2.568,41.

3 Het geschil

3.1

 

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking in deelgeschil ex artikel 1019w Rv., uitvoerbaar bij voorraad, “voor recht te verklaren dat verweerder althans NN op adequate wijze dat wil zeggen maandelijks (de gemachtigde) van verzoeker dient te bevoorschotten met een redelijk bedrag aan buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek tot aan het moment dat een eindregeling is bereikt en voorts verweerder althans NN te veroordelen tot betaling van de tot heden gedeclareerde en (deels) onbetaald gebleven kosten ter hoogte van € 2.568,41 terzake van voormelde redenen en alle andere aan te voeren pendente litis en veroordeling van NN in de begrote buitengerechtelijke kosten van deze procedure ad € 6.517,50 althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.”

3.2

 

[verzoeker] heeft, samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat NN niet van zins is om de redelijke buitengerechtelijke kosten aan zijn gemachtigde te voldoen.

 

Als er geen duidelijkheid komt over de hoogte van die kosten dan kan er geen vaststellingsovereenkomst worden gesloten, hetgeen hem ernstig zal benadelen in de mogelijkheid om de omvang van de schade met behulp van een professionele gemachtigde te laten vaststellen en hij daardoor schade zal lijden die niet vergoed gaat worden, aldus steeds [verzoeker].

3.3

 

NN heeft gemotiveerd verweer gevoerd. NN is onder meer van mening dat [verzoeker] de deelgeschilprocedure louter aanwendt om buitengerechtelijke kosten te incasseren en die procedure ook nog eens als verdienmodel misbruikt.

3.4

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1

 

[verzoeker] heeft geen reden genoemd voor het feit dat hij niet meer heeft gereageerd op het verhoogde regelingsvoorstel van NN d.d. 3 april 2020, maar in plaats daarvan d.d. 21 april 2020 het onderhavige verzoek heeft ingediend. Dat wekt verbazing. [verzoeker] hengelde immers d.d. 2 april 2020 zélf naar voortzetting van het schikkingsoverleg (“bezien of een andere regeling mogelijk is”) en werd op zijn wenken bediend doordat NN -hoewel het dossier feitelijk nog steeds leeg was- haar bod aanmerkelijk verhoogde van € 3.250,- naar € 4.680,-. Dat was slechts € 322,- minder dan het op de laatste schadestaat van [verzoeker] aangegeven schadebedrag. Het is dan niet alleen een kwestie van fatsoen om de wederpartij over dat bod tenminste nog iets te laten weten voordat een gerechtelijke procedure wordt gestart. In het licht van het doel van de deelgeschilprocedure mag van een redelijk handelend en redelijk bekwame schaderegelaar ook worden verlangd dat een (al) lopend onderhandelingsproces niet zo abrupt wordt afgebroken.

4.2

 

Ter zitting is gebleken dat het door NN aangeboden en inmiddels ook betaalde bedrag van € 4.680,- door [verzoeker] wordt aanvaard als finale regeling van zijn schade. Het is aannemelijk dat [verzoeker] daar op 4 april 2020 niet iets anders over dacht.

 

Met uitzondering van de formeel aan [verzoeker] toevallende buitengerechtelijke kosten (waarover straks meer) zijn er dus, anders dan in het verzoekschrift is gesuggereerd, geen schadeposten meer waarover verder moet worden onderhandeld. Het ging in deze zaak om licht letsel met een snelle en heel eenvoudige schaderegeling.

4.3

 

Hieruit vloeit voort dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Het verzoek ziet louter op het beslechten van een discussie tussen (de gemachtigde van) [verzoeker] en NN over de hoogte van de gedeclareerde buitengerechtelijke kosten. Een oordeel daarover is niet het startpunt voor (verdere) onderhandelingen tussen partijen -die waren al afgerond- en levert daarmee geen bijdrage meer aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. [verzoeker] staat ook buiten die discussie en een onvergoedbare schadepost vloeit er voor hem niet uit voort gelet op de duidelijke bepalingen van de met Letsel020 gesloten schaderegelingsovereenkomst.

4.4

 

NN heeft gedetailleerd en gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen diverse onderdelen van de declaraties van Letsel020. Het debat daarover moet gevoerd worden in een dagvaardingsprocedure met het forfaitaire kostenregime dat daarin heerst.

 

Door dit over te hevelen naar de deelgeschilprocedure met het integrale kostenregime misbruikt (de gemachtigde van) [verzoeker] die procedure, althans zet hij die in voor een ander doel dan waarvoor deze in het leven is geroepen. Nu ten onrechte een deelgeschilprocedure is gestart komen de daarvoor opgevoerde kosten niet voor begroting en vergoeding in aanmerking.

5 De uitspraak

 

 

De kantonrechter,

 

wijst het verzoek af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.G. Roovers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey