Rb: formele en materiele werkgever aansprakelijk voor val over kabelgoot, onvoldoende gewaarschuwd

Samenvatting:

Art 7:658 BW. Werknemer struikelt in fabriekshal over kabelgoot van 10 cm hoog, terwijl hij onderweg was naar zijn werkplek. 1. De zorgplicht van de werkgever brengt ook met zich mee dat een werknemer zijn werkplek veilig moet kunnen bereiken en kunnen verlaten. 2. Van werkgever mocht worden gevergd dat hij maatregelen had getroffen om het risico om te vallen over de kabelgoot te verkleinen. Er had ten minste voor dit gevaar moeten worden gewaarschuwd. Dat had eenvoudig gekund door bijvoorbeeld een opvallende markering op de vloer aan te brengen of door op de grootste machine ter hoogte van de kabelgoot een waarschuwingssticker te plakken.

 

 

ECLI:NL:RBOBR:2020:1588

 

Instantie

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak

12-03-2020

Datum publicatie

17-03-2020

Zaaknummer

7943073

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Zowel formele als materiële werkgever aansprakelijk voor gevolgen van val over kabelgoot in fabriekshal (artikel 7:658 BW

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

 

Zaaknummer : 7943073

Rolnummer : 19-7151

Uitspraak : 12 maart 2020

 

in de zaak van:

 

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

toevoeging verleend onder nummer 3KL1402

 

t e g e n

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1],

gevestigd te [woonplaats] ,

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 2],

gevestigd te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

gemachtigde gedaagde sub 1: mr. E. Hermsen te Son,

gemachtigde gedaagde sub 2: mr. A.J. Schoonen te Apeldoorn.

 

Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’, ‘ [gedaagde sub 1] ’ en ‘ [gedaagde sub 2] ’ genoemd.

 

1

Het verdere verloop van het geding

 

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

het tussenvonnis van 17 oktober 2019, waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

de mondelinge behandeling (hierna ook: de zitting), gehouden op 12 februari 2020.

[gedaagde sub 2] heeft op de zitting een tekening/schets van de werkplek overgelegd, een ‘Instructiekaart inleners’ en een door [eiser] ondertekend formulier ‘Bevestiging ontvangen instructies’. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen als toelichting op hun standpunt hebben aangevoerd.

 

1.2.

Tot slot is opnieuw vonnis bepaald.

 

2

Inleiding en feiten

 

2.1.

Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , als respectievelijk formele en materiële werkgever, aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] , als werknemer, lijdt en heeft geleden als gevolg van een arbeidsongeval dat hem op 25 februari 2019 is overkomen.

 

2.2.

In dat verband staat tussen partijen als niet dan wel onvoldoende weersproken, en voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast.

2.3.

Tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] is met ingang van 4 februari 2019 een uitzendovereenkomst tot stand gekomen. Op grond van die overeenkomst is [eiser] als productiemedewerker uitgezonden aan [gedaagde sub 2] . [eiser] spreekt voornamelijk Pools.

 

2.4.

[gedaagde sub 2] is een producent en leverancier van rubber- en kunststofschuimproducten met vestigingen in Nederland, Duitsland en India.

 

2.5.

[gedaagde sub 2] heeft de risico’s van haar bedrijfsvoering geïnventariseerd en vastgelegd in een RI&E-rapport.

 

2.6.

Op 25 februari 2019 begon de dienst van [eiser] om 14.00 uur. Kort daarvoor heeft hij in de kantine koffie gehaald en buiten de fabriekshal, bij de niet officiële ingang ter hoogte van de fietsenstalling, een sigaret gerookt. Toen hij vervolgens via deze ingang naar zijn werkplek in de fabriekshal liep, is hij gestruikeld en gevallen over een op de grond gemonteerde kabelgoot van circa 10 centimeter hoog. Met de kabels in die kabelgoot worden twee onderdelen van een lijmmachine met elkaar verbonden.

 

2.7.

[eiser] is per ambulance naar het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven gebracht. Daar bleek dat hij zijn rechterpols had gebroken. Hij is hieraan op 26 februari 2019 geopereerd.

 

2.8.

[gedaagde sub 2] heeft het ongeval gemeld bij de Inspectie SZW. De arbeidsinspecteur

heeft geen oorzakelijk verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het arbeidsongeval.

 

2.9.

Als gevolg van het ongeval kampt [eiser] nog steeds met klachten en beperkingen aan zijn rechterpols.

 

2.10.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval afgewezen.

 

3

Het geschil

 

3.1.

[eiser] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval dat zich op 25 februari 2019 heeft voorgedaan;

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan hem van de door hem geleden schade als gevolg van dit arbeidsongeval, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn aansprakelijk omdat zij de zorgplicht van artikel 7:658 BW hebben geschonden. Met de kabelgoot is namelijk een potentieel gevaarlijke situatie in stand gehouden. Er had voor een andere oplossing moeten worden gekozen om stroom op de betreffende locatie te krijgen. Een veilige, alternatieve oplossing was mogelijk tegen beperkte, financiële middelen.

 

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten allebei de zorgplicht te hebben geschonden en aansprakelijk te zijn voor de gevolgen van het ongeval.

3.3.1.

[gedaagde sub 1] voert daartoe, kort weergegeven, het volgende aan:

het ongeval vond plaats voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden;

[eiser] nam een ongebruikelijke en verboden looproute. Er is sprake van bewuste roekeloosheid;

[eiser] is voorafgaand aan de te verrichten werkzaamheden uitvoerig geïnstrueerd en gewezen op mogelijke risico’s en gevaren van het werken bij [gedaagde sub 2] . Verwezen wordt naar de Arbochecklist Algemeen en de Health and Safety Checklist Production / Technical / Logistics (productie 3 van [gedaagde sub 1] );

er was geen sprake van een onveilige situatie.

3.3.2.

[gedaagde sub 2] voert (verder) nog aan dat:

de kabelgoot noodzakelijk is voor de verbinding tussen twee machineonderdelen. Een andere mogelijkheid voor de verbinding is niet eenvoudig te realiseren. Het materiaal en de kleur is afwijkend van de vloer en de goot ligt niet in de looproute;

de kabelgoot daar al sinds jaar en dag ligt en er nog nooit een werknemer over is gestruikeld;

[eiser] bekend was met de situatie ter plaatse. Hij had de betreffende looproute al vaker genomen;

nieuwe medewerkers geïnstrueerd worden op het gebied van veiligheid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van veiligheidskaarten voorzien van pictogrammen. Medewerkers van [gedaagde sub 2] beheersen ook de Poolse taal;

de arbeidsinspecteur heeft vastgesteld dat de Arbeidsomstandighedenwet niet is overtreden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling relevant, verder ingegaan.

 

4

De beoordeling

 

4.1.

In artikel 7:658 lid 1 BW wordt de werkgever verplicht om de maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt (= de zorgplicht).

 

4.2.

De zorgplicht vereist een hoog veiligheidsniveau voor de werkruimte, werktuigen en gereedschappen en de organisatie van de werkzaamheden, maar beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke (veiligheids-)maatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en hoe hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

 

4.3.

Deze verplichtingen gelden voor zowel [gedaagde sub 1] , als formele werkgever, als voor [gedaagde sub 2] , als materiële werkgever. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

 

4.4.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] is gestruikeld over de kabelgoot waarmee twee onderdelen van een machine zijn verbonden (zoals afgebeeld op de foto overgelegd als productie 2 van [gedaagde sub 2] ). [eiser] was onderweg was naar zijn werkplek om met zijn middagdienst te beginnen. Als niet weersproken staat ook vast dat [eiser] als gevolg van de val schade heeft geleden en/of lijdt.

4.5.

[gedaagde sub 1] wordt niet gevolgd in haar stelling dat artikel 7:658 BW niet van toepassing is omdat het ongeval vóór de aanvang van de middagdienst van [eiser] plaatsvond en de schade dus niet is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. De beschermende strekking van artikel 7:658 BW verzet zich tegen een dergelijke beperkte uitleg. De zorgplicht brengt ook met zich mee dat een werknemer zijn werkplek veilig moet kunnen bereiken en kunnen verlaten. Het enkele feit dat [eiser] kort voor het begin van zijn middagdienst is gevallen, terwijl hij op weg was naar zijn werkplek, staat niet aan aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW in de weg. De daartoe strekkende stelling van [gedaagde sub 1] wordt verworpen.

 

4.6.

Als hoofdregel geldt dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden of lijdt. De werkgever is echter niet aansprakelijk, wanneer hij aantoont dat hij de zorgplicht is nagekomen of dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

 

4.7.

Tijdens de mondelinge behandeling is de situatie ter plaatse uitvoerig besproken en toegelicht aan de hand van door [gedaagde sub 2] overgelegde foto’s en een op zitting gemaakte schets door de heer [naam] , directeur van [gedaagde sub 2] . Hieruit volgt dat de fabriekshal twee ingangen heeft: een niet officiële ingang bij de fietsenstalling (hierna: de achterdeur) en een officiële personeelsingang (hierna: de personeelsingang). De personeelsingang leidt naar de kantine, de prikklok en in de buurt daarvan zijn ook rookfaciliteiten. Hoewel dit niet was toegestaan heeft [eiser] een sigaret gerookt bij de achterdeur. Vervolgens is hij naar binnen gegaan en naar zijn werkplek gelopen. Hij heeft daarbij niet de personeelsingang genomen, maar de kortere route binnendoor via de achterdeur. Dat [eiser] daarmee een ongebruikelijke ingang heeft genomen is niet komen vast te staan. [gedaagde sub 2] stelt weliswaar dat [eiser] de personeelsingang had moeten nemen, maar [naam] heeft tijdens de zitting ook erkend dat hij ermee bekend was dat de achterdeur wordt gebruikt door mensen die op de fiets komen.

 

4.8.

In de fabriekshal zijn de officiële looproutes gemarkeerd met een op de vloer aangebracht zwart/geel lint. Hoewel het niet de bedoeling is om via de achterdeur de fabriekshal in te gaan, loopt vanaf deze deur wel, zo begrijpt de kantonrechter, een officieel gemarkeerde looproute de hal in. Die route loopt om de machines heen en komt niet langs de kabelgoot waarover [eiser] is gestruikeld.

 

4.9.

Vast staat dat [eiser] vanaf de achterdeur niet de officiële, gemarkeerde looproute heeft genomen. Hij is via de kortste route, langs de met de kabelgoot verbonden machines, naar zijn werkplek gegaan. Dat het gebruik van die route verboden was, zoals [gedaagde sub 2] stelt, is niet komen vast te staan. [eiser] heeft betwist dat dit hem ooit is verteld en [gedaagde sub 2] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die daaraan doen twijfelen. Uit de ter zitting overgelegde ‘Instructiekaart inleners’, het door [eiser] ondertekende formulier ‘Bevestiging ontvangen instructies’, de Health and Safety Checklist noch uit enig ander document kan worden afgeleid dat het verboden was om die route te gebruiken of om af te wijken van de officieel gemarkeerde looppaden. Als niet weersproken staat bovendien vast dat ook collega’s van [eiser] wel eens gebruik maakten van deze looproute en dat dit traject/die route kennelijk ook door [eiser] werd gebruikt in het kader van zijn dagelijkse werkzaamheden. Ook wanneer ervan uitgegaan wordt, zoals [gedaagde sub 2] stelt, dat dit niet de bedoeling was en dat daartoe ook geen noodzaak bestond, neemt dit niet weg dat er kennelijk een praktijk was (ontstaan) waarbij die route wel werd gebruikt. Bij gebrek aan feiten die wijzen op het tegendeel, moet worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] dit ook wist. Dat [gedaagde sub 2] het gebruik van die route op enige manier heeft ontmoedigd, is niet gesteld noch gebleken. Ervan uitgaande dat werknemers daar niets te zoeken had, komt het de kantonrechter voor dat het afsluiten van dit looppad relatief eenvoudig te realiseren was geweest. [gedaagde sub 2] had bijvoorbeeld de doorgang kunnen verhinderen door een lint of ketting tussen de betreffende machine-onderdelen te spannen of het looppad op een andere manier kunnen afzetten.

 

4.10.

Zoals gezegd voerde de door [eiser] gevolgde route langs de met de kabelgoot verbonden machine-onderdelen. De kabelgoot is op de grond gemonteerd en heeft een metalen behuizing. De kleur van de kabelgoot wijkt iets af van de kleur van de vloer, maar niet in die mate dat de kabelgoot direct in het oog springt. Als niet weersproken staat vast de kabelgoot circa 10 centimeter hoog is. Dat de constructie van de vloer het niet mogelijk maakt om een gleuf te vrezen en dat de kosten voor het van bovenaf aanbrengen van de machine-aansluiting in verhouding tot de te overbruggen afstand van circa 50 centimeter te hoog zijn, betekent niet dat van [gedaagde sub 2] redelijkerwijs geen andere maatregelen mochten worden gevergd om het risico om te komen te vallen over de kabelgoot te verkleinen. Er had ten minste voor dit gevaar moeten worden gewaarschuwd. Dat had eenvoudig gekund door bijvoorbeeld een opvallende markering op de vloer aan te brengen of door op de grootste machine ter hoogte van de kabelgoot een waarschuwingssticker te plakken. Daartoe bestond ook aanleiding omdat, zoals hiervoor is vastgesteld, dit looppad door de werknemers werd gebruikt en ervan uit moet worden gegaan dat [gedaagde sub 2] dit ook wist. Het risico dat ooit iemand over de kabelgoot zou vallen was daarmee voorzienbaar en [gedaagde sub 2] had hierop in het kader van zijn zorgplicht kunnen en moeten anticiperen door (veiligheids-) maatregelen te treffen.

 

4.11.

[gedaagde sub 2] wijst er terecht op dat van een werknemer, zeker binnen een fabriekshal, extra oplettendheid en voorzichtigheid mag worden betracht. Voor zover daarmee echter wordt bedoeld dat een werkgever ervan mag uitgaan dat een werknemer de officiële looppaden gebruikt en hij niet bedacht hoeft te zijn op, en geen zorgplicht heeft voor, de gevaren die afwijking daarvan met zich meebrengen kan [gedaagde sub 2] niet in die stelling worden gevolgd. Te verwachten is immers dat een werknemer de kortere route zal verkiezen boven de langere, officiële looproute, zeker wanneer hem dit niet wordt ontmoedigd of onmogelijk wordt gemaakt. Met het dagelijkse gebruik van deze route door werknemers, wordt meer waarschijnlijk dat niet steeds de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid bij het passeren van de in potentie gevaarlijke kabelgoot in acht wordt genomen, zodat ook hierom Van [gedaagde sub 2] ten minste op een voldoende effectieve wijze voor het daarmee samenhangende valgevaar had moeten waarschuwen.

 

4.12.

[gedaagde sub 1] wordt niet gevolgd in haar stelling dat [eiser] bewust roekeloos heeft gehandeld. [gedaagde sub 1] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [eiser] , onmiddellijk voorafgaande aan zijn val, zich ervan bewust was dat hij door de betreffende looproute te nemen roekeloos handelde vanwege de aanmerkelijke kans op het verwezenlijken van het daardoor in het leven geroepen gevaar om te komen te vallen over de kabelgoot. [gedaagde sub 1] lijkt zich op dit punt ook tegen te spreken. Zij stelt immers ook dat van een gevaarlijke situatie geen sprake was.

 

4.13.

[gedaagde sub 2] wordt niet gevolgd in haar stelling dat deze situatie vergelijkbaar is met de situatie waarover de Hoge Raad op 7 oktober 2016 heeft geoordeeld (NJ 2017,73). In die zaak liep een persoon letsel op als gevolg van een val over een stroomkabel die over een stoep bij de markt lag. De kabel was aangesloten op een elektriciteitskast van de gemeente. De gemeente werd als wegbeheerder (artikel 6:174 BW) door het slachtoffer aansprakelijk gesteld voor de schade. Geoordeeld werd dat de gemeente niet aansprakelijk was voor de schade omdat, kort gezegd, de stroomkabel niet behoorde tot ‘de weg’ in de zin van artikel 6:174 BW, zodat ook geen sprake kon zijn van een daarmee samenhangend gebrek. De Hoge Raad heeft nog toegelicht dat, ook wanneer de kabel wel als deel van de weg zou moeten worden aangemerkt, een wegbeheerder niet voor alle ongevallen ontstaan door een dergelijk obstakel aansprakelijk is. De vraag of op hem een verplichting rust om ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen niet in gevaar brengt, moet worden beantwoord aan de hand van de kelderluikcriteria. Daarbij is onder meer van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is.

In dit geval staat vast dat de zorgplicht van [gedaagde sub 2] zich ook uitstrekt tot de door [eiser] genomen looproute in de fabriekshal. Die zorgplicht beperkt zich niet tot de officiële, gemarkeerde looppaden, maar betreft de hele werkomgeving. In de praktijk werd de door [eiser] gevolgde looproute door meerdere werknemers gebruikt, zodat de kans dat iemand over de kabelgoot zou komen te vallen bepaald niet denkbeeldig was. [gedaagde sub 2] had redelijkerwijs maatregelen moeten treffen om te voorkomen dat dit gevaar zich zou realiseren. Zoals hiervoor al overwogen had dit relatief eenvoudig gerealiseerd kunnen worden en dit had dan ook van haar mogen worden gevergd. Dat er nog niet eerder iemand over de kabelgoot is gevallen, maakt dit niet anders. Ook staat hieraan niet in de weg dat de arbeidsinspectie geen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet heeft vastgesteld.

 

4.14.

Door geen (veiligheids-)maatregelen te treffen om het risico om te komen te vallen over de kabelgoot te voorkomen, terwijl dit redelijkerwijs van haar kon en mocht worden gevergd, heeft [gedaagde sub 2] de op haar rustende zorgplicht van artikel 7:658 BW geschonden. Dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van bewust roekeloos handelen van [eiser] is niet komen vast te staan. [gedaagde sub 2] is daarom op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van het hem overkomen ongeval heeft geleden of lijdt.

 

4.15.

[gedaagde sub 1] heeft evenmin (veiligheids-)maatregelen getroffen om dit specifieke gevaar te voorkomen. De gegeven instructies, waarvan blijkt uit de bij productie 3 overgelegde stukken, zijn in dit verband onvoldoende. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade.

 

4.16.

De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht ligt daarmee voor toewijzing gereed evenals de verwijzing naar de schadestaatprocedure.

 

4.17.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk, veroordeeld in de kosten van de procedure. [eiser] procedeert met een toevoeging. Dit betekent dat een wettelijke grondslag ontbreekt voor een kostenveroordeling in de explootkosten. Dit deel van de gevorderde proceskosten wordt daarom afgewezen.

 

5

De beslissing

 

De kantonrechter:

 

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval dat zich op 25 februari 2019 heeft voorgedaan en wel op grond van de artikelen 7:658 lid 2 en 7:658 lid 4 BW;

 

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , hoofdelijk, tot betaling aan [eiser] van de door hem geleden schade als gevolg van het arbeidsongeval van 25 februari 2019, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , hoofdelijk, in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 81,00 aan griffierecht en € 480,00 (2 punten) als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

 

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2020.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey