Rb, deelgeschil: ziekenhuis niet aansprakelijk voor zeldzame complicatie bij knieoperatie

Samenvatting:

Benadeelde loopt zenuwbeschadiging op bij knieoperatie. 1. De rechtbank oordeelt dat sprake is van informeel consent. Het gaat hier om een mogelijke complicatie die zeer weinig voorkomt. Een arts hoeft de patiënt niet, zo al mogelijk, op alle mogelijke risico’s te wijzen. Van een voorzienbaar risico is in dit geval geen sprake. 2. De rechtbank komt aan de beoordeling of sprake is van een medische kunstfout niet toe. Benadeelde heeft daartoe onvoldoende gesteld. Het had op de weg van benadeelde gelegen zich nader uit te laten over de vraag wat het ziekenhuis wordt verweten.

(vervolg samenvatting):

etganr De enkele stelling dat door de arts het been verkeerd is gehanteerd onvoldoende alsook de enkele stelling dat de laesie niet een complicatie is die gebruikelijk is en derhalve een medische kunstfout. Immers een complicatie die zich zelden voordoet, maakt daarom nog niet dat er sprake is van een medische fout.


Volledige uitspraak:

 

Beschikking


RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht
Zaaknummer: 111556 / HA RK 11-146
Beschikking van 25 april 2012

in de zaak van:

[benadeelde],
verzoekster,
wonende te [Woonplaats]
advocaat mr. R.A.J. Delescen,

tegen:

1. de stichting STICHTING LAURENTIUS ZIEKENHUIS,
gevestigd te Roermond,
2. de rechtspersoonlijkheid bezittende onderlinge waarborgmaatschappij CENTRAMED B.A.,
gevestigd te Den Haag,
verweerders
voor beiden advocaat mr. D. Zwartjens.

Verzoekster wordt hierna genoemd [benadeelde], en verweerders gezamenlijk in enkelvoud, het ziekenhuis.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het volgende:

      het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 4 oktober 2011,

      het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 6 januari 2012,

      de bij faxbericht overgelegde productie zijdens [benadeelde], binnengekomen bij de rechtbank op 10 januari 2012,

      de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 11 januari 2012 en waarbij zijn verschenen:

         [benadeelde], bijgestaan door mr. Delescen,

         namens de stichting Laurentius Ziekenhuis, de heer drs. R.J.M.M. Eijdems (behandeld arts) en mevrouw N.P.Y.M. de Bijl, stafjurist en namens Centramed de heer P.M.H. Lieffers, allen bijgestaan door mr. Zwartjens.

1.2. Ten slotte is de uitspraak bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. [benadeelde] is op [datum] 1952 geboren. Op 17 februari 2009 heeft zij in verband met een gonartrose (degeneratieve aandoening van het, in dit geval, linker kniegewricht) een knieoperatie in het Laurentius Ziekenhuis ondergaan, waarbij door drs. Eijdems een knieprothese in haar linkerknie is geplaatst.

2.2. Volgens het door drs. Eijdems opgestelde operatie vers lag is de operatie zonder problemen en complicaties verlopen.

2.3. Bij brief van 5 februari 2009 heeft drs. Eijdems het volgende – voor zover relevant – aan de huisarts van [benadeelde] medegedeeld: […]. “Alternatieven, verwachtingen, risico ‘s en nabehandeling worden besproken. Patiënte ging akkoord en werd op de opnamelijst geplaatst.

2.4. Het direct postoperatieve traject werd bemoeilijkt doordat bij [benadeelde] een desaturatie optrad, die het gevolg was van een longlijden. Dit leidde er toe dat zij onvoldoende zuurstof kon opnemen of verwerken.
2.5. Over onder andere dit longlijden berichten de intensivist B.G.H. Klinger en IC-arts Y. Kesler, bij ontslag bij brief van 19 februari 2009 als volgt aan de huisarts van [benadeelde], drs. J.J.M. Welzen, het volgende: “patiënt is van 1
7 februari 2009 t/m 20 februari 2009 opgenomen geweest op de Intensive Care afdeling.
Diagnose bij opname Intensive Care:
Desaturatie pre- en postoperatief na totale knieprothese links.
Complicaties
Geen
Diagnose bij overplaatsing van Intensive Care:
Desaturatie pre- en postoperatief bij morbide obesitas vermoedelijk op basis van longlijden. Gezien anamnese vermoedelijk sprake van OSAS en lichte vorm COPD gecompliceerd door obesitas. Verder mogelijk N. peroneus letsel ten gevolge van operatie

2.6. [benadeelde] had na de operatie last van sensibiliteitsstoornissen van het linker- onderbeen en krachts- en bewegingsbeperkingen van de linkervoet. Ofwel zoals [benadeelde] het omschrijft; haar linkeronderbeen was gedeeltelijk verlamd geraakt. Uit uitgebreid neurologisch onderzoek door het ziekenhuis werd een kwetsuur aan de nervus ischiadicus, de grote heup-/bovenbeenzenuw, die boven het niveau van het kniegewricht loopt bij [benadeelde] geconstateerd. Een zogenaamde laesie van de nervus ischiadicus. De nervus ischiadicus is de grote zenuw, die ontspringt in de lage rug en via de heup doorloopt tot in het bovenbeen alwaar deze zich boven de knie splitst in twee takken, de nervus tibialis en de nervus peroneus communis.

2.7. Bij brief van 26 oktober 2009 heeft de toenmalige gemachtigde van [benadeelde] aan drs. Eijdems – voor zover relevant – het volgende bericht: “Aangezien de verschijnselen van cliënte niet voorkomen in de opsomming van "normale" complicaties na een totale knieprothese en beschadiging van de zenuw in ieder geval behoort tot de vermijdbare problemen is mijn cliënte van mening dat er sprake is van een medische fout.
Namens cliënte stel ik u hierbij aansprakelijk voor alle schade van materiële en immateriële aard, welke nog nader te begroten is, en welke het gevolg is van uw ingreep. De grondslag van de aansprakelijkheid is enerzijds het ontbreken van informed consent, de verschijnselen van cliënte zijn niet met haar besproken, en anderzijds de medische kunstfout.

2.8. Het ziekenhuis betwist verwijtbaar te hebben gehandeld ten opzichte van [benadeelde].

3. Het verzoek en het verweer

3.1. [benadeelde] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade voorvloeiend uit de bij [benadeelde] uitgevoerde knieoperatie op 17 februari 2009.

3.2. [benadeelde] voert daartoe aan dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor het gedeeltelijk verlamd raken van het linkeronderbeen van [benadeelde] en de daaruit voor [benadeelde] voortvloeiende schade. Het ziekenhuis is aansprakelijk voor de door [benadeelde] gestelde geleden schade, omdat zij niet door het ziekenhuis is geïnformeerd over de met de operatie gepaard gaande risico’s op zenuwbeschadiging en verlammingsverschijnselen en door het ziekenhuis tijdens de operatie een fout is gemaakt bij het hanteren van het been van [benadeelde], waardoor de bij [benadeelde] verschenen verschijnselen niet meer onder de normale complicaties kunnen worden geschaard. Er is voorts volgens [benadeelde] onvoldoende preoperatief onderzoek bij haar verricht als gevolg waarvan door het ziekenhuis niet bij haar een longontsteking / ontsteking van de luchtwegen is geconstateerd.

3.3. Het ziekenhuis concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [benadeelde] in haar verzoek, althans tot afwijzing van het verzoek. Het ziekenhuis voert daartoe aan dat het geen verzoek betreft in de zin van artikel 1019w Rv. Er is geen sprake van een deelgeschil, omdat met het ingediende verzoek het geschil in volle omvang wordt voorgelegd aan de rechtbank en daarvoor is de deelgeschilprocedure niet bedoeld. Indien en voor zover de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van een deelgeschil, dan dient het verzoek te worden afgewezen, omdat het afdoen van deze zaak niet zal bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, nu niet het enkele geschil over de uitvoering van de operatie en de daarmee samenhangende aansprakelijkheidsvraag partijen afhoudt van het bereiken van een regeling.
Verder is volgens het ziekenhuis de deelgeschilprocedure niet bedoeld voor nadere proceshandelingen, die in deze zaak wel nodig zijn om de feiten en omstandigheden te kunnen vaststellen zoals een nader deskundigenonderzoek om te kunnen beoordelen of het ziekenhuis jegens [benadeelde] onzorgvuldig heeft gehandeld. De naar verwachting met deze procedure gepaarde gaande tijd, kosten en moeite wegen niet op tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Reden ook waarom het verzoek dient te worden afgewezen. Tot slot dient – indien [benadeelde] ontvankelijk is in haar verzoek en inhoudelijk wordt geoordeeld – het verzoek te worden afgewezen, nu geen sprake is van medisch onzorgvuldig handelen.

3.4. Op de stellingen van partijen zal, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Rv.

4.2. De rechtbank overweegt dat de deelgeschilprocedure volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade (hierna: de Wet deelgeschillen) de mogelijkheid biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deel geschil procedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient te rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

4.3. Bij de beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure stelt de rechtbank voorop dat in de memorie van toelichting bij voornoemde wet is vermeld dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Net als bij andere deelgeschillen zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (31518, nr. 3, p. 10). Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat niet alleen de aansprakelijkheidsvraag partijen nog verdeeld houdt, maar ook andere zaken, niet voldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor behandeling in de deelgeschilprocedure. De aansprakelijkheidsvraag betreft immers een geschilpunt aan het begin van het traject van de minnelijke onderhandelingen en een oordeel van de rechtbank op de aansprakelijkheidsvraag zou, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, buitengerechtelijke onderhandelingen op gang kunnen brengen. Weliswaar is de deelgeschilprocedure niet bedoeld om partijen aan de onderhandelingstafel te dwingen, maar in onderhavige kwestie is door het ziekenhuis niet gemotiveerd gesteld dat zij, als de aansprakelijkheid vast komt te staan in onderhavig geschil, niet bereid is om te gaan onderhandelen, zodat de rechtbank dan ook van oordeel is dat onderhavige deelgeschilprocedure voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van (nadere) onderhandelingen en daarmee mogelijk tot een minnelijke regeling. Immers van belang is of de verzochte beslissing een voldoende bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, niet dat de beslissing per definitie dient te leiden tot een vaststellingsovereenkomst.

4.4. De rechtbank komt derhalve toe aan de door [benadeelde] voorgelegde vraag of het ziekenhuis aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade voortvloeiend uit de knieoperatie d.d. 17 februari 2009.

4.5. Informed consent
[benadeelde] is van mening dat zij onvoldoende is geïnformeerd voor de operatie over de mogelijkheid tot het oplopen van een zenuwbeschadiging. Te meer, nu aan haar geen folder is verstrekt waarin de verwachtingen en risico’s van de door haar ondergane knieoperatie staan vermeld. Indien en voor zover deze folder wel aan haar was overhandigd dan nog zou [benadeelde] onvoldoende ingelicht zijn, omdat daarin geen melding wordt gemaakt van de complicatie die bij haar is opgetreden. Er wordt in die folder überhaupt niet over de complicatie van zenuwbeschadiging gesproken.

4.6. De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Ais onbetwist staat vast – nu dat door [benadeelde] niet is betwist – hetgeen drs. Van Eijdems in de brief van 5 februari 2009 aan de huisarts van [benadeelde] schrijft: dat hij de patiënte [benadeelde] heeft voorgelicht ook over de gevolgen en risico’s van een knieoperatie waarbij een knieprothese wordt geplaatst. Voorts is door [benadeelde] niet de stelling van het ziekenhuis betwist dat zij met alle patiënten het risico van een zenuwbeschadiging bij plaatsing van een knieprothese bespreekt Aldus wordt als vaststaand er vanuit gegaan dat met [benadeelde] de risico’s, waaronder ook het gestelde risico op een zenuwbeschadiging, zijn besproken. [benadeelde] betwist wel dat het onwaarschijnlijk is dat het ziekenhuis het risico op een zenuwbeschadiging bespreekt erop gelet dat in de gebruikte patiëntenfolders niet wordt gewezen op een mogelijke zenuwbeschadiging als gevolg van de operatie. Echter, hiermee betwist [benadeelde] niet dat niet met haar specifiek is gesproken over het risico van een zenuwbeschadiging. De rechtbank gaat er dan ook aan voorbij dat [benadeelde] niet voldoende zou zijn voorgelicht. Meer specifiek komt dan het – kennelijke – verwijt van [benadeelde] aan de orde waarom zij niet is ingelicht over het door haar overkomen kwetsuur aan de nervus ischiadicus. De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde] niet onterecht in het ongewisse is gelaten over het feit dat die kwetsuur kan ontstaan. Nog daargelaten dat niet is vast komen te staan dat die kwetsuur is ontstaan als gevolg van de operatie, is dit een mogelijke complicatie als gevolg van een knieoperatie, die, zoals door het ziekenhuis onbetwist is gesteld, zo weinig voorkomt, dat niet gezegd kan worden dat als de patiënt daarover niet wordt geïnformeerd er sprake is van schending van de informatieplicht door de behandelende arts. Immers een arts hoeft de patiënt niet, zo al mogelijk, op alle mogelijke risico’s te wijzen. De arts moet de patiënt zoals bepaald in art 7:488 BW over de normale, voorzienbare risico’s van de behandeling informeren. Van een voorzienbaar risico is in dit geval geen sprake. [benadeelde] brengt zulks ook zelf naar voren in haar verzoekschrift in punt 8. Daarin stelt zij immers dat in de literatuur niet tot nauwelijks melding wordt gemaakt van de bij [benadeelde] opgetreden complicatie. Het verzoek om voor recht te verklaren dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor enigerlei door [benadeelde] gestelde geleden schade als gevolg van schending van de wettelijke informatieplicht wordt dan ook afgewezen.

4.7. Medische kunstfout
[benadeelde] stelt dat meergenoemde kwetsuur een medische fout is. De beschadiging van de zenuw behoort volgens haar tot een vermijdbaar probleem, omdat het niet valt in de categorie te verwachten c.q. mogelijke complicaties. Het ziekenhuis verweert zich met de stelling dat de operatie lege artis is uitgevoerd en dat gelet op de locatie van de laesie en het feit dat het werkterrein van de operateur zich niet zo hoog boven de knie bevindt, maar eerder op de hoogte van de knie en het gebied daarjuist onder, de operatie niet kan hebben geleid tot de kwetsuur die zich bij [benadeelde] voordoet. Voor het ziekenhuis is het verder tot op heden onbegrijpelijk waardoor de laesie is ontstaan. Het is heel wel mogelijk dat deze zelfs na de operatie is ontstaan, bijvoorbeeld door een hematoom. Op welk moment de laesie is ontstaan, is derhalve ongewis, maar ook is daardoor ongewis welk handelen of nalaten daarvoor verantwoordelijk is en in hoeverre bijvoorbeeld ook andere omstandigheden daarbij een rol hebben gespeeld, aldus het ziekenhuis.

4.8. De rechtbank overweegt als volgt. Zij komt niet toe aan de beoordeling of er sprake is van een vermijdbare complicatie. Daarvoor is door [benadeelde] onvoldoende gemotiveerd gesteld in het licht van de betwisting van het ziekenhuis. Het had op de weg van [benadeelde] gelegen zich nader uit te laten over de vraag wat nu precies het ziekenhuis wordt verweten waardoor er sprake is van een medische fout, zodat ten minste een begin van aannemelijkheid van een medische fout ontstaat. Daarvoor is de enkele stelling dat door de arts het been verkeerd is gehanteerd onvoldoende alsook de enkele stelling dat de laesie niet een complicatie is die gebruikelijk is en derhalve een medische kunstfout. Immers een complicatie die zich zelden voordoet, maakt daarom nog niet dat er sprake is van een medische fout.

4.9. Longlijden
Ter zake hiervan overweegt de rechtbank als volgt. [benadeelde] heeft aangegeven dat het missen van de diagnose (beginnende) longontsteking gezien kan worden als een tekort in het protocol van de preoperatieve screening bij mensen met risicofactoren, waaronder [benadeelde]. Was die diagnose wel gesteld, dan was de operatie uitgesteld en was het onderhavige letsel als geval van de operatie niet opgetreden, aldus [benadeelde]. Het ziekenhuis heeft gemotiveerd betwist dat daags voor de operatie geen onderzoek heeft plaatsgevonden en zich voorts op het standpunt gesteld dat een onderzoek geen dan wel onvoldoende indicatie voor een infectie zou hebben opgeleverd.
Wat er ook zij van de inhoudelijke kant van deze kwestie, de rechtbank is van oordeel dat de stelling van [benadeelde] niet kan slagen. Onder 4.8 is immers geoordeeld dat er geen sprake is van een tijdens de operatie gemaakte medische fout. Dat [benadeelde], buiten het door haar gestelde letsel aan de knie als gevolg van de operatie, nog (andere) schade als gevolg van het longlijden heeft geleden, is gesteld noch gebleken.

4.10. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek van [benadeelde] afgewezen.

4.11. Met betrekking tot een proceskostenveroordeling overweegt de rechtbank dat door [benadeelde] geen daarop gericht verzoek is gedaan. Op grond van het bepaalde in artikel 1019aa Rv begroot de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de verzoeker in de beschikking en neemt daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, BW in aanmerking. Gelet op de redactie van deze bepaling dient de rechtbank ook ambtshalve tot begroting over te gaan. Door [benadeelde] is geen opgave gedaan van de in het kader van het verzoekschrift gemaakte kosten. De rechtbank zal deze kosten begroten met inachtneming van het geldende forfaitaire tarief. Er wordt uitgegaan van twee punten, één voor de indiening van het verzoekschrift en één voor de mondelinge behandeling, tegen een waarde van € 452,00 per punt, te vermeerderen met het door [benadeelde] betaalde griffierecht ad € 260,00.

4.12. Uit artikel 1019aa leden 1,2 en 3 Rv en de toelichting daarop blijkt dat de rechter in de deelgeschilprocedure ingeval de aansprakelijkheid voor de geleden schade onvoldoende vaststaat dient te volstaan met een begroting van de proceskosten, zonder daarbij een proceskostenveroordeling uit te spreken. Nu de rechtbank in het voorliggende geval aansprakelijkheid van het ziekenhuis afwijst, wordt derhalve volstaan met een begroting van de proceskosten.

5. De beslissing

5.1. De rechtbank:

5.1. Wijst het verzoek af,

5.2. Begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 1.164,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.E. Derks en ter openbare civiele terechtzitting van 25 april 2012 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey