Rb: geen verlies van arbeidsvermogen op basis van deskundigenbericht, smartengeld beenletsel € 32.500, BGK

Samenvatting:

Eindvonnis na deskundigenbericht door verzekeringsgeneeskundige; ongeval 1998, beenletsel. 1. Verzekeringsgeneeskundige heeft geconcludeerd dat benadeelde alhoewel zij door het haar overkomen ongeval enige lichte beperkingen ondervindt, zij in staat wordt gemiddeld 8 uren per dag en/of 40 uur per week te werken. De rechtbank oordeelt dat er vanaf 2007 geen sprake meer is van. verlies van arbeidsvermogen en kosten huishoudelijke hulp/verlies zelfwerkzaamheid. 2. Smartengeld voor ernstige beenletsel (b.i. 11%): € 32.500. 3. BGK ad € 16.718,36 toegewezen; Gezien het feit dat het hier een ongeval betreft uit 1998 met ernstig beenletsel, gevolgd door complicaties, die uiteindelijk niet in medisch en/of juridisch causaal verband met dat ongeval konden worden gebracht, acht de rechtbank een dergelijk bedrag voor zulke kosten redelijk.

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer: C/08/85786 HA ZA 442 van 2007
datum vonnis: 1 april 2015
Vonnis van de rechtbank Overijssel,
meervoudige kamer voor burgerlijke zaken,

in de zaak van:

1.[Eiseres 1] ,
wonende te [Woonplaats] ,
verder te noemen:[Eiseres 1] ,

2. de naamloze vennootschap IZA Zorgverzekeraar N.V.,
gevestigd te Oldenzaal,
verder te noemen: IZA, eiseressen,
gezamenlijk te noemen:[Eiseressen] ,
advocaat: mr. M.J.E.C. Camps te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap Allianz Benelux N.V., h.o.d.n. London Schadeverzekeringen,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
verder te noemen: London,
procesadvocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem, voordien mr. E.M.M. van de Loo te Enschede,
behandelend advocaat: mr. H.A. Kragt te Arnhem, voordien mr. J.M.W. Werker te Arnhem.

Het procesverloop
De bij tussenvonnis van 2 oktober 2013 benoemde deskundige heeft zijn rapport, gedateerd 18 juli 2014 op 22 juli 2014 ter griffie ingeleverd.
Nadien hebben zowel [Eiseres 1] als London ieder na deskundigenbericht geconcludeerd respectievelijk ieder nog een akte genomen en wederom vonnis gevraagd.

De verdere beoordeling van het geschil en de gronden van de beslissing
1. De rechtbank verwijst allereerst naar alle eerdere in deze procedure gewezen (tussen)vonnissen en ziet geen aanleiding terug te komen op daarin genomen beslissingen met name ten aanzien van de feiten, medische en juridische causaliteitsvragen en andere daarin besliste onderdelen.

2. Op basis van het proces-verbaal van de comparitie van 22 September 2011 van de meervoudige kamer dezer rechtbank staan nog ter beoordeling open:
a. het verlies arbeidsvermogen vanaf 1 januari 2007 (pagina 6 van de schadestaat, productie 26-6);
b. de kosten huishoudelijke hulp/verlies zelfwerkzaamheid vanaf 1 januari 2007 (punt 2 en 3 op pagina 5 schadestaat, productie 26-5);
c. de andere kosten als genoemd op de tweede helft van pagina 4 van de schadestaat (productie 26-4);
d. de immateriële schade (pagina 7,8 en 9 van de schadestaat, producties 26-7 t/m 26-9).

3. Teneinde op deze punten verder te kunnen beslissen heeft de rechtbank verzekeringsgeneeskundige J.P Voogd als deskundige benoemd en hem de volgende vraag voorgelegd: Kunt u, waar het [Eisers 1] betreft, een beperkingenprofiel opstellen aan de hand van de medische rapporten en wel door voornamelijk gebruik te maken van de rapporten van de deskundigen dr. P.H.J.M. Elsenburg (neurochirurg), drs. J.H. Postma (orthopedisch chirurg) en prof. R.J. van den Bosch (psychiater) en met gebruikmaking van de medische functiemogelijkhedenlijst, de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst.
De rechtbank geeft u (i.e. Voogd) uitdrukkelijk de bevoegdheid om hetzij bij partijen, hetzij uit andere bron(nen) inlichtingen in te winnen, zo u die nodig acht om uw taak naar behoren uit te voeren.
Daaronder is nadrukkelijk begrepen de bevoegdheid om mevrouw [Eiseres 1] zelf te onderzoeken, ingeval u dat voor mv onderzoek noodzakelijk acht.
In alle gevallen geldt dat u in uw rapportage de inhoud van de inlichtingen, waaronder uw (mogelijke) onderzoeksresultaten, vermeldt.

4. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de deskundige Voogd zijn onderzoek en rapportage heeft verricht op de daaraan te stellen eisen, meer in het bijzonder volgens het in artikel 198 Rv. bepaalde en met name partijen in de gelegenheid heeft gesteld op de conceptrapportage te reageren en hun reactie (meer speciaal die van [Eiseres 1]) in zijn rapportage heeft verwerkt althans heeft weerlegd.
Dienvolgens neemt de rechtbank de inhoud en de conclusies van de deskundige Voogd over en zal op basis daarvan verder recht gaan doen.

5. De samengevatte conclusie van het rapport van Voogd is, dat [Eiseres 1], alhoewel zij door het haar overkomen ongeval enige lichte beperkingen ondervindt (als gevolg van orthopedische klachten met een B.I.G.P. van 11%), zij volgens de deskundige in staat wordt geacht normaal en volledig te functioneren en te werken.
[Eiseres 1] wordt door hem in staat geacht gemiddeld 8 uren per dag en/of 40 uur per week te werken.

ad a en b. Verlies arbeidsvermogen en kosten huishoudelijke hulp/verlies zelfwerkzaamheid vanaf 1 januari 2007.
6. Mede verwijzend naar het rapport van drs. J.H Postma (orthopedisch chirurg)1 is de situatie van het hiervoor onder (5.) samengevatte van [Eiseres 1] sedert 1 januari 2007 aan de orde en mitsdien geen sprake van verder verlies van arbeidsvermogen te vergoeden schade vanwege kosten huishoudelijke hulp/verlies zelfwerkzaamheid.
1 Rapport Neuro-orthopedisch Centrum d.d. 14.09.2010

ad c. Andere kosten (productie 26-4)2.
7. Deze “andere” kosten bedragen blijkens de opsomming in productie 26-4 van de schadestaat een bedrag van € 16.718,36 + P.M. (= wettelijke rente).
Het leeuwendeel daarvan wordt gevormd door de kosten rechtsbijstand (advocaat) ad € 14.120,88.
Specificatie daarvan treft de rechtbank aan in productie 199 bij dagvaarding, waaruit blijkt dat die kosten (BGK tot dagvaarding) totaal een bedrag van € 23.613,41 exclusief BTW en onbelaste verschotten hebben bedragen, waarop (kennelijk) een deelbetaling door London heeft plaatsgevonden.

8. Gezien het feit dat het hier een ongeval betreft uit 1998 met ernstig beenletsel, gevolgd door een langere herstelperiode en een groter aantal complicaties, die uiteindelijk niet in medisch en/of juridisch causaal verband met dat ongeval konden worden gebracht, acht de rechtbank een dergelijk bedrag voor zulke kosten redelijk en aanvaardbaar teneinde ten opzichte van London als daartoe aansprakelijke assuradeur te trachten tot oplossing en afhandeling van de zaak te komen.
De rechtbank zal die kosten dat ook ten laste van London brengen, zulks geldt ook voor de overige posten in die opstelling (behoudens dan de wettelijke rente), omdat de rechtbank van oordeel is dat veeleer dan het uiteindelijke resultaat van die onderzoeken, waarvan kosten worden opgevoerd, het primair van belang is in hoeverre in dat stadium van de behandeling van de zaak een dergelijk onderzoek voor [Eiseres 1] geïndiceerd was om tot verdere beoordeling van haar positie te komen.
Dat laatste acht de rechtbank aan de orde en die kosten zullen derhalve eveneens ten laste van London komen.

ad d. Immateriële schade.
9. Vaststaat dat London tot op heden een bedrag van € 32.500.– aan immateriële schade3 aan [Eiseres 1] heeft vergoed.
Gezien enerzijds het aan [Eiseres 1] opgekomen ernstige beenletsel met een B.I.G.P. van 11% en anderzijds beperktere gevolgen daarvan als door deskundige Voogd vastgesteld en hiervoor onder overweging (5.) samengevat, acht de rechtbank een dergelijke vergoeding voor immateriële schade gezien daarmee te vergelijken gevallen aanvaardbaar en ziet de rechtbank geen aanleiding tot toekenning van enig verder bedrag over te gaan.

Resumé in de zaak [Eiseres 1]/London
10. De rechtbank ziet aanleiding en mogelijkheid de schade van [Eiseres 1] ten gevolge van het ongeval in 1998 vast te stellen als na te melden en derhalve geen verwijzing naar een schadestaatprocedure te gelasten.
Onder verwijzing naar het proces-verbaal van comparitie van 22 september 2011, waaruit blijkt welke bedragen op basis daarvan door London aan [Eiseres 1] zijn betaald, wordt daarenboven ter zake van “Andere Kosten” ten laste van London toegewezen een bedrag van € 16.718,36 te vermeerderen met wettelijke rente.
Voor zoveel nodig wordt de schade van [Eiseres 1] begroot op hetgeen in voornoemde zin door London is voldaan c.q. nog voldaan moet worden.
De overige vorderingen van [Eiseres 1] tegen London zullen worden afgewezen.

2 akte [Eiseres 1] 25-05-2011
3 antwoordconclusie London 10 december 2014 en akte [Eiseres 1] 14 januari 2015

11. Resteert de beoordeling van de vordering van IZA tegen London.

12. Bij dagvaarding vorderde IZA een bedrag van €1.169,50 + PM.
Bij repliek werd dit gewijzigd in € 3.603,–+ PM.

13. Op het verweer van London, dat alle in aanmerking komende kosten al aan IZA waren voldaan en de thans gevorderde kosten niet in relatie stonden met het ongeval van [Eiseres 1] uit 1998, is door IZA niet met gemotiveerde weerlegging, laat staan bewijsstukken, gereageerd.

14. Gezien de samenhang met de vordering van [Eiseres 1] tegen London en het bepaalde in artikel 220 Rv. zal de rechtbank de zaak aan zich houden en afdoen middels afwijzing van de vordering van IZA tegen London.

Proceskosten.
15. Gezien het feit dat [Eiseres 1] en London over en weer c.q. gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren. Voor de door partijen betaalde voorschotten voor de kosten van de ingeschakelde deskundigen houdt zulks in, dat ieder van hen die voorschotten als eigen kosten zal hebben te dragen.
De rechtbank ziet eveneens aanleiding tot compensatie van de proceskosten te komen betreffende IZA, wiens vordering weliswaar wordt afgewezen, maar waartoe het verloop van de procedure aanleiding geeft.

De beslissing

De rechtbank:

In de zaak [Eiseres 1] contra London:
I. Begroot en stelt vast de schade van [Eiseres 1], aan haar opgekomen ten gevolge van het ongeval van 26 September 1998 op het bedrag als hiervoor onder (10.) overwogen.
II. Veroordeelt London aan [Eiseres 1] te betalen een bedrag van € 16.718,36 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 3 mei 2007.
III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
IV. Compenseert de proceskosten des dat iedere partij de hare drage.
V. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

In de zaak IZA contra London:
VI. Wijst af de vordering van IZA tegen London.
VII. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Van der Meer. Lorist en Margadant en op woensdag 1 april in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey