Rb: gedaagde aansprakelijk voor letsel tijdens worsteling, 25% eigen schuld, beroep op opzetclausule toegewezen

Samenvatting:

Eiser loopt ernstig knieletsel op door een val tijdens een worsteling met gedaagde in de Johan Cruijff Arena. Gedaagde heeft daarbij als eerste fysiek geweld gebruikt, en heeft zich het meest agressief jegens eiser gedragen. 1. De rechtbank acht gedaagde aansprakelijk. 2. Eigen schuld eiser, omdat hij  ook met fysiek geweld op gedaagde heeft gereageerd: 2/3-1/3, 25% na billijkheidscorrectie. 3. Vergoeding huishoudelijk hulp die door echtgenote was verricht op basis van De Letselschade Richtlijn afgewezen. 4. Verzorgingskosten op basis van PGB-tarief voor niet-professionals (€ 20,-) toegewezen. 5. In vrijwaringszaak. Beroep op opzetclausule door AVP-verzekeraar toegewezen. Geen bijzondere omstandigheden waarom opzetclausule niet van toepassing zou zijn, aangezien sprake is van een “criminele” gedraging, waarop de opzetclausule in de kern genomen ziet.

 

 

ECLI:NL:RBAMS:2020:4134

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

19-08-2020

Datum publicatie

15-09-2020

Zaaknummer

C/13/658537 / HA ZA 18-1253

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Eiser heeft (onder meer) ernstig knieletsel opgelopen door een val tijdens een worsteling met gedaagde in de Johan Cruijff Arena. Gedaagde heeft daarbij als eerste fysiek geweld gebruikt, en heeft zich het meest agressief jegens eiser gedragen. Daarom is gedaagde aansprakelijk voor de schade die eiser lijdt. Omdat eiser ook met fysiek geweld op gedaagde heeft gereageerd wordt de schade voor een deel aan hemzelf toegerekend en wordt (na toepassing van de billijkheidscorrectie) gedaagde aansprakelijk gehouden voor 75% van de schade. Een door gedaagde te vergoeden schadepost betreft de kosten voor persoonlijke verzorging van eiser uitgevoerd door zijn echtgenote.

 

De WA-verzekeraar van gedaagde komt onder de gegeven omstandigheden een beroep op de opzetclausule toe.

 

Onrechtmatige daad; vechtpartij; billijkheidscorrectie eigen schuld; in vrijwaring (HA ZA 19-522) beroep op opzetclausule gevolgd

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

 

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

 

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 19 augustus 2020

 

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/658537 / HA ZA 18-1253 van

 

[eiser] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. C.A.M. Dilven te Etten-Leur,

 

tegen

 

[gedaagde en eiser in vrijwaring] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. J.W. Janssens te Houten,

 

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/13/666470 / HA ZA 19-522 van

 

[gedaagde en eiser in vrijwaring] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. J.W. Janssens te Houten,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap

 

NATIONALE-NEDERLANDSE SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ N.V.,

 

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. A.K. Sjouw te ‘s-Gravenhage.

 

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde en eiser in vrijwaring] en NN worden genoemd.

 

1De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

de dagvaarding van 22 november 2018, met producties,

 

de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring,

 

de conclusie van antwoord in het incident (oproeping in vrijwaring),

 

de rolbeslissing van 3 april 2019 waarbij [gedaagde en eiser in vrijwaring] is vergund om NN in vrijwaring te doen dagvaarden,

 

de conclusie van antwoord, met producties,

 

de akte van depot van 26 juni 2019 waarbij [gedaagde en eiser in vrijwaring] een USB-stick heeft gedeponeerd,

 

het tussenvonnis van 18 december 2019 waarbij een comparitie van partijen is gelast,

 

het proces-verbaal van comparitie van 3 juli 2020, en de daarin genoemde proceshandelingen en processtukken,

 

het B-formulier van 15 juli 2020 zijdens [eiser] met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal,

 

de brief van 16 juli 2020 zijdens [gedaagde en eiser in vrijwaring] met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

de dagvaarding in vrijwaring van 7 mei 2019, met producties,

 

de akte van depot van 26 juni 2019 waarbij [gedaagde en eiser in vrijwaring] een USB-stick heeft gedeponeerd,

 

de conclusie van antwoord, met producties,

 

het tussenvonnis van 18 december 2019 waarbij een comparitie van partijen is gelast,

 

het proces-verbaal van comparitie van 3 juli 2020, en de daarin genoemde proceshandelingen en processtukken,

 

de brief van 16 juli 2020 zijdens [gedaagde en eiser in vrijwaring] met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal,

 

het B-formulier van 16 juli 2020 zijdens NN met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

 

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

3De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

3.1.

Op 14 oktober 2017 heeft zich tussen [eiser] en [gedaagde en eiser in vrijwaring] een voorval voorgedaan in de Amsterdam ArenA (inmiddels hernoemd tot Johan Cruijff ArenA) waar zij beiden een voetbalwedstrijd van Ajax bezochten. [eiser] is als gevolg hiervan met kaak- en knieletsel naar het ziekenhuis gebracht en is inmiddels drie maal geopereerd aan zijn knie. Verder heeft [eiser] veel fysiotherapie voor zijn knieletsel ondergaan.

 

3.2.

Van het voorval is, naar aanleiding van de aangifte van [eiser] van mishandeling door [gedaagde en eiser in vrijwaring] , proces-verbaal opgemaakt door de politie. Daarnaast zijn ook videobeelden van het voorval voorhanden. Verbalisanten van de politie hebben in het proces-verbaal onder meer de volgende observaties van die beelden opgesteld:

 

3.2.1.

De hoofdagent belast met tactische opsporing heeft verklaard:

 

“(…)

 

Te 18.03.27 uur zie ik een man aansluiten aan de rij bij de counter.

 

(…)

 

Te 18.04.05 uur zie ik dat de man met een andere man praat. Ik noem deze andere man nu SO en de man met de zwarte jas, verdachte.

 

Te 18.04.28 zie ik dat de verdachte met kracht, SO een duw geven. Daarna geeft SO de verdachte een duw en wordt het duw en trek werk en verlaten zijd de rij.

 

Te 18.04.33 zie ik dat zij nog steeds aan het duwen zijn naar elkaar. So zakt door zijn benen heen.

 

Te 18.04.44 zie ik dat SO op de grond valt. Ik zie dat de verdachte boven op de verdachte [bedoeld zal zijn SO, rb] ligt. Vervolgens zie ik dat de verdachte met kracht 2x SO slaat. Ik zie dat dit gericht is p het bovenlichaam en hoofd van SO.

 

(…)”

 

3.2.2.

Een andere hoofdagent heeft verklaard:

 

“(…)

 

Ik zie op de beelden rechtsboven in beeld dat er op 14/10/2017 omstreeks 18.03 uur een rij mensen staan (…) bij een kiosk. Ik zie naast de rij een tweetal mannen staan. (…)

 

Op de beelden valt te zijn dat het later genoemde slachtoffer in gesprek is met de verdachte omstreeks 18.03 uur. Ik zie dat de verdachte een harde duw geeft naar het slachtoffer. Ik zie vervolgens dat het slachtoffer terugduwt.

 

Ik zie vervolgens dat het slachtoffer en de verdachte elkaar vast hebben en duwen en trekken aan elkaar waarbij het slachtoffer valt en de verdachte boven op hem valt. Ik zie dat de verdachte opstaat en over het slachtoffer staat welke op zijn rug ligt. Ik zie vervolgens dat de verdachte 2 maal met zijn arm naar achteren komen en naar voren brengt richting het slachtoffer. (…)”

 

3.3.

De heer [betrokkene] , een vriend van [gedaagde en eiser in vrijwaring] , heeft op 15 oktober 2017 als getuige tegenover de politie verklaard:

 

“(…)

 

Gister heeft zijn vrouw ons afgezet bij de Arena en daar hebben we in de kroeg daarvoor een biertje gedronken. Dit was ongeveer rond 17.30 uur. We gingen naar de wedstrijd van Ajax. We hebben daar ongeveer 4 à 5 biertjes gedronken. Dit waren grote glazen.

 

Ik dronk alleen bier en [gedaagde en eiser in vrijwaring] had denk ik 2 baco en 2 of 3 bier. Ik merkte verder niet dat hij dronken was, hij was geen gekke dingen aan het doen in ieder geval. We zijn toen naar binnen gelopen (…) waar we nog even wat eten wilde gaan halen. We stonden in de rij en er stond een man naast ons en deze zei dat we aan het voordringen waren. Ik zei er wat van, zo van doe effe normaal man.

 

Die man ging daar wat feller op in. Ik weet niet meer wat hij zei, maar het ging op de manier waarop. Toen ging [gedaagde en eiser in vrijwaring] zich ermee bemoeien en deze zei ook wat tegen de man.

 

Toen werd [gedaagde en eiser in vrijwaring] vastgegrepen door de man en vervolgens pakte [gedaagde en eiser in vrijwaring] hem ook vast waardoor ze samen op de grond vielen en toen gaf uiteindelijk [gedaagde en eiser in vrijwaring] hem een klap. Het is een klap geweest (…) en het was in de man zijn gezicht. (…)

 

Toen de man viel hoorde ik de man heel hard schreeuwen van de pijn. Ik weet niet waar hij pijn had.

 

(…)”

 

3.4.

[gedaagde en eiser in vrijwaring] is strafrechtelijk vervolgd voor mishandeling van [eiser] , waarbij aan hem (voor zover van belang) ten laste is gelegd dat hij:

‘(…) [eiser] heeft mishandeld door die [eiser] te duwen en/of naar de grond te brengen en/of te werken en/of die [eiser] meermalen, althans eenmaal, met zijn vuist in het gezicht te slaan’. Bij mondeling vonnis van 14 februari 2018 van de politierechter van deze rechtbank is [gedaagde en eiser in vrijwaring] veroordeeld tot 20 uur taakstraf, waarbij bewezen is verklaard dat hij [eiser] eenmaal met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen. De door [eiser] als benadeelde partij ter zitting ingediende vordering is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard, omdat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou zijn. Van dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

 

3.5.

Daarnaast is [gedaagde en eiser in vrijwaring] een tijdelijk stadionverbod opgelegd door AFC Ajax, wat is overgenomen door de KNVB tot een landelijk tijdelijk stadionverbod voor de duur van (uiteindelijk) 18 maanden.

 

3.6.

Bij brief van 9 augustus 2018 heeft Stad Medisch Advies B.V. aan de toenmalige advocaat van [eiser] bericht:

 

“(…)

 

Aan de hand van de beschikbare (medische) informatie heb ik kunnen vaststellen dat uw cliënt (…) ten gevolge van een schermutseling de navolgende letsels aan zijn linker knie opliep:

 

 een inzakkingsbreuk van het buitenste gedeelte van het kniegewrichtsoppervlak

 

 een volledige afscheuring van de voorste voorband

 

 een volledige afscheuring van de binnenband en

 

 een beschadiging aan de achterhoorn van de binnenmeniscus.

 

Op 5 december 2017 volgde een voorste kruisbandreconstructie en herstel van de beschadigde binnenband. Ook werd het scheurtje van de binnenmeniscus behandeld.

 

(…)

 

Helaas ontstond door een verbindweefseling in het linkerkniegewricht een bewegingsprobleem, reden waarom op 30 januari 2018 hernieuwde opname in het ziekenhuis plaatsvond om onder regionale anesthesie de knie door te bewegen. Tevens werd een kijkoperatie uitgevoerd waarbij bindweefsel werd verwijderd (…).

 

Vóór datum geweldsincident heeft uw cliënt in 2002 beiderzijds een meniscusoperatie doorgemaakt.

 

Teneinde het herstel na de ingreep te optimaliseren, heeft uw cliënt intensieve fysiotherapie ondergaan, waarbij aangetekend werd dat uw cliënt te kampen had met constante pijn en forse beperkingen in het dagelijks functioneren. Het trauma werd als zeer ingrijpend voor hem en zijn echtgenote omschreven.

 

Resumerend kan worden vastgesteld dat uw cliënt ten gevolge van een geweldsincident ernstig letsel aan de linkerknie opliep, bestaande uit een kniegewrichtsoppervlaktebreuk en een voorste kruisbandletsel, een binnenbandletsel en een meniscusletsel.

 

(…)

 

Bij dit soort letsels treedt vrijwel altijd een versnelde post-traumatische slijtage op zodat de kans zeer aanzienlijk is dat op langere termijn de noodzaak zal bestaan voor het implementeren van een totale knieprothese.

 

Het opgelopen knieletsel heeft daarnaast een forse impact gehad op het algeheel functioneren van uw cliënt, zoals o.a. blijkt uit het relaas van uw cliënt dat u mij heeft toegezonden. Daaruit komt o.a. naar voren dat hij zijn werkzaamheden voor zijn bedrijf niet heeft kunnen uitvoeren (…).

 

De angst van uw cliënt dat hij nooit volledig zal herstellen ook van zijn psychische klachten is reëel.

 

(…)

 

In dit advies is gebruik gemaakt van de navolgende stukken:

 

brief AMC Orthopedie d.d. 06.12.2017, 02.02.2018, 05.02.2018

 

patiëntendossier 10 pagina’s + 6 pagina’s d.d. 09.02.2018

 

(…)”

 

3.7.

[gedaagde en eiser in vrijwaring] is verzekerd voor wettelijke aansprakelijkheid bij NN. In de toepasselijke polisvoorwaarden is opgenomen:

 

“(…) Artikel 18 Uitsluitingen

 

18.1

Opzet

 

Niet gedekt is de aansprakelijkheid:

 

– van een verzekerde voor schade, veroorzaakt door en/of voortvloeiend uit zijn/haar opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederechtelijk handelen of nalaten;

 

– (…)

 

Aan het opzettelijke karakter van dit wederrechtelijk handelen of nalaten doet niet af dat de verzekerde (…) zodanig onder invloed van alcohol of andere stoffen verkeert/verkeren, dat deze/die niet in staat is/zijn de wil te bepalen.

 

(…)”

 

4Het geschil

in de hoofdzaak

4.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

  1. voor recht te verklaren dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] aansprakelijk is voor de mishandeling die [eiser] is overkomen op 14 oktober 2017 en in dat verband gehouden is om de daaruit voortvloeiende geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 

  1. voor recht te verklaren dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] over de vordering van [eiser] gehouden is om de wettelijke rente ex art. 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) te voldoen vanaf 14 oktober 2017, althans vanaf de dag dat de verschillende schadeposten opeisbaar zijn, dan wel de dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

 

III. om, in afwachting van de schadestaatprocedure, [gedaagde en eiser in vrijwaring] te veroordelen om ten titel van voorschot op de schadevergoeding een bedrag van € 15.872,63 aan [eiser] te betalen, althans een voorschot op de materiële en/of immateriële schade door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

 

  1. om [gedaagde en eiser in vrijwaring] te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 399,30 aan medische verschotten, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen vergoeding;

 

  1. [gedaagde en eiser in vrijwaring] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten ten bedrage van € 157,00 dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 239,00 zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis.

 

4.2.

[eiser] legt – kort gezegd – aan zijn eis ten grondslag dat hij door het onrechtmatige gedrag van [gedaagde en eiser in vrijwaring] materiële en immateriële schade heeft geleden. Als gevolg van de mishandeling door [gedaagde en eiser in vrijwaring] is hij ten val gekomen en is zijn knie ernstig en blijvend beschadigd. Daarnaast heeft hij door klappen van [gedaagde en eiser in vrijwaring] tegen zijn hoofd een kaakkneuzing en een hersenschudding opgelopen. Van een medische eindtoestand is, met name vanweg zijn voortdurende knieklachten, tot op heden geen sprake. Ten onrechte weigert [gedaagde en eiser in vrijwaring] aansprakelijkheid te erkennen, aldus steeds [eiser] .

 

4.3.

[gedaagde en eiser in vrijwaring] voert verweer.

 

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

in de vrijwaringszaak

 

4.5.

[gedaagde en eiser in vrijwaring] vordert, bij vonnis (voor zover mogelijk) uitvoerbaar bij voorraad:

 

  1. te verklaren voor recht dat NN op basis van de tussen partijen gesloten aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP) gehouden is tot het verlenen van dekking ten aanzien van het voorval op 14 oktober 2017:

 

  1. NN te veroordelen tot nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst, zulks in de ruimste zin van het woord en op de wijze, zoals in letselschadezaken gebruikelijk is, zulks op straffe van een onmiddellijk en zonder verdere formaliteiten opeisbare dwangsom van € 15.000,00 per dag en per gebeurtenis dat zij daarmee in gebreke zal blijven, zulks tot een maximum van € 5.000.000,00;

 

  1. NN te veroordelen tot de door [gedaagde en eiser in vrijwaring] reeds geleden schade ter zake van kosten van rechtsbijstand tot en met 31 maart 2019 zijnde € 3.653,80 te vermeerderen met de wettelijke rente van het moment van iedere betaling tot de dag van de algehele voldoening;

 

  1. NN te veroordelen tot betaling aan [gedaagde en eiser in vrijwaring] tot al hetgeen waartoe [gedaagde en eiser in vrijwaring] in de hoofdzaak zal worden veroordeeld, althans is veroordeeld;

 

  1. NN te veroordelen in de volledige proceskosten, welke nog nader zullen worden opgegeven en subsidiair zullen worden begroot bij staat en vereffend op grond van de wet, te vermeerderen met de nakosten, onder bepaling dat de wettelijke rente over de proceskosten dient te worden vergoed van de 15e dag na dit vonnis.

 

4.6.

[gedaagde en eiser in vrijwaring] stelt hiertoe – kort gezegd – dat NN, voor zover hij jegens [eiser] aansprakelijk zou worden geacht voor door [eiser] geleden schade, gehouden is hem onder de door hem gesloten verzekeringsovereenkomst dekking te verlenen. NN kan zich in de gegeven omstandigheden niet op de onder 3.7 aangehaalde opzetclausule beroepen. Als gedragingen van [gedaagde en eiser in vrijwaring] al als wederrechtelijk zouden kunnen worden aangemerkt, hebben deze uitsluitend betrekking op de (door de politierechter bewezen geachte) enkele slag in het gezicht, die door [gedaagde en eiser in vrijwaring] echter ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf is gegeven en niet gericht was op het toebrengen van letsel, aldus steeds [gedaagde en eiser in vrijwaring] .

 

4.7.

NN voert verweer.

 

4.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

5De beoordeling

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

5.1.

Ter zitting zijn de beelden van het voorval tussen [eiser] en [gedaagde en eiser in vrijwaring] in de Amsterdam ArenA op 14 oktober 2017 bekeken. De camera bevindt zich kennelijk op enige afstand van het gebeuren, waardoor het niet altijd even goed te zien is wat er (precies) gebeurt.

 

De rechtbank heeft op die beelden het volgende waargenomen.

 

Er staat een groep mensen voor een kiosk in de galerij van het stadion. Personen die als [eiser] , [gedaagde en eiser in vrijwaring] en [betrokkene] zijn te identificeren staan dicht bij elkaar. Op enig moment geeft [gedaagde en eiser in vrijwaring] [eiser] met beide handen een duw op de borst, waardoor deze naar achteren beweegt. [eiser] heft zijn armen richting [gedaagde en eiser in vrijwaring] en doet enkele stappen terug. Vervolgens beweegt [eiser] met geheven armen, terwijl hij en [gedaagde en eiser in vrijwaring] elkaar vasthouden, terug in de richting van [gedaagde en eiser in vrijwaring] . [betrokkene] steekt op dat moment zijn arm en hand tussen de twee.

 

Er ontstaat een worsteling waarbij [eiser] en [gedaagde en eiser in vrijwaring] elkaar blijven vasthouden. [eiser] maakt daarbij een voor- en neerwaartse draaibeweging naar rechts in de richting van [gedaagde en eiser in vrijwaring] , waardoor [gedaagde en eiser in vrijwaring] richting de grond gaat, maar overeind blijft. [gedaagde en eiser in vrijwaring] beweegt hierbij enige passen naar achteren, zet zich vervolgens schrap en beweegt zich dan naar boven en naar voren, waardoor [eiser] weer naar achteren wordt geduwd.

 

Vervolgens vallen beide mannen in een (vanuit [gedaagde en eiser in vrijwaring] bezien) voorwaarts en naar rechts draaiende beweging op de grond, waarbij [gedaagde en eiser in vrijwaring] op [eiser] valt, die in een soort spagaat komt te liggen. Dan ligt [eiser] op zijn rug met [gedaagde en eiser in vrijwaring] boven hem hangend en haalt [gedaagde en eiser in vrijwaring] tweemaal met zijn rechterarm uit.

 

[gedaagde en eiser in vrijwaring] staat op en loopt weg. [eiser] blijft op de grond liggen.

 

5.2.

De waarnemingen van de verbalisanten van de politie (zie 3.2) corresponderen met de waarneming van de rechtbank. Ook zij hebben waargenomen dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] als eerste een duw aan [eiser] geeft en verklaren daarnaast dat zij zien dat het slachtoffer (lees: [eiser] ) terugduwt. Aan de op zichzelf staande verklaring van [betrokkene] (zie 3.3) dat [eiser] als eerste [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft vastgegrepen wordt voorbijgegaan.

 

5.3.

Tot uitgangspunt voor de beoordeling van de hoofdzaak en de vrijwaringszaak strekt dan ook het volgende. [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft als eerste fysiek geweld toegepast door [eiser] met beide handen een duw te geven. Of [eiser] daaraan voorafgaand ‘opgefokt’, zoals [gedaagde en eiser in vrijwaring] stelt, dan wel ‘beleefd’, zoals [eiser] stelt, [gedaagde en eiser in vrijwaring] op voordringen in de rij heeft aangesproken, kan daarbij in het midden blijven. Ook al zou [eiser] een agressieve toon hebben gebezigd rechtvaardigt dat niet dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] hem een duw gaf. [eiser] heeft deze duw met een tegenduw/duwende beweging beantwoord. Dat hij, zoals hij stelt, alleen maar heeft geprobeerd om [gedaagde en eiser in vrijwaring] van zich af te houden kan niet uit de beelden worden afgeleid en is ook anderszins niet gebleken. In de daarop volgende worsteling (het door de verbalisanten omschreven ‘duwen en trekken’) zijn vervolgens twee fasen te onderscheiden: allereerst probeert [eiser] in een voorwaartse beweging (vergeefs) [gedaagde en eiser in vrijwaring] naar de grond toe te bewegen, daarna zet [gedaagde en eiser in vrijwaring] met kracht een tegengestelde beweging in en valt [eiser] uiteindelijk op de grond met [gedaagde en eiser in vrijwaring] bovenop hem.

Op basis van het vonnis van de politierechter kan verder, gelet op het bepaalde in artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in beginsel worden aangenomen dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] [eiser] heeft mishandeld door hem met de vuist in het gezicht te slaan.

 

in de hoofdzaak voorts

 

5.4.

Het geschil in de hoofdzaak betreft in de kern de vraag of [gedaagde en eiser in vrijwaring] aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die [eiser] als gevolg van het voorval als hierboven omschreven stelt te hebben geleden. Daarbij kan (grotendeels) een onderscheid worden gemaakt tussen de schade als gevolg van de val op de grond en de schade als gevolg van de vuistslag in het gezicht. Volgens [eiser] heeft de val voor hem de meest ernstige consequenties gehad; zijn knie is nog steeds pijnlijk en zwak en zal naar verwachting nooit volledig herstellen. Van de fysieke schade als gevolg van de vuistslag is hij naar eigen zeggen (behoudens hoofdpijnklachten, vooral na inspanning) inmiddels hersteld.

 

5.5.

[gedaagde en eiser in vrijwaring] stelt zich allereerst op het standpunt dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden omdat het [eiser] zelf is geweest die hem heeft vastgepakt, is blijven vasthouden en vervolgens heeft geprobeerd hem met een soort judoworp op de grond te gooien. Als gevolg van de door hemzelf ingezette worp is [eiser] op de grond terecht gekomen. Van onrechtmatig handelen jegens [eiser] is volgens hem dan ook geen sprake. Subsidiair meent [gedaagde en eiser in vrijwaring] dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waardoor aansprakelijkheid ontbreekt. Wat betreft de slag in het gezicht beroept [gedaagde en eiser in vrijwaring] zich op noodweer, althans noodweerexces. Voor zover de rechtbank mocht oordelen dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, beroept [gedaagde en eiser in vrijwaring] zich op eigen schuld aan de zijde van [eiser] .

 

5.6.

Het primaire standpunt van [gedaagde en eiser in vrijwaring] wordt verworpen. [gedaagde en eiser in vrijwaring] miskent daarmee dat hij zich als eerste gewelddadig jegens [eiser] heeft gedragen. Dat [eiser] hem in reactie hierop heeft vastgepakt en/of teruggeduwd, waarna een worsteling is ontstaan, betekent nog niet dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] niet voor de gevolgen van zijn eigen handelen aansprakelijk kan worden gehouden. Vaststaat dat [eiser] , pas nadat door [gedaagde en eiser in vrijwaring] (in de 2e fase, zie onder 5.3) een soort ‘tegenaanval’ was ingezet, door een door [gedaagde en eiser in vrijwaring] ingezette draaiende beweging op de grond is beland waarbij [gedaagde en eiser in vrijwaring] bovenop [eiser] terecht is gekomen. Dat [eiser] als gevolg van de door hemzelf ingezette worp ( [gedaagde en eiser in vrijwaring] doelt hierbij kennelijk op de 1e fase van het duwen/trekken) op de grond is beland kan dan ook niet als juist worden aanvaard. Vaststaat dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] vervolgens [eiser] in het gezicht heeft geslagen. De handelwijze van [gedaagde en eiser in vrijwaring] zelf heeft tot gevolg gehad dat [eiser] ongelukkig ten val is gekomen en letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen en is, in zijn totaliteit bezien, als onrechtmatig jegens [eiser] aan te merken.

 

5.7.

Aangenomen kan worden dat [eiser] door de val op zijn minst enig knieletsel heeft opgelopen. Volgens [gedaagde en eiser in vrijwaring] is de ernst van het knieletsel ook mogelijk gelegen in eerdere knieoperaties die [eiser] (in 2002) heeft ondergaan. Dat dit het geval is blijkt niet uit het door [eiser] overgelegde advies van zijn medisch adviseur (zie 3.6) of uit andere overgelegde (medische) stukken. Daarnaast heeft [eiser] onweersproken gesteld dat hij voorafgaand aan het voorval actief sporten beoefende zoals voetbal, waartoe hij nu niet meer in staat is. Verder blijkt uit niets dat [eiser] voor het voorval last ondervond van zijn knie als gevolg van die eerdere operaties. Wel staat vast dat [eiser] na het voorval veel last heeft ondervonden van zijn knie. Zelfs als zijn knie voor het voorval als zwak kon worden beschouwd, dan nog heeft het voorval tot gevolg gehad dat ernstig knieletsel is ontstaan. Of en in hoeverre sprake is geweest van pre-existente klachten die hebben bijgedragen aan de ernst van de bestaande schade is evenwel een vraag die in deze procedure, waarin [eiser] slechts een beperkt voorschot op de door hem geleden schade vordert, niet aan de orde behoeft te komen. Deze vraag kan in de schadestaatprocedure (waarover hierna meer) nader worden onderzocht. Het verzoek van [gedaagde en eiser in vrijwaring] om een andere deskundige de mogelijke oorzaken van het door [eiser] opgelopen knieletsel te laten onderzoeken wordt dan ook gepasseerd.

 

5.8.

Het verweer [gedaagde en eiser in vrijwaring] dat hem ten aanzien van de slag in het gezicht een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toekomt, wordt gepasseerd. Van een noodzaak tot verdediging van zichzelf tegen een wederrechtelijke aanranding door [eiser] was, zoals ook de politierechter (kennelijk) heeft aangenomen, in de hiervoor onder 5.3 omschreven omstandigheden geen sprake. Zoals eerder is overwogen heeft [gedaagde en eiser in vrijwaring] zelf als eerste de aanval gezocht en op geen enkele wijze valt in te zien dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] , toen [eiser] ten val was gekomen en weerloos op de grond lag, genoodzaakt was hem in het gezicht te slaan. Waar op geen enkel moment voor [gedaagde en eiser in vrijwaring] sprake is geweest van een noodweersituatie, kan ook niet worden aangenomen dat van noodweerexces sprake is geweest. Ook dit gedrag is als onrechtmatig jegens [eiser] aan te merken. Dat [eiser] als gevolg van de klap van [gedaagde en eiser in vrijwaring] kaakletsel heeft opgelopen en hoofdpijnklachten heeft ondervonden is als zodanig niet door [gedaagde en eiser in vrijwaring] betwist.

 

5.9.

Nu van bewuste agressieve acties van de zijde van [gedaagde en eiser in vrijwaring] sprake is geweest kan het voorval niet worden geduid als een ongelukkige samenloop van omstandigheden, zoals [gedaagde en eiser in vrijwaring] subsidiair heeft betoogd. Dat, zoals [gedaagde en eiser in vrijwaring] stelt, het vereiste causale verband tussen het onrechtmatige gedrag van [gedaagde en eiser in vrijwaring] en (enig) knieletsel en de kaak-en hoofdpijnklachten van [eiser] ontbreekt kan gelet op het voorgaande ook niet worden aangenomen. Evenmin kan worden aangenomen dat dit letsel niet aan [gedaagde en eiser in vrijwaring] kan worden toegerekend. Objectief beschouwd was te voorzien dat de handelwijze van [gedaagde en eiser in vrijwaring] dergelijk letsel tot gevolg zou kunnen hebben. Dit betekent dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en lijdt.

 

5.10.

Wel slaagt het beroep van [gedaagde en eiser in vrijwaring] op eigen schuld aan de zijde van [eiser] . Op basis van de beelden, zoals waargenomen door de verbalisanten en de rechtbank zelf, moet worden aangenomen dat [eiser] op de eerste duw van [gedaagde en eiser in vrijwaring] met een duw heeft gereageerd en daarna ook in een duwende/voorwaartse beweging heeft getracht [gedaagde en eiser in vrijwaring] naar de grond te brengen, wat tot verdere escalatie heeft geleid. Dat [eiser] , zoals hij stelt, alleen maar heeft getracht [gedaagde en eiser in vrijwaring] van zich af te houden wordt door de beelden niet onderschreven. Dat de (tegen)duw en de daaropvolgende voorwaarts duwende beweging van [eiser] noodzakelijk waren om zichzelf te verdedigen kan dan ook niet worden aangenomen. Daarmee staat vast dat de schade van [eiser] mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan de schade in beginsel voor 1/3e deel aan [eiser] zelf en voor 2/3e deel aan [gedaagde en eiser in vrijwaring] worden toegerekend. In de omstandigheden dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] als eerste de (fysieke) confrontatie heeft gezocht en zich ook daarna zich het meest agressief jegens [eiser] heeft opgesteld ziet de rechtbank echter aanleiding voor toepassing van de billijkheidscorrectie, in die zin dat de schade voor 25% aan [eiser] en 75% aan [gedaagde en eiser in vrijwaring] zal worden toegerekend.

 

5.11.

Voor een verwijzing naar een schadestaatprocedure heeft te gelden dat slechts noodzakelijk is dat aannemelijk is gemaakt dat schade is ontstaan. De hoogte van die schade kan worden beslist in de schadestaatprocedure. Het bestaan van schade, anders en hoger dan het door [eiser] gevorderde voorschot op schadevergoeding, is aannemelijk geworden in deze procedure. De eerste vordering van [eiser] is dan ook als hierna te melden toewijsbaar.

 

5.12.

Dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] over het toe te kennen schadebedrag wettelijke rente is verschuldigd volgt uit de wet. De tweede vordering van [eiser] is eveneens toewijsbaar. Daarbij wordt de ingangsdatum van de periode waarover die rente is verschuldigd bepaald op het moment dat die schade zich ook heeft gemanifesteerd. De door [eiser] gestelde schade uit inkomstenderving is immers later ontstaan dan de dag waarop [gedaagde en eiser in vrijwaring] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Dit geldt ook voor andere door [eiser] gestelde schadeposten.

 

5.13.

In deze procedure heeft [eiser] gevorderd [gedaagde en eiser in vrijwaring] te veroordelen tot betaling van een voorschot ter hoogte van € 15.872,63, overeenkomstig een begroting opgesteld door Slachtofferhulp Nederland. De door [eiser] gestelde schadeposten zijn betwist door [gedaagde en eiser in vrijwaring] .

 

5.13.1.

De door [eiser] gestelde schadeposten zijn op te delen in twee soorten van schade:

 

door [eiser] gestelde gemaakte kosten (annulering vakantie, kapotte bril en broek, aanschaf of huur van apparatuur, apotheekkosten, eigen risico zorgverzekering, reiskosten en seizoenkaart Ajax) en

 

geabstraheerde kosten (daggeldvergoeding, huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en immateriële schade).

 

Gestelde gemaakte kosten

 

5.13.2.

Bij de beoordeling van het gevorderde voorschot op de gevorderde vermogensschade, staat voorop dat [eiser] feiten en omstandigheden dient te stellen waaruit het causale verband tussen de door hem gestelde (vermogens)schadeposten en het voorval kan worden afgeleid. Verder dient [eiser] , gelet op de betwisting door [gedaagde en eiser in vrijwaring] , zijn gestelde schadeposten deugdelijk te onderbouwen.

 

5.13.3.

[eiser] en zijn vrouw hebben op 29 maart 2017 een vakantie naar Florida, VS, geboekt met een vertrek op 17 november 2017. Deze reis heeft [eiser] als gevolg van zijn door het voorval opgelopen letsel moeten annuleren. Uit de door [eiser] in het geding gebrachte factuur van deze reis, blijkt dat [eiser] voor deze reis geen annuleringsverzekering heeft gesloten en dat de reisagent een bedrag van € 2.421,10 in rekening heeft gebracht aan annuleringskosten. De door [eiser] gestelde schadepost aan annuleringskosten zijn daarmee, anders dan [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft betoogd, voldoende onderbouwd. Bovendien is duidelijk dat het dit bedrag niet zal worden vergoed door de reisagent of een verzekering (want er is geen annuleringsverzekering gesloten). Het verweer van [gedaagde en eiser in vrijwaring] dat [eiser] duidelijk moet maken waarom maar een deel van de reissom is terugbetaald, kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat [eiser] deze schade niet heeft geleden.

 

5.13.4.

Bij het voorval is de bril van [eiser] kapot gegaan en in het ziekenhuis is zijn broek kapot geknipt. Dat deze schadeposten het gevolg zijn van het voorval staat vast. Ook deze posten heeft [eiser] onderbouwd met de aanschafbonnen voor de bril (van 27 mei 2017) en de broek (van 16 september 2017). Het verweer van [gedaagde en eiser in vrijwaring] dat deze schadeposten onvoldoende heeft onderbouwd wordt dan ook verworpen. Daarnaast zijn deze zaken kort voor het voorval door [eiser] gekocht, zodat de gevorderde bedragen volledig als geleden schade kunnen worden beschouwd.

 

5.13.5.

[eiser] heeft als producties 27 en 28 een declaratieoverzicht van de kalenderjaren 2017 en 2018 van zijn zorgverzekering overgelegd. Daaruit volgt dat [eiser] een bedrag van € 385,00 per jaar aan eigen risico over de kalenderjaren 2017 en 2018 heeft betaald na 14 oktober 2017. Daarmee is voldoende onderbouwd dat [eiser] deze kosten in die jaren heeft moeten maken als gevolg van het voorval met [gedaagde en eiser in vrijwaring] . Die kosten komen dan ook als hierna te melden voor vergoeding door [gedaagde en eiser in vrijwaring] in aanmerking.

 

5.13.6.

In productie 31 heeft [eiser] zijn vordering van € 50,00 voor de huur en uiteindelijk koop van elleboogkrukken voldoende onderbouwd zodat die kosten als hierna te melden worden toegewezen.

 

5.13.7.

[eiser] heeft verder € 113,00 aan apotheekkosten gevorderd. Met de door hem op dit punt gegeven toelichting en de door overgelegde bankafschriften heeft hij deze schadepost voldoende onderbouwd.

 

5.13.8.

[eiser] heeft een bedrag van € 612,00 aan reis- en parkeerkosten gevorderd en deze onderbouwd met een overzicht van afstanden en een betaaloverzicht van parkeerkosten. Gelet op het verweer van [gedaagde en eiser in vrijwaring] (dat [eiser] in verband met het bezit van een leaseauto geen reiskosten heeft gemaakt) is deze onderbouwing – zonder nadere uitleg – onvoldoende om het gehele gevorderde bedrag als voorschot op een schadevergoeding toe te wijzen. Omdat wel voor de hand ligt dat [eiser] in verband met zijn veelvuldige bezoeken aan medische dienstverleners in elk geval parkeerkosten heeft moeten maken, zal een bedrag van € 80,00 als door [eiser] geleden schade worden aangemerkt.

 

5.13.9.

Als gevolg van het voorval en het door [eiser] opgelopen letsel wordt zijn stelling dat hij geen gebruik meer heeft kunnen van maken van zijn seizoenkaart Ajax gevolgd. De daarvoor begrote schadepost van € 119,00 wordt dan ook als hierna te melden toegewezen.

 

5.13.10.

[eiser] heeft een bedrag van € 3.025,00 gevorderd voor de aanschaf van een koelsysteem voor zijn knie en onderbeen. [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft daartegen aangevoerd dat hiervoor geen medische noodzaak bestaat. Dit verweer wordt verworpen. Volgens een brief van 15 juli 2019 van Fysiomed te Amsterdam heeft [eiser] op haar advies een koelsysteem aangeschaft. Uit die brieft blijkt dat Fysiomed dit advies heeft gegeven omdat [eiser] als gevolg van het letsel “een lokale verhoging had van de temperatuur, veel zwelling in de knie en het onderbeen, veel pijn en een forse flexie beperking van de knie” en “heeft dit koelsysteem geholpen om de klachten te verminderen en het dagelijks functioneren te verbeteren”. Daaruit volgt dat de aanschaf van een koelsysteem door de fysiotherapeut is geadviseerd omdat [eiser] veel last bleef ondervinden van het knieletsel dat het gevolg is van het voorval met [gedaagde en eiser in vrijwaring] . De gevorderde kosten voor de koop van dat koelsysteem komen dan ook als hierna te melden voor vergoeding door [eiser] in aanmerking.

 

Abstracte vermogensschade

 

5.13.11.

Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding geldt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Dit geldt ook in het geval van letselschade. Op praktische gronden en om redenen van billijkheid, kan in bijzondere gevallen van een of meer omstandigheden van het geval worden geabstraheerd (zo ook Hoge Raad, 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998).

 

5.13.12.

Slachtofferhulp Nederland heeft in haar begroting het aantal dagen dat [eiser] in het ziekenhuis opgenomen is geweest gesteld op 10. [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft aangevoerd dat dit onjuist is omdat volgens hem [eiser] 8 dagen in het ziekenhuis heeft gelegen. Uit de door [eiser] overgelegde producties is niet exact op te maken op welke dag hij is opgenomen voor operaties en op welke dag hij is ontslagen uit het ziekenhuis. Daarom wordt hier uitgegaan van de door [gedaagde en eiser in vrijwaring] erkende 8 dagen (2 in 2017 en 6 in 2018). Het verweer van [gedaagde en eiser in vrijwaring] dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat hij die dagen kosten heeft gemaakt in het ziekenhuis of dat de normen van de Letselschaderaad niet van toepassing zijn, wordt niet gevolgd. De schadepost aan daggeldvergoeding wordt dan ook begroot op een bedrag van € 236,00 (2 maal € 28,00 = € 56,00 plus 6 maal € 30,00 =

€ 180,00).

 

5.13.13.

[eiser] heeft een bedrag van € 1.176,50 gevorderd voor de door hem gestelde schadepost aan huishoudelijke hulp. [eiser] heeft daartoe betoogd dat hij na het voorval zijn normale taken aan in het huishouden niet meer heeft kunnen uitvoeren en dat dit wordt uitgevoerd door zijn echtgenote en hun inwonende volwassen zoon. [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft daartegen aangevoerd dat dit de huishoudelijke taken betreft waarvoor normaal gesproken geen professionele hulp wordt ingeschakeld, voor zover al aannemelijk is dat [eiser] die huishoudelijke taken naast zijn werk (waarbij hij naar eigen zeggen veelvuldig met de auto moest reizen in Nederland en België) zelf placht uit te voeren.

 

5.13.14.

In de lijn van de jurisprudentie als in het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad, moet worden aanvaard dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke persoon aan de benadeelde moeten worden vergoed indien deze ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dat in dit geval sprake is van dergelijke werkzaamheden is niet gesteld door [eiser] , noch is dit gebleken, zoals [gedaagde en eiser in vrijwaring] terecht heeft aangevoerd. Daarom wordt in dit geval de begroting van Slachtofferhulp Nederland, gebaseerd op de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp, vooralsnog niet gevolgd. Het door [eiser] gevorderde voorschotbedrag ter vergoeding van huishoudelijke hulp wordt dan ook afgewezen.

 

5.13.15.

Slachtofferhulp Nederland heeft een post voor persoonlijke verzorging van [eiser] begroot op € 2.220,00 zijnde anderhalf uur per dag over een periode van 74 dagen (van 15 oktober tot eind 2017). Voor het uurtarief heeft Slachtofferhulp Nederland aansluiting gezocht bij de PGB norm voor niet professionals in 2017 van € 20,00 per uur, onder verwijzing naar ECLI:NL:GHARL:2014:181. Dit komt niet onredelijk voor, zodat het verweer van [gedaagde en eiser in vrijwaring] op dit punt niet wordt gevolgd. Dat [eiser] na het voorval verzorging nodig heeft gehad is aannemelijk. Anders dan [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft betoogd is voor vergoeding van persoonlijke verzorging niet noodzakelijk dat professionals worden ingehuurd en komen die kosten gemaakt door familieleden voor vergoeding in aanmerking. De aansluiting bij de PGB normering is redelijk en billijk, ook al omdat (wederom anders dan [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft betoogd) Slachtofferhulp Nederland is uitgegaan van een normbedrag van niet professionals. De gevorderde post van € 2.220,00 voor kosten van persoonlijke verzorging is dan ook als hierna te melden toewijsbaar.

 

5.13.16.

Tot slot heeft [eiser] een voorschotbedrag van € 4.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Daartegen heeft [gedaagde en eiser in vrijwaring] aangevoerd dat hij niet aansprakelijk is te achten voor het knieletsel, ofwel voor het voorval tussen hem en [eiser] . Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt dit verweer van [gedaagde en eiser in vrijwaring] verworpen. De door [eiser] gestelde immateriële schade wordt als verder onvoldoende betwist begroot op dit bedrag.

 

5.13.17.

Uit het bovenstaande volgt dat het door [eiser] gevorderde voorschot kan worden begroot op een bedrag van:

 

Schadepost

 

bedrag

 

 

annulering vakantie

 

 

2.421,10

 

 

bril

 

898,00

 

 

broek

 

149,95

 

 

eigen risico zorgverzekering 2017 en 2018

 

770,00

 

 

elleboogkruk

 

50,00

 

 

apotheekkosten

 

113,00

 

 

reis-/parkeerkosten

 

80,00

 

 

seizoenkaart Ajax

 

119,00

 

 

koelsysteem

 

3.025,00

 

 

daggeldvergoeding

 

236,00

 

 

huishoudelijke hulp

 

0,00

 

 

persoonlijke verzorging / mantelzorg

 

2.220,00

 

 

voorschot op smartengeld

 

4.000,00

 

Totaal

 

 

14.082,05

 

Daarvan dient, gelet op hetgeen onder 5.10 is overwogen 25% voor rekening van [eiser] te blijven, wat betekent dat een bedrag van € 10.561,54 als voorschot zal worden toegewezen.

 

5.14.

Verder heeft [eiser] vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten aan medisch advies en het opvragen van medische informatie gevorderd. Daartegen heeft [gedaagde en eiser in vrijwaring] aangevoerd dat deze kosten voor rekening komen van de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiser] . Uit niets is gebleken dat [eiser] een rechtsbijstandsverzekering heeft, en, als dat al het geval is, dat die verzekering deze kosten heeft gedekt. Het gevorderde bedrag onder IV is dan ook voor 75% toewijsbaar.

 

5.15.

Uit het bovenstaande volgt dat de vorderingen van [eiser] grotendeels worden toegewezen. [gedaagde en eiser in vrijwaring] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

 

– explootkosten

 

 

98,01

 

– griffierecht

 

895,00

 

– salaris advocaat

 

1.086,00

 

Totaal

 

 

2.079,01

 

De door [eiser] gevorderde kosten die ontstaan na dit vonnis zijn eveneens toewijsbaar. De over de proceskosten en de nakosten gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar als na te melden.

 

5.16.

[eiser] heeft in het vrijwaringsincident dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft ingesteld, geen akte met bijzondere inhoud genomen. Zijn kosten in dat incident worden dan ook begroot op nihil.

 

in de vrijwaringszaak verder

 

5.17.

NN heeft een beroep gedaan op een uitsluitingsgrond (opzetclausule) uit de polisvoorwaarden bij haar afwijzing van de schadeclaim die [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft ingediend bij haar.

 

5.18.

De onderhavige opzetclausule is gelijkluidend aan de opzetclausule in het Standaardpolismodel AVP 2000, opgesteld door het Verbond van Verzekeraars. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:601) uitgangspunten geformuleerd voor de uitleg en de toepassing van deze clausule, tegen de achtergrond van de bedoeling en strekking ervan en gegeven de betekenis van de AVP in het maatschappelijk verkeer. De rechtbank neemt bij haar beoordeling dit arrest tot uitgangspunt.

 

5.19.

Voor toepassing van de opzetclausule bij een schadevoorval moet sprake zijn van een opzettelijke en wederrechtelijke gedraging van de verzekerde die objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade, en waarbij het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt.

 

5.20.

De eerste duw van [gedaagde en eiser in vrijwaring] als omschreven onder 5.3 is opzettelijk en de wederrechtelijkheid daarvan staat vast. De daaropvolgende als opzettelijke en wederrechtelijk aan te merken acties van [gedaagde en eiser in vrijwaring] (het duwen door [gedaagde en eiser in vrijwaring] , waardoor [eiser] ten val kwam en het slaan van [eiser] toen hij op de grond lag) zijn objectief gezien gericht op het doen ontstaan van letsel. [gedaagde en eiser in vrijwaring] betoogt op zichzelf terecht dat van een duw in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat die steeds objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel. Doorslaggevend zijn echter de omstandigheden van het geval, en dus van de duw in kwestie. Deze omstandigheden, als beschreven onder 5.3, maken dat naar objectieve maatstaven gezegd kan worden dat het gedrag van [gedaagde en eiser in vrijwaring] gericht was op het toebrengen van letsel. Dat [eiser] zich met beide handen heeft verweerd, maakt dit niet anders.

 

5.21.

Het door [eiser] opgelopen letsel aan zijn knie is naar objectieve maatstaven een te verwachten gevolg van het duwen en trekken als in de beelden van het voorval is te waarnemen. Of [gedaagde en eiser in vrijwaring] bij het duwen en trekken het oogmerk op het toebrengen van letsel had of dat hij zich er van bewust was dat dit letsel daarvan het gevolg zou kunnen zijn, doet hier niet ter zake, omdat alleen opzet gericht op de gedraging zelf vereist is. Ook het letsel aan het hoofd is als te verwachten gevolg van het slaan door [gedaagde en eiser in vrijwaring] aan te merken.

 

5.22.

Het schadevoorval voldoet aldus in beginsel aan de voorwaarden voor toepassing van de opzetclausule. Resteert de vraag of de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding vormen om te oordelen dat de clausule naar haar strekking hier niet van toepassing is.

 

5.23.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. Daarbij is van belang dat het handelen van [gedaagde en eiser in vrijwaring] , mede gelet op de omstandigheden waaronder hij tot dit handelen is gekomen, is te beschouwen als een “criminele” gedraging, waarop de opzetclausule in de kern genomen ziet.

 

5.24.

[gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft weliswaar gewezen op zijn strafrechtelijke veroordeling waarbij niet bewezen is geacht dat hij [eiser] heeft mishandeld door hem naar de grond te duwen. Dat oordeel van de strafrechter is bij een civielrechtelijke vraag over opzet van een gedraging echter niet doorslaggevend. Dat het gedrag van [gedaagde en eiser in vrijwaring] , in zijn totaliteit bezien, als onrechtmatig jegens [eiser] kan worden aangemerkt is in deze procedure vastgesteld (zie hierboven onder 5.20). Het duwen en trekken en zeker het slaan van [eiser] heeft een gewelddadig karakter gekend.

 

5.25.

Verder blijkt uit het politiedossier dat [eiser] , [gedaagde en eiser in vrijwaring] en [betrokkene] hebben verklaard dat de aanleiding voor het voorval is gelegen in een opmerking van [eiser] tegen [gedaagde en eiser in vrijwaring] en [betrokkene] dat zij voordrongen in de rij wachtenden voor een kiosk in het voetbalstadion, een half uur voor de aftrap van de voetbalwedstrijd. [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft daarop met fysiek geweld gereageerd. Uit het politiedossier volgt ook dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] in een beperkte tijd (minder dan 45 minuten) voorafgaand aan het voorval zeker vijf alcoholische consumpties heeft gedronken. Ter zitting heeft [gedaagde en eiser in vrijwaring] ook bevestigd dat hij tevoren twee à drie bier en twee blikjes baco had gedronken. Aangenomen mag dan ook worden dat zijn fysieke reactie op [eiser] dus onder invloed van alcohol is geweest, zoals NN terecht heeft betoogd. Van een ongelukkige samenloop van omstandigheden kan, zoals hiervoor al is overwogen, niet worden gesproken. [gedaagde en eiser in vrijwaring] heeft, onder invloed van alcohol bewust de confrontatie met [eiser] opgezocht.

 

5.26.

Uit het bovenstaande volgt dat NN in dit geval een beroep op de opzetclausule toekomt. De vorderingen van [gedaagde en eiser in vrijwaring] worden dan ook afgewezen. Hij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van NN begroot op:

 

– griffierecht

 

 

1.950,00

 

– salaris advocaat

 

1.086,00

 

Totaal

 

 

3.036,00

 

De door NN gevraagde veroordeling in de kosten die na dit vonnis aan haar zijde ontstaan, is toewijsbaar als na te melden. De gevraagde vermeerdering met de wettelijke rente over deze kosten zal worden toegewezen, waarbij de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal worden gehanteerd.

 

6De beslissing

De rechtbank

 

in de hoofdzaak

 

6.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] voor 75% aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en zal lijden als gevolg van het voorval op 14 oktober 2017 in de Amsterdam ArenA en in dat verband gehouden is de daaruit voortvloeiende geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

 

6.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde en eiser in vrijwaring] over de onder 6.1 bedoelde schade de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is verschuldigd vanaf de dag dat de verschillende schadeposten daadwerkelijk zijn ontstaan tot de dag van voldoening,

 

6.3.

veroordeelt [gedaagde en eiser in vrijwaring] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 10.561,54 (zegge tienduizend vijfhonderdéénenzestig euro en vierenvijftig cent) als een voorschot op de door [eiser] geleden schade,

 

6.4.

veroordeelt [gedaagde en eiser in vrijwaring] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 299,48 (zegge tweehonderdnegenennegentig euro en achtenveertig cent) aan kosten voor inwinnen van medische informatie en advies,

 

6.5.

veroordeelt [gedaagde en eiser in vrijwaring] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.079,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in

artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening,

 

6.6.

veroordeelt [gedaagde en eiser in vrijwaring] in de na dit vonnis aan de zijde van [eiser] ontstane nakosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de bedoelde aanschrijving tot de dag der algehele voldoening,

 

6.7.

verklaart de veroordelingen onder 6.3 tot en met 6.6 uitvoerbaar bij voorraad,

 

6.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

 

in de vrijwaringszaak

 

6.9.

wijst het gevorderde af,

 

6.10.

veroordeelt [gedaagde en eiser in vrijwaring] in de proceskosten, aan de zijde van NN tot op heden begroot op € 3.036,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in

artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening,

 

6.11.

veroordeelt [gedaagde en eiser in vrijwaring] in de na dit vonnis aan de zijde van NN ontstane nakosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de bedoelde aanschrijving tot de dag der algehele voldoening,

 

6.12.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, rechter, bijgestaan door mr. R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey