Rb: geen winterbanden, geen beroep op overmacht ex art 185 WVW

Samenvatting:

Aanrijding trein en taxi. Prorail stelt het taxibedrijf aansprakelijk ex art 185 WVW voor schade aan wegmeubilair. 1. De rechtbank oordeelt dat art 185 WVW ook van toepassing is bij schade aan zaken die niet toebehoren aan een bij het verkeersongeval betrokken partij. 2. Beroep op overmacht afgewezen; de aanrijding is mede veroorzaakt door gladheid en het taxibedrijf als professionele vervoerder heeft nagelaten om de taxibus te voorzien van winterbanden. 3. Geen eigen schuld Prorail, omdat het betreffende deel van het wegdek niet behoorde tot de onderhoudsplicht van Prorail, maar tot die van de gemeente.

ECLI:NL:RBMNE:2014:783

Instantie

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak

05-03-2014

Datum publicatie

12-03-2014

Zaaknummer

C-16-340029 – HA ZA 13-184

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Artikel 185 WVW wel van toepassing bij schade aan zaken die niet toebehoren aan een bij het verkeersongeval betrokken partij (de door Prorail beheerde railinfrastructuur). Beroep op overmacht afgewezen, omdat aanrijding mede veroorzaakt door gladheid en gedaagde (professionele vervoerder) heeft nagelaten om de taxibus te voorzien van winterbanden. Geen eigen schuld Prorail, omdat het betreffende deel van het wegdek niet behoorde tot de onderhoudsplicht van Prorail, maar tot die van de gemeente Boxtel.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/340029 / HA ZA 13-184

Vonnis van 5 maart 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRORAIL B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TAXIBEDRIJF CIBATAX B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

tevens h.o.d.n. Avéro Achmea,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna Prorail en Cibatax c.s. (afzonderlijk Cibatax en Achmea) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

·        

het tussenvonnis van 26 juni 2013

·        

het proces-verbaal van comparitie van 5 november 2013 ter gelegenheid waarvan Prorail een conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen en Cibatax c.s. haar verweer in conventie heeft uitgebreid met een nieuw primair standpunt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Prorail is een organisatie die zorgdraagt voor de instandhouding van de railinfrastructuur in Nederland.

2.2.

Op 5 januari 2010 heeft op de spoorwegovergang “Posthoorn” aan de Kapelweg te Boxtel een aanrijding plaatsgevonden tussen een trein van NS Reizigers en een taxibus die in eigendom toebehoort aan Cibatax. Deze aanrijding heeft geleid tot schade aan de door Prorail beheerde railinfrastructuur.

2.3.

Achmea is de WAM-verzekeraar van de onder 2.2 bedoelde taxibus.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Prorail vordert samengevat – (hoofdelijke) veroordeling van Cibatax c.s. tot betaling van een bedrag van € 96.501,53, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Cibatax c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Cibatax c.s. vordert samengevat – veroordeling van Prorail tot betaling van een bedrag van € 19.700,10, vermeerderd met rente en kosten.

3.5.

Prorail voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of op de vordering van Prorail artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) van toepassing is, en zo ja, of Cibatax c.s. onder de omstandigheden van het onderhavige geval een beroep toekomt op overmacht als bedoeld in deze bepaling.

Toepasselijkheid artikel 185 Wegenverkeerswet

4.2.

Op grond van artikel 185 WVW is de eigenaar of houder van een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden en die betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen of zaken, verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen het geval dat het is veroorzaakt door iemand, voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is.

4.3.

Ter gelegenheid van de comparitie heeft Cibatax c.s. haar verweer uitgebreid met een nieuwe primaire stelling, die inhoudt dat artikel 185 WVW in het onderhavige geval niet van toepassing is, omdat de zaken die beschadigd zijn, niet toebehoren aan een bij de aanrijding betrokken partij.

4.4.

De rechtbank constateert dat artikel 185 WVW voor toepasselijkheid van deze bepaling de eis stelt dat er sprake is van een “verkeersongeval”. Dit duidt erop dat er sprake moet zijn van een aanrijding tussen een schadebrengend motorrijtuig en een persoon of zaak die niet door dat motorrijtuig wordt vervoerd, maar wel deelneemt aan het verkeer. Dit kan de gedachte doen postvatten dat indien – zoals in het onderhavige geval – een motorrijtuig in botsing komt met een trein, en dit vervolgens leidt tot schade aan zaken van een derde die niet rechtstreeks bij het verkeersongeval zelf betrokken zijn, zoals de door Prorail beheerde infrastructuur, deze relatie ontbreekt en de aansprakelijkheid niet op artikel 185 WVW kan worden gegrond. Deze gedachte wordt versterkt door het feit dat ook het begrip “overmacht” een rechtstreekse relatie veronderstelt tussen de handeling van de eigenaar of houder van het motorrijtuig enerzijds en de omstandigheden waaronder het verkeersongeval plaatsvond (de invloed van de plaats van het ongeval en van de bij het verkeersongeval betrokken personen of zaken op het ontstaan van het verkeersongeval) anderzijds.

4.5.

Anderzijds moet de rechtbank constateren dat artikel 185 WVW zeer ruim is geformuleerd, in die zin dat personen of zaken die niet door het schadebrengend motorrijtuig worden vervoerd, onder de schadevergoedingsplicht van de eigenaar of houder van dat motorrijtuig worden geschaard.

4.6.

Bovendien kan in het onderhavige geval de analogie worden gemaakt met de situatie dat een motorrijtuig ten gevolge van een verkeersongeval schade toebrengt aan wegmeubilair. Uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 185 WVW moet worden afgeleid dat de wetgever er vanuit gaat dat schade aan wegmeubilair wel onder het toepassingsgebied van deze bepaling valt, en dat dergelijke schade alleen van het toepassingsgebied is uitgesloten als deze niet het gevolg is van een verkeersongeval, maar van een stilstaand motorvoertuig dat een gebrek vertoont. In de Memorie van Toelichting (MvT) bij het Wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 (Tweede Kamer 2004-2005, 29955, nr. 3) is immers overwogen dat de tot dan toe bestaande beperking van de aansprakelijkheid tot de waarde van het motorrijtuig niet meer adequaat was, mede omdat “de kosten van herstelwerkzaamheden aan de weg en aan wegmeubilair […] veel lager [waren] dan vandaag de dag met vangrails, geluidsschermen, verkeersinstallaties, viaducten en bruggen en dergelijke.” Voorts wordt in de MvT aangegeven dat “Naar huidige inzichten […] degene die het profijt heeft van het gebruik van het motorrijtuig ook de volledige verantwoordelijkheid voor de gevolgen van het gebruik [dient] te dragen” en dat “Niet valt in te zien waarom de eigenaar of houder van een motorrijtuig niet de gehele door hem veroorzaakte schade zal dragen indien aan alle daaraan gestelde eisen is voldaan.”

4.7.

Ook in de jurisprudentie zijn aanwijzingen te vinden dat ook schade aan zaken en personen die niet rechtstreeks met het verkeersongeval te maken hebben, onder het toepassingsbereik van artikel 185 WVW valt. De rechtbank wijst op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 april 1972 (NJ 1972, 473), waarin door het hof werd overwogen dat noch de tekst noch de geschiedenis van artikel 185 WVW “steun geeft aan […] beperking tot voorwerpen op de weg”. Schade aan een bovenleiding van een trambaan werd vervolgens onder het toepassingsbereik van deze bepaling gebracht.

Voorts heeft het Gerechtshof Den Haag op 30 september 2008 (LJN:BJ6816), in een geval waarin sprake was van een aanrijding tussen een trein en een trekker met oplegger, die ertoe leidde dat er schade ontstond aan de railinfrastructuur (waarvan Prorail vervolgens vergoeding vorderde), het betoog dat artikel 185 WVW niet van toepassing was, gepasseerd.

4.8.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij onvoldoende aanleiding heeft om af te wijken van de ruime formulering van de wetstekst van artikel 185 WVW door daarin een beperking te lezen tot schade aan personen of zaken die rechtstreeks bij het verkeersongeval betrokken waren. Dit betekent dat ook de (gevolg-)schade die de aanrijding tussen het onderhavige motorrijtuig en de trein van NS reizigers heeft gehad voor de door Prorail beheerde infrastructuur, valt onder het toepassingsbereik van artikel 185 WVW.

Beroep op overmacht

4.9.

Partijen verschillen niet van mening over het feit dat de schade aan de infrastructuur het gevolg is van een verkeersongeval met een aan Cibatax in eigendom toebehorend (en door Achmea verzekerd) motorrijtuig. Het bepaalde in artikel 185 WVW brengt in dat geval mee dat Cibatax c.s. aansprakelijk is voor deze schade, tenzij aannemelijk is dat het ongeval te wijten is aan overmacht. Volgens vaste jurisprudentie is van overmacht slechts sprake indien de bestuurder rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt (o.a. Hoge Raad 22 mei 1992, LJN:ZC0616). Stelplicht en bewijslast terzake rust op degene die zich op overmacht beroept (Hoge Raad 17 november 2000, LJN:AA8737).

4.10.

Cibatax c.s. heeft in dit kader aangevoerd dat het ontstaan van het ongeval geheel te wijten is aan omstandigheden waarop de bestuurder van het motorrijtuig geen enkele invloed had, namelijk de slechte omstandigheden van het wegdek ter plaatse (glooiïng van de toegangsweg naar de spoorwegovergang, afgesleten klinkers op de spoorwegovergang en het bestaan van een nivoverschil tussen de onverharde weg en een houten biels) in combinatie met de weersomstandigheden (gladheid door sneeuw), voor welke gevaren niet middels bebordingen was gewaarschuwd en waartegen ook geen andere maatregelen waren genomen (beter onderhoud en bestrijding van de gladheid).

4.11.

De rechtbank begrijpt dat Prorail het standpunt inneemt dat het verkeersongeval het gevolg was van een optelsom van de volgende omstandigheden:

·        

de bestuurder van het motorrijtuig reed verkeerd en moest aan de overzijde van de spoorwegovergang keren,

·        

het motorrijtuig reed met een te geringe snelheid om de spoorwegovergang (terug) over te kunnen steken,

·        

het motorrijtuig was niet voorzien van winterbanden,

·        

de spoorwegovergang was besneeuwd en

·        

de bestuurder koos ervoor om niet achteruit te rijden op het moment dat hij merkte dat het voertuig slipte.

4.12.

De rechtbank constateert dat partijen het erover eens zijn dat de weersomstandigheden, bestaande uit gladheid door sneeuw, een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het onderhavige verkeersongeval. Ook het in deze procedure overgelegde onderzoeksrapport van een technisch rechercheur van de politie, alsmede het rapport van een door Cibatax c.s. ingeschakelde deskundige gaan ervan uit dat gladheid van het wegdek door sneeuw medeoorzaak was van het ontstaan van de aanrijding. De rechtbank zal daarvan dan ook in het navolgende uitgaan.

4.13.

Het hiervoor overwogene brengt mee dat voor het slagen van het beroep van Cibatax c.s. op overmacht tenminste vereist is dat haar terzake van (de gevolgen van) deze ‘medeoorzaak’ geen rechtens relevant verwijt te maken valt. De rechtbank zal dat hierna beoordelen.

4.14.

In zijn algemeenheid geldt dat het oversteken van een spoorwegovergang gevaren met zich brengt en dat de bestuurder van een overstekend motorrijtuig derhalve voorzichtig van een dergelijke overgang gebruik moet maken. Dit geldt temeer indien de weersomstandigheden ongunstig zijn. Uit de door de technisch rechercheur van de politie gemaakte foto’s blijkt dat er ten tijde van het verkeersongeval op de spoorwegovergang en de toegangsweg naar die spoorwegovergang sneeuw lag, zodat de bestuurder erop bedacht moest zijn dat het ter plaatse glad zou kunnen zijn. Niet gesteld of gebleken is dat de bestuurder van het motorrijtuig gelet op deze omstandigheden voldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat hij de spoorwegovergang zou kunnen passeren. Zeker bij een professioneel vervoerder als Cibatax mag verwacht worden dat zij haar voertuigen zodanig uitrust dat deze op in Nederland voorkomende weersomstandigheden voorbereid zijn. Ter comparitie heeft Cibatax c.s. erkend dat het motorrijtuig op het moment van de aanrijding niet voorzien was van winterbanden, maar aangevoerd dat zij daartoe niet gehouden is, omdat winterbanden in Nederland niet verplicht zijn en zij er dus vanuit kan gaan dat Nederlandse wegen ook bij sneeuw veilig met zomerbanden kunnen worden bereden. Daarmee miskent Cibatax c.s. dat van wegbeheerders niet gevergd kan worden dat zij ervoor zorgen dat te allen tijde elke openbare weg sneeuwvrij is en geen gladheid vertoont. De wegbeheerder kan bij slechte weersomstandigheden niet overal tegelijk zijn en mag prioriteiten stellen. Dit betekent dat een bestuurder van een motorrijtuig er rekening mee moet houden dat hij in een situatie terecht kan komen waarin een wegdek door sneeuw is bedekt en/of gladheid vertoont. Voor een dergelijk geval moet het motorrijtuig, zeker als het gaat om een motorrijtuig van een professionele vervoerder, zijn voorzien van beschikbare hulpmiddelen die een veilig gebruik van het betreffende stuk wegdek mogelijk maken. De omstandigheid dat de wetgever het niet noodzakelijk acht om dergelijke hulpmiddelen verplicht voor te schrijven, betekent niet dat een bestuurder niet gehouden kan worden om dergelijke hulpmiddelen in te zetten.

4.15.

Het standpunt van Cibatax c.s. dat zij betwist dat sprake is van een causaal verband tussen de aanrijding en het niet voorzien zijn van de taxibus van winterbanden, kan haar niet baten. Het is immers Cibatax c.s. op wie de stelplicht en de bewijslast rust dat haar terzake van het verkeersongeval geen enkel rechtens relevant verwijt kan worden gemaakt. Cibatax c.s. heeft nagelaten om een voldoende specifiek bewijsaanbod te doen ten aanzien van het door haar gestelde ontbreken van causaal verband. Dit betekent dat niet geconcludeerd kan worden dat vaststaat dat Cibatax c.s. terzake van het verkeersongeval geen enkel rechtens relevante verwijt te maken is.

4.16.

Gelet hierop kan in het midden blijven of er andere omstandigheden zijn, zoals een te lage snelheid bij het benaderen van de spoorwegovergang dan wel het nalaten van andere mogelijkheden om een aanrijding te voorkomen (door met de taxibus naar achteren te rijden), die eveneens de conclusie rechtvaardigen dat aan Cibatax een verwijt kan worden gemaakt terzake van het ontstaan van het verkeersongeval.

4.17.

Het voorgaande betekent dat het beroep van Cibatax c.s. op overmacht faalt en dat Cibatax c.s. in beginsel aansprakelijk is voor de door Prorail ten gevolge van het verkeersongeval geleden schade.

Eigen schuld

4.18.

Als verweer tegen de omvang van de gevorderde schadevergoeding heeft Cibatax c.s. onder meer naar voren gebracht dat Prorail eigen schuld ter zake van het ontstaan van de aanrijding kan worden verweten, aangezien het verkeersongeval mede is veroorzaakt door:

a.     gebreken in het wegdek van de spoorwegovergang (afgesleten klinkers, glooiïng van de toegangsweg naar de spoorwegovergang en het bestaan van een nivoverschil tussen de onverharde weg en een houten biels),

b.    het ontbreken van waarschuwingen voor deze gebreken,

c.     het nalaten van maatregelen om de gladheid op de spoorwegovergang te bestrijden,

d.    het ontbreken van waarschuwingen voor gladheid op de spoorwegovergang en

e.    het ontbreken van waarschuwingen voor een doodlopende weg.

4.19.

De stelplicht en bewijslast van eigen schuld van de benadeelde rust in beginsel op de partij die zich op eigen schuld beroept (Hoge Raad 11 juni 2010, LJN:BM1733), derhalve op Cibatax c.s.

Ad a) en b)

4.20.

Tussen partijen is niet in geschil dat Prorail als spoorwegbeheerder verantwoordelijk is voor de staat van het wegdek van de spoorwegovergang. Partijen verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of de onderdelen van de weg die een rol gespeeld (kunnen) hebben bij het ontstaan van de aanrijding, vallen onder de onderhoudsplicht van Prorail (standpunt Cibatax c.s.) of van de gemeente Boxtel (standpunt Prorail).

4.21.

Voor zover Cibatax c.s. betoogt dat de glooiïng van de toegangsweg die leidt tot de spoorwegovergang, als een gebrek moet worden aangemerkt, volgt de rechtbank haar daarin niet. Indien een spoorwegovergang hoger is gelegen dan de omliggende wegen, kan de toegangsweg tot die spoorwegovergang niet anders dan een glooiïng vertonen om dit nivoverschil te overbruggen. Dat is dan geen gebrek van de weg zelf.

4.22.

Ten aanzien van het gestelde gebrek aan de klinkers die onderdeel uitmaken van de spoorwegovergang, geldt dat uit de door Cibatax c.s. zelf gestelde toedracht van de aanrijding (slippen van de achterwielen van de taxibus achter een houten biels) in combinatie met de ter comparitie gedane erkenning van de inrichting van de spoorwegovergang (de klinkers zijn na de houten biels gelegen) volgt dat de onderhoudstoestand van de klinkers niet in causaal verband staat met de aanrijding. Voor zover het beroep op eigen schuld op de onderhoudstoestand van de klinkers is gegrond, faalt het dan ook.

4.23.

Volgens Cibatax c.s. behoort de houten biels waarachter de taxibus met de achterwielen is blijven hangen, tot de overwegbevloering, en valt deze daarmee ruim binnen het gebied van het wegdek ter hoogte van de spoorwegovergang. Dat het betreffende gedeelte van het wegdek bij de onderhoudsplicht van Prorail hoort, blijkt volgens Cibatax c.s. ook uit het feit dat Prorail is overgegaan tot het saneren van de spoorsloot, die op een grotere afstand van de spoorweg ligt dan de hiervoor bedoelde houten biels. Ook als de onderhoudsplicht van Prorail eindigt bij de houten biels, is zij voor het niveauverschil verantwoordelijk, aldus Cibatax c.s. Ter comparitie heeft Cibatax c.s. nog nader aangevoerd dat zij de afstand van 9.90 meter die is genoemd in de door Prorail overgelegde wegenlegger van de gemeente Boxtel, zo uitlegt dat de onderhoudsplicht voor het weggedeelte waar het ongeval heeft plaatsgevonden, op Prorail rust.

4.24.

Prorail heeft zich verweerd met de stelling dat haar onderhoudsplicht beperkt is tot de spoorweginfrastructuur, en dat de onderhoudsplicht voor openbare wegen rust op de gemeente binnen wiens grondgebied de openbare wegen liggen. Volgens haar blijkt uit de door haar als productie 6 overgelegde wegenlegger van de gemeente Boxtel dat de onverharde weg die een hoogteverschil met de spoorwegovergang vertoont, behoort tot de onderhoudsplicht van de gemeente.

4.25.

De rechtbank volgt Cibatax c.s. niet in haar stelling dat uit de in de wegenlegger genoemde afstand van 9.90 meter blijkt dat de onderhoudsplicht voor het weggedeelte waar het ongeval heeft plaatsgevonden, op Prorail rust. Uit diezelfde legger blijkt immers dat die 9,90 m is opgebouwd uit keien (1.90 + 1.80 meter), hout (2.60 meter x 2) en klinkers

(1 meter). Voorts blijkt daaruit dat de spoorwegovergang, in ieder geval destijds, aan beide kanten was omgeven door een onverharde weg. Gelet op het feit dat in tabel VII van de wegenlegger is vermeld dat de onderhoudsplicht met betrekking tot de weg rust op de gemeente Boxtel, en daarvan alleen de spoorwegovergang is uitgezonderd (met de genoemde lengte van 9,90 meter), heeft Cibatax c.s. haar stelling dat de onverharde weg tot de houten biels tot de onderhoudsplicht van Prorail behoort, onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat Prorail tot het saneren van een naastgelegen sloot is overgegaan, kan er niet toe leiden dat een andere verdeling van de onderhoudsplicht geldt dan uit de wegenlegger volgt.

4.26.

In het licht hiervan kan de rechtbank Cibatax c.s. evenmin volgen in haar stelling dat Prorail verantwoordelijk is voor het niveauverschil tussen de onverharde weg en de houten biels waarop de taxibus voorafgaand aan de aanrijding is blijven haken. Uit de onderste foto op pagina 8 van het door Cibatax c.s. overgelegde rapport van haar schade-expert en het daarbij door de schade-expert vermelde commentaar, moet worden afgeleid dat er geen sprake was van een verhoging van de biels ten opzichte van de rest van de spoorwegovergang, maar van uithollingen in de onverharde weg direct tegen de biels aan. Dit betekent dat voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat het niveauverschil zodanig is dat er sprake is van een schending van een onderhoudsplicht, de onderhoudsplicht geschonden is door de gemeente Boxtel, en niet door Prorail. Daarmee rust er op Prorail ook geen waarschuwingsplicht voor een dergelijk niveauverschil. Gelet hierop moet het beroep op eigen schuld van Prorail op dit punt worden verworpen.

4.27.

Daaraan voegt de rechtbank toe dat ook indien zou moeten worden aangenomen dat de onderhoudsplicht van Prorail zich ook over het betreffende gedeelte van de onverharde weg uitstrekte, het niveauverschil zoals dat blijkt uit de hiervoor bedoelde foto niet zodanig groot is, dat de conclusie gerechtvaardigd is dat Prorail haar onderhoudsplicht heeft verzaakt. Immers, niet gesteld of gebleken is dat er buiten de situatie dat er sprake is van gladheid, eerder situaties hebben voorgedaan waarbij weggebruikers op de betreffende biels zijn blijven haken. De onderhoudsplicht van een wegbeheerder gaat niet zover dat hij ervoor zorgt dat elk stuk wegdek waarvoor hij een onderhoudsplicht heeft, te allen tijde en bij elk weertype te berijden is. Terzake is alleen sprake van een inspanningsverbintenis, waarbij ook prioriteitstelling een rol mag spelen. In het onderhavige geval ging het om een weg die gelegen was buiten de bebouwde kom en in agrarisch gebied en die aan de overzijde van de spoorwegovergang meteen dood liep op een parkeerplaats die toegang gaf tot een natuurgebied en enkele huizen. Gelet hierop mocht Prorail verwachten dat er slechts beperkt gebruik van de betreffende weg werd gemaakt, en hoefde zij aan opheffing van het niveauverschil tussen de onverharde weg en de biels geen hoge prioriteit toe te kennen. Daarbij komt dat bij een onverharde weg een niveauverschil al binnen korte tijd kan ontstaan, zodat ook om die reden niet geoordeeld kan worden dat Prorail – veronderstellenderwijs aangenomen dat op haar een onderhoudsplicht terzake rustte – haar onderhoudsplicht heeft verzaakt. Evenmin heeft zij in een dergelijk geval een waarschuwingsplicht geschonden.

Ad c) en d)

4.28.

Ten aanzien van het verwijt dat Prorail heeft nagelaten maatregelen tegen gladheid te nemen en/of voor gladheid te waarschuwen geldt mutatis mutandis hetgeen hiervoor onder 4.27 is overwogen. Daarbij komt dat gladheid een omstandigheid is die zich slechts gedurende een beperkte tijd in een jaar voordoet. Niet gesteld of gebleken is dat de onderhavige weg ten opzichte van andere wegen een aanzienlijk hoger risico op gladheid vertoonde, zodat ook om die reden geen waarschuwingsplicht op Prorail rustte. Ook in zoverre moet het beroep van Cibatax c.s. op eigen schuld worden verworpen.

Ad e)

4.29.

Het waarschuwen voor het doodlopen van de weg aan de overzijde van de spoorwegovergang is naar het oordeel van de rechtbank niet de verantwoordelijkheid van Prorail, maar van de gemeente Boxtel. Het is immers niet Prorail, maar de gemeente die bepaalt op welke wijze een weg aan de overzijde van een spoorwegovergang verder loopt.

Wettelijke rente

4.30.

Volgens Cibatax c.s. komt de door Prorail gevorderde wettelijke rente niet voor vergoeding in aanmerking met ingang van de datum van het ongeval, maar vanaf het moment dat de betreffende kosten door Prorail zijn gemaakt.

4.31.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval aanleiding om de schade die Prorail ten gevolge van het verkeersongeval heeft geleden, op concrete wijze te berekenen. Dit betekent dat het verzuim met betrekking tot de door Prorail gemaakte kosten tot herstel van de infrastructuur en tot sanering van de spoorsloot pas is ingetreden op het moment dat Prorail de betreffende kosten opeisbaar verschuldigd is geworden. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente dan ook toewijzen op de wijze als in het dictum is vermeld.

Buitengerechtelijke kosten

4.32.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II – worden afgewezen. Prorail heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

De kosten waarvan Prorail vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Administratiekosten

4.33.

Volgens Cibatax c.s. zijn de gevorderde administratiekosten niet voor toewijzing vatbaar, aangezien de proceskosten geacht worden een vergoeding voor dergelijke kosten in te houden.

4.34.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Prorail onvoldoende onderbouwd waaruit de betreffende kosten bestaan en door wie deze zijn gemaakt. Een dergelijke onderbouwing mocht van haar worden verwacht omdat:

·        

indien de kosten zijn gemaakt door de advocaat van Prorail, deze vallen onder de proceskosten en

·        

indien de kosten door Prorail zelf zijn gemaakt, moet vaststaan dat de kosten redelijkerwijs moesten worden gemaakt en de omvang van de kosten redelijk is.
Prorail heeft nagelaten een dergelijke onderbouwing te geven, zodat de administratiekosten worden afgewezen.

Proceskosten

4.35.

Cibatax c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Prorail worden begroot op:

– dagvaarding € 171,42

– griffierecht 1.836,00

– salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 4.849,42

in reconventie

4.36.

De verwijten die Cibatax c.s. ter onderbouwing van haar reconventionele vorderingen aan Prorail maakt, zijn dezelfde als de verwijten die zij aan haar beroep op eigen schuld in conventie ten grondslag heeft gelegd. Nu de rechtbank deze verwijten bij gebreke van een feitelijke grondslag in conventie niet heeft gehonoreerd, zijn de reconventionele vorderingen reeds om die reden niet voor toewijzing vatbaar.

4.37.

Cibatax c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Prorail worden begroot op:

– salaris advocaat € 579,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 579,00)

Totaal € 579,00

in conventie en reconventie

4.38.

De nakosten, waarvan Prorail betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt Cibatax c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Prorail te betalen een bedrag van € 93.690,81 (drieënnegentigduizend zeshonderdnegentig euro en éénentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf het moment dat Prorail de betreffende kosten opeisbaar verschuldigd was, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Cibatax c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Prorail tot op heden begroot op € 4.849,42, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in reconventie

5.3.

veroordeelt Cibatax c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Prorail tot op heden begroot op € 579,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in conventie en reconventie

5.4.

veroordeelt Cibatax c.s., onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Prorail volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

– € 205,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

– te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2014.1

1 type: WV/4208coll:

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey