Rb: eigenaren hond en hondenschool niet aansprakelijk voor letsel tijdens puppytraining

Samenvatting:

Eiseres komt ten val tijdens puppytraining in bos. Zij stelt dat zij werd geraakt door de hond van gedaagde en zij stelt hem en de eigenaar van de hondenschool aansprakelijk. De rechtbank oordeelt dat de toedracht niet is komen vast te staan en wijst de vordering af.

 

ECLI:NL:RBDHA:2018:10857

 

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

29-08-2018

Datum publicatie

13-09-2018

Zaaknummer

C/09/525119 / HA ZA 17-64

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Eigenaar hond en eigenaar hondenschool aansprakelijk gesteld voor gevolgen val tijdens puppytraining in bos. Vordering afgewezen; toedracht staat niet vast.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

 

Team handel

 

Zaaknummer / rolnummer: C/09/525119 / HA ZA 17-64

 

Vonnis van 29 augustus 2018

 

in de zaak van

 

[eiseres] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiseres,

 

advocaat mr. R.M. van der Zwan te Den Haag,

 

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. S. Odijk te Zwolle,

 

  1. [gedaagde sub 2], h.o.d.n. [X] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam.

 

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde sub 1 c.s.] genoemd worden.

 

Daarnaast zullen gedaagden worden aangeduid met hun achternaam.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

de dagvaarding van 2 januari 2017, met producties;

 

de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] , met productie;

 

de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] , met productie;

 

het tussenvonnis van 5 april 2017, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

 

de beschikking van 1 augustus 2017 waarbij de comparitie van partijen is bepaald;

 

het proces-verbaal van de op 2 november 2017 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde akte aanvulling aan de zijde van [gedaagde sub 1] en stukken en de processen-verbaal van de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen.

 

1.2.

 

Het proces-verbaal van de comparitie van 2 november 2017 is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van het proces-verbaal te reageren. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

 

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

 

[eiseres] en [gedaagde sub 1] namen op 25 juli 2014 met hun honden deel aan een puppycursus in het bos aan […] in Den Haag, georganiseerd door [gedaagde sub 2] . Aan het begin van de cursus mochten de honden vrij rondrennen.

2.2.

 

[gedaagde sub 2] heeft [eiseres] en [gedaagde sub 1] op enig moment geadviseerd om achter een boom te gaan staan, terwijl de hond van [eiseres] ( [A] ) en de hond van [gedaagde sub 1] ( [B] ) elkaar aan het najagen waren. Op het moment dat [eiseres] achter een boom wilde gaan staan, werd zij geraakt door een hond en is zij ten val gekomen (hierna: het ongeval). Bij deze val heeft [eiseres] letsel opgelopen, namelijk gescheurde kruisbanden en een ontzette knie.

2.3.

 

Ten tijde van het ongeval was [eiseres] eigenaresse van een damesmodewinkel (eenmanszaak).

2.4.

 

Op het op 24 juni 2014 door [eiseres] ingevulde en ondertekende inschrijfformulier van [X] staat onder meer:

 

“U dient voor de cursus een W.A. verzekering te hebben afgesloten voor uw hond. [X] kan geen enkele aansprakelijkheid voor eventueel door uw hond veroorzaakte schade aanvaarden.”

2.5.

 

In de door [gedaagde sub 1] getekende “Bijlage bij schadeaangifte [nummer] ” van 28 augustus 2014 verklaart [gedaagde sub 1] onder meer het volgende:

 

“De beide honden volgen een puppycursus. Hier mogen zij de eerste minuten altijd los en spelen dan met elkaar. Op een gegeven moment gaan deze honden spelenderwijs elkaar “najagen”. De instructrice van de puppycursus mevrouw [gedaagde sub 2] voegde zich bij ons en vertelde dat ze altijd achter een boom gaat staan als honden dit “gedrag” gaan vertonen. Enige ogenblikken later stapte mevrouw [eiseres] weg uit het groepje en toen werd zij van achteren geraakt door twee rennende / spelende honden. Zij stond oorspronkelijk met haar rug naar de honden, ikzelf stond tegenover haar en mevrouw [gedaagde sub 2] stond rechts van ons. Door de snelheid waarmee alles gebeurde (rennende honden) en het beperkte zicht op de honden, heb ik niet kunnen zien welke hond er tegen haar aan is gerend.

 

Het zou heel goed kunnen dat beide honden hier schuldig aan zijn geweest.

 

Ik ben van mening dat geen van de 3 aanwezigen dit heeft kunnen vaststellen.”

2.6.

 

Op het schadeaangifteformulier van Interpolis, ondertekend door [gedaagde sub 1] op 29 augustus 2014, heeft [gedaagde sub 1] als antwoord op vraag 2.a. “Wie veroorzaakte de schade?” ingevuld: “niet duidelijk” en als antwoord op vraag 10 “Wie is naar uw mening schuldig?” heeft hij ingevuld: “niet aanwijsbaar”.

2.7.

 

[eiseres] heeft in een schriftelijke verklaring van 16 november 2016 onder meer het volgende verklaard:

 

“Tijdens deze les moest ik op aanwijzing van de betrokken lerares Mw. [gedaagde sub 2] op een bepaalde plek gaan staan.

 

Op deze plek ben ik toen overlopen door een (1) bepaalde hond, genaamd [B] ook behorend bij de les met als eigenaar Hr. [gedaagde sub 1] .

 

Hierdoor zeer ongelukkig ten val gekomen met direct pijn en kon ik zelf niet meer overeind komen en of gaan staan door knieletsel.”

2.8.

 

Ten tijde van het ongeval was [gedaagde sub 1] voor de wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Interpolis en [gedaagde sub 2] bij ASR.

2.9.

 

De verzekeraars van gedaagden erkennen geen aansprakelijkheid voor het ongeval.

3 Het geschil

3.1.

 

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

  1. voor recht te verklaren dat gedaagden hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd tot het beloop van die betaling, aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval van 25 juli 2014;

 

  1. de onder I genoemde schade ex artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) nader op te laten maken bij staat;

 

III. gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure, kosten rechtens.

3.2.

 

Aan haar vordering legt [eiseres] het volgende ten grondslag. [eiseres] is ten val gekomen doordat de hond van [gedaagde sub 1] tegen haar aanrende. [gedaagde sub 1] is als eigenaar van de hond op basis van artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, nu het letsel is ontstaan door de eigen energie van het dier, namelijk de hond van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 2] is aansprakelijk omdat zij haar puppycursus niet zodanig heeft ingericht dat ongevallen beter voorkomen kunnen worden. Bovendien drijft [gedaagde sub 2] bedrijfsmatig een hondenschool en ligt het op haar weg om zich tegen ongevallen als bij [eiseres] te verzekeren. In redelijkheid mag niet van [eiseres] worden verwacht dat zij de mate van aansprakelijkheid tussen de beide gedaagden verder onderzoekt. De onderlinge relatie tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en hun onderlinge aansprakelijkheid regardeert [eiseres] niet.

3.3.

 

[gedaagde sub 1 c.s.] voert verweer.

3.4.

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

 

Voor de beantwoording van de vraag of gedaagden aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres] heeft geleden als gevolg van haar val op 25 juli 2014, moet eerst de door [eiseres] gestelde toedracht van haar val komen vast te staan. Immers, eerst dan kan worden beoordeeld aan wiens schuld het ongeval is te wijten. [eiseres] stelt dat zij is gevallen doordat de hond van [gedaagde sub 1] tegen haar aanrende. [gedaagde sub 1] betwist de door [eiseres] gestelde toedracht van het ongeval en stelt dat het evengoed de hond van [eiseres] kan zijn geweest die de val van [eiseres] heeft veroorzaakt. Ook [gedaagde sub 2] betwist dat [eiseres] is gevallen doordat de hond van [gedaagde sub 1] tegen haar aanrende.

4.2.

 

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [eiseres] de plicht feiten te stellen waaruit kan volgen dat sprake is geweest van een gedraging die jegens haar onrechtmatig is en, ingeval van voldoende gemotiveerde betwisting, deze feiten te bewijzen

4.3.

 

[eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar haar eigen schriftelijke verklaring van 16 november 2016 en naar de door haar ter zitting afgelegde getuigenverklaring. [eiseres] heeft zelf als partijgetuige onder meer als volgt verklaard:

 

“Mijn hond en de hond van de heer [gedaagde sub 1] waren samen aan het spelen. Ik had heel goed zicht op ze want ik stond met mijn gezicht er naartoe. Toen zei mevrouw [gedaagde sub 2] dat we beter bij de boom konden gaan staan, ter bescherming van onszelf. Ik draaide mij om en toen kwam zijn hond in mijn knie. Toen ben ik gevallen. (…). Ik stond met mijn gezicht naar een veldje toe waarop honden aan het rennen waren. Mevrouw [gedaagde sub 2] zei tegen mij: “u kunt beter bij de boom gaan staan”. Ze zei dit vanwege de bescherming. Dat is een omgevallen boom op het veldje. Je kon op die boom zitten. Ik draaide me om en liep naar de boom. Ik weet niet meer waar mevrouw [gedaagde sub 2] precies stond. Meneer [gedaagde sub 1] stond naast mij. Toen ik me omdraaide, lag ik in een keer op de grond. Het gaat zo snel. [B] holde tegen mij aan. [A] bevond zich een stukje verderop op het veld. (…). Er waren meerdere honden op het veld, ik kan mij herinneren dat er bijvoorbeeld ook een Rottweiler op het veld was. Ik denk dat er in totaal een stuk of 4 honden waren. Er waren ook andere mensen op het veld. (…). Zij hebben mij zien vallen. (…). Twee dagen later, kwam meneer [gedaagde sub 1] naar de winkel met een bos bloemen. Hij zei dat hij het heel vervelend vond dat zijn hond in mijn knie was gekomen. Op uw vraag wat de heer [gedaagde sub 1] letterlijk heeft gezegd, herhaal ik dat hij heeft gezegd dat zijn hond in mijn knie was gekomen. (…). U vraagt mij of er andere mensen waren toen meneer [gedaagde sub 1] in de winkel was. Dat was het geval, er was ook een klant. Haar voornaam is [Q] . Het is een vaste klant. ”

4.4.

 

Daartegenover staan de getuigenverklaringen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , alsmede de verklaringen van [gedaagde sub 1] op de bijlage bij de schadeaangifte en op het schadeaangifteformulier.

4.4.1.

 

[gedaagde sub 1] heeft als getuige onder meer als volgt verklaard:

 

“Mijn hond jaagde de hond van mevrouw [eiseres] na. Wij stonden op een stukje vrije ruimte in het bos. Mevrouw [gedaagde sub 2] is daar, als begeleider, bij komen staan en heeft duidelijk gemaakt dat als honden dit soort gedrag vertonen, zij achter een boom zou gaan staan omdat honden dan niet kijken waar ze heen rennen. Ze zijn daar niet mee bezig. Mevrouw [eiseres] is toen weggestapt en is geraakt door een van de rennende honden. (…).

 

U vraagt hoeveel honden er op dat moment op het veld waren. Dat waren er twee: mijn hond en de hond van mevrouw [eiseres] . (…). Mevrouw [eiseres] is in achterwaartse richting uit de groep gestapt. Ik weet niet welke hond mevrouw [eiseres] heeft geraakt. (…). De honden kwamen van achterliggende richting. (…). U vraagt of er toen ik langskwam in de winkel gesproken is over welke hond haar geraakt heeft. Daarover hebben wij niet gesproken. (…). U vraagt mij wie ik aantrof toen ik in de winkel van mevrouw [eiseres] kwam. Dat waren mevrouw [eiseres] en in eerste instantie een vriendin. Die vriendin is kort daarop vertrokken. U vraagt mij of ik zeker weet dat ik toen niet met mevrouw [eiseres] heb gesproken over welke hond tegen de knie van mevrouw [eiseres] is aangekomen. Ja, we hebben het alleen maar over de toestand van mevrouw [eiseres] gehad. Ik weet dat heel zeker.”

4.4.2.

 

[gedaagde sub 2] heeft als getuige onder meer als volgt verklaard:

 

“Ik heb het zelf niet gezien, maar ik heb gehoord dat er op een gegeven moment tumult achter me was. (…). Op het moment dat ik wegliep, hoorde ik een geluid achter me en toen ik keek zag ik mevrouw [eiseres] op de grond liggen. (…). Op het moment dat de puppy’s aan het spelen waren, waren mevrouw [eiseres] , de heer [gedaagde sub 1] , en twee andere cursisten aanwezig op het veld. (…). De andere honden die er waren, waren een Rottweiler-pup en een Labradoodle-pupje. (…). De andere twee honden speelden, voor zover ik me kan herinneren, aan de andere kant van het veld. (…). We zaten op dat moment in de 5de of 6de buitenles.”

4.5.

 

Bij de waardering van het bewijs neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiseres] , ten aanzien van feiten waarvoor zij het bewijsrisico draagt, als partijgetuige in de zin van artikel 164 lid 2 Rv heeft te gelden. Dit betekent dat de door [eiseres] afgelegde verklaringen geen bewijs in haar voordeel kunnen opleveren, tenzij deze strekken ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is sprake als er aanvullende bewijzen zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de verklaringen van [eiseres] voldoende geloofwaardig maken. De verklaringen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geen betrekking op feiten waarvoor zij het bewijsrisico dragen.

4.6.

 

De rechtbank is van oordeel dat in de getuigenverklaringen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen aanknopingspunten besloten liggen die de zienswijze van [eiseres] kunnen ondersteunen. Zij acht van belang dat blijkens alle getuigenverklaringen de honden aan het rennen waren (met elkaar, achter elkaar aan), dat [eiseres] zich heeft omgedraaid om achter een boom te gaan staan, en toen, zonder dat zij zicht had op de honden, van achteren is geraakt door een van de honden. Bij gebreke aan enige andere getuige dan [eiseres] zelf als partijgetuige die heeft waargenomen dat [eiseres] geraakt is door de hond van [gedaagde sub 1] , kan aan haar eigen verklaring dat het de hond van [gedaagde sub 1] geweest is die haar heeft geraakt, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Dit is ook het geval indien, zoals [eiseres] eerst ter zitting naar voren heeft gebracht en niet in haar schriftelijke verklaring van 16 november 2016 heeft opgenomen, [gedaagde sub 1] bij zijn bezoek twee dagen later aan [eiseres] tegen [eiseres] , in aanwezigheid van een vriendin van haar, zou hebben gezegd dat zijn hond tegen haar knie was gekomen. Daargelaten dat [gedaagde sub 1] met klem heeft betwist dat hij dit heeft gezegd, acht de rechtbank een dergelijke opmerking van [gedaagde sub 1] op dat moment, gezien de ontstane schrik, de ernst van het letsel dat [eiseres] had opgelopen en de betrokkenheid van de hond van [gedaagde sub 1] als één van de rennende honden denkbaar, zelfs als niet daadwerkelijk door hem is gezien dat zij door zijn hond is geraakt. Een dergelijke opmerking acht de rechtbank – als deze als vaststaand wordt aangenomen – echter onvoldoende om de door [eiseres] gestelde toedracht als vaststaand aan te nemen. Het aanbod tot nadere bewijslevering door de vriendin van [eiseres] acht de rechtbank dan ook niet ter zake dienend.

4.7.

 

Het vorenstaande brengt met zich dat het bewijs van de door [eiseres] gestelde toedracht van het ongeval niet is geleverd.

4.8.

 

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in dezen niet aan de orde is – anders dan [eiseres] stelt – de mogelijke risicoaansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] als hondenbezitter op grond van artikel 6:179 BW, maar de mogelijke aansprakelijkheid p grond van artikel 6:162 BW. Zelfs als het de hond van [gedaagde sub 1] is geweest die [eiseres] heeft geraakt, is [gedaagde sub 1] derhalve niet uit hoofde van zijn hoedanigheid als bezitter zonder meer aansprakelijk, maar moet sprake zijn van toerekenbaar onrechtmatig handelen (een fout) jegens [eiseres] . Het ongeval is immers veroorzaakt kort voor of bij aanvang van de puppycursus in een hondenlosloopgebied en niet is gesteld of gebleken dat sprake is geweest van onberekenbaar gedrag van [B] (dit geldt overigens ook voor [A] ). De honden waren speels aan het rennen en ongelukkigerwijs is [eiseres] geraakt door een van de honden. Enig verwijt valt [gedaagde sub 1] niet te maken, zodat zelfs ingeval de gestelde toedracht als vaststaand zou worden aangenomen, [gedaagde sub 1] niet aansprakelijk is tegenover [eiseres] .

4.9.

 

In het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 2] heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd waarom [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de door [eiseres] als gevolg van haar val geleden schade omdat [gedaagde sub 2] haar puppycursus niet zodanig heeft ingericht dat ongevallen beter voorkomen kunnen worden. Voor zover [eiseres] meent dat de honden niet achter elkaar aan hadden mogen rennen kort voor of bij aanvang van de cursus, verwerpt de rechtbank die stelling. Er is geen rechtsnorm (die is ook niet gesteld) die een hondenschool verplicht om bezitters eerst dan toe te staan hun honden los te laten laten op het moment waarop er voldoende zekerheid bestaat dat zij niet gaan rennen en/of altijd luisteren. Het hoort juist bij een cursus, temeer als deze in een losloopgebied plaatsvindt, dat de honden ook vrij kunnen rondrennen en ook in dat opzicht kunnen socialiseren. De deelnemers aan de cursus moeten met dit gedrag ook rekening houden. Zoals gezegd, is van onberekenbaar gedrag van de honden geen sprake geweest. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] [eiseres] geadviseerd achter een boom te gaan staan. Dat [eiseres] , toen zij achter de boom wilde gaan staan, geraakt is door een van de honden en gevallen is, is een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarvan de schade niet op [gedaagde sub 2] kan worden afgewenteld. [gedaagde sub 2] heeft verder onbetwist alle maatregelen voorafgaand aan de cursus getroffen die van haar met het oog op de veiligheid van de deelnemers aan de cursus mogen worden verwacht, nu de cursus zodanig is ingericht dat de honden pas na een aantal trainingen mee naar buiten worden genomen en het terrein is vooraf verkend op op losliggende takken en oneffenheden. Of [gedaagde sub 2] bedrijfsmatig al dan niet verzekerd is of zich kan verzekeren tegen ongevallen als deze, acht de rechtbank ten slotte niet van belang en creëert op zichzelf ook geen aansprakelijkheidsgrondslag.

4.10.

 

Het voorgaande brengt mee dat de aansprakelijkheid van gedaagden voor de gevolgen van het ongeval van 25 juli 2014 niet is komen vast te staan. De vorderingen van [eiseres] zullen dan ook worden afgewezen.

4.11.

 

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide gedaagden (elk afzonderlijk), de nakosten daaronder begrepen. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden in beide gevallen begroot op € 287 voor betaald griffierecht en € 1.086 forfaitair salaris advocaat (2 punten x tarief II). Dat is in totaal voor ieder € 1.373. De rechtbank zal de nakosten begroten zoals gevorderd, alsook de over de nakosten gevorderde wettelijke rente toewijzen zoals gevorderd.

5 De beslissing

 

De rechtbank:

5.1.

 

wijst de vorderingen af;

5.2.

 

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] gevallen, tot op heden begroot op € 1.373;

5.3.

 

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] , begroot op € 131 aan salaris advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 68 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak in het geval [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden;

5.4.

 

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] , tot op heden begroot op € 1.373;

5.5.

 

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] , begroot op € 131 aan salaris advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 68 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak in het geval [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en voorts te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf voormelde termijn voor voldoening;

5.6.

 

verklaart bovenstaande kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2018.1

 

1type: 2339

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots