Rb, deelgeschil: beperkingen onvoldoende aannemelijk, vanwege onderpresteren en onvoldoende gegevens

Samenvatting:

Ongeval 2003. Benadeelde verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat verhouden zal zijn tot vergoeding van het verlies verdienvermogen (€ 756.649,-). 1. De rechtbank oordeelt dat het op grond van de expertises die zijn verricht voldoende aannemelijk is dat er beperkingen zijn die door het ongeval zijn veroorzaakt. Dit geldt echter niet voor alle gestelde beperkingen. Immers de resultaten van de symptoomvaliditeitstesten wijzen er op dat er reden is om aan te nemen dat benadeelde niet altijd naar kunnen heeft gepresteerd waardoor de testresultaten van niet alle expertises geheel betrouwbaar zijn. Daarnaast is onvoldoende informatie bekend over de ernst van de beperkingen. Er is geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek waaruit de beperkingen precies blijken en daarbij komt dat het UWV heeft aangegeven dat benadeelde 4 uur per dag arbeid kan verrichten. Verzoek afgewezen. 2. Kosten deelgeschil: € 4.083,-; gevorderd € 6.439,72; uurtarief € 225,-.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestinunmer: C/16/447446 / HA RK 17-227

Beschikking van 7 februari 2018

in de zaak van

{VERZ],

wonende te Rotterdam,

verzoekster,

advocaat tnr. A.J. van der Kolk te Zwolle,

tegen

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V., verweerster,

advocaat mr. M.M. Klunder te Ermelo.

  1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het verzoekschrift

– het verweerschrift

– de mondelinge behandeling op 12 december 2017.

  1. De feiten

2.1.      {VERZ] is op 24 maart 2003 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Zij reed op de fiets toen zij werd aangereden door een auto. Zij heeft als gevolg van het ongeval diverse schedel- en aangezichtsfracturen opgelopen.

2.2.      ASR heeft aansprakelijkheid van haar verzekerde voor het ongeval erkend.

2.3.      {VERZ] is ten tijde van het ongeval kledingontwerpster/junior styliste bij WE-

Wonen. In overleg met de arbo-arts probeert zij haar werkzaamheden na het ongeval weer te hervatten, maar dit lukt niet. Vanaf 19 mei 2004 ontvangt zij een Ziektewet-uitkering. Op 19 juli 2006 heeft {VERZ] een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Het verlies aan verdiencapaciteit is door het UWV vastgesteld op 0%. Zij komt daarom niet in aanmerking voor een WIA-uitkering.

 

2.4.         Tegen deze beslissing heeft {VERZ] bezwaar gemaakt. Er heeft een herbeoordeling

plaatsgevonden door een bezwaarverzekeringsarts. Deze heeft geoordeeld dat er geen reden is om {VERZ] op medische gronden volledig arbeidsongeschikt te achten. Wel wordt geoordeeld dat haar duurbelasting maximaal 4 uur per dag is. Vanaf 14 september 2006 ontvangt {VERZ] een WGA-uitkering.

2.5.         Er hebben een neurologische, neuropsychologische en een psychiatrische expertise

plaatsgevonden. Op 17 juli 2006 heeft neuroloog Beijersbergen een medische expertise verricht. In het rapport staat onder meer het volgende vermeld:

“Vraag 1: Wilt ir op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven:

  1. Waaruit de restklachten en/of restverschijnselen bestaan die op medische gronden redelijkerwijs als ongevalsgevolg moeten warden beschouwd?

Antwoord:

Voor een bepaling van de restklachten en restverschijnselen in het kader van het haar overkomen ongeval volgen wij de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie en wel hoofdstuk 4, paragraaf B: “Het chronische Iaat postwhiplashsyndroom”. Wij zijn op grond van de voorliggende gegevens, van mening, dat de aard van het ongeval en de klachten van betrokkene voldoen aan de vereiste voorwaarden om tot deze diagnose te komen. De restklachten en restverschijnselen bestaande uit verminderde belastbaarheid van nek en schoudergordel met hoofdpijn gepaard gaande en nevenschikkende cognitieve en vegetatieve problemen moeten ons inziens beschouwd moeten warden als gevolg van hei haar overkomen ongeval en typerend voor het chronische late postwhiplashsyndroom.

Vraag 4: In hoeverre is er op uw vakgebied sprake van lichamelijke beperkingen als gevolg van het ongeval in het algemeen? (…)

Antwoord: Globaal kunnen wij de volgende beperkingen vaststellen:

Gezien de door ons gestelde diagnose en de vastgestelde klachten daaruit voortvloeiende zijn er op functioneel terrein de volgende beperkingen. Op somatisch gebied wordt betrokkene matig beperkt belastbaar geacht ten aanzien van nek- en schouderbelastende werkzaamheden, zoals klimmen, Manieren, kruipen, langdurig gebogen zitten of slaan en fors torderen. Daarnaast is het gebruik van de nek in een statisch belastende en vooral van de neutrale stand afwijkende houding matig beperkt. Met name het omhoogkijken is beperkt. Dit geeft derhalve ook beperkingen bij reiken en bovenhands werken. Daarnaast zijn er beperkingen bij zwaarder tillen, duwen, trekken en dragen.

Daar stresserende omstandigheden een negatieve invloed hebben op de nek en schoudergordel, dient er ook geen sprake te zijn van een hoge werk- of tijdsdruk. Incidenteel is dit geen bezwaar.

In zijn algemeenheid is er dus een beperking in de duurbelasting van de nek en schoudergordel.

Gezien de neuropsychologische klachten gaan wij ervan uit, dat er inderdaad lichte beperkingen zijn van algemene aard op cognitief terrein.(…)

Het moge duidelijk zijn dat deze beperkingen invloed hebben op vrijwel alle aspecten van het leven.

Op terrein van de arbeid zijn de klachten van betrokkene uitermate hinderlijk mei name in haar beroep van ontwerper gezien de houding waarin betrokkene moet werken en de handvaardigheid die zij daarbij moet tonen.

(-)”

 

2.6.      Op 4 februari 2009 heeft een expertise plaatsgevonden door neuropsycholoog

  1. Bruijns. In de conclusie van het rapport staat onder meer het volgende vermeld:

“Er werd wegens een zeer beperkte belastbaarheid, een beperkt neuropsychologisch onderzoek uitgevoerd bij mevrouw Jansen, die op verzoek van Medisch Bureau Wolthuis op 4 en 27 februari werd gezien in het kader van een letselschadezaak.

Het neuropsychologisch onderzoek is erop gericht te meten (objectiveren) of betrokkene tengevolge van dit ongeval neuropsychologische stoornissen heeft opgelopen. Echter de cognitieve functies kunnen niet valide en dus niet betrouwbaar in kaart kunnen worden gebracht, op basis van twee positieve symptoom validiteitstests. Beantwoording van deze vraagstelling is hierdoor momenteel niet mogelijk.

Ondergetekende haar conclusie is vooralsnog dat betrokkene tengevolge van pijn- en vermoeidheidsklachten en daarbij horende cognitieve klachten is vastgelopen, en zij heeft dit niet goed kunnen verwerken.

Uiteraard staat vast dat zij een relatief ernstig ongeval heeft doorgemaakt, maar de gevolgen hiervan op neuropsychologisch gebied presenteert zij dermate ernstig dat dit niet in verhouding staat tot wat normaal gevonden wordt bij een groep mensen die tengevolge van een ongeval zeer ernstig hersenletsel hebben opgelopen.”

2.7.      Op 31 maart 2010 heeft een expertise plaatsgevonden door psychiater J. Huisman.

In het rapport staat onder meer het volgende vermeld:

“Vraag 2

Welke daarvan kunnen aan het ongeval worden toegeschreven?

Uit de anamnese, heteroanamnese (partner) en het dossier is duidelijk geworden dat er geen aanwijzingen zijn dat betrokkene voor het ongeval in 2003 minder goed functioneerde en er geen aanwijzingen zijn dat er sprake was van een pre-existenie aandoening..Premorbide was voor het ongeval sprake van enkele petfectionistische persoonlijkheidsaspecten, echter absoluut niet op stoornisniveau. Het betekent dat de beschreven klachten, symptomen en de door betrokkene weergegeven beperkingen gerelateerd dienen te worden aan het ongeval.”

2.8.      Door de neuroloog wordt een percentage van 4% blijvende invaliditeit toegekend,

door psychiater Huisman een percentage van 10%.

2.9.      Partijen hebben besprekingen gevoerd over de schadeafwikkeling, maar zijn hier

niet uitgekomen.

  1. Het deelgeschil

3.1.      {VERZ] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat ASR gehouden zal zijn

tot vergoeding van de door {VERZ] ter zake van het verlies verdienvermogen geleden schade en deze te bepalen op een bedrag van E 756.649,00. Daarnaast verzoekt zij de kosten van de deelgeschilprocedure te begroten op een bedrag van E 6.439,72 en ASR te veroordelen tot betaling daarvan.

 

3.2.       {VERZ] legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Partijen verschillen van

mening over het carrièreverloop in een hypothetische situatie zonder ongeval. Zij stelt dat zij in ieder geval senior ontwerpster/designer zou zijn geworden voor een salaris van E 3.573,00 en tot de pensioengerechtigde leeftijd voltijds gewerkt zou hebben. {VERZ] acht het redelijk dat het verlies verdienvermogen wordt vastgesteld op E 756.649,00.

3.3.       ASR heeft verweer gevoerd. Zij stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek

zich niet leent voor behandeling in een deelgeschil. Zij is van mening dat de door {VERZ] gevraagde beslissing onvoldoende zal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst aangezien tussen partijen verschil van mening is over de causaliteit tussen de gestelde klachten en het ongeval en de aanwezigheid van beperkingen. Voordat het verlies van verdienvermogen vastgesteld kan worden, zullen eerst de causaliteit alsmede de eventuele beperkingen van {VERZ] vastgesteld moeten worden.

Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat {VERZ] onvoldoende bewijs heeft geleverd ten aanzien van de gestelde klachten, de eventuele beperkingen en het verband tussen die eventuele beperkingen en het ongeval en haar stellingen ten aanzien van haar carrièreverloop in de hypothetische situatie zonder het ongeval. Het staat niet vast dat de klachten van {VERZ] reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Doordat twee symptoomvaliditeitstesten een positief resultaat hebben, is niet komen vast te staan dat er stoornissen zijn. Het staat niet vast dat {VERZ] beperkt is voor het uitvoeren van inkomensvormende arbeid. Evenmin staat vast dat er sprake is van schade als gevolg van verlies van het arbeidsvermogen. ASR betwist dat deze schade er is. Zelfs als dit wel vast komt te staan, dan heeft {VERZ] niet aangetoond dat zij in de hypothetische situatie zonder het ongeval senior designer/ontwerpster zou zijn geworden voor een salaris van 3.573,00 per maand en tot de pensioengerechtigde leeftijd voltijds gewerkt zou hebben.

  1. De beoordeling

4.1.       In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor

behandeling in een deelgeschilprocedure. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van de minnelijke regeling. Gelet daarop dient de rechtbank te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst dan wel, indien dat niet het geval is, of het verzoek moet worden afgewezen. Geschilpunt in deze zaak is niet alleen wat de schade is als gevolg van verlies van liet arbeidsvermogen, maar ook de arbeidsongeschiktheid en de causaliteit tussen de gestelde klachten van {VERZ] en het ongeval zijn door ASR ter discussie gesteld. De rechtbank is van oordeel dat ASR haar rechten om op deze punten terug te komen niet heeft verwerkt. De rechtbank is van oordeel dat dit geschil binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv valt. Met een oordeel over dit geschilpunt kan de ontstane impasse tussen partijen in beginsel worden doorbroken en zouden de onderhandelingen in principe kunnen worden voortgezet. {VERZ] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.

4.2.       Voor toewijzing van de verklaring voor recht zoals door {VERZ] is gevorderd,

dient voldoende aannemelijk te worden dat {VERZ] als gevolg van de beperkingen die zij stelt door het ongeval te hebben geleden, een inkomensverlies lijdt van ruim € 750.000,00, waarbij ervan wordt uitgegaan dat zij tot de pensioengerechtigde leeftijd voltijds als senior designer zou hebben gewerkt. De beperkingen en het inkomensverlies worden in beginsel

 

vastgesteld door de verzekeringsgeneeskundige. Wat voor werkzaamheden zij nog zou kunnen doen wordt beoordeeld door de arbeidsdeskundige.

4.3.      Er zijn verscheidene expertises verricht. De neuroloog heeft vastgesteld dat de

beperkingen ongeval gerelateerd zijn en er geen indicatie is dat de beperkingen zouden zijn ontstaan zonder ongeval. De neuroloog heeft geoordeeld dat de klachten niet in verhouding staat tot wat normaal is bij dit soort letsel. De psychiater komt tot de conclusie dat de klachten wel in causaal verband staan tot het ongeval.

4.4.      Op grond van de expertises die in deze zaak zijn verricht is het voldoende

aannemelijk dat er beperkingen zijn die door het ongeval zijn veroorzaakt. Dit geldt echter niet voor alle gestelde beperkingen. Immers de resultaten van de symptoomvaliditeitstesten wijzen er op dat er reden is om aan te nemen dat {VERZ] niet altijd naar kunnen heeft gepresteerd waardoor de testresultaten van niet alle expertises geheel betrouwbaar zijn. Daarnaast is onvoldoende informatie bekend over de ernst van de beperkingen en over de vraag of {VERZ] in het geheel geen loonvormende arbeid kan verrichten. Er is geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek waaruit de beperkingen precies blijken en daarbij komt dat het UWV heeft aangegeven dat {VERZ] 4 uur per dag arbeid kan verrichten.

4.5.      Daarnaast is geen arbeidsdeskundig onderzoek verricht en is derhalve niet

onderzocht welke loonvormende arbeid {VERZ] nog kan doen en wat zij zou kunnen verdienen als senior designer. Er is geen onderzoek verricht naar haar individuele carrièreverloop, alleen een deskundigenonderzoek dat is gericht op de gemiddelde afgestudeerde van de opleiding die {VERZ] gevolgd heeft. {VERZ] heeft zelf onderzoek gedaan naar functies die haar medestudiegenoten zijn gaan doen en het bijbehorende salaris. Voor een toewijzend verzoek zijn echter nadere gegevens nodig. Voor nader onderzoek is echter in het kader van dit deelgeschil geen ruimte.

4.6.      Gelet op het vorenstaande kan op dit moment (nog) niet worden vastgesteld dat aan

alle voorwaarden is voldaan om tot toewijzing van het verzochte zoals beschreven onder punt 4.2 te komen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.7.      De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de

procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.8.      Nu geen sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht verzoek en de

aansprakelijkheid vaststaat dienen de kosten te worden begroot en dient ASR tot betaling daarvan te worden veroordeeld. ASR voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is, terwijl zij met betrekking tot het uurtarief aanvoert dat het bovenmatig is. Zij heeft een berekening voorgesteld op basis van 15 uur totaal tegen een uurtarief van E 225,00 exclusief BTW, hetgeen totaal op een bedrag van E 4.083,00 neerkomt. Nu {VERZ] dit bedrag niet heeft betwist, zal de rechtbank uitgaan van dit bedrag, te vermeerderen met het griffierecht.

 

  1. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzochte af;

begroot de kosten van dit deelgeschil op C 4.083,00 te vermeerderen niet 1.545,00 aan griffierecht en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan {VERZ].

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2018.

 

Beschikking 7 februari 2018 Rechtbank Midden-Nederland

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots