Rb, deelgeschil: werkgever aansprakelijk voor stroomschok door losse kabel in airco-installatie

Samenvatting:

Werknemer krijgt stroomschok als gevolg van losse kabel in airco-installatie.1. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever zijn zorgplicht ex art 7: 658 BW heeft geschonden vanwege de bekendheid met de gevaarlijke situatie en gebrek aan controle en het onvoldoende nemen van veiligheidsmaatregelen. 3. Kosten deelgeschil: € 5.388,95 (gevorderd: € 8.161,67): aantal uren teruggebracht van 23,9 tot 18.

 

ECLI:NL:RBGEL:2017:6946

 

Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

28-04-2017

Datum publicatie

31-08-2018

Zaaknummer

5418160

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil ex art. 1019w Rv.: stroomschok vanwege losse kabel in de airco-installatie, schending zorgplicht werkgever ex artikel 7:658 BW in verband met bekendheid werkgever gevaarlijke situatie en gebrek aan controle door werkgever en onvoldoende veiligheidsmaatregelen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

beschikking

 

RECHTBANK GELDERLAND

 

Team kanton en handelsrecht

 

Zittingsplaats Nijmegen

 

zaakgegevens 5418160 \ AZ VERZ 16-52 \ 493 \ 588

 

uitspraak van 28 april 2017

 

beschikking

 

in de zaak van

 

[verzoekende partij]

 

wonende te [woonplaats]

 

gemachtigde mr. J. van de Klashorst

 

verzoekende partij

 

en

1 de besloten vennootschap

 

[verwerende partij sub 1] B.V.

 

gevestigd te Tiel

 

gemachtigde mr. R.H.J. Wildenburg

 

  1. de naamloze vennootschap

 

Achmea Schadeverzekering N.V.

 

gevestigd te Apeldoorn

 

gemachtigde mr. R.H.J. Wildenburg

 

verwerende partijen

 

Verzoekende partij wordt hierna [verzoekende partij] genoemd. Verwerende partijen worden hierna gezamenlijk [verwerende partij sub 1] c.s. en afzonderlijk [verwerende partij sub 1] en Achmea genoemd.

1 De procedure

1.1.

 

Het procesverloop:

 

– het verzoekschrift met producties is ingekomen op 6 oktober 2016

 

– het verweerschrift met producties is ingekomen op 11 januari 2017

 

– de gemachtigde van [verzoekende partij] heeft bij brief van 10 januari 2017 productie 9

 

toegezonden

 

– de gemachtigde van [verwerende partij sub 1] c.s. heeft bij brief van 13 februari 2017 productie

 

5 toegezonden

 

– de mondelinge behandeling is gehouden op 24 maart 2017. Verschenen zijn de heer

 

[verzoekende partij] , mr. Van de Klashorst voornoemd en mr. S.C. Fijen, kantoorgenoot,

 

de heer [werknemer a] , werkzaam als controller/ veiligheidscoördinator bij [verwerende partij sub 1]

 

, mevrouw [werknemer b] , werkzaam bij Achmea en mr. Wildenburg

 

voornoemd. De gemachtigde van [verzoekende partij] heeft het standpunt van zijn cliënt aan de hand

 

van een pleitnotitie uiteengezet.

1.1.

 

Hierna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

 

[verwerende partij sub 1] is een bedrijf dat technische installaties verzorgt, met name op het gebied van warmte- en koudetechniek.

2.2.

 

[verzoekende partij] is op 1 september 2006 in dienst getreden bij [verwerende partij sub 1] als

 

1e Servicemonteur. In de functieomschrijving staat bij taakomschrijving onder meer:

 

“Overwegend technische functie, gericht op onderhoud en service van koudetechnische installaties alsmede het opheffen van storingen. Hierbij spelen aspecten van veiligheid en kwaliteit een belangrijke rol.”

2.3.

 

In het door [verwerende partij sub 1] gehanteerde Handboek Veiligheid staat onder meer:

 

“9. Persoonlijke bescherming

 

Bij het verrichten van werkzaamheden dienen alle betrokken medewerkers te worden beschermd. Naast de standaard persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals kleding en schoenen, zullen, afhankelijk van de werkzaamheden, andere P.B.M. ter beschikking worden gesteld (helm, rubberen handschoenen en mat, gelaatsscherm etc.), dan wel door medewerkers worden aangeschaft en vergoed.”

2.4.

 

In februari 2010 heeft [verwerende partij sub 1] van het Marriott Hotel in Amsterdam de opdracht gekregen om airco-installaties te plaatsen, te installeren en in werking te stellen (het koeltechnisch installeren). De elektrotechnische installatie van de airco’s – het aanbrengen en aansluiten van de elektrische bekabeling in de airco units – heeft het Marriott Hotel uitbesteed aan het Duitse bedrijf MJD GmbH (hierna: MJD).

2.5.

 

Op 25 februari 2010 is [verzoekende partij] begonnen met zijn werkzaamheden voor

 

[verwerende partij sub 1] in het Marriott hotel. De airco-installaties waren daarvoor door werknemers van MJD elektrotechnisch geïnstalleerd. De taak van [verzoekende partij] betrof het in werking stellen van de airco-installatie. Hiervoor is vereist dat de airco-installatie enige tijd onder spanning heeft gestaan, zodat de olie die zich in de installatie bevindt, is opgewarmd. Daarom was de airco-installatie de dag daarvoor onder spanning gezet. Bij de aanvang van zijn werkzaamheden aan de airco-installatie heeft [verzoekende partij] een elektrische schok van 380 Volt gekregen (hierna: het ongeval).

2.6.

 

[verzoekende partij] is ’s middags na het ongeval naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis in zijn woonplaats gegaan. Daar is hij onderzocht, maar daarbij is geen ECG gemaakt. De week daarop heeft [verzoekende partij] gewerkt. Op 9 maart 2017 is hij ’s avonds thuis na het werk onwel geworden. In het ziekenhuis is vervolgens een CT-scan gemaakt en een herseninfarct vastgesteld, met daarbij een onregelmatige hartslag.

2.7.

 

De voorman van [verwerende partij sub 1] , de heer [naam voorman] , heeft na het ongeval een Risico-/incident meldingsformulier ingevuld op 25 februari 2010 en dit vervolgens op 9 maart 2010 aangevuld. Daarin staat, voor zover hier van belang:

 

“Omschrijving van de gebeurtenis:

 

Stroomschok gekregen door een niet goed aangesloten kabel van de werkschakelaar naar de elektroschakelkast. Medewerker is naar huis gegaan, voelde zich toch niet goed en is naar de dokter en vervolgens naar het ziekenhuis. Hart- en nierfunctie zijn onderzocht en goedgekeurd door de artsen.

 

Anderhalve week later, op dinsdag 9 maart 2010 is [verzoekende partij] thuis onwel geworden en opgenomen in het ziekenhuis. Hij had een TIA (kantonrechter: dit moet een herseninfarct zijn) gehad. Volgens de behandelend arts is het zeer waarschijnlijk dat dit een gevolg is van de stroomschok die [verzoekende partij] heeft opgelopen op 25-2-2010.

 

(…)

 

Oorzaak:

 

Mede-installateur MJD uit Duitsland is verantwoordelijk voor de aansluiting van de elektrokabels. MJD stond onder tijdsdruk en heeft niet gecheckt of kabels goed aangesloten waren. Normaal gesproken sluiten wij als airco-installateur zelf de installatie elektrisch aan. In het kader van de NEN3140 norm is [verzoekende partij] hiertoe bevoegd.

 

Ons verzuim is geweest goed te checken of de mede-installateur zijn werk goed heeft gedaan. Wij zijn ervan uitgegaan dat de kabels goed aangesloten waren.

 

(…)

 

Aanbeveling:

 

(…) Onder tijdsdruk werken mag geen reden zijn om controles over te slaan.

 

(…)”.

2.8.

 

[verwerende partij sub 1] heeft het ongeval gemeld bij haar verzekeraar, Achmea. De letselschaderegelaar mevrouw mr. K.N. Koene van Achmea heeft vervolgens op 19 mei 2010 een toedrachtonderzoek gedaan en daarvan op 31 mei 2010 een rapport opgesteld. Voor dit onderzoek is het dossier bestudeerd en is een bezoek gebracht aan [verwerende partij sub 1] . In het rapport staat, voor zover hier van belang:

 

“(…)

 

RI&E

 

Het bedrijf is net (afgelopen maandag) VCA gekeurd. De RI&E is in orde. Zij maken alleen een aparte RI&E bij grote klussen. De klus waarbij het ongeval is gebeurd, was dat niet.

 

(…)

 

Veiligheid overig

 

Jaarlijks krijgt het personeel veiligheidsschoenen, maskers, een helm, een veiligheidsbril, werkbroeken en shirts. Ieder heeft een eigen valbescherming.

 

De toedracht

 

(…)

 

Het was voor het eerst dat zij op deze locatie werkzaamheden verrichten. Het werk was wel bekend. Normaliter doen zij overigens ook de elektrowerkzaamheden zelf.

 

(…)

 

Het Duitse bedrijf had moeten controleren of er spanning op de unit stond. De aansluiting op de unit was wel in orde.

 

Doordat de kabel in de unit los hing, kreeg de heer [verzoekende partij] door zijn linkerhand en rechterkuit een stroomstoot toen hij de unit aanraakte. Hij heeft dat bij zijn voorman, [naam voorman] , en bij de bouwdirecteur, de heer

 

[naam] gemeld. Getuigen waren er niet.

 

(…)

 

Arbeidsinspectie

 

In eerste instantie is de AI niet ingeschakeld, omdat daar geen reden voor leek te zijn. Betrokkene werd immers niet behandeld in het ziekenhuis. Toen dat anderhalve week later wel het geval was, hebben zij alsnog de AI ingeschakeld.

 

De AI heeft geen onderzoek meer ingesteld. (…)

 

Veiligheid

 

Een aparte RI&E voor deze opdracht was niet aanwezig. Er zijn vooraf geen specifieke veiligheidsinstructies gegeven, omdat het een standaardwerk was. De voorman zou wel vooraf gewaarschuwd moeten hebben, zoals altijd gebeurd, dat ze moeten denken aan hun veiligheid.

 

Aansprakelijkheid

 

De werkgever is niet aansprakelijk gesteld. Zij hebben op hun beurt het Mariot ook nog niet WA gesteld. (…)

 

De werkgever acht zich niet aansprakelijk. Het zou morgen weer kunnen gebeuren. Hij ziet niet wat zij nog meer kunnen doen ter voorkoming.

 

(…)”.

2.9.

 

Na het herseninfarct kon [verzoekende partij] niet meer goed lopen, praten en was de fijne motoriek verstoord. Verder heeft hij veelvuldig last gehad van hartritmestoornissen en is daarvoor onder behandeling bij een specialist.

2.10.

 

De rechtsbijstandsverzekeraar van [verzoekende partij] heeft [verwerende partij sub 1] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. [verwerende partij sub 1] heeft deze aansprakelijkheidsstelling doorgeleid naar haar verzekeraar Achmea. Achmea heeft aansprakelijkheid afgewezen.

2.11.

 

Op verzoek van [verzoekende partij] heeft een cardiologische expertise plaatsgevonden door dr. R.F. Visser, cardioloog in dienst van Justus Medische expertise. Nadat dr. Visser [verzoekende partij] op 3 november 2015 heeft onderzocht, heeft dr. Visser op 8 april 2016 een rapport opgesteld. Dr. Visser stelt hierin als diagnose:

 

 Symptomatisch paroxysmaal atriumfibrilleren, gecompliceerd door een herseninfarct in 2010. Gezien de relatie in de tijd, maar ook gezien de aanvankelijk niet herkende malaise klachten in aansluiting aan het incident is het zeer aannemelijk dat er een relatie te bestaan tussen de doorgemaakte stroomstoot en het optreden van boezemfibrilleren en dientengevolge het herseninfarct.

 

 De moeheidsklachten zijn waarschijnlijk deels toe te schrijven aan chronotope incompetentie bij het (noodzakelijke) gebruik van een b-blokker, maar ook aan de status na het herseninfarct en enigszins aan het overgewicht.

 

En oordeelt over ‘de situatie zonder ongeval’ als volgt, voor zover hier van belang:

 

“(…)

 

Voor het ongeval bestonden er geen klachten die duiden op paroxysmaal boezemfibrilleren.

 

(…)

 

Het is zeer onwaarschijnlijk dat genoemde klachten en afwijkingen er ook zouden zijn geweest als het ongeval niet was overkomen. Gezien de relatie in de tijd is het zeer waarschijnlijk dat er een causaal verband bestaat tussen de doorgemaakte stroomstoot en het optreden van boezemfibrilleren en dientengevolge het herseninfarct. Boezemfibrilleren is een weinig beschreven complicatie van een elektrische stroomstoot.”

 

En vervolgens:

 

“Het is niet 100 % uit te sluiten dat deze klachten en afwijkingen op enig moment ook hadden kunnen ontstaan. Immers paroxysmaal boezemfibrilleren is in de bevolking een bekende aandoening. De gemiddelde incidentie en prevalentie van atriumfibrilleren zijn laag, maar stijgen sterk met de leeftijd. (…)”.

2.12.

 

Na twee jaar arbeidsongeschiktheid heeft [verzoekende partij] een Wia-keuring ondergaan en heeft het UWV aan hem een IVA-uitkering toegekend.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

 

[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

 

  1. voor recht te verklaren dat [verwerende partij sub 1] aansprakelijk is voor de schade die [verzoekende partij] lijdt als gevolg van het ongeval van 25 februari 2010,

 

  1. voor recht te verklaren dat [verwerende partij sub 1] c.s. de schade die [verzoekende partij] lijdt als gevolg van het ongeval van 25 februari 2010 aan hem dient te vergoeden

 

III. de kosten van dit deelgeschil te begroten,

 

  1. [verwerende partij sub 1] c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure, te betalen binnen 14 dagen na het wijzen van de beschikking.

3.2.

 

Aan zijn verzoek legt [verzoekende partij] kort gezegd ten grondslag dat [verwerende partij sub 1] de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden en aldus ex artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die hij lijdt als gevolg van het ongeval van 25 februari 2010. Achmea dient als aansprakelijkheidsverzekeraar van [verwerende partij sub 1] de schade aan [verzoekende partij] te vergoeden.

3.3.

 

[verwerende partij sub 1] c.s. voert verweer.

3.4.

 

De kantonrechter zal hierna, waar nodig, ingaan op de stellingen van partijen.

4 De beoordeling

4.1.

 

Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de kantonrechter te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een dergelijke vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

 

De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv). Dit kan het geval zijn indien geoordeeld wordt dat nadere bewijslevering noodzakelijk is en de kantonrechter geen aanleiding ziet om in het kader van het deelgeschil, dat zich in beginsel niet leent voor instructie, die instructie aan zich te trekken. Daarmee zou de procedure dreigen te verworden tot een bodemprocedure in de vorm van een deelgeschil, waarbij de investering die dat zou vergen in tijd, geld en moeite daarin in de weg staat.

4.2.

 

[verzoekende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd om aan te nemen dat de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Voor het overige bestaat er geen aanleiding om het verzoek niet als een deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv te beschouwen. De kantonrechter is voorts bevoegd te beslissen op het tegen [verwerende partij sub 1] gerichte verzoek omdat dit is gegrond op artikel 7:658 BW.

4.3.

 

Het tegen Achmea gerichte verzoek is gebaseerd op artikel 7:954 lid 6 BW en betreft derhalve niet artikel 7:658 BW danwel een arbeidsovereenkomst. Ook overigens zijn er geen aanknopingspunten voor bevoegdheid van de kantonrechter, zodat in beginsel een andere kamer dan de kamer van kantonzaken bevoegd is het verzoek tegen Achmea te behandelen en te beslissen. Indien de zaak tegen Achmea ten principale aanhangig zou worden gemaakt, zou deze vermoedelijk tezamen met de ten principale aanhangig te maken zaak tegen [verwerende partij sub 1] , vanwege verknochtheid op de voet van artikel 220 Rv door de kantonrechter zijn behandeld en beslist. Daarom bestaat aanleiding uit hoofde van artikel 1019x Rv ook bevoegdheid van de kantonrechter aan te nemen ter zake van het tegen Achmea gerichte verzoek. Hierbij is betrokken dat geen van partijen opmerkingen over de bevoegdheid van de kantonrechter heeft gemaakt.

4.4.

 

De kern van het geschil vormt de vraag of [verwerende partij sub 1] , als werkgever, aansprakelijk is voor de schade die [verzoekende partij] stelt te hebben geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om schade te voorkomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

 

In de uitoefening van de werkzaamheden

4.5.

 

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de werknemer moet stellen, en bij betwisting, moet bewijzen dat hij schade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekende partij] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden een stroomschok van 380 Volt heeft gekregen. Tevens staat vast dat [verzoekende partij] op die dag vanwege de stroomschok naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis is gegaan. Dit feit alleen al maakt dat aangenomen kan worden dat [verzoekende partij] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:658 BW. In zoverre is dit door [verwerende partij sub 1] c.s. ook niet weersproken. Het feit dat [verwerende partij sub 1] c.s. het causaal verband betwist tussen het ongeval en een (ander) deel van de gestelde geleden schade, doet hier niet aan af. Deze stelling is van belang bij de vraag naar het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde schadeposten, een vraag die in het kader van dit deelgeschil niet aan de orde komt.

 

Zorgplicht

4.6.

 

Tussen partijen is in geschil of [verwerende partij sub 1] , zoals zij stelt, aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan.

4.7.

 

In de jurisprudentie zijn de uitgangspunten van deze zorgplicht nader uitgewerkt.

 

Zo heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3519) geoordeeld dat de in artikel 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht de werkgever niet alleen verplicht om aanwijzingen te verstrekken om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook om daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies (zie daarvoor HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223). Indien de plaats waar de werkzaamheden worden verricht eraan in de weg staat dat de werkgever direct toezicht houdt op de naleving van de door hem gegeven instructies, dient deze zo nodig aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen. Het antwoord op de vraag welke maatregelen de werkgever dient te treffen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen (HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313). Bovendien dient de werkgever ermee rekening te houden dat werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is.

4.8.

 

[verzoekende partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verwerende partij sub 1] ingevolge hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 1 juli 1993, Power/Adross (ECLI:NL:HR:1993:ZC1027) aansprakelijk is voor de fouten van MJD. De kantonrechter volgt [verzoekende partij] op dit punt niet in haar betoog. Er is immers (veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de stelling van [verzoekende partij] dat de stroomschok veroorzaakt is door het niet goed vastzetten van een kabel in de airco-installatie) sprake van een specifieke fout van een medewerker van MJD en niet van een tekortkoming in een algemene zorgverplichting door MJD. De Hoge Raad heeft onder 7.1 overwogen dat:

 

“Wanneer in een situatie als de onderhavige het de werknemer op het bouwterrein, maar buiten de werkplek overkomen ongeval in geen enkel opzicht is te wijten aan enig tekortschieten door hoger bedoelde ‘hulppersonen’ in de op hen rustende algemene zorgverplichting voor de veiligheid van de werknemers op het bouwterrein, maar daaraan dat in dienst of ten behoeve van deze laatsten of van derden werkzame personen — ondanks voldoende instructie en toezicht — de ter zake geldende veiligheidsvoorschriften niet hebben nageleefd, kan de werknemer zijn werkgever niet ingevolge art. 1638x aansprakelijk houden: deze bepaling beoogt immers niet een absolute waarborg te scheppen voor bescherming van de werknemer tegen het in lid 1 van dat artikel bedoelde gevaar (HR 10 juni 1983, NJ 1984, 20)”.

 

Het enkele feit dat MJD een fout heeft gemaakt, waardoor [verzoekende partij] schade heeft geleden, brengt aldus op zichzelf geen aansprakelijkheid van [verwerende partij sub 1] met zich mee.

4.9.

 

Aan zijn vordering heeft [verzoekende partij] verder ten grondslag gelegd dat [verwerende partij sub 1] een eigen zelfstandig verwijt te maken valt, namelijk het niet controleren van de deugdelijkheid van de elektrotechnische installatie van de airco-installatie (de bekabeling) of, indien dit niet van [verwerende partij sub 1] zou kunnen worden gevergd, het niet verstrekken van afdoende veiligheidsmaatregelen.

4.10.

 

Ter beoordeling van de vraag of [verwerende partij sub 1] aan haar zorgplicht heeft voldaan, acht de kantonrechter het volgende van belang. Hoewel [verwerende partij sub 1] zich op het standpunt heeft gesteld dat niet vast is komen te staan waar het gebrek in de airco-installatie uit heeft bestaan, volgt uit zowel het risico/incident meldingsformulier dat door voorman [naam voorman] is ingevuld (opgenomen onder 2.7) als uit het rapport van haar verzekeraar (opgenomen onder 2.8) dat [verwerende partij sub 1] zelf ook is uitgegaan van een losse kabel in de airco-installatie als oorzaak van de stroomschok. Bij twijfel omtrent de oorzaak van het gebrek aan de airco-installatie had het op de weg van [verwerende partij sub 1] gelegen om onderzoek te laten verrichten naar de oorzaak van het ongeval, hetgeen [verwerende partij sub 1] heeft nagelaten. De kantonrechter gaat er daarom, uitgaande van de overgelegde rapportages, vanuit dat een losse kabel in de airco-installatie de stroomschok heeft veroorzaakt.

4.11.

 

Wat van [verwerende partij sub 1] als werkgever in het kader van haar zorgplicht mag worden verwacht, wordt in de eerste plaats ingevuld door de publiekrechtelijke regelgeving ten aanzien van arbeidsomstandigheden. Het handhaven van de publiekrechtelijke veiligheidsnormen is voor de werkgever een minimumnorm (HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7355). Dat [verwerende partij sub 1] heeft voldaan aan haar publiekrechtelijke veiligheidsnorm, zoals door haar is gesteld, is echter onvoldoende om aan aansprakelijkheid te ontkomen. De vraag welke maatregelen van een werkgever kunnen worden verwacht hangt immers mede af van de omstandigheden van het geval. Met inachtneming van de Kelderluikcriteria wordt de reikwijdte van de zorgplicht verder bepaald (zie hiervoor HR

 

11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313).

4.12.

 

De kantonrechter acht in dit verband van belang dat [verwerende partij sub 1] bekend was met het feit dat 380 Volt op de airco-installatie zou komen te staan op het moment dat de stroom erop zou worden gezet. Dit brengt mee dat werkzaamheden aan de airco-installatie alleen daarom al risico’s met zich meebrengen. Voor [verwerende partij sub 1] was dan ook voorzienbaar dat een fout in de bekabeling grote gevolgen zou kunnen hebben en er aldus sprake zou kunnen zijn van een gevaarlijke situatie. Vervolgens acht de kantonrechter van belang dat [verwerende partij sub 1] ook bekend was met de werkzaamheden die horen bij het elektrotechnisch installeren van de airco-installatie, de werkzaamheden die in dit geval door de opdrachtgever waren uitbesteed aan MJD. In zowel het risico/- incident meldingsformulier als het toedrachtsonderzoek is immers vermeld dat [verwerende partij sub 1] deze werkzaamheden gewoonlijk (ook) zelf verricht. Dit is door [verzoekende partij] ter zitting ook verklaard. Dat dit vanuit [verwerende partij sub 1] ter zitting is betwist, acht de kantonrechter, gelet op het bovenstaande en het gebrek aan onderbouwing van die betwisting, onvoldoende. Daarbij is van belang dat de vertegenwoordiger van [verwerende partij sub 1] desgevraagd heeft geantwoord niet te weten of en zo ja hoe vaak [verwerende partij sub 1] zelf airco-installaties elektrotechnisch installeert. Hiermee staat vast dat [verwerende partij sub 1] bekend was of mocht worden verondersteld met het feit dat er bij werkzaamheden aan een airco-installatie waar stroom op is gezet, sprake kan zijn van een gevaarlijke situatie.

4.13.

 

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is welke veiligheidsmaatregelen van [verwerende partij sub 1] als werkgever kunnen worden gevergd. In beginsel moet gelden dat de werkgever, waar mogelijk, prioriteit geeft aan maatregelen ter voorkoming van gevaar boven het verstrekken van beschermingsmaatregelen. [verzoekende partij] heeft gemotiveerd gesteld dat in het geval hij als werknemer van [verwerende partij sub 1] zelf de elektrotechnische installatie uitvoert aan een airco-installatie, hij de bekabeling controleert voordat hij de airco-installatie dicht maakt en er stroom op zet. Vanuit deze gewoonte is [verzoekende partij] er ook van uitgegaan dat MJD diezelfde controle had uitgevoerd, hetgeen niet is gebeurd aangezien anders de losse kabel zou zijn ontdekt. De vraag is nu of van [verwerende partij sub 1] als werkgever in het kader van haar zorgplicht ten opzichte van [verzoekende partij] verwacht mocht worden dat zij ervoor zorg zou dragen dat de bekabeling in de airco-installatie goed vast zat door of deze zelf te controleren voordat de stroom erop zou worden gezet of door deze controle van MJD te eisen. Gesteld noch gebleken is dat [verwerende partij sub 1] enigerlei afspraken heeft gemaakt met MJD of met haar opdrachtgever het Marriott Hotel omtrent de controle van de bekabeling voordat er stroom op zou worden gezet. Gelet op de bovenstaande kenbaarheid van [verwerende partij sub 1] met de mogelijke risicovolle situatie voor haar werknemers in het geval van een fout in de bekabeling, had het naar het oordeel van de kantonrechter wel op de weg van [verwerende partij sub 1] gelegen om als werkgever ervoor zorg te dragen dat dit risico middels een controle zou worden uitgesloten dan wel beperkt, aangezien [verwerende partij sub 1] haar werknemers aan dit risico bloot stelt door de opgedragen werkzaamheden. Dat deze controle [verwerende partij sub 1] extra tijd zou kosten, omdat daarvoor de airco-installatie open moet worden gemaakt, is geen reden om niet te voldoen aan de op haar rustende zorgplicht. Daarbij is (mede) van belang dat gesteld noch gebleken is dat dit substantieel meer tijd zou kosten.

4.14.

 

In het geval dat [verwerende partij sub 1] als werkgever ervoor kiest om de bekabeling van de airco-installaties bij uitbesteding van het elektrotechnisch installatiewerk niet te controleren, ligt het op de weg van [verwerende partij sub 1] om dan zorg te dragen voor voldoende veiligheidsmaatregelen. De kantonrechter volgt [verwerende partij sub 1] c.s. niet in haar stelling dat [verzoekende partij] geen werkzaamheden waren opgedragen waarvoor het verstrekken van extra beschermingsmiddelen noodzakelijk was. Nu [verwerende partij sub 1] er immers voor gekozen heeft om niet te controleren of de airco-installaties waaraan haar werknemers moeten werken op de juiste wijze elektrotechnisch zijn geïnstalleerd en er ongezien stroom op laat zetten voorafgaand aan de door haar werknemers te verrichten werkzaamheden, moet [verwerende partij sub 1] in haar afweging van de door haar te verstrekken beschermingsmiddelen meenemen dat er geen controle heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat [verwerende partij sub 1] [verzoekende partij] rubberen handschoenen en matten mee had moeten geven, teneinde de risico’s te beperken. Dit zijn maatregelen waarover [verwerende partij sub 1] zelf in haar Handboek Veiligheid spreekt (zie onder 2.3). Er waren aldus betere maatregelen mogelijk, waarbij het nemen van deze maatregelen van [verwerende partij sub 1] kon worden gevergd. Dat [verwerende partij sub 1] kennelijk niet in het bezit is van deze rubberen matten, waarvan onweersproken gesteld is dat deze betaalbaar zijn, maakt dit niet anders.

4.15.

 

Tot slot moet de vraag worden beantwoord of naleving van de zorgplicht het ongeval (of althans de gevolgen daarvan) had kunnen voorkomen. Ter beantwoording daarvan acht de kantonrechter aannemelijk, en door [verwerende partij sub 1] c.s. ook niet weersproken, dat bij een controle van de bekabeling de losse kabel zou zijn opgemerkt voordat de stroom op de airco-installatie zou zijn gezet. Dit betekent dat controle van de bekabeling het ongeval zou hebben voorkomen. In het geval niet van [verwerende partij sub 1] c.s zou kunnen worden gevergd dat zij de bekabeling zou controleren, is van belang dat [verwerende partij sub 1] c.s. de stelling van [verzoekende partij] dat door het verstrekken van rubberen beschermingsmatten en rubberen handschoenen het ongeval niet dusdanige gevolgen zou hebben gehad als thans het geval is, niet heeft weersproken. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat door het verstrekken van deze beschermingsmiddelen had kunnen worden voorkomen dat 380 Volt door het lichaam van [verzoekende partij] was gegaan.

4.16.

 

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [verwerende partij sub 1] haar zorgplicht jegens [verzoekende partij] heeft geschonden door de bekabeling voorafgaand aan de werkzaamheden (en voordat er stroom op werd gezet) niet te controleren dan wel door geen afdoende veiligheidsmaatregelen te treffen. Dit betekent dat [verwerende partij sub 1] aansprakelijk is voor de schade die [verzoekende partij] lijdt en heeft geleden als gevolg van het tekortschieten in haar zorgplicht ex artikel 7:658 BW, zodat de kantonrechter de gevraagde verklaring voor recht zal toewijzen.

4.17.

 

Achmea heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat ook de onder II. gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

 

Kosten deelgeschilprocedure

4.18.

 

[verzoekende partij] heeft verzocht de kosten voor deze procedure te begroten ex artikel 1019aa Rv. Bij de begroting van de kosten dient de rechter de in artikel 6:96 BW besloten liggende dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.19.

 

De kantonrechter acht de stelling van [verzoekende partij] dat zijn rechtsbijstandsverzekeraar slechts die kosten vergoed die niet verhaalbaar zijn op een ander, waardoor de kosten voor het deelgeschil voor rekening van [verzoekende partij] komen, voldoende aannemelijk.

4.20.

 

[verzoekende partij] heeft de kosten gesteld op € 8.161,67. Daarbij heeft (de advocaat van) [verzoekende partij] een uurtarief gehanteerd van € 265,00 exclusief kantoorkosten en exclusief 21 % btw. Met [verwerende partij sub 1] c.s. is de kantonrechter van oordeel dat een uurtarief van € 230,00, te vermeerderen met 6 % kantoorkosten en 21 % btw als redelijk aangemerkt moet worden.

4.21.

 

Ter zake het aantal te begrote uren geldt het volgende. Het totaal aantal begrote uren komt uit op 23,90 uur. [verwerende partij sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat de tijdsbesteding te ruim is geweest. Naar het oordeel van de kantonrechter is, gelet op de aard van de zaak, een tijdsbesteding van 18 uur voor dit deelgeschil (inclusief de zitting) redelijk te noemen.

 

De kantonrechter gaat dan grofweg uit van 8 uur voor voorbereiding en opstellen van het verzoek, 4 uur voor het bestuderen van het verweerschrift en de voorbereiding op de mondelinge behandeling (waaronder correspondentie en overleg met [verzoekende partij] ) en 6 uur voor de mondelinge behandeling zelf inclusief reistijd. De kantonrechter begroot de kosten dan ook op 18 uur x € 230,00 is € 4.140,00, te vermeerderen met 21 % btw en 6 % kantoorkosten alsmede met het door [verzoekende partij] betaalde griffierecht van € 79,00. In totaal worden de kosten begroot op € 5.388,95.

5 De beslissing

 

De kantonrechter,

5.1.

 

verklaart voor recht dat [verwerende partij sub 1] aansprakelijk is voor de schade die [verzoekende partij] lijdt als gevolg van het ongeval van 25 februari 2010;

5.2.

 

verklaart voor recht dat [verwerende partij sub 1] c.s. de schade die [verzoekende partij] lijdt als gevolg van het ongeval van 25 februari 2010 aan [verzoekende partij] moet vergoeden;

5.3.

 

begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekende partij] op

 

€ 5.388,95 en veroordeelt [verwerende partij sub 1] c.s. om dit bedrag aan [verzoekende partij] te betalen, binnen twee weken na dagtekening van de beschikking;

5.4.

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2017.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots