Rb: Gemeente schond de zorgplicht niet bij val van brandweerbevelvoerder

Samenvatting:

Eiser is al jaren werkzaam bij de vrijwillige brandweer onder meer als bevelvoerder. Bij -16 graden is hij tijdens een uitruk uitgegleden over ijs. Hij eist vergoeding van schade voor zover die niet wordt vergoed door de ongevallenverzekering van de gemeente. Er is geen voorschrift aan te wijzen op grond waarvan de gemeente verplicht is om anti-slipspikes en/of juten/rubberen matten aan de standaarduitrusting toe te voegen. Het gebruik van antislip-spikes was ook niet aangewezen. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij extreem lage temperaturen sprake kan zijn van gladheid. Eiser heeft geleerd om te gaan met extreme weersomstandigheden. Van eiser mocht worden verwacht dat hij zich bewust was van mogelijke gladheid. Hij had de benodigde voorzichtigheid in acht moeten nemen. Bovendien was hij als bevelvoerder verantwoordelijk voor een veilige werkomgeving.

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 22-01-2019
Datum publicatie 04-02-2019
Zaaknummer AWB – 18 _ 3718
Rechtsgebieden Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Verzoek om schadevergoeding wegens schending zorgplicht. Uitglijden brandweerman.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/3718

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2019
in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H.A. Schenke),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard te Bemmel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder een verzoek om schadevergoeding van eiser afgewezen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt en verweerder verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep. Dit heeft verweerder gedaan.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. A.T. Bolt, advocaat te Arnhem, [naam 2] , brandweercommandant, en [naam 3] , personeelsadviseur.

Overwegingen

1. Eiser is zelfstandig aardbeienteler en daarnaast al jaren werkzaam bij de vrijwillige brandweer. In het kader van de regionalisering van de brandweerkorpsen is eiser met ingang van 1 januari 2014 aangesteld in vaste dienst als vrijwilliger bij de brandweer van de Veiligheidsregio Gelderland-Midden (VGGM), post Doornenburg, in de profielen van onder meer bevelvoerder, chauffeur en manschap A.

In de nacht van 3 februari 2012, bij een temperatuur van omstreeks -16 graden Celsius, is eiser tijdens een uitruk, waarbij hij de hoogste bevelvoerder was, uitgegleden en ten val gekomen. Hierbij heeft hij zijn linkerenkel gebroken. Hiervoor heeft hij een operatie ondergaan waarbij een plaat met schroeven in zijn enkel is gezet.

Eiser heeft uit de ongevallenverzekering van verweerder daggelduitkeringen en eenmalige kapitaalsuitkeringen ontvangen.

Eiser is per 1 september 2014 weer volledig arbeidsgeschikt verklaard, zodat de daggelduitkeringen zijn beëindigd.

2. Eiser heeft verweerder bij brieven van 7 januari 2016 en 10 november 2017 aansprakelijk gesteld voor de geleden en te lijden schade als gevolg van het ongeval op 3 februari 2012, voor zover die niet wordt vergoed door de ongevallenverzekering, de zogeheten restschade.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd om aansprakelijkheid te erkennen voor de schade die eiser als gevolg van dit ongeval stelt te lijden. Hieraan is ten grondslag gelegd dat eiser als brandweerman deugdelijk is opgeleid en geleerd is om gevaarlijke situaties te herkennen en hiernaar adequaat te handelen. Eiser is geleerd om per uitruk een inschatting te maken van de veiligheidssituatie. Dit ziet niet alleen op het brandende object, maar ook op de omgeving daarvan. Op basis daarvan wordt van eiser verwacht dat hij een veilige werklocatie inricht, door onder meer de incidentlocatie af te zetten, het werkgebied in te richten en het benodigde materiaal gereed te maken. Ook de vaststelling wat de buitentemperatuur is, is bij een deugdelijke voorbereiding van de inzet van belang. Bij kou is men bedacht op gladheid als gevolg van opvriezend bluswater. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat (blus)water onder koude omstandigheden kan bevriezen en zo tot gevaarlijke situaties kan leiden. Van eiser had dan ook verwacht mogen worden dat hij ten tijde van de uitruk van 3 februari 2012, waarbij sprake was van extreme kou, rekening hield met gladheid door bevriezend of bevroren bluswater en met het daaruit voortvloeiende gevaar van uitglijden. Dat geldt zeker nu eiser tevens als bevelvoerder is opgeleid en in die hoedanigheid optrad. Hij heeft hiervoor een meerjarige opleiding gevolgd waarin onder meer uitvoerig is ingegaan op het beoordelen van het verzorgingsgebied en de objecten (inclusief preventieve en preparatieve aspecten), de eigen veiligheid en de bijbehorende risico’s. Ook het omgaan met (extreme) weersomstandigheden was binnen de opleiding een belangrijk aandachtspunt. Eiser is als bevelvoerder specifiek getraind om zijn mensen voor alle specifieke gevaren op locatie te waarschuwen voordat wordt overgegaan tot het daadwerkelijk bestrijden van de brand. Dat heeft eiser op 3 februari 2012 ook expliciet gedaan. Eiser heeft zijn manschappen uitdrukkelijk gewaarschuwd voor het risico van het uitglijden over bevroren bluswater vanwege de extreme kou. De veiligheid van de brandweerlieden staat voorop. Dit betekent dat van eiser verwacht mocht worden dat hij de inzet had beëindigd als het risico van gladheid als onverantwoord had te gelden. De inschatting van eiser moet zijn geweest dat de werkomgeving met inachtneming van de uitdrukkelijke waarschuwing om uit te kijken voor mogelijke gladheid door opvriezend bluswater voldoende veilig was om aan het werk te gaan.
Naast een gedegen opleiding wordt aan iedere brandweerman een beschermende uitrusting verstrekt om zijn veiligheid te waarborgen waaronder stevige laarzen voorzien van een diep profiel waardoor zoveel mogelijk grip gewaarborgd is. Zij voldoen aan alle eisen die er redelijkerwijs aan kunnen worden gesteld. Het lopen op ijzige oppervlakten vereist aanvullende hulpmiddelen die niet verenigbaar zijn met de dagelijkse uitrusting. Alleen eenheden die gespecialiseerd zijn in reddingen van en op (natuur)ijs beschikken over middelen die specifiek daarvoor zijn ontworpen. Niet valt in te zien waarom dergelijke hulpmiddelen, zoals ijsbeugels of spikes, aan iedere brandweerman verstrekt zouden moeten worden. Het bevriezen van bluswater is daarvoor te uitzonderlijk. Gezien de grote nadelen van dergelijke hulpmiddelen op gebied van, onder andere, mobiliteit, was het de vraag geweest of daadwerkelijk tot het gebruik daarvan zou zijn overgegaan. Er is nog nooit een verzoek gedaan om spikes of vergelijkbare hulpmiddelen te verstrekken. Daarbij is het ook nog eens de vraag of het gebruik daarvan wel realistisch is. In de eerste plaats is het twijfelachtig of de pinnen van de spikes, veelal gemaakt van metaal, duurzaam verenigd kunnen worden met de laarzen zonder dat dit ten koste gaat van de beschermende en vooral brandwerende functie daarvan. In de tweede plaats zou het gebruik van spikes veel schade kunnen toebrengen aan de panden waar wordt binnengetreden, aan het wagenpark en aan de uitrusting. Losse spikes of andere hulpmiddelen voor het lopen op ijs worden bevestigd met rubber of metaal en zijn op hun beurt weer niet verenigbaar met de hoge temperaturen bij brand. Van verweerder kon in redelijkheid niet worden gevergd dat hij aan iedere brandweerman speciale laarzen en/of hulpmiddelen had verstrekt, puur en alleen om het risico van bevriezend bluswater bij historisch lage temperaturen te beteugelen. Eiser had ook zelf maatregelen kunnen treffen door de situatie anders of voorzichtiger te benaderen of op een andere locatie te gaan staan. Het was aan eiser zelf om er voor te zorgen dat hij voldoende rekening hield met het risico van uitglijden. Volgens verweerder is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en had het ongeval in redelijkheid niet door verweerder voorkomen kunnen worden.

4. Eiser voert aan dat verweerder zijn zorgplicht heeft geschonden, omdat hij eiser geen antislip-spikes (universele sneeuwijzers) voor onder de brandweerlaarzen heeft verschaft die grip bieden bij opvriezend bluswater en ook niet voor juten/rubberen matten heeft gezorgd die over de gebruikte wandelpaden kunnen worden gelegd om uitglijden te voorkomen. Verweerder heeft bovendien nagelaten om de meest risicovolle plekken met hekjes af te zetten en toezicht te houden op het ontstaan van deze risicovolle plekken. Verweerder heeft niet een van deze eenvoudige en weinig kostbare voorzorgsmaatregelen genomen om schade in de uitoefening van de werkzaamheden te voorkomen ondanks het reële gevaar van opvriezend bluswater en het bijkomende valgevaar. Met name ten aanzien van het nalaten van het verstrekken van antislip-spikes valt verweerder een ernstig verwijt te maken, omdat die geen onderdeel vormen van de standaardbepakking van een tankautospuit. Bij andere korpsen is dat wel het geval, zoals bij de brandweer Arnhem. De brandweerauto’s zijn wel voorzien van extra hulpmiddelen zoals een meter die opgelopen radioactieve straling op een persoon kan meten en een chemiepak dat kan worden gebruikt tijdens inzetten met gevaarlijke stoffen. Eiser heeft deze hulpmiddelen nog nooit gebruikt. Niettemin zijn die hulpmiddelen wel beschikbaar terwijl zij relatief kostbaar zijn in verhouding tot andere hulpmiddelen zoals spikes. Dat spikes veel schade aanrichten is niet juist, omdat spikes zijn gemaakt van hetzelfde materiaal als het gelaatsmasker dat bij een normale uitrusting hoort. Als de spikes veel schade zouden aanrichten, zou de brandweer Arnhem die niet gebruiken.
Van een ongelukkige samenloop van omstandigheden is geen sprake, omdat eiser verplicht was om de brand te blussen en daartoe het nodige te doen en niet anders of voorzichtiger kon handelen. Gelet op de hectische situatie en het karakter van de werkzaamheden mocht van eiser niet verwacht worden dat hij rekening hield met gladheid door bevriezend of bevroren bluswater en met het daaruit voortvloeiende gevaar van uitglijden.
Eiser kan als gevolg van het ongeval zijn beroep van zelfstandig aardbeienteler niet meer zoals eerder uitoefenen. De schade bestaat uit:
– kosten van ingeschakelde hulpkrachten,
– overige schade, zoals ziekenhuiskosten voor eigen rekening, de aanschaf van krukken, extra reiskosten, schade aan kleding, kosten van rechtsbijstand,
– verlies aan inkomen in combinatie met verlies van zelfredzaamheid en economische kwetsbaarheid,
– immateriële schade in de vorm van pijn, verdriet en verlies.
De omvang van deze schade is te begroten op een bedrag van € 300.000,-.

5.1. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.2. Eiser heeft verweerder aansprakelijk gesteld voor de geleden en te lijden schade als gevolg van het ongeval op 3 februari 2012, voor zover die niet wordt vergoed door de ongevallenverzekering, de zogeheten restschade.

5.3. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Staatsblad 2013, 50) in werking getreden en is in titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter ingevoerd over veroordeling van een bestuursorgaan tot vergoeding van schade. Omdat het schadeveroorzakende handelen heeft plaatsgevonden voor 1 juli 2013 is op grond van het bepaalde in artikel IV van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten het oude recht van toepassing. Dit betekent dat tegen een zelfstandig schadebesluit, zoals het thans bestreden besluit, bezwaar en beroep openstaat.

5.4. Volgens vaste rechtspraak heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar. De zorgplicht van het bestuursorgaan strekt niet zover dat elk denkbaar risico op voorhand moet worden uitgebannen, maar tot het treffen van alle maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs van het bestuursorgaan kunnen worden gevergd om de veiligheid van het personeel te waarborgen. Het enkele feit dat een ongeval of een ander incident heeft plaatsgevonden betekent niet dat het bestuursorgaan zijn zorgplicht heeft geschonden.1 5.5. Vast staat dat het ongeval dat eiser op 3 februari 2012 is overkomen, heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Nu verweerder niet heeft gesteld dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van eiser is enkel in geschil of verweerder zijn zorgplicht is nagekomen. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij zijn zorgplicht is nagekomen.

5.6. Eiser heeft aanvankelijk gesteld dat hij over opvriezend bluswater is uitgegleden. Ter zitting heeft hij een andere toedracht van het ongeval geschetst. Hij heeft gesteld dat door zijn collega’s, buiten zijn weten om, een zogenoemd shot is gegeven en de neerkomende nevel daarvan tot gladheid heeft geleid. Hij is niet uitgegleden over opvriezend bluswater, maar over het vernevelde en aangevroren water van het shot, voorafgaand aan het daadwerkelijke blussen. Dit shot is gegeven bij de tuinpoort. Eiser heeft verklaard dat dit geen gebruikelijke plek is om zo’n shot te geven. Eiser heeft niet gezien dat de nevel van het shot bij de tuinpoort op de grond terecht kwam en aanvroor.

5.7. Verweerder heeft de door eiser geschetste toedracht van het ongeval niet betwist, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan.

5.8. De rechtbank is van oordeel dat er geen voorschrift is aan te wijzen op grond waarvan verweerder verplicht is om anti-slipspikes en/of juten/rubberen matten aan de standaarduitrusting van de brandweer toe te voegen. In het Branchevoorschrift Standaardbepakking voor Brandweervoertuigen, waarin is vastgelegd welke persoonlijke beschermingsmiddelen en hulpmiddelen op een tankautospuit moeten liggen, worden anti-slipspikes en juten/rubberen matten niet genoemd. Het is ook ongebruikelijk om die middelen bij het bestrijden van een brand te gebruiken. De anti-slipspikes van de brandweer van Arnhem zijn niet met het oog op gladheid bij de brandbestrijding verstrekt, maar om meer grip te hebben bij ijsreddingen.

5.9. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat er nog geen sprake was van opvriezend bluswater, maar alleen van plaatselijke gladheid, bij de tuinpoort, na het geven van een shot waarbij nevel is neergekomen en bevroren. Dit was op een plek waarover eiser heeft verklaard dat dit geen gebruikelijke plek is voor het geven van zo’n shot en dat hij niet wist dat toen daar door zijn collega’s het shot was gegeven. Nu buiten die plek geen sprake was van gladheid was het gebruik van antislip-spikes niet aangewezen. Bovendien is het de vraag of antislip-spikes het uitglijden op bevroren nevel hadden kunnen voorkomen. Dat eiser, zoals hij ter zitting heeft gesteld, opdracht zou hebben gegeven om de anti-slipspikes, indien daarover beschikt zou worden, alvast aan te doen, omdat er voldoende indicatie was dat er bluswater gebruikt zou moeten worden, is niet van belang. Eiser is uitgegleden bij de tuinpoort waar het na het geven van een shot glad was door neergekomen en bevroren nevel. Het gaat er om of verweerder in die situatie zijn zorgplicht heeft geschonden.

5.10. De rechtbank neemt ten slotte in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij extreem lage temperaturen sprake kan zijn van gladheid, ook van gladheid als gevolg van bevroren nevel. Eiser heeft in zijn opleiding geleerd om te gaan met extreme weersomstandigheden en gevaarlijke situaties. Van eiser mocht dan ook worden verwacht dat hij zich bewust was van mogelijke gladheid en van het gevaar van uitglijden. Van hem had dan ook mogen worden verwacht dat hij de benodigde voorzichtigheid in acht zou nemen. Bovendien was hij als bevelvoerder verantwoordelijk voor een veilige werkomgeving. Hij had de risico’s moeten inventariseren en de benodigde maatregelen moeten treffen. In dit geval ging het om een voor eiser onvoorziene plek waar het glad was geworden door het shot.

5.11. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder zijn zorgplicht niet heeft geschonden en sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L. de Vos, voorzitter, en mr. L. van Gijn en mr. M.P. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 22 januari 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072 en 18 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3292

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey