Rb, deelgeschil: whiplash, causaal verband tussen klachten en ongeval niet vast te stellen, benoeming arbeidsdeskundige afgewezen

Samenvatting:

Whiplash, low impact aanrijding, lage botsingssnelheid. 1. De rechtbank komt tot het oordeel dat  de medische gegevens die op dit moment voorhanden zijn onvoldoende zijn om het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten te kunnen beoordelen. 2. Verzoek om inschakeling arbeidsdeskundige afgewezen. De rechtbank overweegt dat een onderzoek door een medisch deskundige in deze fase van het geschil meer voor de hand ligt. Een dergelijk verzoek moet worden gedaan door middel van een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht. 3. Voorschot afgewezen. 4. BGK gedeeltelijk afgewezen. 5. Kosten deelgeschil: op € 3.564,- (gevorderd: € 6.936,-).

 

 

ECLI:NL:RBMNE:2020:2389

 

Instantie

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak

17-06-2020

Datum publicatie

03-07-2020

Zaaknummer

C/16/494402 / HA RK 19-352

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Verzoek tot benoeming van een arbeidsdeskundige wordt afgewezen. Onvoldoende duidelijkheid over het causaal verband tussen het ongeval en de klachten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

Civiel recht

 

handelskamer

 

locatie Utrecht

 

zaaknummer / rekestnummer: C/16/494402 / HA RK 19-352

 

Beschikking van 17 juni 2020

 

in de zaak van

 

[verzoekster] , ALSMEDE HAAR BEWINDVOERDER [A],

 

wonende te [woonplaats] ,

 

hierna: [verzoekster] ,

 

advocaat mr. A.C.H. Jansen te Wijchen

 

en

 

de naamloze vennootschap

 

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

 

gevestigd te UTRECHT,

 

hierna: ASR,

 

advocaat mr. P.J. klein Gunnewiek te Utrecht.

1 Het procesverloop

1.1.

 

[verzoekster] heeft een verzoekschrift voor een deelgeschil ingediend. ASR heeft een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling was gepland op 24 maart 2020. Vanwege de maatregelen in verband met het coronavirus is deze zitting niet doorgegaan. Partijen hebben er mee ingestemd dat de zaak schriftelijk wordt behandeld. Nadat beide partijen schriftelijk op elkaars standpunten hebben gereageerd heeft de rechtbank bepaald dat een beschikking wordt gegeven.

2 Het geschil

2.1.

 

[verzoekster] is op 19 oktober 2018 als bestuurster van een personenauto betrokken geraakt bij een aanrijding. Terwijl zij haar auto tot stilstand bracht voor een zebrapad werd haar auto van achteren aangereden door een bestelbus. De bestelbus was voor de WAM verzekerd bij Generali Nederland N.V. ASR heeft als rechtsopvolger van Generali de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.2.

 

ASR heeft begin december 2018 een voorschot op de schade toegekend van €1.000,00 en op 18 december 2018 een aanvullend voorschot van € 3.000,00. Verder heeft ASR de “letselschade hulpdienst” ingeschakeld voor huishoudelijke hulp en de kosten daarvan betaald tot en met 22 april 2019.

2.3.

 

Op 28 januari 2019 heeft het bureau [onderneming 1] (hierna: [onderneming 1] ) in opdracht van ASR een huisbezoek gebracht aan [verzoekster] . Op diezelfde datum heeft de medisch adviseur van ASR op basis van de op dat moment beschikbare medische gegevens een voorlopig advies uitgebracht en aangegeven dat er voor een goede medische beoordeling nadere gegevens nodig zijn, waaronder de informatie van de huisarts over een periode van twee jaar voorafgaand aan het ongeval. Naar aanleiding van het huisbezoek en het medisch advies heeft tussen ASR en [verzoekster] correspondentie plaatsgevonden over – onder meer – het verzoek van de medisch adviseur voor aanvullende medische informatie. [verzoekster] is daarbij ook geïnformeerd over een Delta-V onderzoek dat onderzoeksbureau [onderneming 2] (hierna: [onderneming 2] ) voor ASR zal uitvoeren, om de impact van het ongeval te kunnen vaststellen. ASR heeft te kennen gegeven dat geen nader voorschot zal worden toegekend, totdat de gegevens van het Delta-V onderzoek bekend zijn. In het kader van een onderzoek naar de toedracht van het ongeval heeft onderzoeksbureau [onderneming 3] [verzoekster] op 22 maart 2019 geïnterviewd.

2.4.

 

Op 6 juni 2019 heeft ASR aan [verzoekster] meegedeeld dat uit het Delta-V onderzoek blijkt dat er sprake is van een low-impact aanrijding met een Delta V van 8,0 en 9,9 km per uur. Gelet op de geringe geweldsinwerking op de wervelkolom kunnen de klachten van [verzoekster] volgens ASR niet worden verklaard uit het ongeval. ASR is van mening dat zij met het voorschot van € 4.000,00 en de inzet van de huishoudelijke hulp aan haar verplichting tot schadevergoeding heeft voldaan.

2.5.

 

In dit deelgeschil verzoekt [verzoekster] dat de rechtbank bepaalt dat ASR:

 

– de openstaande buitengerechtelijke kosten moet voldoen;

– de redelijke kosten van de door [verzoekster] in te schakelen medisch adviseur moet voldoen;

 

– de verdere redelijke kosten ter vaststelling van de schade moet voldoen, waaronder mogelijk de kosten van één of meer deskundigenberichten;

– een aanvullend voorschot van € 5.000,00 moet betalen;

 

– moet meewerken aan het inschakelen van een arbeidsdeskundige en hetgeen verder naar de mening van de rechtbank noodzakelijk is voor een correcte afwikkeling van deze letselschadezaak.

2.6.

 

ASR stelt zich primair op het standpunt dat de verzoeken zich niet lenen voor behandeling in een deelgeschil, omdat toewijzing daarvan niet zal leiden tot de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Volgens ASR lijkt het verzoek vooral te dienen ter voldoening van de buitengerechtelijke kosten. De verzoeken zijn ook te algemeen geformuleerd om te kunnen worden toegewezen. Subsidiair stelt ASR zich op het standpunt dat de verzoeken moeten worden afgewezen omdat nog niet duidelijk is of de door [verzoekster] gestelde klachten en beperkingen in causaal verband staan met het verkeersongeval van 19 oktober 2018. Volgens ASR was het volstrekt onnodig en onterecht om een deelgeschil te beginnen, zodat er geen reden is om de kosten te begroten.

3 De beoordeling

Is de deelgeschilprocedure geschikt om de verzoeken te behandelen?

3.1.

 

De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen het op bepaalde punten niet eens kunnen worden, waardoor de buitengerechtelijke onderhandelingen worden belemmerd. Een partij (of partijen gezamenlijk) kunnen in een deelgeschilprocedure de rechter verzoeken op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met buitengerechtelijke onderhandelingen, met als uiteindelijk doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.

3.2.

 

Als partijen vastlopen op de vraag of er een onderzoek door een deskundige noodzakelijk is kan een beslissing daarover de onderhandelingen weer op gang brengen. Een verzoek om te bepalen dat de andere partij medewerking moet verlenen aan een deskundigenonderzoek kan dan ook in een deelgeschil aan de orde komen. Geschillen over tussentijdse (aanvullende) bevoorschotting worden in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk als voorbeeld van een mogelijk deelgeschil genoemd (Kamerstukken II 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 10, 16, 20 en 21). Verder kan een beslissing over tussentijdse vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand een belemmering wegnemen voor het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst, omdat rechtshulp daarbij over het algemeen noodzakelijk is.

3.3.

 

De conclusie is dat de verzoeken van [verzoekster] naar hun aard geschikt zijn om in een deelgeschil te worden behandeld. De rechtbank zal de verzoeken daarom inhoudelijk behandelen.

 

Het causaal verband tussen de klachten het ongeval

3.4.

 

De grootste schadeposten van [verzoekster] zijn het verlies aan arbeidsvermogen, het verlies aan zelfwerkzaamheid en de schade als gevolg van de beperkingen bij huishoudelijke werkzaamheden en de zorg voor de kinderen. Het geschil tussen partijen gaat in wezen om de vraag of de klachten en beperkingen die [verzoekster] ervaart (geheel) het gevolg zijn van het ongeval. De rechtbank is het eens met ASR dat dat op grond van de thans beschikbare gegevens niet vaststaat. Het gaat om moeilijk te objectiveren (whiplash-achtige) klachten. Op grond van de jurisprudentie wordt aan het bewijs van het bestaan van dergelijke klachten niet al te hoge eisen gesteld, maar het feit dat het slachtoffer van een ongeval daarin wordt tegemoetgekomen, betekent niet dat de enkele stelling dat de klachten vóór het ongeval niet bestonden voldoende is om aan te kunnen nemen dat de betrokkene als gevolg van het ongeval volledig arbeidsongeschikt is geworden, zoals [verzoekster] kennelijk verondersteld. Noodzakelijk is dat een medisch deskundige op basis van eigen onderzoek de klachten en beperkingen inventariseert en deze klachten op basis van medische deskundigheid (objectief) beoordeelt. Informatie van behandelaars van [verzoekster] of hun mening over de oorzaak van haar klachten zijn niet gelijk te stellen met een dergelijke objectieve beoordeling van de medische situatie.

3.5.

 

De medisch adviseur van ASR heeft er in haar eerste rapport op gewezen dat zij om een goede beoordeling te kunnen maken de medische gegevens nodig heeft over een periode van twee jaar voorafgaand aan het ongeval. [verzoekster] heeft deze gegevens niet willen verstrekken omdat zij dit een te grote inbreuk vindt op haar privacy. Zij heeft slechts een brief gegeven waarin haar huisarts schrijft dat in de bedoelde periode de klachten die zij nu ervaart zich niet hebben voorgedaan. Dit is niet hetzelfde als een feitelijk overzicht van de medische gegevens zoals door de medisch deskundige zijn gevraagd. De rechtbank is van oordeel dat de medisch deskundige voldoende redenen had om deze gegevens op te vragen. Ook zonder Delta-V onderzoek was het duidelijk dat de snelheid van de voertuigen die bij het ongeval betrokken waren gering was. De klachten van [verzoekster] die volgens haar volledige uitval voor haar werk en haar huishouden tot gevolg hadden, zijn daarom niet zonder meer te verklaren uit de ernst van het ongeval, zodat nader onderzoek zoals hiervoor bedoeld nodig is.

3.6.

 

De conclusie is dat de medische gegevens die op dit moment voorhanden zijn onvoldoende zijn om het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten van [verzoekster] te kunnen beoordelen.

 

Het verzoek tot vergoeding van de kosten van een in te schakelen deskundige

3.7.

 

Hoewel [verzoekster] dit verzoek in het petitum van het verzoekschrift in algemene bewoordingen heeft geformuleerd als “de kosten voor het inschakelen van een of meer deskundigen”, blijkt uit het verzoekschrift dat het verzoek gaat om inschakeling van een arbeidsdeskundige. De rechtbank is het eens met ASR dat een dergelijk onderzoek in dit stadium van de schadebehandeling niet aan de orde is, omdat partijen het er niet over eens zijn dat (alle) klachten en beperkingen die [verzoekster] ervaart het gevolg zijn van het ongeval. [verzoekster] baseert haar verzoek op het bezoekrapport van [onderneming 1] van 28 januari 2019, waarin ASR in overweging wordt gegeven een arbeidsdeskundige in te schakelen om [verzoekster] te begeleiden bij haar re-integratie (pagina 8 van het rapport). Ten tijde van dit advies was [verzoekster] nog in dienst bij haar werkgever. Onder die omstandigheden kan het – zelfs als het causaal verband tussen de klachten en het ongeval (nog) niet zeker is – uit oogpunt van schadebeperking – zinvol zijn om een arbeidsdeskundige in te schakelen om de re-integratie bij de werkgever te begeleiden. Het dienstverband van [verzoekster] is echter geëindigd op 28 februari 2019, zodat inzet van een arbeidsdeskundige voor dat doel niet meer aan de orde was.

3.8.

 

Uit hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, blijkt dat een onderzoek door een medisch deskundige in deze fase van het geschil meer voor de hand ligt. Een dergelijk verzoek hoort echter niet thuis in de deelgeschilprocedure, maar moet worden gedaan door middel van een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht. De rechtbank merkt op dat indien in dit deelgeschil een mondelinge behandeling zou hebben plaatsgevonden de rechter dit punt met partijen had kunnen bespreken. Mogelijk had dat geleid tot benoeming van een deskundige door partijen gezamenlijk. Op basis van de stukken op dit moment de meest passende vervolgstap op weg naar een vaststellingsovereenkomst. Het gaat de rechtbank echter te ver om buiten het kader van dit deelgeschil te treden en hiertoe over te gaan en op voorhand te bepalen dat ASR de kosten moet vergoeden van een dergelijk onderzoek. Dat zou impliciet neerkomen op een veroordeling van ASR tot het in gang zetten van een medische expertise, terwijl het verzoek van [verzoekster] daarop niet is gericht en onbekend is of zij dit wel wil.

 

Het verzoek tot vergoeding van de kosten van een medisch adviseur

3.9.

 

ASR erkent dat zij op grond van haar aansprakelijkheid voor het ongeval de redelijke kosten van een door [verzoekster] geraadpleegde medisch adviseur moet vergoeden, maar stelt dat [verzoekster] daarom nimmer heeft verzocht en bovendien nog geen kosten heeft gemaakt. De rechtbank zal in het midden laten of ASR de mededeling van de advocaat van [verzoekster] in de e-mail van 20 maart 2019 dat “hij graag een medisch adviseur zou willen inschakelen” had moeten opvatten als een verzoek tot vergoeding van de kosten. De rechtbank zal het verzoek in zoverre toewijzen dat wordt bepaald dat ASR de redelijke kosten van een door [verzoekster] ingeschakelde medisch adviseur moet vergoeden.

 

Het verzoek om een voorschot op de schadevergoeding.

3.10.

 

[verzoekster] verzoekt een nader voorschot op de schadevergoeding van € 5.000,00. Bij de beoordeling van de vraag of ASR een nader voorschot op de schadevergoeding moet betalen is van belang dat de aard van de deelgeschilprocedure maakt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de stukken die nu in het dossier zitten, vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoekster] een aanspraak heeft op schadevergoeding die het betaalde voorschot van € 4.000,00 (in aanzienlijke mate) overstijgt. Dat is niet het geval. Zoals hiervoor in 3.4 tot en met 3.6 is overwogen, is het causaal verband tussen het ongeval en de belangrijkste schadeposten onvoldoende duidelijk.

3.11.

 

Ook voor de hoogte van een toe te kennen bedrag aan smartengeld is van belang in hoeverre [verzoekster] als gevolg van het ongeval blijvend hinder en beperkingen zal ondervinden van het ongeval. De rechtbank volgt niet de redenering van [verzoekster] dat de wijze waarop ASR haar schade heeft behandeld een reden is voor toekenning van een hoog bedrag aan smartengeld. De afhandeling van letselschade is in het algemeen stressvol voor een slachtoffer en kan als langdurig worden ervaren. Dat zal ook voor [verzoekster] het geval zijn geweest. Objectief bekeken heeft ASR de behandeling van de schade voortvarend opgepakt en zonder dat het causaal verband tussen het ongeval en de schade vaststond, er voor gezorgd dat [verzoekster] hulp kreeg bij het huishouden en voorschotten betaald op de schade. Zoals hiervoor is overwogen heeft ASR zich vervolgens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nader onderzoek nodig was. Onderzoek naar de toedracht van het ongeval, het Delta-V onderzoek en naar de door de medisch deskundige gevraagde gegevens van de huisarts. De uitkomst van het Delta V onderzoek was voor ASR een bevestiging van het vermoeden van haar medisch deskundige dat de geringe impact van het ongeval de ernstige klachten niet konden verklaren. Onder die omstandigheden had het op de weg van [verzoekster] gelegen om die twijfel weg te nemen, bijvoorbeeld door relevante medische informatie te verstrekken of door in een voorlopig deskundigenbericht een onderzoek door een onafhankelijk medisch deskundige te verzoeken. Een dergelijk onderzoek is alleen zinvol als de deskundige over alle relevante medische informatie beschikt. Uit de correspondentie tussen ASR en (de advocaat van) [verzoekster] blijkt echter dat [verzoekster] op voorhand heeft gezegd dat de gevraagde informatie van de huisarts niet zal worden verstrekt.

3.12.

 

Op grond van het voorgaande zal het verzoek tot toekenning van een nader voorschot worden afgewezen.

 

De vergoeding van de buitengerechtelijke kosten

3.13.

 

De advocaat heeft drie facturen naar ASR gestuurd. De eerste factuur van € 2.450,91 heeft ASR betaald. De declaratie van 7 februari van 2019 van € 3.482,97 en van 7 juni 2019 van € 4.616,30 zijn niet betaald.

3.14.

 

Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke kosten die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen, worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij, voor zover het redelijk en noodzakelijk was daarvoor deskundige bijstand in te roepen en de daarvoor gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets).

3.15.

 

Aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan. Bij letselschade is het in het algemeen redelijk om deskundige rechtsbijstand in te roepen. Dat is ook niet in geschil.

3.16.

 

Bij de beoordeling van de vraag of de hoogte van de kosten redelijk is, is in de jurisprudentie het uitgangspunt dat het enkele feit dat de schade nog niet vaststaat, of als uiteindelijk komt vast te staan dat de geleden schaden beperkt is, op zichzelf geen reden is om in redelijkheid gemaakte kosten niet te vergoeden. (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 maart 2015 ECLI:NL:HR 2015:586). In letselschadezaken betekent dit uitgangspunt dat, ook al staat de omvang van de schade niet vast en/of is de aansprakelijke partij van mening dat de uiteindelijke schade beperkt zal zijn, dit op zichzelf geen reden is om te weigeren voorschotten te betalen op de buitengerechtelijke kosten, zelfs als dit bedrag meer is dan de uiteindelijke schade. De reden hiervan is dat de benadeelde de (financiële) mogelijkheid moet hebben zijn of haar schade te verhalen en het niet redelijk is dat de benadeelde dit gedeelte van de schade zou moeten voorfinancieren.

3.17.

 

Deze jurisprudentie doet echter niets af aan de eis dat de omvang van de gemaakte kosten redelijk dient te zijn. Alleen de kosten waarvan het redelijk is dat die in de gegeven omstandigheden zijn gemaakt moeten door de aansprakelijke partij worden vergoed.

3.18.

 

Bij de vraag of de gedeclareerde kosten redelijk zijn speelt verder het volgende. In het algemeen wordt in letselschadezaken op basis van het aantal gewerkte uren bij de verzekeraar gedeclareerd. Een advocaat heeft een grote mate van vrijheid bij de inrichting en de omvang van de werkzaamheden ten behoeve van zijn of haar cliënt. De cliënt en advocaat zijn ook vrij om een bepaald tarief overeen te komen. Maar als de benadeelde verlangt dat de aansprakelijke partij deze kosten van de rechtsbijstand betaalt mag verwacht worden dat de benadeelde en diens professionele belangenbehartiger ook rekening houden met het belang van de aansprakelijke partij door er voor te zorgen dat de kosten binnen de grenzen van de redelijkheid blijven. Het gaat er niet om of de belangbehartiger alle gedeclareerde werkzaamheden werkelijk heeft verricht, maar om de vraag of het redelijk is dat de kosten daarvan in volle omvang voor rekening van de aansprakelijke partij komen. Eén van de aspecten die daarbij een rol kan spelen is de vraag of de kosten van rechtsbijstand in een aanvaardbare verhouding staan tot de hoogte van de schade. Ook de houding of een gebrek aan medewerking van de aansprakelijke partij kan een rol spelen.

3.19.

 

De advocaat van [verzoekster] heeft bij de facturen een gedetailleerd overzicht gegeven van de verrichte werkzaamheden, waarin de aard van de werkzaamheden tot op de minuut nauwkeurig zijn gespecificeerd, maar dat wil niet zeggen dat al deze werkzaamheden noodzakelijk waren voor het vaststellen van de schade en/of dat het voor al deze werkzaamheden (elke e-mail, gesprek, opvragen van stukken etc.) redelijk is om te verwachten dat ASR deze werkzaamheden (tegen het gehanteerde uurtarief van een specialist) vergoedt. In het verweerschrift is ASR gedetailleerd ingegaan op de gedeclareerde werkzaamheden. De rechtbank ziet echter onvoldoende reden om in het kader van deze deelgeschilprocedure de gefactureerde bedragen tot in detail te beoordelen. Het gaat hier niet om een (bodem)procedure waarin betaling van facturen wordt gevorderd. De rechtbank zal daarom volstaan met een globale beoordeling van de declaraties. [verzoekster] heeft naar aanleiding van het verweer van ASR toegelicht dat een huisbezoek is afgelegd, dat stukken zijn verzameld en dat een schadestaat is opgesteld. Uit de facturen en de stukken leidt de rechtbank af dat de advocaat van [verzoekster] aanwezig is geweest bij het huisbezoek op 28 januari 2019 en bij het interview dat onderzoeksbureau [onderneming 3] op 22 maart 2019 met [verzoekster] heeft gevoerd over de toedracht van het ongeval. Voor deze besprekingen zijn (inclusief reistijd en nabespreking met [verzoekster] ) in totaal zes uur in rekening gebracht. Het is redelijk dat deze uren worden vergoed. De tijd die is besteed aan correspondentie naar aanleiding van de besprekingen, het opvragen van stukken en het opstellen van de schadestaat komt ook voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarvoor een tijdsbesteding van in totaal zes uur rekenen. Dit komt neer op een totale tijdsbesteding van 12 uur. Ook de nota’s van de behandelaars voor het verstrekken van informatie van in totaal € 129,51 komen voor vergoeding in aanmerking.

3.20.

 

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de redelijke kosten die bij de globale beoordeling in dit deelgeschil kunnen worden vastgesteld begroten op een bedrag van in totaal € 3.396,51 (12 uur a € 225,00 plus 21% btw voor kosten rechtsbijstand en € 129,51 informatiekosten). Daarbij is uitgegaan van een uurtarief van € 225,00. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat het uurtarief moet worden verhoogd met 6% kantoorkosten.

 

slotsom

3.21.

 

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de rechtbank bij deze voorlopige beoordeling zal bepalen dat ASR een bedrag van € 3.396,51 inclusief btw voor kosten rechtsbijstand moet betalen en, indien [verzoekster] een medisch adviseur inschakelt, de redelijke kosten van deze medisch adviseur moet vergoeden.

 

kosten deelgeschil

3.22.

 

[verzoekster] vordert een bedrag van € 6.936 als kosten van het deelgeschil (24 uur tegen een tarief van € 289,00)

3.23.

 

De rechtbank is het niet eens met ASR dat de begroting van de kosten achterwege moet blijven. De rechtbank ziet wel aanleiding het aantal bestede uren te matigen. Daarbij is in aanmerking genomen dat een belangrijk doel van het deelgeschil was om ASR er toe bewegen een arbeidsdeskundige te benoemen. Bij het indienen van het verzoekschrift had het echter al duidelijk moeten zijn dat een dergelijk verzoek geen kans van slagen had bij de huidige stand van zaken, omdat er geen duidelijkheid is over de voor een arbeidsdeskundig onderzoek benodigde mate waarin [verzoekster] als gevolg van het ongeval beperkt is om te werken. De tijd voor dat gedeelte van het verzoek is dan ook niet redelijkerwijs besteed. Voor het overige bevat het verzoek grotendeels een weergave van het verloop van de schadebehandeling en zijn de verzoeken in algemene termen gesteld en summier onderbouwd. Dat rechtvaardigt niet een tijdsbesteding van 24 uur tegen een specialistentarief van € 289,00. De rechtbank matigt de tijdsbesteding tot 12 uur en het tarief tot € 225,00. Dat betekent dat als kosten voor het deelgeschil een bedrag van € 2.700,00 exclusief btw en € 297,00 voor griffierecht zal worden toegewezen. In totaal dus een bedrag van € 3.564,00 inclusief btw.

4 De beslissing

 

De rechtbank

4.1.

 

veroordeelt ASR tot betaling van een bedrag van € 3.396,51 inclusief btw als kosten voor rechtsbijstand,

4.2.

 

bepaalt dat als [verzoekster] een medisch adviseur inschakelt ASR de redelijke kosten daarvan moet vergoeden,

4.3.

 

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.564,00 inclusief btw en veroordeelt ASR tot betaling daarvan,

4.4.

 

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2020

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey