Rb: geen gebrek aan ladder van sluis, geen verplichting tot maatregelen

Samenvatting:

De duim van de benadeelde scheurde gedeeltelijk af doordat een ladder in een sluis verschoof. De loodzware ladder kon niet handmatig en zonder extra externe kracht verschoven worden. Volgens sluiswachters schoof de ladder vermoedelijk doordat met de boot van benadeelde gas werd gegeven en in de tegenovergestelde richting is gevaren dan de bedoeling was. Mogelijk is door de trekkracht van een andere boot de ladder verschoven. In ieder geval moet het ervoor worden gehouden dat de ladder is verschoven door de uitoefening van extra externe kracht. Bij gebreke aan een onderzoek naar de ladder neemt de rechtbank aan dat deze geen gebrek kende. Gesteld noch gebleken is dat de bezitter van de ladder op de hoogte was of had moeten zijn van de mogelijkheid van verschuiven. Geen andere ongevallen over 60 jaar zijn bekend. De bezitter was niet gehouden was tot het nemen van veiligheidsmaatregelen.

ECLI:NL:RBOVE:2016:4630
Instantie Rechtbank Overijssel
datum uitspraak 13-07-2016
datum publicatie 23-11-2016
Zaaknummer C/08/174012 / HA ZA 15-366
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Letselschadezaak. Eiseres heeft deel van haar duim verloren bij ongeval in sluis. Vordering tegen provincie als sluiseigenaar en –beheerder wordt afgewezen.
vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0469
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : C/08/174012 / HA ZA 15-366
Vonnis van 13 juli 2016
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [plaats] , Duitsland,
eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,
gemachtigde: mr. S.W. van Dijk, advocaat,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE PROVINCIE OVERIJSSEL,
gevestigd te Zwolle,
gedaagde partij, hierna te noemen de Provincie,
gemachtigde: mr. E. Bos-van den Berg.
 
1
De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 3 juli 2015
– de akte overlegging producties
– de conclusie van antwoord
– de conclusie van repliek tevens akte overlegging producties
– de conclusie van dupliek
– de akte uitlating producties tevens akte overlegging producties.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
 
2
De feiten
2.1. [eiseres] voer op 7 augustus 2014 samen met haar echtgenoot op een door hen gehuurde boot. De door de echtgenoot van [eiseres] bestuurde boot is de Beukersluis ingevaren, komend vanuit de richting Wanneperveen. Deze sluis is eigendom van en wordt beheerd door de Provincie.
2.2. In de wanden van de sluis bevindt zich een verdiept ingebouwde stalen ladder. De ladder hangt in een beugel aan een horizontaal ingebouwde metalen stang. Tussen de verticaal lopende linkerzijwand van de ladder en de sluiswand aan de linkerzijde bevindt zich een opening.
2.3. In de sluis aangekomen wilde [eiseres] , die voor op de boot stond, de boot vastmaken aan een bolder of een ander zich op de wal of in de sluiswand bevindend bevestigingspunt. Daarvoor heeft zij houvast gezocht aan de zich in de sluiswand bevindende ladder. Op enig moment is de bovenkant van de ladder naar links verschoven, waarbij de rechterduim van [eiseres] bekneld is geraakt tussen de ladder en de sluiswand en later gedeeltelijk is afgescheurd.
2.4. In het ziekenhuis kon het afgescheurde deel niet meer aan de duim worden vastgezet.
2.5. Bij brief van 2 december 2014 heeft (de gemachtigde van) [eiseres] de Provincie aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiseres] en haar echtgenoot als gevolg van het ongeval lijden en zullen lijden.
2.6. De Provincie heeft de zaak in handen gesteld bij haar aansprakelijkheidsverzekeraar, Centraal Beheer Achmea. Bij brief van 19 maart 2015 heeft de verzekeraar de aansprakelijkheid van de Provincie afgewezen.
 
3
Het geschil
3.1. [eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:
a. a) zal verklaren voor recht dat de Provincie aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en te lijden schade als gevolg van het [eiseres] op 7 augustus 2014 in de Sluis Beukers te Wanneperveen overkomen ongeval,
b) de Provincie zal veroordelen om aan [eiseres] te betalen schadevergoeding, nader op te maken bij staat, althans subsidiair de Provincie zal veroordelen om aan [eiseres] te betalen een door de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 612 Rv te begroten bedrag aan schadevergoeding, steeds vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze bedragen vanaf 7 augustus 2014, althans vanaf 16 december 2014, tot de dag der algehele voldoening,
c) de Provincie zal veroordelen om aan [eiseres] te betalen € 6.975,65 wegens buitengerechtelijke advocaatkosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 16 december 2014, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening,
d) de Provincie zal veroordelen in de proceskosten, waaronder nasalaris.
3.2. [eiseres] baseert haar vordering op de stelling dat de Provincie op grond van de artikelen 6:174 en 6:162 BW als eigenaar, beheerder en bezitter van de sluis aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. Volgens [eiseres] voldeden de ladder en de sluis niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Zij onderbouwt dit standpunt als volgt.
[eiseres] stelt dat zij om houvast te hebben met haar rechterhand de bovenste horizontaal lopende trede van de ladder aan de linkerzijde van deze trede heeft vastgehouden, waarbij haar rechterduim zich bevond in de holle ruimte tussen de ladder en de sluiswand. Verder stelt zij dat plotseling, als gevolg van een voor haar niet zichtbare en niet voorzienbare oorzaak, de metalen ladder in één klap naar links is geslagen. Het gevolg was dat haar duim klem kwam te zitten. Haar echtgenoot riep haar toe dat zij de ladder moest loslaten omdat de boot zich van de sluiswand af bewoog, maar [eiseres] kon de ladder niet loslaten omdat haar duim vastgeklemd zat. Haar echtgenoot heeft geprobeerd de boot weer naar de sluiswand te varen, maar dat lukte niet. De boot voer van de sluiswand af en het bovenste deel van de rechterduim van [eiseres] is afgescheurd en tussen de ladder en de sluiswand blijven zitten. [eiseres] betoogt dat de ladder en de sluis als gebrekkig zijn aan te merken omdat de zich in de zijwand van de sluis bevindende ladder kan verschuiven hetzij als gevolg van de constructie van de ladder hetzij (of eveneens) als gevolg van een defect aan de ladder. Deze gebrekkigheid levert tevens een gevaar op, dat zich in dit geval heeft verwezenlijkt. Waarschuwingen dat de ladder kan verschuiven en/of om geen hand of vinger te steken in de ruimte tussen de ladder en de sluiswand ontbreken.
3.3. De Provincie voert de navolgende verweren aan.
De Provincie betwist de door [eiseres] gestelde toedracht. Volgens de Provincie is het onmogelijk dat de duim van [eiseres] op de door haar gestelde wijze in de ruimte tussen de ladder en de sluiswand terecht is gekomen. De trapbomen zijn namelijk zodanig breed (ca. 8 cm) dat ook wanneer iemand zich aan een trede vasthoudt de duim niet in de ruimte tussen de ladder en de sluiswand kan komen. Verder is het onmogelijk dat de trap, die loodzwaar is, zonder extra externe krachten naar links verschuift. Sluiswachters [A] en [B] hebben gezien dat de boot aanvankelijk met de rechtervoorzijde schuin tegen de kade aanlag. Zij zagen vervolgens aan het schroefwater dat de echtgenoot van [eiseres] gas gaf. Omdat het roer niet in de juiste richting stond, leidde dit ertoe dat de boot zich van de kademuur af bewoog. Vermoedelijk is dit de oorzaak van het naar links schuiven van de trap geweest.
Daarnaast voert de Provincie aan dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:174 dan wel artikel 6:162 BW.
In geval van aansprakelijkheid beroept de Provincie zich voorts op eigen schuld van [eiseres] . Voor dat geval betwist de Provincie ook de gestelde schade.
 
4
De beoordeling
Rechtsmacht
4.1. In de verhouding tussen [eiseres] en de Provincie geldt dat partijen zijn gevestigd op het grondgebied van verschillende staten, namelijk Duitsland en Nederland, waardoor deze zaak een internationaal karakter draagt.
4.2. De rechtsmacht wordt in dit geval bepaald door de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke zaken en handelszaken (de Herschikte EEX-Verordening), aangezien Duitsland en Nederland beide lidstaten zijn van de Europese Unie. Op grond van artikel 2 Herschikte EEX-Verordening komt deze rechtbank in de onderhavige zaak rechtsmacht toe, nu de Provincie als gedaagde partij gevestigd is in Zwolle.
Toepasselijk recht
4.3. Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De rechtbank begrijpt uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, hetgeen in casu is toegestaan. Derhalve zal het Nederlandse recht worden toegepast.
Aansprakelijkheid
4.4. [eiseres] is tijdens haar vakantie in Nederland in de zomer van 2014 een ongeval overkomen, als gevolg waarvan zij het bovenste deel van haar rechterduim moet missen. [eiseres] ervaart sinds het ongeval tot op heden de restgevolgen daarvan. Het geschil van partijen betreft de vraag of de Provincie op grond van artikel 6:174 en/of artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog steeds lijdt. Of de Provincie aansprakelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van de volgende maatstaven.
4.5. Op grond van artikel 6:174 BW is de Provincie als beheerder van de sluis aansprakelijk voor schade die het gevolg is van een gebrek aan de sluis. Van een gebrek is sprake indien de sluis naar objectieve maatstaven gemeten niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor een gevaar oplevert voor personen of zaken. Of dit het geval is hangt volgens vaste jurisprudentie af van het antwoord op de vraag of die sluis, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans is op verwezenlijking van het gevaar en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te verlangen zijn. In dat kader komt onder meer betekenis toe aan de beleidsvrijheid die de Provincie heeft en de haar ter beschikking staande financiële middelen (ECLI:NL:HR:2010:BN6236 en ECLI:NL:HR:2014:831).
4.6. Het in het leven roepen van een gevaarzettende situatie kan, als dat gevaar zich verwezenlijkt, leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, indien is voldaan aan de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het zogenaamde Kelderluikarrest (ECLI:NL:HR:1965:AB7079). In dit arrest is bepaald dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand, die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Deze criteria dienen in onderling verband te worden beschouwd.
4.7. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot feiten en omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan een op 6:174 en/of 6:162 gebaseerde vordering rusten in beginsel op [eiseres] als eisende partij. Tegen de achtergrond van de hiervoor in rechtsoverweging 4.5 en 4.6 omschreven maatstaven en hetgeen geldt in het kader van de stelplicht en de bewijslast, geldt in de onderhavige zaak het volgende.
4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat de ladder op enig moment naar links is geschoven. Wat betreft de oorzaak van het verschuiven van de ladder, heeft de Provincie er op gewezen dat de stalen ladder, die loodzwaar is, niet handmatig en zonder extra externe kracht verschoven kan worden. Uit de waarnemingen van sluiswachters [A] en [B] leidt de Provincie verder af dat het naar links schuiven van de ladder vermoedelijk het gevolg is geweest van het feit dat gas werd gegeven en in de tegenovergestelde richting is gevaren dan de bedoeling was. [eiseres] is waarschijnlijk daardoor in de problemen gekomen, waarbij onduidelijk is wat zij met het touw van de boot heeft gedaan en hoe zij haar duim tussen de ladder en de sluiswand heeft gekregen.
4.9. [eiseres] erkent dat voor het verschuiven aanmerkelijke externe krachten nodig waren, veel groter dan de handkracht van [eiseres] . [eiseres] betwist echter dat de boot schuin in het water lag, dat haar echtgenoot gas heeft gegeven en dat hij de boot van de sluiswand heeft weggevaren. Hoe de ladder wel plotseling naar links heeft kunnen schuiven is onduidelijk. Mogelijk is een andere boot vastgemaakt aan het touw dat is aangebracht tussen de diverse trappen aan een kant van de sluis, waardoor de trekkracht van die andere boot de ladder naar links heeft geslagen, aldus [eiseres] .
4.10. Of als externe kracht is aan te wijzen de plotselinge niet voor de hand liggende koerswijziging van de door [eiseres] en haar echtgenoot bevaren boot dan wel de aanleg van een touw (van een andere boot) aan de ladder, de rechtbank stelt vast dat een andere mogelijke oorzaak voor het verschuiven van de ladder – dan de uitoefening van extra externe krachten – in overeenstemming met de aard van de onderhavige ladder, die van staal is en niet door normale menskracht in beweging is te krijgen, door partijen niet is gesteld. Bij het ontbreken van enige andere plausibele verklaring moet het ervoor worden gehouden dat de ladder op een of andere wijze is verschoven door de uitoefening van extra externe kracht.
Gebrek of gevaarzetting
4.11. De rechtbank staat thans voor de vraag of sprake is van een gebrek aan de ladder en/of een gevaarzettende situatie. In dat verband is van belang dat gesteld noch gebleken is van een onderzoek naar de (on)deugdelijkheid van de constructie en de werkzaamheid van de ladder door een schade-expert. Bij gebreke daarvan neemt de rechtbank aan dat de ladder ten tijde van het ongeval geen constructiefout en/of defecten kende. Bij deze stand van zaken impliceert de enkele omstandigheid dat de ladder op enig moment naar links is verschoven, ongeacht de oorzaak daarvan, niet de ondeugdelijkheid of het gevaarzettend karakter van de ladder.
Veiligheidsmaatregelen
4.12. Daarmee ligt vervolgens ter beantwoording de vraag voor of het op de weg van de Provincie had gelegen om ter zake van de ladder en/of de ruimte tussen de ladder en de sluiswand te waarschuwen. Dienaangaande stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat de Provincie op de hoogte was of had moeten zijn van de mogelijkheid dat de ladder door extra externe krachten zou kunnen verschuiven. De rechtbank constateert verder dat de ladder bestemd is om uit de sluis te kunnen klimmen als iemand te water raakt. Bij de Provincie zijn tot slot geen andere ongevallen op die plek bekend, terwijl van de sluis reeds meer dan 60 jaar veelvuldig gebruik wordt gemaakt. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de Provincie geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat door verplaatsing van de ladder wegens daarop uitgeoefende externe krachten, iemands duim bekneld zou raken in de ruimte tussen de ladder en de sluiswand. Hieruit vloeit voort dat de Provincie niet gehouden was tot het nemen van (veiligheids)maatregelen.
4.13. [eiseres] heeft nog aangevoerd dat de bevestiging van een touw aan de ladder gevaarzetting creëert. Volgens de Provincie is dit touw er juist voor de veiligheid. Men kan zich ermee naar de kant trekken en bij lage, kleine bootjes en kano’s wordt het gebruikt om zich tijdens het schutproces aan vast te houden. Wat daar verder ook van zij, de rechtbank overweegt dat onduidelijk is gebleven of er iets met dit touw is gebeurd en zo ja, of dit aan het ongeval heeft bijgedragen. Bij deze stand van zaken, kan [eiseres] niet worden gevolgd in haar stelling dat het aan de ladder bevestigde touw een gevaar oplevert.
Slotsom
4.14. De rechtbank concludeert dat niet is komen vast te staan dat de ladder en de sluis niet voldeden aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden konden worden gesteld. Dit betekent dat de Provincie niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 en/of 6:162 BW. De vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.
4.1.5 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Provincie worden begroot op € 2.813,00
(€ 1.909,00 aan griffierecht en € 904,00 aan salaris advocaat op basis van 2 punten x tarief
€ 452,00). De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
 
5
De beslissing
De rechtbank
5.1. wijst de vordering af,
5.2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op € 2.813,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.3. veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak , en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.4. verklaart dit vonnis, wat betreft de onder 5.2 en 5.3 opgenomen kostenveroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. M. Willemse en mr. F.E.J. Goffin, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2016.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots