Rb, deelgeschil: verzoeker moet medische informatie verstrekken, geen ‘fishing expedition’; BGK onredelijk

Samenvatting:

Whiplash. 1. De rechtbank stelt vast dat geen overeenstemming bestaat over vraagstelling expertise. 2. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker de door verzekeraar genoemde specifiek verzochte medische informatie dient te verstrekken. Gelet op de beschikbare medische informatie zijn er immers aanknopingspunten die kunnen duiden op een predispositie bij verzoeker die relevant kan zijn bij de beoordeling van de vraag of en in hoeverre zijn klachten ongevalsgerelateerd zijn. Van een ‘fishing expedition’ is, anders dan verzoeker heeft gesteld, geen sprake. De rechtbank ziet wél een reden om de vooraf te verschaffen informatie vooralsnog te beperken in tijdsduur, namelijk de duur van vijf jaar vóór het ongeval. 3. BGK: Geen complexe zaak. De rechtbank ziet derhalve niet in hoe de door belangenbehartiger verrichte werkzaamheden kunnen leiden tot een dergelijk hoog aantal declarabele uren. BGK van € 16.899,88 teruggebracht tot € 6.655,- 4. Kosten deelgeschil: € 2.200,- (gevorderd: € 8.881,64).

 

 

ECLI:NL:RBDHA:2019:14454

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

12-11-2019

Datum publicatie

04-02-2020

Zaaknummer

C/09/570288 / HA RK 19-219

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Rekestprocedure

Inhoudsindicatie

Deelgeschil letselschade. Geen overeenstemming vraagstelling. Beoordeling medisch causaal verband klachten en ongeval. Adviseur kon in redelijkheid vragen om informatie uit huisartsenjournaal. Buitengerechtelijke kosten bovenmatig. Matiging uren.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

 

 

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

 

zaaknummer / rekestnummer: C/09/570288 / HA RK 19-219

 

Beschikking van 12 november 2019

 

in de zaak van

 

[verzoeker] te [plaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. O. Arslan te Den Haag,

 

tegen

 

NATIONAL ACADEMIC VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V. te Dordrecht,

verweerster,

advocaat mr. N.P.H. Borm te Deventer.

 

1

De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift, ingekomen op 18 maart 2019, met producties;

de mondelinge behandeling.

1.2.

Op 17 juli 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen:

verzoeker in persoon, bijgestaan door mr. O. Arslan voornoemd;

namens verweerster: mr. N.P.H. Borm voornoemd.

1.3.

Vervolgens is een datum voor uitspraak bepaald.

 

2

De feiten

2.1.

Op 15 februari 2016 is verzoeker (hierna: ‘ [verzoeker] ’) als bestuurder van zijn auto betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De auto van [verzoeker] is van achteren aangereden door een auto die werd bestuurd door een verzekerde van verweerster (hierna: ‘National Academic’). [verzoeker] heeft door de botsing (letsel)schade geleden en heeft National Academic in dat verband aansprakelijk gesteld. National Academic heeft aansprakelijkheid erkend; zij heeft mevrouw [A] , verbonden aan Cordaet Personenschade (hierna: ‘Cordaet’) ingeschakeld als schaderegelaar.

2.2.

[verzoeker] heeft National Academic te kennen gegeven dat hij ten gevolge van het ongeval klachten aan lijf en leden ondervindt, die onder andere bestaan in nekpijn, hoofdpijn, vergeetachtigheid en concentratieproblemen, verminderde eetlust en mentale gezondheidsklachten.

2.3.

Op 31 augustus 2017 informeert Cordaet de advocaat van [verzoeker] , mr. O. Arslan (‘de advocaat van [verzoeker] ’ of ‘mr. Arslan’), dat National Academic haar heeft verzocht te beoordelen in hoeverre de klachten van [verzoeker] ongevalsgevolg zijn of dat die verband houden met een mogelijke burn-out.

 

2.4.

Bij brief van 26 september 2017 schrijft de huisarts van [verzoeker] aan mr. Arslan dat [verzoeker] zich voor 15 februari 2016 niet heeft gemeld met burn-outklachten.

 

2.5.

Bij brief van 29 september 2017 schrijft de huisarts van [verzoeker] het volgende aan mr. Arslan, voor zover hier relevant:

 

“(…).

 

Naar aanleiding van uw verzoek dd 27 sept jl, waarin u op verzoek van de verzekeraar van de tegenpartij verzoekt om het gehele huisartsenjournaal uit de periode van 15 feb 2014 t/m 15 feb 2016, moet ik u helaas mededelen dat ik hier niet aan mee kan en wil werken.

Onze beroepsgroep KNMG heeft richtlijnen opgesteld m.b.t. het beantwoorden van vragen door juristen en/of verzekeraars. Tot nu toe heb ik meerdere malen uw vragen schriftelijk beantwoord, omdat deze goed gespecificeerd waren, voorzien van toestemmings-handtekening van uw client, en betrekking hadden op het ongeval. Het verstrekken van overige niet-relevante informatie, waarbij bovendien een handtekening ontbreekt, uit de volledige door u gevraagde periode, gaat zeer wel in tegen mijn beroepsgeheim. Derhalve kan en wil ik, in het belang van de patient, niet aan uw verzoek meewerken.

 

(…).”

 

2.6.

Bij e-mailbericht van 22 november 2017 stuurt Cordaet aan mr. Arslan een afschrift van een medisch advies van 9 oktober 2017, met de vermelding dat de adviseur het medisch causaal verband niet kan vaststellen alsmede dat er meerdere schadeposten zijn die onvoldoende zijn komen vast te staan, of die qua omvang fors zijn.

 

2.7.

In een medisch onderzoeksverslag van 12 januari 2018, opgesteld door [de verzekeringsarts 1] , als verzekeringsarts werkzaam bij UWV Haaglanden, is onder andere beschreven: “Tractusanamnese: aspecifieke klachten onderrug en nek voor het ongeluk door training”. De verzekeringsarts stelt de diagnose postwhiplashsyndroom WAD I of II en komt tot de conclusie dat er sprake is van “verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek”.

 

2.8.

Bij brief van 1 februari 2018 schrijft Cordaet het volgende aan mr. Arslan, voor zover hier relevant:

 

“(…).

 

Een mogelijkheid is om tot een pragmatische regeling van zijn schade te komen. U gaf daarbij aan dat in ieder geval niet zal worden ingestemd met een slotbepaling lager dan € 100.000,–. U weet ook dat dit niet helemaal is wat ik in gedachten had bij het treffen van een pragmatische regeling. Zeker niet gezien er verschillende vraagstukken bestaan in deze zaak, zoals de vraag naar de causaliteit / beperkingen / restverdiencapaciteit.

 

Andere optie is de verdere behandeling van de schade van uw cliënt. Hierbij zal de causaliteit nader moeten worden onderzocht. Ik blijf van mening dat hiertoe het ongecensureerde huisartsenjournaal zal moeten worden verstrekt bij voorkeur over de vijf jaren voor ongeval. Misschien is het een idee dat uw cliënt zelf een kopie van zijn dossier bij de huisarts opvraagt? Aan dit verzoek zal de huisarts in ieder geval moeten voldoen. (…). Vervolgens zal moeten worden beoordeeld of de klachten van uw cliënt tevens tot beperkingen leiden. Het lijkt mij hierbij in ieder geval van belang om over de volledige dossiers van de bedrijfsarts, de arbeidsdeskundige en de reïntegratiedeskundige te beschikken. (…).“

 

2.9.

Bij brief van 16 februari 2018 schrijft Cordaet het volgende aan mr. Arslan, voor zover hier relevant:

 

“(…).

 

(…). Bij de berekening van het verlies van arbeidsvermogen is het mij opgevallen dat uw cliënt al op 25 januari 2016 ziek gemeld was (aldus voor de datum van het ongeval).

 

Alvorens ik mijn opdrachtgeefster nader zal adviseren aangaande een eindregeling, verneem ik graag van u:

met welke reden uw cliënt was uitgevallen voor de uitoefening van zijn werkzaamheden;

of de bedrijfsarts reeds was ingeschakeld: in het bevestigende geval ontvang ik graag de verslagen van de bedrijfsarts;

wat de prognose was voor wat betreft het herstel.

 

(…).”

 

2.10.

Bij e-mailbericht van 5 juni 2018 verzoekt Cordaet (de advocaat van) [verzoeker] haar te voorzien van nadere informatie van de bedrijfsarts, de rapportage van de UWV-arts inzake de toekenning uit hoofde van de Ziektewet en een afschrift van het ongecensureerde huisartsenjournaal vanaf drie jaar voor datum ongeval.

 

2.11.

[verzoeker] schakelt MediThemis in, met het verzoek een medisch advies uit te brengen. Bij rapport van 25 juni 2018 komt MediThemis kort gezegd tot de conclusie dat [verzoeker] whiplashletsel heeft opgelopen en dat hij onder andere last heeft van aanhoudende nek- en schouderklachten. De adviseur schrijft dat het gaat om postwhiplashsyndroom type WAD I of II en dat sprake lijkt te zijn van een medische eindsituatie, maar dat de meest recente medische informatie daarover dateert uit 2016. De adviseur constateert dat de klachten ongevalsgevolg zijn, dat medische informatie van de bedrijfsarts en het UWV in het kader van de toekenning uit hoofde van de WIA ontbreekt en dat de medisch adviseur van National Academic stelt dat de geweldswerking niet voldoende is om causaliteit aan te nemen, maar dat zij wel erkent dat [verzoeker] een WAD heeft opgelopen, zodat WAD I of II niet is uitgesloten.

 

2.12.

Bij e-mailberichten van 1 augustus 2018 en 13 augustus 2018 laat mr. Arslan aan Cordaet weten dat zijn cliënt van oordeel is dat hij voldoende informatie heeft verstrekt en dat hij eerst na ontvangst van een aanvullend voorschot bereid is meer informatie te verstrekken respectievelijk dat hij uit coulance nog bereid is te verstrekken het medisch dossierverslag van de bedrijfsarts en het arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV. Voorts meldt hij dat de huisarts van [verzoeker] slechts informatie wil verstrekken na ontvangst van concrete vragen en hij vraagt tot slot of Cordaet al contact heeft kunnen krijgen met National Academic over het in gang zetten van een expertise.

 

2.13.

Op 22 augustus 2018 schrijft [de verzekeringsarts 2] , verzekeringsarts van de zijde van National Academic, het volgende, voor zover hier relevant:

 

“ MEDISCH ADVIES

 

(…).

 

Advies:

  1. Er wordt voorgesteld om over te gaan tot een neurologische expertise, ik heb hier geen principieel bezwaar tegen.
  2. Met betrekking tot de voorgestelde expert geef ik de voorkeur aan collega (…).
  3. Met betrekking tot het voorgestelde concept, de inleiding is lang, maar in principe akkoord.
  4. Met betrekking tot de vraagstelling is gebruik gemaakt van de originele IWMD vraagstelling, ik heb hiertegen geen bezwaar.
  5. Echter, om een latere discussie te voorkomen, zou ik graag een extra vraag toevoegen (…).”

 

2.14.

Bij e-mailbericht van 25 augustus 2018 laat mr. Arslan aan Cordaet weten dat hij zijn medisch adviseur MediThermis alvast heeft gevraagd een concept vraagstelling op te stellen. Hij stuurt het concept mee als bijlage bij zijn bericht, en verzoekt Cordaet hem te laten weten of National Academic hiermee kan instemmen.

 

2.15.

Bij brief van 27 augustus 2018 schrijft Cordaet het volgende aan mr. Arslan, voor zover hier relevant:

 

(…).

 

Bijgevoegd treft u een afschrift aan van het medisch advies d.d. 22 augustus 2018. Ik noem in het bijzonder punten 5 tot en met 9. Naar ik aanneem vormen deze opmerkingen geen bezwaar voor uw medisch adviseur. De aangepaste vraagstelling zie ik graag van u tegemoet.

 

Uit uw e-mailbericht d.d. 13 augustus 2018 leid ik af dat uw cliënt in dit stadium niet bereid is om de volgende informatie te overleggen:

 

– beloopinformatie van de behandelaren vanaf september 2017;

– rapport van de UWV arts in verband met de toekenning van de Ziektewet-uitkering;

– ongecensureerde huisartsenjournaal vanaf drie jaar voor ongeval.

 

Dit vormt voor mijn opdrachtgeefster naar mijn inschatting een probleem. Zij heeft mij expliciet verzocht de betreffende stukken bij u op te vragen om een goede beoordeling te kunnen maken van de schade van uw cliënt en de verdere voortgang (regeling/procedure/verdere dossierbehandeling). Ik houd er rekening mee dat zij om die reden niet bereid zal zijn een aanvullend voorschot te voldoen.

 

(…).”

 

2.16.

Op 6 september 2018 schrijft voornoemde verzekeringsarts van National Academic in een aanvullend advies als volgt, voor zover hier relevant:

 

“MEDISCH ADVIES

 

(…).

Advies:

Ik begrijp dat er een meningsverschil bestaat met betrekking tot de stukken die aan de expert voorgelegd dienen te worden. U vraagt hierover mijn mening.

Met betrekking tot het huisartsenjournaal, in de medische stukken die ik heb ontvangen zie ik geen aanwijzingen voor relevante pre-existente problematiek. Er is derhalve geen indicatie om de huisarts hierover aanvullende vragen te stellen, ook niet met een gerichte vraagstelling.

Echter, zoals ook aangegeven wordt in de Richtlijn Medische Rapportage, is het van belang dat de expert zich een beeld vormt over het ongevalsmechanisme. Indien er een objectief stuk aanwezig is, dat hieraan kan bijdragen, is het derhalve logisch om dit mee te sturen. (…).”

 

2.17.

Bij brief van 17 september 2018 stuurt Cordaet het medische advies van 6 september 2018 aan de advocaat van [verzoeker] . Cordaet schrijft dat de beloopinformatie van Rijndam moet worden verzameld om te kunnen worden toegevoegd aan de vraagstelling en dat de medisch adviseur in het rapport een nadere toelichting heeft gegeven op de relevantie van het toevoegen van de bevindingen van OAN (waartegen namens [verzoeker] bezwaren waren geuit). Voorts schrijft Cordaet:

“(…).

 

Tot slot noem ik dat mij na de mondelinge toelichting van mijn medisch adviseur is gebleken dat alleen de verkorte medische weergave van de verzekeringsarts van het UWV is overgelegd, kunt u mij het medisch rapport van de verzekeringsarts van het UWV in het kader van de WIA toezenden? Zoals de vraagstelling thans voorligt, kan deze niet aan de expertise arts worden verstuurd.

De verzekeraar heeft aangegeven eerst over de ontbrekende informatie te willen beschikken alvorens over aanvullende bevoorschotting te spreken. (…).”

 

2.18.

Bij e-mail van 12 december 2018 stuurt mr. Arslan Cordaet een afschrift van een rapport van verkeersongevallendeskundige ing. [deskundige] , die het schadebeeld en de intensiteit van de botsing heeft onderzocht. Mr. Arslan schrijft daarbij voorts: ”Inmiddels heeft u ook de beschikking over alle ontbrekende medische stukken. Ik stel voor dat wij de expertise daarom zo spoedig mogelijk in gang zetten met toevoeging van de rapportages van beide ongevalanalisten aan het dossier. Gaat u ermee akkoord dat ik de expertise in gang laat zetten met inachtneming van de overige opmerkingen van uw medisch adviseur zoals geformuleerd in de adviezen d.d. 22 augustus 2018 en 6 september 2018? (…).”

 

2.19.

In een aanvullend medisch advies van 12 december 2018 schrijft de verzekeringsarts van National Academic het volgende, voor zover hier relevant:

 

“(…).

 

Advies:

(…).

  1. Daarnaast ontving ik het medisch verslag van de verzekeringsarts van het UWV, dat opvallend is. Ik trof een uitgebreide beschrijving van het lichamelijk onderzoek aan, zowel met betrekking tot de psyche als de fysieke toestand van betrokkene, en daaruit blijkt dat er eigenlijk geen afwijkingen worden gevonden behoudens een wat stijvere en licht beperkte endo- en exorotatie aan de bovenste extremiteiten, waarbij niet duidelijk wordt aangegeven wat er beperkt is. Aan de schouders worden namgelijk geen afwijkingen, geen bewegingsbeperkingen beschreven.
  2. Het verbaast me dan ook, dat de verzekeringsarts toch tot de conclusie komt dat er geobjectiveerd enige beperkingen ten aanzien van nek belastende arbeid en het sociaal en persoonlijk functioneren zijn aan te nemen. (…). Een en ander lijkt puur gebaseerd op de anamnese aangezien bij lichamelijk onderzoek, nogmaals, eigenlijk gen enkele klinisch relevante afwijking wordt aangetroffen.
  3. Overigens wordt bij de tractusanamnese vermeld dat er sprake was van aspecifieke klachten van de onderrug en de nek vóór het ongeval als gevolg van training: kennelijk was er dus geen sprake van de blanco voorgeschiedenis waar wij tot op heden van uitgingen.

(…).

  1. Samenvattend is er sprake van een uitgebreid klachtenpatroon zonder objectiveerbare afwijkingen bij lichamelijk en aanvullend onderzoek. Ik begrijp dat een pragmatische regeling niet haalbaar is, en dan resteert als optie een afsluitende neurologische expertise, eventueel aangevuld met een neuropsychologisch onderzoek om cognitieve klachten/stoornissen te objectiveren, om de eventuele gevolgen van het ongeluk zorgvuldig in kaart te brengen.

(…).

  1. Indien een dergelijk traject akkoord is zie ik graag een conceptvraagstelling tot expertise tegemoet of stel deze desgewenst zelf voor u op.

(…).”

 

2.20.

Bij brief van 30 januari 2019 schrijft Cordaet aan (de advocaat van) [verzoeker] dat zij contact heeft gehad met National Academic, dat er nog geen overeenstemming bestaat over de uit te voeren expertise, in het bijzonder niet ten aanzien van de informatie (medische voorgeschiedenis) die aan de expertisearts moet worden voorgelegd alsmede dat National Academic heeft besloten het medisch dossier in het kader van een second opinion voor te leggen aan een nieuwe medisch adviseur.

 

3

Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank, bij wijze van deelgeschil op grond van artikel 1019w lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

National Academic te gebieden om binnen één week na afgifte van deze beschikking mee te werken aan het in gang zetten van een neurologisch dan wel neuropsychologisch expertiseonderzoek;

National Academic te veroordelen in de kosten van het verzochte onderzoek (i);

bij overschrijding van de verzochte termijn (i) National Academic te veroordelen tot betaling van een dwangsom van EUR 500 per dag dat zij te laat is, met een maximum van EUR 50.000;

National Academic te veroordelen tot betaling van EUR 16.899,88 aan buitengerechtelijke kosten;

de kosten ex artikel 1019aa Rv te begroten op EUR 8.881,64 dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag, met veroordeling van National Academic tot betaling van voornoemd bedrag.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de vraagstelling, de inhoud en de reikwijdte van de uit te voeren expertise alsmede dat hij in dat kader alle relevante medische informatie beschikbaar heeft gesteld. National Academic gaat derhalve ten onrechte niet over tot het in gang zetten van het expertiseonderzoek: zij stelt telkens nieuwe voorwaarden en verlangt informatie van [verzoeker] die hij niet hoeft te verstrekken, zoals een afschrift van het huisartsenjournaal van vijf jaar voor datum ongeval. De huisarts van [verzoeker] weigert die informatie te verstrekken, tenzij National Academic concrete en gerichte vragen opstelt. Verder volgt uit het medisch advies van de verzekeringsarts van National Academic van 6 september 2018 dat haar verzekeringsarts geen aanwijzingen ziet voor pre-existentiële problematiek of voor het stellen van aanvullende vragen aan de huisarts van [verzoeker] .

 

3.3.

National Academic voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat het deelgeschil onnodig is ingesteld. Aansprakelijkheid is nooit ontkend en National Academic heeft geen bezwaar tegen het starten van een expertise of het betalen van de daarbij komende kosten, maar voor een zorgvuldige uitvoering van een dergelijke expertise is noodzakelijk dat de nog te benoemen expert van tevoren de beschikking krijgt over informatie uit het huisartsenjournaal. Dit klemt temeer, nu gaandeweg de afwikkeling van de schade en de beoordeling van de causaliteitsvraag is gebleken dat mogelijk geen sprake is van een ‘blanco’ medische voorgeschiedenis.

 

3.3.1.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten van EUR 16.899,88 voert National Academic primair aan dat deze voor rekening van [verzoeker] dienen te blijven. [verzoeker] houdt zelf een neurologische expertise tegen door niet aan alle informatieverzoeken te voldoen. Subsidiair kan de vordering de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. [verzoeker] heeft op 7 juli 2018 te kennen gegeven niet te willen meewerken aan het verstrekken van nadere medische informatie. Vergoeding van de kosten van daarna is dus niet redelijk: die zien op het verzet van [verzoeker] tegen de beoordeling van het causaal verband. De omvang van de gemaakte kosten is evenmin redelijk. Mr. Arslan is geen letselschadespecialist. Het specialistentarief van EUR 245 is derhalve niet gerechtvaardigd, een uurtarief van EUR 220 is meer op zijn plaats. De kantoorkosten zijn evenmin nodig. Het aantal uren is niet in verhouding tot de geringe complexiteit van de zaak en er lijkt sprake van doublures. In het licht van dat wat al (mede aan de voormalig belangenbehartiger van [verzoeker] ) is betaald (EUR 9.500) en de PIF-staffel, is een vergoeding van EUR 6.655 inclusief btw (25 uur x EUR 220) meer dan redelijk.

 

3.3.2.

Ten aanzien van de gevorderde kosten van het deelgeschil van EUR 8.881,64 voert National Academic aan dat die moeten worden afgewezen, omdat het deelgeschil onnodig is ingesteld. Aansprakelijkheid is van het begin af aan erkend. Het is ook de vraag of het verzoek binnen het bereik van een deelgeschil valt, er had beter een voorlopig deskundigenoordeel kunnen worden gevraagd. Subsidiair voert National Academic aan dat het aantal uren voor het opstellen van het verzoekschrift (28), de dubbele redelijkheidstoets niet kan doorstaan. De beperkte complexiteit van de zaak alsmede de overige omstandigheden (3.3.1) kunnen volgens National Academic niet leiden tot een tijdsbesteding van meer dan 10 uur.

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4

De beoordeling

4.1.

Aan de orde is de vraag of National Academic gehouden is mee te werken aan de uitvoering van de uit te voeren expertise ter beoordeling van de vraag – kort gezegd – of de klachten die [verzoeker] heeft medisch gezien ongevalsgerelateerd zijn. Partijen zijn het erover eens dat een neurologische of neuropsychologische expertise moet worden uitgevoerd. Punt van discussie is of zij overeenstemming hebben bereikt over de vraagstelling, de inhoud en de reikwijdte van die expertise en of [verzoeker] daartoe aan de deskundige die de expertise gaat verrichten informatie uit zijn huisartsenjournaal dient te verstrekken voorafgaand aan de uit te voeren expertise, dan wel of de noodzaak daarvan door de deskundige die het onderzoek uitvoert dient te worden beoordeeld.

 

Behandeling in deelgeschil

 

4.2.

Het onderhavige verzoek is gegrond op artikel 1019w Rv. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letselschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Anders dan National Academic heeft gesteld, valt het verzoek van [verzoeker] onder het bereik van artikel 1019w Rv, nu de verzochte beslissing in beginsel kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv). De rechtbank zal het verzoek derhalve inhoudelijk beoordelen.

 

Inhoudelijke beoordeling

 

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat partijen op enig moment overeenstemming hebben bereikt over de vraagstelling of de inhoud en reikwijdte van de uit te voeren expertise. Het tegendeel is het geval.

 

4.4.

De advocaat van [verzoeker] stuurt Cordaet bij e-mailbericht van 25 augustus 2018 een (door zijn medische adviseur) eenzijdig opgesteld concept-vraagstelling, met het verzoek om een reactie (2.14). Uit alle daarop volgende correspondentie, overgelegd door [verzoeker] , blijkt vervolgens geenszins van instemming door (of namens) National Academic met voornoemde concept-vraagstelling. Zo verwijst [verzoeker] in het verzoekschrift naar brieven van Cordaet van 27 augustus 2018 (2.15) en 30 januari 2019 (2.20). Uit eerstgenoemde brief blijkt echter dat Cordaet verzoekt om aanpassing van de vraagstelling en in de brief van 30 januari 2019 schrijft zij: “Zoals u bekend, bestaat er nog geen overeenstemming ten aanzien van de uit te voeren expertise en in het bijzonder niet ten aanzien van de informatie die aan de expertise arts mee zou moeten worden voorgelegd (medische voorgeschiedenis)”. Ook uit overige correspondentie blijkt niet van overeenstemming. Zo schrijft Cordaet op 17 september 2018 “zoals de vraagstelling thans voorligt, kan deze niet aan de expert worden verstuurd” (2.17). Op 12 december 2018 vraagt [verzoeker] nog aan Cordaet of zij ermee akkoord kan gaan dat hij de expertise in gang laat zetten (2.18). Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [verzoeker] er voorts op gewezen dat de medisch adviseur van National Academic op 22 augustus 2018 schrijft dat zij geen principieel bezwaar heeft tegen de voorgestelde expertise (2.13). Die omstandigheid maakt het voorgaande echter niet anders, nu in het advies tevens om aanvulling van de vraagstelling is gevraagd en uit het latere aanvullend advies van 12 december 2018 bovendien blijkt dat de adviseur ten tijde van het opstellen van het advies van 22 augustus 2018, kennelijk nog niet over alle revelante (medische) informatie beschikte (2.19).

 

4.5.

Dat brengt de rechtbank tot de vraag of [verzoeker] gehouden is de deskundige nadere informatie uit het huisartsenjournaal te verstrekken voordat tot uitvoering van het expertiseonderzoek wordt overgegaan. Informatie die aan de deskundige wordt verstrekt, dient ook aan de medisch adviseur van de wederpartij, National Academic, te worden verstrekt.

 

4.6.

National Academic heeft aan de hand van een geneeskundig advies van Genas van 28 mei 2019 ter comparitie toegelicht dat het niet gaat om het integrale huisartsenjournaal over een bepaalde periode, maar om informatie zonder tijdsbegrenzing die specifiek ziet op “klachten van de gehele wervelkolom (dus tot en met de nek), hoofdpijnklachten en psychische dan wel psychosociale problematiek”. In voornoemd advies is beschreven dat de klachten die [verzoeker] als ongevalsgerelateerd claimt, ook andere oorzaken dan een achterop-aanrijding kennen en daarnaast vaak voorkomen, terwijl uit de medische gegevens blijkt dat vóór de aanrijding op 15 februari 2016 sprake was van aspecifieke klachten aan de onderrug en nek en dat verder is gebleken van spanningen in de werksituatie van [verzoeker] .

 

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat op [verzoeker] de plicht rust feiten te stellen waaruit volgt dat het door hem gestelde letsel en de schade die daaruit volgens hem voortvloeit zijn veroorzaakt door het ongeval en bij gemotiveerde betwisting deze te feiten te bewijzen. Hieruit volgt dat het aan [verzoeker] is om de deskundige alle medische informatie te verstrekken die van belang kan zijn om het medisch causaal verband tussen zijn klachten en het ongeval te kunnen beoordelen. De rechtbank deelt de visie van [verzoeker] dat National Academic wisselende vragen heeft gesteld over de omvang van de verlangde informatie uit het huisartsenjournaal. Niet eerder is deze zo specifiek omschreven zoals ter comparitie is toegelicht. Die wisselende vraagstelling laat onverlet dat de rechtbank, met National Academic, van oordeel is dat [verzoeker] gelet op de op hem rustende stelplicht en bewijslast de deskundige de door National Academic genoemde specifiek verzochte medische informatie zoals hiervoor in 4.6 weergegeven dient te verstrekken. Gelet op de overigens beschikbare medische informatie zijn er immers aanknopingspunten die kunnen duiden op een predispositie bij [verzoeker] die relevant kan zijn bij de beoordeling van de vraag of en in hoeverre zijn klachten ongevalsgerelateerd zijn. Van een ‘fishing expedition’ is, anders dan [verzoeker] heeft gesteld, geen sprake. Het beroep van [verzoeker] op het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB3676) gaat dan ook niet op. Op basis van de beschikbare informatie ziet de rechtbank wél een reden om de vooraf te verschaffen informatie vooralsnog te beperken in tijdsduur, namelijk de duur van vijf jaar vóór het ongeval, derhalve tot 15 februari 2011. Het is aan partijen om de deskundige uitdrukkelijk te vragen om te bezien of hij op basis van de verschafte informatie aanleiding ziet om aan hem aanvullende informatie te verstrekken die dateert van 15 februari 2011.

 

4.8.

[verzoeker] heeft er nog op gewezen dat de verzekeringsarts van National Academic in een advies van 6 september 2018 schrijft dat er geen aanwijzingen zijn voor pre-existentiële problematiek of voor het stellen van vragen aan de huisarts (2.16). Daarmee miskent [verzoeker] echter dat de verzekeringsarts in een later advies van 12 december 2018 schrijft dat zij eerst toen alsnog het medische verslag van de UWV verzekeringsarts heeft ontvangen, op basis waarvan zij dan vaststelt dat “dus geen sprake is van een blanco voorgeschiedenis, waar wij tot op heden van uitgingen”.

 

4.9.

Voor zover [verzoeker] het niet verstrekken van medische informatie voorts heeft willen rechtvaardigen met een beroep op, naar de rechtbank begrijpt, zijn recht op privacy – welk beroep volgens de verklaring van [verzoeker] ter comparitie voortvloeit uit de mededeling van zijn huisarts van 29 september 2017 (2.5) – staat voorop dat [verzoeker] zelf beslist wat er met de inhoud van zijn patiëntendossier gebeurt. Het is zijn goed recht de informatie niet te verstrekken. Daar waar het gaat om de onderbouwing van het door hem gestelde letsel en de schade als gevolg van het ongeval, geldt echter dat de medisch adviseur van National Academic met het oog op de te verrichten expertise in redelijkheid om informatie uit het huisartsenjournaal heeft kunnen vragen.

 

4.10.

Voor het overige merkt de rechtbank nog op dat voor zover [verzoeker] zich erop beroept dat de huisarts de verzochte informatie niet heeft willen verschaffen, opvalt dat het verzoek om (nadere) informatie kennelijk niet is voorzien van een toestemmings-handtekening van [verzoeker] (2.5). Indien en voor zover deze toestemming wél wordt verleend, valt niet in te zien waarom de huisarts die informatie niet zal verstrekken.

 

4.11.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht (3.1.i) wordt afgewezen. Vervolgens ontbeert het door hem verzochte onder 3.1.ii en 3.1.iii dan aan grondslag, zodat ook dit zal worden afgewezen.

 

Vergoeding buitengerechtelijke kosten

 

4.12.

Uit het verzoekschrift (punt 35 e.v.) alsmede uit de daarbij gevoegde producties 14 en 15 is af te leiden dat mr. Arslan de door hem aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten begroot op EUR 15.484,18 aan honoraria en medische verschotten en EUR 1.415,70 voor kosten van de ongevallenanalist, derhalve EUR 16.899,88 in totaal. Uit de overgelegde declaraties blijkt dat mr. Arslan (15:12 + 23:30 uur) = 38:42 uur aan het dossier heeft besteed. Mr. Arslan stelt zich op het standpunt dat het uurtarief van EUR 245 (exclusief btw en 7% kantoorkosten) nooit ter discussie is gesteld, zodat dit moet worden beschouwd als zijnde aanvaard. Voor de declaratie van 13 mei 2018 geldt dat National Academic die zonder protest heeft behouden en dat zij op geen enkele wijze verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de declaratie, de hoogte van het uurtarief, de in rekening gebrachte kantoorkosten of de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden. De buitengerechtelijke kosten komen als schadepost in aanmerking voor vergoeding door National Academic, nu zij de aansprakelijke partij is, aldus mr. Arslan.

 

4.13.

De rechtbank neemt bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot uitgangspunt dat ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW een slachtoffer van een ongeval jegens de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval, recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Bepalend voor toewijzing is de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Deze vereist dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen.

 

4.14.

Dat (het kantoor van) mr. Arslan buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht wordt op zichzelf niet bestreden. Uit de overgelegde urenspecificaties blijkt dat tot aan het deelgeschil veelvuldig is getelefoneerd en gecorrespondeerd met voornamelijk [verzoeker] en Cordaet. De rechtbank kwalificeert de zaak als niet omvangrijk en niet complex. Bij dit oordeel is betrokken dat National Academic de aansprakelijkheid direct heeft erkend en bereid was tot vergoeding van de schade voor zover deze in causaal verband staat met het ongeval. Daarmee kan voorts worden vastgesteld dat weinig tijd gemoeid was met de aansprakelijkheid zelf. De rechtbank ziet derhalve niet in hoe de door mr. Arslan verrichtte werkzaamheden kunnen leiden tot een dergelijk hoog aantal declarabele uren. Hoewel het advocaten ter vrije bepaling staat hoe te handelen in een zaak (dus hoe het procesdossier wordt ingericht, hoeveel contactmomenten er zijn met de cliënt, de wederpartij en derden enzovoorts), is het tevens hun verantwoordelijkheid dit efficiënt aan te pakken. Inefficiënt kan niet voor vergoeding in aanmerking komen en doorstaat de dubbele redelijkheidstoets dan ook niet, omdat deze niet als redelijkerwijs noodzakelijk kunnen worden aangemerkt.

 

4.15.

Het voorgaande bezien, acht de rechtbank de gedeclareerde uren en de daarmee samenhangende kosten tot aan het deelgeschil bovenmatig hoog. De rechtbank acht vergoeding door National Academic van een bedrag van EUR 6.655 inclusief btw en kantoorkosten aan buitengerechtelijke kosten, de redelijke kosten van de advocaat van [verzoeker] redelijk. Dit mede in het licht van de (geringe) complexiteit van de zaak, de snelle erkenning van aansprakelijkheid en de gemotiveerde betwisting van de gevorderde buitengerechtelijke kosten door National Academic (3.3.1).

 

Kosten deelgeschil

 

4.16.

Ingevolge 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten op de voet van artikel 6:96 BW, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dit betekent dat de benadeelde deze kosten in beginsel volledig vergoed kan krijgen van een andere partij, als diens aansprakelijkheid tenminste komt vast te staan. Voorts dient hierbij de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12).

 

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat van deze laatste situatie in dit geval geen sprake is. De rechtbank acht het dan ook redelijk dat met de onderhavige procedure kosten zijn gemaakt. Gelet hierop verstaat de rechtbank het verzoek van [verzoeker] tot veroordeling van National Academic in de buitengerechtelijk kosten als een verzoek om begroting van die kosten en zal tot begroting overgaan.

 

4.18.

De rechtbank leidt uit het verzoekschrift (nummer 51 tot en met 53) af dat mr. Arslan de door hem aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten begroot op een totaalbedrag van EUR 8.881,64, uitgaande van een totale tijdsbesteding van 28 uren tegen een uurtarief van EUR 245 exclusief 21% btw en 7% kantoorkosten.

 

4.19.

In aanmerking genomen het verweer van National Academic tegen de verzochte veroordeling in de proceskosten en gelet op de geringe complexiteit van de zaak acht de rechtbank een vergoeding ter hoogte van 10 uur x EUR 220, derhalve EUR 2.200 in totaal (exclusief 21% btw en 7% kantoorkosten) in overeenstemming met de dubbele redelijkheidstoets.

 

5

De beslissing

De rechtbank:

 

5.1.

veroordeelt National Academic tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van EUR 6.655 aan buitengerechtelijke kosten;

 

5.2.

begroot de proceskosten van [verzoeker] zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv op EUR 2.200 exclusief 21% btw en 7% kantoorkosten;

 

5.3.

verklaart de kostenveroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad;

 

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2019.1

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey