RB: Deelgeschil; Waarborgfonds heeft verzoek tot schadevergoeding terecht afgewezen op art. 25 WAM

Samenvatting:

Fietser is bij wegversmalling ten val gekomen en heeft daarbij o.a. een breuk aan zijn rechterarm opgelopen. De bestuurder van de auto is gestopt om te vragen hoe het met hem ging. De gegevens van de bestuurder zijn niet opgenomen. Later is eiser een buurtonderzoek gestart en heeft hij aangifte bij politie gedaan. SWM heeft het verzoek tot schadevergoeding afgewezen op grond van art. 25 lid 1a van de WAM. Het meest verstrekkende verweer van SWM, dat er geen sprake is van een zogenaamde “hit and run”-situatie, faalt. De WAM stelt niet als vereiste dat tussen het motorrijtuig en de benadeelde (fysiek) contact moet zijn geweest. In de gegeven omstandigheden was het voor eiser en zijn echtgenote wel voldoende gelegenheid geweest de identiteit van de bestuurster en/of het motorrijtuig vast te stellen. Nu zij dat hebben nagelaten, komt aan eiser reeds om die reden geen beroep toe op artikel 25 WAM. Daarbij staat voor het verzoek in de weg dat de feitelijke toedracht van het ongeval — en dus de aansprakelijkheid van de bestuurster van het motorrijtuig — in het geheel niet vast staat. De kosten van eiser worden begroot op de door de door hem gestelde kosten ad € 2.898,00, minus de helft van het uurtarief voor de reistijd ad 176,25 is 2.721,75 (€ 3.276,94 inclusief btw. Het verzoek tot veroordeling van SWM in deze kosten wordt afgewezen.

RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 3797796 \ OV VERZ 15-8
Beschikking van de kantonrechter van 24 juni 2015

In de zaak van

Eiser, wonend te Landgraaf,
gemachtigde mr. P.H.M. Hartmans-Jansen.

tegen:

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting Stichting Waarborgfonds Motorverkeer, gevestigd te Rijswijk,
gemachtigde mr. R. Gruben.

Partijen zullen hierna Eiser en SWM genoemd worden.

1. De procedure

1.1.        Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 23 januari 2015;
het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 22 april 2015;
de mondelinge behandeling op 4 maart 2015, na aanhouding daarvan op 29 april 2015, waarbij zijn verschenen:
– Eiser, bijgestaan door zijn advocaat;
– mr. Gruben, namens SWM;
de pleitnotitie zijdens Eiser

2. De feiten

2.1.        Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2.        Op 27 april 2014 fietste eiser op zijn mountainbike in benedenwaartse richting over de Kloosterlaan te Schinveld. Een grijze Peugeot 206 met in het kenteken de cijfers 22­07 reed Eiser in opwaartse richting tegemoet. Eiser heeft bij een wegversmalling in de Kloosterlaan ten val gekomen. Hij heeft daarbij onder meer een breuk aan zijn rechterarm en een ontzetting van zijn rechterschouder opgelopen. De bestuurster van de Peugeot is gestopt en heeft gevraagd hoe het met eiser ging. Eiser deelde haar mee dat het wel goed ging. De persoons- en adresgegevens van de bestuurster zijn niet opgenomen. Eiser is vervolgens per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Eiser heeft ongeveer twee weken later een buurtonderzoek gedaan om de gegevens van de bestuurster te achterhalen en heeft op 23 mei 2014 aangifte gedaan bij de politie. De politie heeft een mutatie rapport opgemaakt maar geen verdere actie genomen omdat het ging om een eenzijdig ongeval waarbij geen daadwerkelijke aanrijding had plaatsgevonden. Eiser heeft zich bij schrijven van 24 juli 2014 van zijn advocate gewend tot SWM.

2.3.           Bij schrijven van 24 september 2014 heeft SWM afwijzend gereageerd op het verzoek van Eiser om toekenning van schadevergoeding omdat laatstgenoemde niet zou hebben voldaan aan het gestelde in artikel 25 lid 1 sub a WAM.

2.4.           Artikel 25 lid 1 van de WAM luidt als volgt:
“Een benadeelde kan, wanneer er een burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de door een motorrijtuig veroorzaakte schade of een zodanige aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 3a bestaat, een recht op schadevergoeding legen het fonds geldend maken:
1.
wanneer niet kan worden vastgesteld wie de aansprakelijke persoon is, tenzij aannemelijk is, dat de benadeelde niet tot die vaststelling heeft gedaan, wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht;
2.
wanneer de verplichting lot verzekering niet is nagekomen;
3.
wanneer de schade voortvloeit uit een handelen of nalaten van degene die zich door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig heelt verschaft of van hein die, dit wetende, dat motorrijtuig zonder geldige reden gebruikt, en de verzekeraar, de Staat, of degene, die krachtens artikel 18 is vrijgesteld van de verzekeringsplicht deswege niet aansprakelijk is;
4.
in geval van onvermogen van de verzekeraar;
5.
wanneer op grond van een vrijstelling krachtens de artikelen 17, derde lid, of18 een verzekering niet is afgesloten.”

3. Het geschil

3.1.           Eiser verzoekt in dit deelgeschil voor recht te verklaren dat SWM aansprakelijk is voor de schade van Eiser, dan wel dat zijn schade in behandeling moet worden genomen nu Eiser heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting als bedoeld in artikel 25 lid 1 sub a Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Hij verzoekt voorts zijn kosten te begroten en SWM tot betaling daarvan te veroordelen.

3.2.       SWM heeft tegen het verzoek de volgende verweren gevoerd:
– er is geen sprake van een “hit and run”-situatie omdat er geen sprake is van contact tussen auto en fietser en de dader niet is gevlucht;
– er kan geen aansprakelijkheid worden vastgesteld omdat de toedracht van het ongeval niet vaststaat en daarmee evenmin de mogelijke schuld van de bestuurster;
– Eiser heeft niet aan zijn inspanningsverplichting voldaan om de (identiteit van de) bestuurster te achterhalen.
De kantonrechter zal hierna op de stellingen en verweren van partijen ingaan.

4. De beoordeling

4.1.           Vooropgesteld wordt dat de kantonrechter bevoegd is om van dit deelgeschil kennis te nemen omdat Eiser onbetwist heeft gesteld dat zijn schade niet hoger is dan € 25.000,-.

 4.2.        In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Rv.
De kantonrechter overweegt dat de deelgeschilprocedure volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade (hierna: de Wet Deelgeschillen) de mogelijkheid biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken 11, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de (kanton)rechter te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming. van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18). Uit hetgeen hierna wordt overwogen, blijkt dat deze zaak zich voor een deelgeschilprocedure leent.

4.3.        Het meest verstrekkende verweer van SWM ziet op de toepasselijkheid van artikel 25 WAM. Immers, SWM heeft gesteld dat geen sprake is van een zogenaamde “hit and run”-situatie nu er geen (fysiek) contact tussen de auto en de fietser is geweest en de bestuurster niet is gevlucht.

4.4.        Hieromtrent wordt het volgende overwogen.
Om op grond van de WAM een recht op schadevergoeding tegen het SWM geldend te kunnen maken, stelt de wet niet als vereiste dat tussen het motorrijtuig en de benadeelde (fysiek) contact moet zijn geweest. Vaststaat dat in het onderhavige geval geen (fysiek) contact is geweest tussen de bestuurster van het motorrijtuig en (de fiets van) Eiser. Dit staat dus niet in de weg aan mogelijke aansprakelijkheid van de bestuurster van het motorrijtuig voor het ongeval. Dit onderdeel van het verweer faalt derhalve.

4.5.        Als vereiste voor een recht op schadevergoeding jegens het SWM geldt wel dat de identiteit van de aansprakelijke persoon niet kan worden achterhaald. In het onderhavige geval rijst de vraag of sprake is van een situatie waarin de identiteit van de bestuurster van het motorrijtuig niet kon worden vastgesteld. Immers, voormelde bestuurster heeft nadat Eiser was gevallen de auto geparkeerd, heeft met Eiser (dan wel met zijn echtgenote) gesproken en is pas nadat zij had vernomen dat het goed ging met hem naar haar auto teruggelopen en verder gereden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft in de gegeven omstandigheden voor Eiser, zijn echtgenote dan wel de omstanders voldoende gelegenheid bestaan de identiteit van de bestuurster en/of het motorrijtuig vast te stellen. Nu zij dat hebben nagelaten, komt aan Eiser reeds om die reden geen beroep toe op artikel 25 WAM.

4.6.        Daarenboven overweegt de kantonrechter het volgende.
Indien er al vanuit moet worden gegaan dat zich in het onderhavige geval de situatie voordoet dat de identiteit van de bestuurster van het motorrijtuig niet kon worden achterhaald en dat Eiser op dit punt heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht, dan nog staat aan toewijzing van het onderhavige verzoek in de weg dat de feitelijke toedracht van het ongeval – en dus de aansprakelijkheid van de bestuurster van het motorrijtuig – in het geheel niet vast staat. Zo is niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden op welke plaats het ongeval precies heeft plaatsgevonden, waar het motorrijtuig en de fiets zich ten tijde van het ongeval ten opzichte van elkaar bevonden, of het mogelijk was om elkaar op de gestelde plaats tegelijkertijd te kunnen passeren en of en, zo ja, welke verkeersregel de bestuurster van het motorrijtuig mogelijk heeft overtreden.
Zo is niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden op welke plaats het ongeval precies heeft plaatsgevonden, waar het motorrijtuig en de fiets zich ten tijde van het ongeval ten opzichte van elkaar bevonden, of het mogelijk was om elkaar op de gestelde plaats tegelijkertijd te kunnen passeren en of en, zo ja, welke verkeersregel de bestuurster van het motorrijtuig mogelijk heeft overtreden.

4.7.      De slotsom is dat het verzoek moet worden afgewezen.
De kosten van Eiser worden begroot op de door de door hem gestelde kosten ad € 2.898,00, minus de helft van het uurtarief voor de reistijd ad 176,25 is 2.721,75 (€ 3.276,94 inclusief btw). Nu niet vast is komen te staan dat SWM aansprakelijk is dient het verzoek tot veroordeling van SWM in deze kosten te worden afgewezen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.      begroot de kosten van Eiser op 3.276,94 inclusief btw;

5.2.      wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.P. Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2015.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey