Rb, deelgeschil: werkgever niet aansprakelijk voor val werkneemster van afstapje

Samenvatting:

Schoonmaakster mist tijdens werkzaamheden een afstapje, waardoor zij ten val komt. Zij stelt haar werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW. 1. De kantonrechter overweegt dat van een werknemer mag worden verlangd enige oplettendheid te betrachten tijdens de uitvoering van diens werkzaamheden. Een moment van onoplettendheid kan niet zonder meer kan worden afgewenteld op de werkgever. De kantonrechter is van oordeel dat het opstapje voldoende kenbaar was en de werkgever in verband daarmee geen bijzondere zorgplicht had, zodat een zorgplichtschending niet aan de orde is. 2. Kosten deelgeschil begroot op € 3.890,50.

ECLI:NL:RBDHA:2018:16010

Uitspraak delen

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

28-11-2018

Datum publicatie

12-03-2019

Zaaknummer

7082268 RP VERZ 18-50408

Rechtsgebieden

Burgerlijk procesrecht

Bijzondere kenmerken

Beschikking

Inhoudsindicatie

Letsel. Deelgeschil. Zorgplicht werkgever. Aanwezigheid opstapje voldoende duidelijk. Val door onoplettendheid werknemer.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

 

CK

Zaak-/rolnummer: 7082268 RP VERZ 18-50408

28 november 2018

 

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

 

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. C. van Scherpenzeel,

 

tegen

 

1

ESIC Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende Delft,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. H van Katwijk,

 

en

 

2

Reaal Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Alkmaar,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. H van Katwijk.

 

Partijen worden aangeduid als [verzoekster] enerzijds en ESIC en Reaal anderzijds.

 

1

Procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met producties, ter griffie ingekomen op 19 juli 2018;

het op 26 september 2018 ingekomen verweerschrift, met producties.

1.2.

Op 3 oktober 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: [verzoekster] in persoon bijgestaan door de gemachtigde voornoemd, alsmede [betrokkene] namens ESIC bijgestaan door de gemachtigde voornoemd en namens Reaal de gemachtigde voornoemd.

 

1.3.

Aansluitend is een datum voor de uitspraak bepaald.

 

2

De feiten

 

2.1.

Op 26 januari 2015 heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij [verzoekster] letsel heeft opgelopen.

 

2.2.

[verzoekster] was op de dag van het ongeval in dienst bij ESIC en verrichtte schoonmaakwerkzaamheden in een gezondheidscentrum in Den Haag. [verzoekster] heeft tijdens het verrichten van deze werkzaamheden een afstapje gemist waardoor zij is gevallen. De dochter van [verzoekster] heeft haar vervolgens naar de huisartsenpost gebracht.

 

2.3.

Uit de medische informatie is gebleken dat [verzoekster] door de val een scheur in haar rechter oorlel heeft opgelopen en een pees heeft gescheurd waardoor zij schouderklachten ervaart.

 

2.4.

Reaal heeft de aansprakelijkheid (meermalen) afgewezen.

 

3

Het geschil

 

3.1.

[verzoekster] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat ESIC aansprakelijk is jegens [verzoekster] voor de ten gevolge van het ongeval van 26 januari 2015 geleden en nog te lijden schade, dat Reaal op grond van artikel 7:954 BW gehouden is de schade aan [verzoekster] te vergoeden, met begroting van de kosten op

€ 4.860,60.

 

3.2.

[verzoekster] heeft aan haar verzoek artikel 7:658 BW ten grondslag gelegd stellende dat ESIC niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. De omgeving waarin zij werkte was niet veilig omdat er geen duidelijk instructies zijn gegeven, geen veiligheidsschoeisel is verstrekt en er geen toezicht is gehouden op het naleven van de (veiligheids)instructies, aldus [verzoekster] .

 

3.3.

ESIC heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat op basis van de huidige gegeven niet tot aansprakelijkheid kan worden geconcludeerd en nader onderzoek naar de feiten noodzakelijk is. Verder heeft ESIC aangevoerd dat zij haar zorgplicht is nagekomen. Het opstapje is goed waarneembaar en het schoeisel houdt geen verband met de val. [verzoekster] is gevallen doordat zij niet heeft opgelet, aldus ESIC.

 

4

De beoordeling

 

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat zowel een formele als een materiële werkgever moet zorgdragen voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer. Welke (veiligheids)maatregelen van de werkgever mogen worden verlangd hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij als uitgangspunt geldt dat de werkgever rekening moet houden met het ervaringsfeit dat werknemers niet altijd de noodzakelijke voorzichtigheid zullen betrachten.

 

4.2.

De kantonrechter is van oordeel dat ESIC de op haar rustende zorgplicht niet heeft geschonden. Daartoe is het volgende redengevend.

 

4.3.

ESIC heeft [verzoekster] te werk gesteld in een voor ieder toegankelijk kantoorpand dat voldoet aan de veiligheidseisen. Uit het overgelegde beeldmateriaal blijkt dat het opstapje met een (zeer donkere) contrasterende kleur vloerbedekking is bekleed ten opzichte van de lager gelegen (lichtgekleurde) vloer. Daarmee wordt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk voor de aanwezigheid van het opstapje gewaarschuwd. Dat na het [verzoekster] overkomen ongeval ter hoogte van het afstapje een hekje is geplaatst, maakt dit oordeel niet anders. Ook zonder de aanwezigheid van het hekje en het achterwege laten van extra mondelinge waarschuwingen acht de kantonrechter het een voor werknemers voldoende kenbare situatie. Niet gebleken is dat het hekje is geplaatst naar aanleiding van de val van [verzoekster] . Uit de in het geding gebrachte foto’s lijkt veeleer dat het hekje is geplaatst ten behoeve van de receptioniste. Het hekje is geplaatst ter hoogte van de stoel van de receptioniste en een dicht bij het afstapje geplaatst ladeblok. Kennelijk is het hekje bedoeld om te voorkomen dat de receptioniste de stoel te ver naar achteren rolt en daarmee met stoel en al van het afstapje valt. Voor de receptioniste, die met haar rug naar het afstapje zit, is het kleurcontrast een onvoldoende waarschuwing, mede omdat zij op basis daarvan niet kan inschatten hoe ver ze met haar stoel naar achteren kan rollen. Dat geldt niet voor [verzoekster] die bezig was met schoonmaakwerkzaamheden en voor wie het kleurcontrast wel een voldoende waarschuwing vormde.

 

4.4.

De stelling van [verzoekster] dat ESIC haar zorgplicht heeft geschonden omdat zij aan [verzoekster] geen instructies heeft verstrekt over geschikt en ongeschikt schoeisel voor de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden, deelt de kantonrechter niet omdat niet gebleken is dat speciaal schoeisel de val had kunnen voorkomen. Gesteld noch gebleken is dat ter plaatse zodanige materialen zijn gebruikt dat veiligheidsschoenen nodig waren. Het betreft een ruimte waar een receptioniste werkt, zodat niet valt in te zien dat aldaar veiligheidsschoeisel gedragen dient te worden. Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat ze tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden “geen erg meer had in dat randje”. Deze onoplettendheid houdt geen enkel verband met het schoeisel dat zij de dag van het ongeval droeg.

 

4.5.

De kantonrechter overweegt dat van een werknemer, derhalve ook van [verzoekster] , mag worden verlangd enige oplettendheid te betrachten tijdens de uitvoering van diens werkzaamheden. Een moment van onoplettendheid kan niet zonder meer kan worden afgewenteld op de werkgever stellende dat deze de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden. De zorgplicht van de werkgever is niet onbegrensd, zoals ESIC ook terecht heeft aangevoerd. De kantonrechter is in dit geval dan ook van oordeel dat het opstapje voldoende kenbaar was en ESIC in verband daarmee geen bijzondere zorgplicht had, zodat een zorgplichtschending niet aan de orde is. Hoewel de kantonrechter zich realiseert dat [verzoekster] een vervelend ongeval is overkomen, kan ESIC als werkgever daarvoor niet aansprakelijk worden gehouden.

 

4.6.

Het voorgaande in acht genomen zal het verzoek van [verzoekster] worden afgewezen.

 

Kosten deelgeschil

 

4.7.

Ingevolge artikel 1019aa Rv dient de kantonrechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door letsel lijdt te begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12).

 

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde procedure geen sprake is aangezien partijen belang hebben bij duidelijkheid over de aansprakelijkheidsvraag. Er zal worden overgaan tot begroting van de kosten.

 

4.9.

De gemachtigde van [verzoekster] , mr. Van Scherpenzeel, heeft verzocht de kosten te begroten op € 4.648,60 bestaande uit de volgende bedragen. Een bedrag van € 4.569,60 waarbij is uitgegaan van 14 uur tegen een uurtarief van € 255,00, met 7% kantoorkosten en 21% btw. Dit bedrag dient nog vermeerderd te worden met het betaalde griffierecht van € 79,00.

 

4.10.

ESIC c.s. heeft bezwaar gemaakt tegen het uurtarief. Zij heeft daartoe – kortweg – aangevoerd dat het uurtarief in een procedure als de onderhavige, ook gelet op aard van de zaak, ongebruikelijk hoog is. ESIC c.s. verzet zich voorts tegen de verzochte kantoorkosten. Zij zijn bereid uit te gaan van een uurtarief van € 225,00 inclusief kantoorkosten en exclusief btw, zodat deze begroot kan worden op € 3.811,50. Hierop heeft mr. Van Scherpenzeel verder niet meer gereageerd.

 

4.11.

De kantonrechter acht het door mr. Van Scherpenzeel gehanteerde uurtarief, voor een particuliere cliënt in een niet complexe zaak als deze en mede in het licht van het aantal bestede uren, bovenmatig en zal het uurtarief vaststellen zoals voorgesteld door ESIC c.s. De kantonrechter begroot de kosten dan ook op een bedrag van € 3.811,50 (14 uren x € 225,00 x 21% btw), te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 79,00, zijnde derhalve in totaal een bedrag van € 3.890,50.

 

4.12.

Aangezien de aansprakelijkheid van ESIC voor de gevolgen van het [verzoekster] overkomen ongeval niet vast staat, is de verzochte veroordeling van ESIC tot voldoening van deze kosten niet toewijsbaar. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat het begrote bedrag uitsluitend verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van ESIC alsnog in rechte komt vast te staan.

 

5

Beslissing

 

De kantonrechter:

 

5.1.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 3.890,50 (inclusief kantoorkosten, btw en griffierecht);

 

5.2.

wijst af het meer of anders verzochte.

 

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey