Rb, deelgeschil: zorgplicht werkgever ex art 7:658 BW strekt zich uit tot trappenhuis kantoorpand

Samenvatting:

Verzoekster is in het trappenhuis van het kantoorpand uitgegleden en van de trap gevallen, waarbij zij hersenletsel heeft opgelopen. Zij stelt dat de zorgplicht van de werkgever 7:658 lid 1 BW zich uitstrekt tot het trappenhuis. 1. De kantonrechter oordeelt dat, nu vaststaat dat verzoekster een arbeidsongeval is overkomen en zij schade heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden, de aansprakelijkheid van de werkgever in beginsel is gegeven. Het aan de werkgever aan te tonen dat zij haar zorgplicht is nagekomen. Het gaat buiten het bestek van dit deelgeschil om te beoordelen of zorgplicht is geschonden. 2. Kosten deelgeschil: € 2.420,-.

ECLI:NL:RBNHO:2018:7395

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-08-2018
Datum publicatie 27-08-2018
Zaaknummer6982251/EJ VERZ 18-51

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Op tegenspraak

Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Letselschade. Strekt de zorgplicht van de werkgever op grond van artikel 7:658 lid 1 BW zich tevens uit over de trap en het trappenhuis tussen de 16e en 17e verdieping in het kantoorpand?

VindplaatsenRechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

.   .beschikking

 

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

 

 

Handel, Kanton en Bewind

 

Zittingsplaats Alkmaar

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: 6982251/ EJ VERZ 18-51

 

 

 

 

Beschikking van 1 augustus 2018 (bij vervroeging)

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[verzoekster] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoekster,

 

advocaat mr. L.J.G. Derks te Den Haag,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

  1. de naamloze vennootschap

 

 

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

 

gevestigd te Apeldoorn,

 

 

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

 

ROBIDUS ADVIESGROEP B.V.,

 

gevestigd te Zaandam,

 

verweerders,

 

advocaat mr. E. Bos-van den Berg te Zwolle.

 

 

 

 

Verzoekster wordt hierna [verzoekster] genoemd. Verweerders zullen hierna respectievelijk Achmea en Robidus en gezamenlijk Robidus c.s. worden genoemd.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met producties 1-12, ontvangen op de locatie Zaanstad op 28 mei 2018,

 

het verweerschrift met producties 1-2.

 

 

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 10 juli 2018 met instemming van partijen plaatsgevonden op de locatie Alkmaar. [verzoekster] is daarbij verschenen, vergezeld van haar echtgenoot en mr. Derks voornoemd. Verder zijn verschenen namens Achmea mevrouw [naam 1] en namens Robidus de heer [naam 2] , vergezeld van mr. Bos-van den Berg voornoemd. Mr. Derks heeft spreekaantekeningen overgelegd. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.

 

 

 

 

 

  1. De feiten

 

 

 

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedag] 1977, is op 4 november 2014 een ongeval overkomen in het trappenhuis van het kantoorpand ‘Saen Tower’ in Zaandam (hierna: het kantoorpand).

 

 

2.2.

[verzoekster] was op dat moment in loondienst van financieel dienstverlener Robidus, in de functie van manager business control. Robidus huurde ten tijde van het ongeval de 16e en 17e etage van het kantoorpand.

 

 

2.3.

Op 4 november 2014 liep [verzoekster] met haar laptop in haar linkerhand via het trappenhuis van de 17e naar de 16e etage. Zij was op weg naar een overleg met collega’s. De trap die de 16e en 17e etage met elkaar verbindt bestaat uit twee trappen met een bordes. [verzoekster] is, zo heeft zij ter zitting nader toegelicht, na de eerste trap te zijn afgelopen op het bordes uitgegleden, net voordat zij de eerste traptrede zou nemen, en van de tweede trap naar beneden gevallen. Daarbij is zij met haar hoofd tegen een betonnen muur geslagen. [verzoekster] heeft hierdoor hersenletsel opgelopen.

 

 

2.4.

Bij e-mail van 12 september 2017 heeft [verzoekster] Robidus aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Robidus heeft de aansprakelijkstelling doorgestuurd aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar Achmea.

 

 

2.5.

In opdracht van Achmea heeft Raasveld Expertise een toedrachtonderzoek verricht, waarvan de bevindingen in een rapportage van 18 oktober 2017 zijn neergelegd. Naar aanleiding van deze rapportage heeft Achmea de aansprakelijkheid afgewezen.

 

 

2.6.

Bij e-mail van 28 november 2017 heeft Achmea de toenmalige advocaat van [verzoekster] onder meer het volgende bericht:

“(…) Uw cliënte kwam ten val op de trap van de Saentoren. Verzekerde is niet de eigenaar van dit gebouw maar een huurder. Tussen de verdiepingen kan men gebruik maken van 6 liften. Daarnaast is er het trappenhuis dat voor werknemers toegankelijk is met ene druppel. De trap is van beton en is voorzien van leuningen. De trap is breed genoeg om elkaar te kunnen passeren. Ten tijde van het ongeval waren er volgens verzekerde geen bouwactiviteiten of iets dergelijks aan de orde.

In deze schade zie ik niet in welke zorgplicht verzekerde geschonden zou kunnen hebben. Het lopen op een trap is een alledaagse gebeurtenis die voor ieder persoon elke dag op verschillende plaatsen voorkomt c.q. kan komen. Hiervoor zijn geen specifieke veiligheidsinstructies vereist.

Nu er geen zorgplicht is geschonden, ontbreekt aansprakelijkheid van verzekerde.(…)”

 

2.7.

Bij brief van 9 februari 2018 heeft [verzoekster] op dit bericht gereageerd en opmerkingen gemaakt over de rapportage van Raasveld Expertise. [verzoekster] heeft aangegeven open te staan voor een pragmatische regeling van deze kwestie. Hierover hebben [verzoekster] en Achmea vervolgens gecorrespondeerd.

 

 

2.8.

Op 12 april 2018 heeft Achmea [verzoekster] onder andere het volgende bericht:

“(…) Wij handhaven het standpunt van 28 november 2017. Voor het op- en aflopen van een trap bestaat ons inziens geen bijzondere zorgplicht van een werkgever. Dit is een alledaagse gebeurtenis. Wij beschikken niet over bewijs waaruit blijkt dat de trap niet voldeed aan de eisen. (…)”

 

2.9.

Bij e-mail van 23 april 2018 heeft [verzoekster] een reactie gegeven, waarop zij op 3 mei 2018 opnieuw een afwijzend bericht van Achmea ontving met de volgende inhoud:

“(…) Uw bericht heeft ons geen reden gegeven ons standpunt te herzien. In onze optiek is er sprake van een ‘alledaagse gebeurtenis’, waarvoor de werkgever niet hoeft te instrueren en/of waarvoor geen aanvullende veiligheidsmaatregelen getroffen te hoeven worden. (…)”

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

 

[verzoekster] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

  1. vast te stellen dat er, op basis van de in het verzoekschrift genoemde argumenten, sprake is van een op Robidus rustende zorgplicht jegens [verzoekster] ten aanzien van het gebruik van de trap in het trappenhuis in de Saen Tower;

 

  1. de kosten van deze procedure te begroten op € 3.726,80, te vermeerderen met het griffierecht.

 

 

 

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] , samengevat en voor zover van belang, het volgende ten grondslag. [verzoekster] is een ongeval overkomen tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden waardoor zij schade heeft geleden. Robidus is hiervoor aansprakelijk. Achmea is aansprakelijk als zijnde de verzekeraar van Robidus. Anders dan Robidus c.s. stelt, heeft Robidus als werkgeefster wel degelijk een bijzondere zorgplicht ten aanzien van het op- en aflopen van de trap in het trappenhuis in de Saen Tower.

 

 

3.3.

Robidus c.s. voert verweer. Volgens Robidus c.s. is het risico van traplopen een algemeen bekend risico, dat niet specifiek met de werksituatie te maken heeft. Traplopen is een alledaagse bezigheid. De trap was veilig en voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Op Robidus rustte geen waarschuwings-/instructieplicht ten aanzien van het gebruik van de trap.

 

 

3.4.

De kantonrechter zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

 

 

 

4 De beoordeling

 

Bevoegdheid

4.1. Op grond van artikel 1019x lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoek als dat van [verzoekster] te worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt. Indien de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter. Vaststaat dat tussen [verzoekster] enerzijds en Robidus anderzijds sprake is van een arbeidsovereenkomst, zodat op basis van artikel 93 sub c Rv de kantonrechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

 

 

 

Ontvankelijkheid

4.2. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Gegeven het doel om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechter te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en, indien dat niet het geval is, het verzoek tot beslechting van een deelgeschil af te wijzen (artikel 1019z Rv).

In het onderhavige geval twisten partijen, kort gezegd, over de vraag of de zorgplicht van de werkgever (Robidus) zich uitstrekt tot de trap en het trappenhuis in het kantoorpand. Na een oordeel over deze vraag kunnen de onderhandelingen worden voortgezet. Het verzoek van [verzoekster] leent zich dan ook voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

 

 

 

 

Zorgplicht

4.3. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat Robidus een zorgplicht heeft die ook de trap en het trappenhuis behelst. Die zorgplicht is gegrond op artikel 7:658 lid 1 BW, zo heeft [verzoekster] ter zitting toegelicht. Ingevolge dit artikel is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW behelst niet alleen de inrichting en het onderhoud van de lokalen, de werktuigen en de gereedschappen waarin of waarmee de werknemer arbeid moet verrichten, maar ook de instructie die de werkgever aan de werknemer dient te geven bij gebruikmaking van lokalen, werktuigen en gereedschappen. Wat van de werkgever in redelijkheid mag worden verlangd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Artikel 7:658 BW beoogt geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen.

 

4.4.

Achmea heeft in de correspondentie met [verzoekster] het standpunt ingenomen dat voor het op- en aflopen van een trap geen bijzondere zorgplicht van een werkgever bestaat, omdat dit een alledaagse gebeurtenis is.

 

 

4.5.

 

De kantonrechter overweegt als volgt.

In het rapport van Raasveld Expertise is vermeld dat de centrale toegang van het kantoorpand via liften gaat en dat het trappenhuis alleen voor werknemers toegankelijk is met een druppel (sleutelsysteem). Deze druppels zijn aan het personeel van Robidus

– waaronder [verzoekster] – ter beschikking gesteld ten behoeve van het gebruik van de trap tussen de twee verdiepingen van het kantoor van Robidus, zo blijkt uit de als productie 6 bij het verzoekschrift overgelegde verklaring van de heer [naam 3] en de verklaring van de heer [naam 2] ter zitting. Beide heren waren ten tijde van het ongeval bij Robidus werkzaam. Er kan dus vanuit worden gegaan dat werknemers van Robidus ten tijde van het ongeval met instemming van Robidus gebruik konden maken van de trap in plaats van de lift om tussen de 16e en 17e verdieping heen en weer te gaan. Omdat Robidus bovenin het 18 verdiepingen tellende kantoorpand was gevestigd en het wel even duurde voordat de lift kwam, werd er ook daadwerkelijk door medewerkers van Robidus vaak gebruikgemaakt van de trap, aldus Van Bekkum ter zitting. Dit wordt door Robidus ook niet betwist.

Deze factoren bij elkaar maken naar het oordeel van de kantonrechter dat de zorgplicht van Robidus op grond van artikel 7:658 lid 1 BW zich tevens uitstrekt over de trap en het trappenhuis tussen de 16e en 17e verdieping in het kantoorpand. Dat traplopen een alledaagse gebeurtenis is, maakt dit oordeel niet anders. Het verzoek onder I. kan dan ook worden toegewezen.

Nakoming zorgplicht

4.6. Nu vaststaat dat [verzoekster] een arbeidsongeval is overkomen en zij schade heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden, is de aansprakelijkheid van Robidus in beginsel gegeven. De juiste, exacte toedracht van het ongeval hoeft [verzoekster] niet te stellen. Het is ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW aan Robidus aan te tonen dat zij de in lid 1 van dit artikel opgenomen zorgplicht is nagekomen. Partijen hebben hun standpunten over de invulling en inhoud van de zorgplicht in de processtukken van dit deelgeschil en ter zitting in grote lijnen uiteengezet. Mede gezien het petitum van het verzoekschrift, gaat het echter buiten het bestek van dit deelgeschil om te beoordelen waar de zorgplicht van Robidus precies uit bestaat en of die zorgplicht is geschonden. Daarbij is bovendien van belang dat in de processtukken er nog van wordt uitgegaan dat [verzoekster] op de trap is uitgegleden terwijl zij ter zitting heeft verklaard op het bordes te zijn uitgegleden.

 

Kosten van het deelgeschil

4.7. De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet volledig wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

 

4.8.

[verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 1.597,20 (corresponderende met een tijdsbesteding van zes uren in verband met het bestuderen van het dossier, het opstellen van het verzoekschrift, het voeren van overleg en correspondentie, tegen een uurtarief van € 220,- en vermeerderd met 21% BTW) en € 2.129,60 (corresponderende met een tijdsbesteding van acht uur in verband met het bespreken van het verweerschrift en het bijwonen van de zitting, tegen een uurtarief van € 220,- en vermeerderd met 21% BTW), daarmee in totaal een bedrag van € 3.726,80, te vermeerderen met het griffierecht.

 

 

4.9.

Robidus c.s. verzet zich tegen de extra tijdsbesteding van acht uur na indiening van het verzoekschrift. Zij is van mening dat een totaal aantal uren van vijf uur extra na indiening van het verzoekschrift een redelijk aantal uren is, zodat het totaal aantal te begroten uren elf uur is.

 

 

4.10.

Naar het oordeel van de kantonrechter is een tijdsbesteding van elf uur voor dit deelgeschil (inclusief de zitting) redelijk te noemen. Tegen het gehanteerde uurtarief maakt Robidus c.s. geen bezwaar. De kantonrechter acht het uurtarief ook redelijk en begroot de kosten dan ook op 11 uur x € 220,- is € 2.420,-, te vermeerderen met 21% BTW en met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 226,-.

 

 

 

5 De beslissing

 

De kantonrechter:

 

 

5.1.

stelt vast dat er sprake is van een op Robidus rustende zorgplicht jegens [verzoekster] ten aanzien van het gebruik van de trap tussen de 16e en 17e verdieping in het trappenhuis in de Saen Tower te Zaandam;

 

 

5.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.420,-, te vermeerderen met 21% BTW alsmede met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 226,-;

 

 

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

 

 

 

Deze beschikking is bij vervroeging gegeven door mr. L.J. Saarloos, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2018.1

 

 

 

1

type: ST coll: LS

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots