Rb: deelgeschilprocedure niet bedoeld voor BGK-vordering na afwikkeling van letselschade

Samenvatting:

Slachtoffer en verzekeraar zijn schadevergoeding van € 21.000 overeengekomen, die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een voorbehoud voor de BGK. Verzoekster verzoekt in deelgeschil om betaling van € 11.784 aan onbetaalde BGK.
De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat de door verzoekster verzochte beslissing niet kan bijdragen aan het vlot trekken van enige buitengerechtelijke onderhandelingen en de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. 2. Kosten deelgeschil niet begroot. De uitkomst van deze procedure lag zo voor de hand dat het indienen van het verzoek als volstrekt onnodig wordt gekwalificeerd.

 

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer; 813 2962 VZ VERZ 19-19473

uitspraak: 15 januari 2020

beschikking ex artikel 1019w Rv van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

 

in de zaak van

 

[verzoekster],

wonende te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. O. Emre, advocaat te Rotterdam,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap,

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Den Haag,

verweerster,

gemachtigde: mr. S.C. van Dijke, advocaat te Den Haag.

 

Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoekster]” en “NN”.

  1. Het verloop van de procedure

1.1. De kantonrechter heeft van de volgende processtukken kennisgenomen:

het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 25 oktober 2019;

het verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 11 december 2019.

1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2019.

Voor [verzoekster] is verschenen de advocaat, mr. O. Emre. Aan de zijde van NN is verschenen de

schadebehandelaar mevrouw [naam schadebehandelaar], bijgestaan door de advocaat mr. S.C. van Dijke.

Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

1.3 De kantonrechter heeft de datum van deze uitspraak bepaald op heden.

  1. De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:

2.1. [verzoekster] is op 19 januari 2017 in de gemeente Rotterdam betrokken geraakt bij een

verkeersongeval. Zij reed met haar auto, een Volkswagen Polo, op het kruispunt

Pascalweg- Catallusweg toen op een gegeven moment de bestuurder van een andere auto ten

onrechte geen voorrand verleende aan [verzoekster].

[verzoekster] kon die auto niet ontwijken, met als gevolg een aanrijding.

De bestuurder van de andere auto, de heer [naam bestuurder], was verzekerd bij NN. Deze heeft

als WAM-verzekeraar de aansprakelijkheid voor de schade van [verzoekster] erkend en een

schaderegelaar aangesteld.

 

2.2. In verband met klachten die [verzoekster] bij de aanrijding heeft opgelopen, bezocht zij de dag

na het ongeval-haar huisarts. De huisarts heeft pijnstillende middelen voorgeschreven en

tevens fysiotherapie geadviseerd.

 

2.3 . Op 26 april 2017 bracht de schaderegelaar van NN samen met de advocaat van [verzoekster],

  1. Emre, een bezoek bij [verzoekster] thuis. Blijkens het bezoekrapport van de schadebehandelaar

stelde [verzoekster] dat zij nog steeds klachten ervaart (aan hoofd, nek en schouder). Tevens had

zij last van herbelevingen. [verzoekster] is gestart met een multidisciplinair traject.

2.4. [verzoekster] was op dat moment bijna volledig aan het werk (32 van de 36 uur) in haar

functie als medewerker artwork en verpakking bij de firma [naam firma].

Sinds juni 2017 is [verzoekster] weer volledig arbeidsgeschikt en fulltime aan het werk.

 

2.5. Na ontvangst van de medische informatie zijdens [verzoekster], heeft NN een drietal medische

adviezen ingewonnen, gedateerd 26 juni 2017, 25 oktober 2017 en 23 maart 2018.

Volgens het laatste medische advies is sprake van acceptatieproblematiek.

 

2.6. NN heeft aan [verzoekster] enkele voorschotten op de schade-uitkering betaald, in totaal voor

een bedrag van € 6.000,00.

 

2.7. Op 14 augustus 2018 bezocht de schadebehandelaar [verzoekster] thuis, samen met een

kantoorgenoot van de advocaat van [verzoekster]. Blijkens het rapport van dat bezoek was [verzoekster] inmiddels uitbehandeld en gaf zij aan de kwestie graag te willen afronden.

2.8. Nadat NN en de advocaat van [verzoekster] telefonisch hebben onderhandeld in januari 2019

over een minnelijke regeling, hebben partijen daarover overeenstemming bereikt.

2.9. De betreffende regeling, vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst en ondertekend

door beide partijen, luidt -voor zover thans relevant- als volgt:

  1. Wij komen met elkaar overeen dat al uw aanspraken op schadevergoeding worden

vastgesteld op een bedrag van € 21.000,00. Met dit bedrag vergoedt Nationale-Nederlanden

alle schade, die u heeft geleden en in de toekomst nog zult lijden (…).

  1. U heeft al één of meer voorschotten ontvangen van in totaal € 6.000,00. U ontvangt dus nog

een slotuitkering van € 15.000,00 (…).

  1. Naast het onder 1 genoemde, schadebedrag betaalt Nationale-Nederlanden de redelijke

kosten van rechtsbijstand als bedoeld in artikel 6:96 BW. Deze kosten bedragen op dit

moment € 8.256,67 (…). Hier komt nog een bedrag bij voor de openstaande en laatste

werkzaamheden van uw belangenbehartiger. Nationale-Nederlanden betaalt de kosten voor

rechtsbijstand rechtstreeks aan uw belangenbehartiger. Over de hoogte van dit bedrag

voeren uw belangenbehartiger en Nationale-Nederlanden overleg.

  1. Nationale-Nederlanden maakt de schadevergoeding direct aan u over zodra wij de

ondertekende overeenkomst hebben ontvangen. (…)

  1. Tegenover de overeengekomen vergoedingen en betalingen uit punt 1,2,3 en 4 hierboven

verleent u Nationale-Nederlanden volledige kwijting. (…)

 

2.10. Aan [verzoekster] is een totaalbedrag van € 21.000,00 betaald als vergoeding voor de door

haar geleden materiële en immateriële schade.

 

2.11. Ter zake de buitengerechtelijke kosten heeft de advocaat van [verzoekster] voor een totaal

van € 22.772,62 gefactureerd. NN heeft tot op heden een bedrag van € 10.988,35 (waarvan

€ 2.365,35 aan medische verschotten) ter zake die kosten betaald. De overige facturen zijn

thans tussen partijen in discussie.

 

2.12. De advocaat van [verzoekster] heeft vervolgens op 25 oktober 2019 het onderhavige

déelgeschil aanhangig gemaakt.

 

  1. Het verzoek

3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank om bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij

voorraad NN te veroordelen tot betaling van de gedeclareerde maar onbetaald gebleven

buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 11.784,28 alsmede begroting respectievelijk

veroordeling van NN in de kosten van de onderhavige procedure, te weten € 1.98.0,10, te

vermeerderen met het griffierecht van € 78,00.

 

3.2. Aan het verzoek heeft [verzoekster] – kort samengevat en voor zover hierna van belang – het

volgende ten grondslag gelegd.

NN is als aansprakelijkheidsverzekeraar gehouden tot vergoeding van de volledige schade

aan [verzoekster], waaronder ook de buitengerechtelijke kosten. De schade van [verzoekster] zeif is

vastgesteld op een bedrag van € 21.000,00 (en vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst,

zoals hiervoor gedeeltelijk geciteerd) maar ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten is

geen regeling bereikt zodat die nog moeten worden voldaan. De advocaat van [verzoekster] heeft

door middel van enkele declaraties de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten in

rekening gebracht. Die kosten zijn tot op heden niet volledig betaald. [verzoekster] verzoekt

betaling van de thans nog openstaande declaraties. Beslissend is of de kosten ter vaststelling

van de schade en de aansprakelijkheid in redelijkheid zijn gemaakt. Daarbij geldt dat

toewijzing van de volledige buitengerechtelijke kosten redelijk is, ook in geval het een

relatief eenvoudige zaak betreft zoals in deze zaak het geval is. De redelijkheid van de

buitengerechtelijke kosten mag volgens vaste jurisprudentie ook niet enkel afhangen van de

verhouding ten opzichte van de uitbetaalde schade aan het slachtoffer.

De gedeclareerde kosten die zijn gemaakt doorstaan de dubbele redelijkheidstoets, zodat NN

gehouden is de nog openstaande declaraties te voldoen. Het uurtarief van € 235,00 exclusief

6% kantoorkosten en 21% btw is niet onredelijk.

De PIV-staffel dient niet als uitgangspunt te worden gehanteerd.

Zo NN meent dat die kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt, is het aan haar om dat

standpunt te onderbouwen.

De kosten van het opstellen en indienen van het onderhavige verzoek bedragen 6 uur x

€ 235,00 per uur, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 21 % btw zijnde € 1.980,10

te vermeerderen met € 78,00 aan griffierecht.

 

  1. Het verweer

4.1. NN heeft gemotiveerd verweer gevoerd en daarbij kort gezegd geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van [verzoekster] dan wel tot afwijzing van het verzoek.

4.2.1. Samengevat weergegeven is daartoe het volgende aangevoerd.

Primair betoogt NN dat het verzoek zich niet leent voor een behandeling in een

deelgeschilprocedure. Niet valt in te zien hoe de verzochte beslissing kan bijdragen aan een

vaststellingsovereenkomst tussen NN en [verzoekster], Die vaststellingsovereenkomst hebben

partijen immers al in februari 2019 gesloten, op basis waarvan aan [verzoekster] voor een

totaalbedrag van€ 21.000,00 aan schadevergoeding is uitbetaald.

Ter zake de buitengerechtelijke kosten is weliswaar opgenomen dat (naast het bedrag dat tot

dan als was uitbetaald aan die kosten) er nog een bedrag aan de advocaat van [verzoekster] zal

worden uitbetaald, maar dat NN en de advocaat daarover nog overleg zouden voeren.

Naar het oordeel van NN is de onderhavige procedure louter ingesteld om het restant van de

buitengerechtelijke kosten (waarover dus geen overeenstemming was/is bereikt) alsnog te

incasseren. De deelgeschilprocedure is daarvoor niet bedoeld.

 

4.2.2. Daar komt nog bij dat de discussie over die kosten enkel wordt gevoerd tussen NN en

de advocaat van [verzoekster], mr. Emre. [verzoekster] zelf staat buiten deze discussie.

Een deelgeschilprocedure staat alleen open voor de persoon die het letsel heeft geleden en

dat is mr. Emre niet.

 

4.2.3. Subsidiair betoogt NN dat zij bij herhaling en gemotiveerd heeft aangegeven aan de

advocaat van [verzoekster] dat de gevorderde buitengerechtelijk kosten de dubbele

redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Deze kwestie is zowel feitelijk als juridisch relatief

eenvoudig en overzichtelijk. NN heeft bovendien de aansprakelijkheid direct erkend en er

heeft geen (feitelijke) discussie plaatsgehad over de toedracht van het ongeval.

De opgevoerde declaraties zijn -gelet daarop- buitensporig hoog. Daarbij wordt ook de

omstandigheid betrokken dat er een wanhouding lijkt te bestaan tussen de hoogde van de

uitgekeerde schadevergoeding en de opgevoerde buitengerechtelijke kosten. Meer concreet,

aan [verzoekster] is een bedrag van € 21.000,(30 uitbetaald uit hoofde van schadevergoeding.

Mr. Emre declareert een totaal van € 22.772,63 aan buitengerechtelijke kosten.

Een rechtvaardiging of verklaring voor die wanverhouding is niet gegeven.

NN heeft inmiddels ruimschoots bevoorschot op de buitengerechtelijke kosten.

Mr. Emre heeft in reactie op de betwisting van de redelijkheid van de kosten nagelaten

gemotiveerd aan te geven waarom de opgevoerde kosten de dubbele redelijkheidstoets wel

kunnen doorstaan. Dat lag wel op zijn weg.

 

4.3. Tot slot heeft NN erop gewezen dat het onderhavige deelgeschil volstrekt nodeloos is

ingesteld, zodat er ook geen aanleiding bestaat om de kosten van dit deelgeschil te begroten.

 

  1. De beoordeling

5.1. [verzoekster] heeft haar verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en

overlijdensschade (artikel 1019w-1019cc). Indien een persoon een ander aansprakelijk

houdt voor schade die hij of zij lijdt door dood of letsel kan op grond van artikel 1019w lid

1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een

deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen

aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarbij wordt vooropgesteld dat

de deelgeschilprocedure partijen een eenvoudige, snelle en ten opzichte van een

bodemprocedure (doorgaans) aanmerkelijk goedkopere toegang tot de rechter biedt ter

oplossing van een (of meerdere) deelgeschil(len) in de buitengerechtelijke

onderhandelingsfase.

 

Doel en voorwaarden van de procedure

 

5.2. De procedure heeft tot doel dat partijen met behulp van de interventie van de

deelgeschilrechter dichter bij een buitengerechtelijke oplossing komen en de uitspraak moet

partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en

mogelijk definitief af te ronden.

 

5.3. Ingevolge artikel 1019x Rv dient het verzoek een omschrijving van het deelgeschil te

bevatten met het doel dat concreet wordt uiteengezet wat partijen verdeeld houdt. Daarnaast

dient een zakelijk overzicht van de inhoud en het verloop van de onderhandelingen over de

vordering te worden verstrekt, met als doel dat een puntsgewijze lijst met discussiepunten

wordt overgelegd waarover al wel of nog geen overeenstemming is bereikt.

 

5.4. In de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van de Wet deelgeschil is

benadrukt dat het toepassingsgebied van de deelgeschil regeling ruim is en in de

parlementaire geschiedenis is een geschil over de tussentijdse (aanvullende) bevoorschotting ,

van de buitengerechtelijke kosten uitdrukkelijk als voorbeeld van een mogelijk deelgeschil

genoemd. In beginsel kan een verzoek tot toekenning van een voorschot op de

buitengerechtelijke kosten dan ook in een deelgeschil aan de orde komen. Afhankelijk van

de omstandigheden van het geval zal worden beoordeeld of wordt voldaan aan de

voorwaarde dat de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van

een vaststellingsovereenkomst (vgl. ECLI:NL:RBROT:2016:9274).

 

5.5. De kantonrechter is van oordeel dat het onderhavige verzoek niet voldoet aan het doel

‘ en de voorwaarden van een deelgeschilprocedure als hiervoor omschreven.

Daartoe is het volgende redengevend.

 

5.6. Op zichzelf genomen is het standpunt van NN dat de onderhavige zaak enkel nog

betrekking heeft op de door mr. Emre gedeclareerde, maar nog niet betaalde

buitengerechtelijke kosten juist. Die kosten zijn evenwel gemaakt ten behoeve van de

afwikkeling van de letselschadezaak van [verzoekster], zodat die kosten in beginsel ook vallen

onder de schade van [verzoekster] als bedoeld in artikel 6:96 BW en mr. Emre die kosten als zijnde

schade van zijn cliënte, [verzoekster], in een procedure kan vorderen, zoals in dit geval ook aan de

orde is. Maar dat dit discussiepunt tussen partijen, zo dit wordt beslecht door de

deelgeschilrechter, kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst,

-dan wel een daarover ontstane impasse kan vlottrekken, zodat partijen kunnen terugkeren

naar de onderhandelingstafel-, is gesteld noch gebleken en evenmin aan de orde. Met een

inhoudelijke beslissing in de onderhavige procedure ten aanzien van de omvang van de

buitengerechtelijke kosten wordt het tussen partijen gerezen geschil immers finaal beslist,

zodat terugkeer haar de onderhandelingstafel c.q. het sluiten van een

vaststellingsovereenkomst niet meer aan de orde is.

 

5.7. Partijen hebben nu juist in januari 2019 onderhandeld over een minnelijke regeling. Die

onderhandelingen zijn geslaagd en die hebben geresulteerd in een schriftelijk vastgelegde en

door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst in februari 2019, zoals hiervoor

gedeeltelijk geciteerd. Tussen partijen staat verder vast dat NN inmiddels het volledige

schadebedrag van € 21.000,00 dat partijen zijn overeengekomen heeft betaald aan [verzoekster].

Haar schade is daarmee volledig vergoed en partijen zijn in dat verband ook een finale

kwijting overeengekomen. Met andere woorden, de schade van [verzoekster] vormt geen

onderdeel meer van het debat tussen partijen nu dat een afgeronde kwestie is. Voor [verzoekster] is

met de betaling van het bedrag van € 21.000,- de kwestie definitief afgehandeld en dat is

kennelijk voor haar ook de reden geweest om niet meer te verschijnen tijdens de mondelinge

behandeling van het onderhavige verzoek op 18 december 2019.

Dat partijen voor wat betreft de buitengerechtelijke kosten van mr. Emre een voorbehoud

hebben gemaakt in de vaststellingsovereenkomst (weergegeven onder c(e feiten) moge zo

zijn, maar maakt niet dat mr. Emre dat onderdeel van de regeling kan voorleggen aan de

deelgeschilrechter met het verzoek daarover een beslissing te nemen. Dat kan alleen ingeval

dat zou bijdragen aan de onderhandelingen tussen partijen over een

vaststellingsovereenkomst. Die situatie doet zich, als hiervoor ook al overwogen, niet voor.

 

5.8. Op grond van vorenstaande overwegingen concludeert de kantonrechter dat de door

[verzoekster] verzochte beslissing niet kan bijdragen aan het vlot trekken van enige

buitengerechtelijke onderhandelingen en de totstandkoming van een

vaststellingsovereenkomst. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv zal het verzoek daarom

worden afgewezen. De kantonrechter komt dan ook niet meer toe aan beoordeling van de

vraag of de door de [verzoekster] c.q. mr. Emre gevorderde buitengerechtelijke kosten redelijk zijn

en of die kosten in redelijkheid gemaakt zijn, hetgeen door NN overigens zeer gemotiveerd

is betwist.

 

Kosten deelgeschilprocedure

“5.9. De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure

en daarbij ook de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te

nemen (ook indien een verzoek niet wordt toegewezen).

Bij de begroting daarvan dient de kantonrechter ook de dubbele redelijkheidstoets te

hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten

dus redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of

onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Van deze uitzondering is naar het oordeel van de kantonrechter in de onderhavige zaak

sprake. Voor [verzoekster], althans haar gemachtigde mr. Emre, moet (op grond van de

parlementaire geschiedenis alsmede de gevormde jurisprudentie, ook van deze rechtbank)

bekend zijn wat de kans van slagen van de onderhavige procedure is. De uitkomst van deze

procedure lag zo voor de hand dat het indienen van het verzoek als volstrekt onnodig wordt

gekwalificeerd. Nu de kosten van deze deelgeschilprocedure om die reden niet voor

vergoeding in aanmerking komen, kan begroting van deze kosten achterwege blijven.

 

5.10. Vorenstaande overwegingen leiden tot de volgende beslissing.

 

  1. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey