Rb, deelgeschil: verzoeken onnodig ingesteld, t.a.v. opgave BGK uurtarief hooguit € 100,-

Samenvatting:

Whiplash, ongeval 2012, causaliteit. Verzoeker vraagt om: 1. adequate bevoorschotting, 2. Voorschot € 50.000,-, 3. medewerking aan verdere onderzoeken, 4. voorschot op de BGK, 5. kosten deelgeschil. De rechtbank wijst de verzoeken 1 t/m 3 volledig en 4 deels af. De rechtbank oordeelt dat geen medische gegevens voorhanden van behandelend specialisten die een medische oorzaak aanwijzen voor de door ervaren klachten. T.a.v. kosten deelgeschil 5: “ Van een advocaat, zeker van een advocaat die een specialistentarief hanteert, mag dan worden verwacht dat hij op voorhand inziet dat een verzoek in deelgeschil om een aanvullend voorschot bovenop een reeds betaald substantieel voorschot niet, althans hoogstwaarschijnlijk niet zal kunnen worden toegewezen zonder nadere onderbouwing van causaal verband en schade. (…)” Verzoeken 1-3 zijn onnodig en ten onrechte ingesteld. 4. Resteert het voorschot op de BGK. “Gelet op de aard van het verzoek (betaling van (een voorschot op) buitengerechtelijke kosten), is er naar het oordeel van de rechtbank geen voldoende rechtvaardiging voor het hanteren van een specialistentarief. De rechtbank acht daarom een uurtarief van hooguit € 100,00 exclusief 6% kantoorkosten en 21% BTW nog redelijk.” 5. Kosten deelgeschil: € 929,30 toegewezen (€ 13.159,48 gevorderd).

Beschikking

 

RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/322464 / HA RK 17-160

Beschikking van 17 april 2018

 

in de zaak van

 

[VERZOEKER],

wonende te Nijmegen, verzoeker,

advocaat mr. S. Demirtas te Arnhem,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht, verweerster,

advocaat mr. L.K. de Haan te Rotterdam.

Partijen worden hierna [VERZOEKER] en ASR genoemd.

 

  1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

–             het verzoekschrift

–             het verweerschrift

–             de mondelinge behandeling. Verschenen zijn [VERZOEKER], bijgestaan door mr. Demirtas voornoemd, mevrouw [SCHADEBEHANDELAAR], schadebehandelaar ASR, bijgestaan door mr. De Haan voornoemd.

 

  1. De feiten

2.1.        Op 21 september 2012 is [VERZOEKER] een ongeval overkomen waarbij hij als bestuurder van een auto stil stond voor een rood verkeerslicht en van achteren is aangereden door een bestuurder van een andere auto, die ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd is bij ASR. Een ambulance is ter plaatse gekomen en het ambulancepersoneel heeft [VERZOEKER] onderzocht.

2.2.        Een dag na het ongeval is [VERZOEKER] na verwijzing door de huisartsenpost op de Spoedeisende Hulp (SEH) onderzocht vanwege buikpijn, hoofdpijn en concentratiestoornissen. Daar is enig geheugenverlies geconstateerd en heeft [VERZOEKER] aangegeven dat hij buikpijn had en nekpijn naast de wervels. [VERZOEKER] is vervolgens kort ter observatie opgenomen geweest en op 23 september 2012 uit het ziekenhuis ontslagen.

2.3.        ASR heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.4.        Na het ongeval ervaart [VERZOEKER] (zenuw)pijnklachten aan hoofd, nek, schouder, arm en rug. Daarnaast is hij duizelig en is een achteruitgang van zijn ogen geconstateerd. Hij is prikkelbaar, heeft slaapproblemen, vermoeidheidsklachten, moeite met concentreren en depressieve klachten. [VERZOEKER] heeft zich onder behandeling gesteld van onder meer een neuroloog, een revalidatiearts en een fysiotherapeut.

2.5.        Voor het ongeval was [VERZOEKER] fulltime in loondienst bij [BEDRIJF] als operator/ assistent teamleider. Daarnaast had [VERZOEKER] naar eigen zeggen ook klussen waarmee hij zwarte inkomsten verdiende.

2.6.        Na het ongeval heeft [VERZOEKER] onder begeleiding van de bedrijfsarts gestaan. Van september 2012 tot oktober 2013 is de mate van arbeidsongeschiktheid van [VERZOEKER] vastgesteld op 100%. Vanaf oktober 2013 heeft [VERZOEKER] in aangepast werk opgebouwd naar 100% arbeidsgeschiktheid, rekening houdend met beperkingen ten aanzien van tillen, duwen, trekken en bovenhands werken. In maart 2014 tot 13 juni 2014 is [VERZOEKER] 100% arbeidsongeschikt verklaard vanwege zijn operatie. Vanaf 13 juni 2014 is [VERZOEKER] 60% arbeidsongeschikt. Na 25 augustus 2014 bedraagt het arbeidsongeschiktheidspercentage 25%.

2.7.        Op 10 maart 2014 is [VERZOEKER] geopereerd in verband met een nekhemia (HNP C5- C6).

2.8.        Op gezamenlijk verzoek van partijen is een arbeidsdeskundige van [ORGANISATIE] ingeschakeld. Deze arbeidsdeskundige heeft een intake en een behandeling bij het Behandelcentrum voor Bewegen en functioneren (DBC) voorgesteld om te komen tot een volledige re-integratie van [VERZOEKER] in de eigen functie. De intake heeft plaatsgevonden in november 2014, waarna een behandelingstraject van een aantal weken is gestart.

2.9.        Van de zijde van ASR is de heer dr. [VERZEKERINGSARTS], verzekeringsarts, ingeschakeld.

Dr. [VERZEKERINGSARTS] heeft op 16 december 2013, 9 februari 2015 en 1 juli 2015 een medisch advies uitgebracht. Dr. [VERZEKERINGSARTS] komt in die adviezen, kort samengevat, tot de conclusie dat hij het beloop van de klachten niet vanuit de behandeling of het ongeval kan verklaren. Hij acht het onwaarschijnlijk dat [VERZOEKER] als gevolg van het ongeval een nekhernia heeft opgelopen. Hij gaat er vervolgens vanuit dat de medische eindtoestand voor wat de gevolgen van het ongeval betreft, is bereikt en dat er geen blijvende gevolgen zijn. In zijn laatste medisch advies, gedateerd 29 maart 2016, komt dr. [VERZEKERINGSARTS] tot de volgende conclusies:

“Uit de nieuwe medische informatie blijkt het volgende. …)

  1. Voorafgaande aan het ons regarderend ongeval vond in juli 2010 een vechtpartij plaats waarbij betrokkene nekklachten opliep.
  2. Alcoholgebruik wordt vaker genoteerd.
  3. Voorts komt flauwvallen in de voorgeschiedenis voor, ook neuroloog Pelen vermeldt dit probleem in zijn correspondentie.
  4. Het lijkt er inderdaad op dat de huisarts inderdaad na 2013 nooit meer is bezocht vanwege nekklachten door betrokkene.
  5. Medisch wordt nergens bij betrokkene de diagnose acceleratie-deceleratie trauma bij betrokkene gesteld.
  6. (…)
  7. De bevindingen van het DBC, de aldaar ervaren belemmeringen, worden medisch niet onderbouwd en evenmin verholpen.
  8. Het effect van DBC- of juister; het ontbreken daarvan – is tekenend voor een atypisch verloop, waarbij niet het ongeval, maar andere ongevalvreemde factoren een rol spelen. Indien immers de vermoedelijke oorzaak – dat ongeval – is weggenomen – mag wel effect in de vorm van herstel worden verwacht. Nu dat herstel echter uitblijft, kan men zich serieus afvragen of er niet een andere oorzaak aan de orde is.
  9. De nekklachten zouden blijkens contact op 05-11-2012 alweer over zijn geweest.
  10. Dit impliceert dat de nekklachten nadien geen ongevalsgevolg zijn.
  11. Ook thans lijkt betrokkene weer ziek gemeld om andere redenen dan ongevalsgevolgen.

Op basis van deze nieuwe gegevens kom ik tot de slotsom dat het onwaarschijnlijk is dat betrokkene thans nog enige hinder ondervindt van de gevolgen van het ons regarderend ongeval uit 2012, maar dat zulke klachten veeleer op andere, deels pre-existente (diverse ongevallen, vechtpartij, middelengebruik), deels op endogene predispositie (flauwvallen, stress) gebaseerde, kenmerken berust.“

 

2.10. Van de zijde van [VERZOEKER] is medisch adviseur de heer [MEDISCH ADVISEUR], verbonden aan [ORGANISATIE2]., ingeschakeld. In zijn rapport van 28 november 2016 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Conclusies:

–             Bij betrokkene is er gezien de onderliggende medische informatie zeer waarschijnlijk sprake van een postwhiplashsyndroom. Waarbij de medisch adviseur de heer Dr. [VERZEKERINGSARTS], in zijn advies aan ASR verzekeringen van 9 februari 2015 en zijn advies van 1 juli 2015, niet met een deugdelijke, op medische onderzoeken en medische literatuur gemotiveerde onderbouwing komt, dat het niet om een postwhiplashsyndroom bij de heer [VERZOEKER] gaat.

–             Gezien de duur van de klachten en het feit dat vrijwel alle behandelmodaliteiten zijn ingezet, zoals fysiotherapie/manuele therapie, pijnbehandeling door anaesthesioloog, revalidatiebehandeling en operatie door een neurochirurg in de vorm van een cervicale anterieure discectomie van C5-C6, met het plaatsen van een cage, lijkt er sprake te zijn van blijvende invaliditeit.

Mijn advies aan u als zijnde de advocaat van de heer [VERZOEKER] is:

–             Neurologische expertise laten uitvoeren om vast te stellen welke huidige klachten en beperkingen thans nog het gevolg zijn van het doorgemaakte whiplash-trauma.

–             Verzekeringsgeneeskundig onderzoek en AD-onderzoek laten uitvoeren na de neurologische expertise om te bepalen wat uiteindelijk de verzekeringsgeneeskundige mate van arbeidsongeschiktheid is en wat dit betekend voor het theoretische inkomensverlies voor de heer [VERZOEKER].”

 

  1. Het verzoek en het verweer

3.1.        [VERZOEKER] verzoekt, samengevat weergegeven, de rechtbank, op de voet van 1019w Rv, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat ASR gehouden is om de door [VERZOEKER] geleden en te lijden schade als gevolg van het hem op 21 september 2012 overkomen ongeval periodiek middels adequate bevoorschotting te vergoeden,
  2. ASR te veroordelen tot betaling aan [VERZOEKER] van een bedrag van € 50.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, ten titel van voorschot op de door [VERZOEKER] geleden en nog te lijden schade, zowel materiële als immateriële, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de dag van algehele voldoening,
  3. te bepalen dat ASR gehouden is alle noodzakelijke maatregelen te treffen c.q. haar medewerking te verlenen, “zo ook aan verdere onderzoeken mee te werken, om (verdere) schade te voorkomen of op te heffen, en het een en ander inzichtelijk te kunnen maken, zodat het voor [VERZOEKER] mogelijk blijft externe/professionele hulp in te schakelen/te krijgen, dit om hem wel een reëel toekomstperspectief te bieden (middels ondersteuning en begeleiding) en hem te blijven helpen met zijn herstel en werk. Door een goede/tijdige diagnose kan de deskundige de ernst van de situatie beter inschatten en spoedig de gepaste maatregelen nemen. Dit zowel op financieel, juridisch vlak als wat betreft de manier waarop [VERZOEKER] zijn zorg in de toekomst ziet. Men kan dan vooruit kijken welke behandelingen en benaderingen voor [VERZOEKER] wel mogelijk zijn, zodat hij snel en effectief geholpen wordt (welk in gezamenlijk overleg dient plaats te blijven vinden)”,
  4. te beslissen dat ASR gehouden is een voorschot van € 35.000,00 op de buitengerechtelijke kósten te voldoen, dan wel een door de rechtbank vast te stellen voorschotbedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf indiening van de buitengerechtelijke kosten met urenstaat bij ASR,
  5. de kosten van behandeling van het deelgeschil op de voet van artikel 1019aa Rv te begroten en ASR te veroordelen dit bedrag, inclusief griffierecht, aan [VERZOEKER] te voldoen.

 

3.2.        Aan zijn verzoek legt [VERZOEKER], samengevat, het volgende ten grondslag. Hij heeft ernstige klachten overgehouden aan de kopstaartbotsing waarbij een auto met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur achter op hem is gebotst, terwijl hij stil stond voor een rood verkeerslicht. Deze klachten (opgenomen onder 2.4) staan in causaal verband met het ongeval en zijn reële klachten, zoals blijkt uit het medisch dossier en de informatie van de bedrijfsarts. Voor het ongeval had [VERZOEKER] geen klachten, de klachten zijn direct na het ongeval ontstaan en er is geen andere oorzaak aan te wijzen voor de klachten. [VERZOEKER] heeft door het ongeval schade geleden, bestaande uit verlies aan verdienvermogen, de onmogelijkheid om zijn extra kluswerkzaamheden voort te zetten, kosten wegens huishoudelijke hulp, verlies aan zelfwerkzaamheid, medische kosten en reiskosten. Daarnaast maakt [VERZOEKER] aanspraak op een voorschot op het smartengeld van € 5.000,00. De schade bedraagt in totaal ongeveer € 148.055,00, plus buitengerechtelijke kosten van in totaal € 40.513,02. De weigering van ASR om over te gaan tot een redelijke bevoorschotting of het aanbieden van professionele hulp heeft een nadelige invloed op het herstel van [VERZOEKER], terwijl [VERZOEKER] zelf alles in het werk stelt om zijn herstel te bevorderen. De gevraagde beslissingen in dit deelgeschil kunnen bijdragen aan een goede schadeafwikkeling, aldus [VERZOEKER].

3.3.        ASR is primair van mening dat de verzoeken van [VERZOEKER] op formele gronden dienen te worden afgewezen. ASR voert aan dat de verzoeken zich niet lenen voor een deelgeschilprocedure, aangezien tussen partijen in geschil is of er causaal verband is tussen het ongeval en de gestelde klachten en op dit punt nadere bewijslevering aan de zijde van [VERZOEKER] noodzakelijk is. Subsidiair heeft ASR op inhoudelijke gronden verweer gevoerd tegen hetgeen [VERZOEKER] heeft verzocht. ASR betwist dat sprake is van medische en juridische causaliteit. Volgens ASR volgt uit het medisch dossier dat [VERZOEKER] de door hem ervaren nekklachten (als gevolg van een vechtpartij in 2010) alsook de neiging tot flauwvallen en duizeligheid al had vóór het onderhavige ongeval. Verder is [VERZOEKER] voor het onderhavige ongeval betrokken geweest bij twee eerdere aanrijdingen, die ook een alternatieve oorzaak voor zijn klachten kunnen opleveren. Na het onderhavige ongeval heeft er een incident plaatsgevonden waarbij [VERZOEKER] onder invloed van alcohol van de trap is gevallen. Dit incident kan ook de oorzaak zijn van (enkele van) de door [VERZOEKER] gestelde klachten. Verder stelt ASR dat [VERZOEKER] een a-typisch verloop vertoont ten aanzien van zijn gestelde postwhiplashklachten, aangezien hij eerst is hersteld om na een nekhernia weer als volledig arbeidsongeschikt uit te vallen. Wat betreft de nekhernia betwist ASR dat dit een ongevalsgevolg is. Verder leiden de door [VERZOEKER] gestelde klachten volgens ASR niet per definitie tot beperkingen, hetgeen bevestigd wordt door het feit dat [VERZOEKER] thans weer volledig aan het werk is in zijn oude functie inclusief ploegendienst. Tot slot heeft ASR verweer gevoerd tegen de gestelde schadeposten, alsmede de buitengerechtelijke kosten en de kosten van het deelgeschil. ASR heeft een bedrag van € 16.300,00 bevoorschot op de schade van [VERZOEKER], inclusief een bedrag van € 2.500,00 aan smartengeld. Daarnaast heeft ASR rekeningen betaald van ARAG, de voormalige gemachtigde van [VERZOEKER], en de nota van de medische adviseur van [VERZOEKER]. ASR heeft daarnaast een bedrag van € 14.000,00 betaald voor aanpassingen aan de werkplek van [VERZOEKER].

  1. De beoordeling

4.1.        Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een dergelijke vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

Verder geldt dat het voorleggen van meerdere deelgeschillen in één procedure in beginsel mogelijk is. Daarbij moet echter wel voor ogen worden gehouden dat de deelgeschil-procedure er niet op is gericht de rechter over een groot aantal deelgeschillen te laten oordelen. Het verder onderhandelen, al dan niet met behulp van een mediator, of het instellen van een bodemprocedure, is dan een meer geëigende weg (Kamerstukken II, 2008- 2009, 31 518, nr. 8, p. 7). De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv).

4.2.        De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken van [VERZOEKER] om te bepalen dat ASR gehouden is tot vergoeding van de door [VERZOEKER] geleden en te lijden schade door middel van adequate bevoorschotting en ASR te veroordelen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding in beginsel ter beoordeling in een deelgeschil aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Een beslissing op die verzoeken zal, naar mag worden verwacht, bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarom kan, anders dan ASR heeft opgeworpen, niet worden gezegd dat het verzoek niet voldoet aan de eisen die in artikel 1019w Rv daaraan zijn gesteld. Op de vraag of in het kader van de in dit deelgeschil voorgelegde verzoeken ter beantwoording van de daarmee opgeworpen vragen

(nadere) bewijslevering en/of deskundigenonderzoek(en) nodig zal/zullen zijn, gaat de rechtbank hierna in. Verder staat vast dat ASR op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW de buitengerechtelijke kosten van [VERZOEKER] aan hem moet vergoeden, voor zover die kosten redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren om schadevergoeding te verkrijgen. Over de hiervoor bedoelde redelijkheid is tussen partijen een geschil gerezen. Beslechting van dat geschil in een procedure als de onderhavige kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, al was het maar omdat daarmee een belemmering kan worden weggenomen voor de voor een reële vaststellingsovereenkomst noodzakelijke verdere rechtshulpverlening. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de wetgever de weigering van de verzekeraar advocaatkosten tussentijds te betalen expliciet als voorbeeld van een deelgeschil heeft aangeduid (TK 2007- 2008, 31 518 nr. 3, pag. 16). Het primaire verweer van ASR wordt verworpen.

4.3.        Tussen partijen is in geschil of de klachten en beperkingen die [VERZOEKER] thans presenteert het gevolg zijn van het ongeval op 21 september 2012. In het door [VERZOEKER] met de verzekerde van ASR ingevulde schadeformulier staat dat de verzekerde van ASR verklaart dat deze een snelheid had van ongeveer 50 kilometer per uur en dat de auto van [VERZOEKER] op het moment van de aanrijding stil stond. De verzekerde van ASR heeft eveneens verklaard dat het leek alsof de remmen van haar auto weigerden. Gelet op deze verklaringen sluit de rechtbank niet uit dat de impact van de aanrijding aanzienlijk is geweest en in beginsel tot letsel bij [VERZOEKER] kan hebben geleid, maar – afgezien van de vaststelling van de nekhernia (waarvan ASR betwist dat dat het gevolg is van het haar regarderende ongeval) en de daarmee verband houdende operatie – zijn er geen medische gegevens voorhanden van behandelend specialisten die een medische oorzaak aanwijzen voor de door [VERZOEKER] ervaren klachten. Het voorgaande betekent niet dat er geen causaal verband bestaat, maar wel, gegeven de betwisting van ASR, dat onderzoek in dat verband in de rede ligt. Dit geldt te meer nu ASR omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen wijzen op een of meer alternatieve oorzaken voor de klachten van [VERZOEKER], dan wel wijzen op het bestaan van bepaalde klachten voorafgaand aan het ongeval. Hoewel [VERZOEKER] ter zitting op deze punten een nadere toelichting heeft gegeven, acht de rechtbank deze toelichting, gelet op de gemotiveerde stellingen van ASR, te summier om aan de door ASR aangevoerde omstandigheden voorbij te gaan. Daarbij heeft ook te gelden dat [VERZOEKER] geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de door de medisch adviseur van ASR getrokken conclusie dat het a-typisch verloop van zijn klachten de conclusie postwhiplashklachten, zoals die door de medisch adviseur van [VERZOEKER] is gemaakt, weinig aannemelijk maakt. De informatie van de bedrijfsarts zegt verder alleen iets over het bestaan van bepaalde klachten, maar niet of die klachten het gevolg zijn van het ongeval. Deugdelijke medische informatie ter beoordeling van de vraag welk letsel/welke klachten het gevolg is/zijn van het ongeval, ontbreekt dus.

De advocaat van [VERZOEKER] heeft ter zitting ook erkend dat er weinig (medische) informatie over het causaal verband beschikbaar is en dat een deskundigenbericht op dit punt voor de hand ligt. De rechtbank moet dan ook constateren dat zonder nadere informatie en/of deskundigenbericht(en) op dit punt niet kan worden aangenomen dat bij [VERZOEKER] sprake is van (blijvende) klachten die in causaal verband staan met het ongeval. Bij die stand van zaken laat de schade zich niet, ook niet bij benadering, begroten en kan evenmin worden vastgesteld of [VERZOEKER] als gevolg van het ongeval (in de door hem gestelde omvang) materiële en immateriële schade heeft geleden en lijdt, die het reeds betaalde voorschot overschrijdt, zodat ook geen grond bestaat ASR te veroordelen tot een nadere voorschotbetalingen. De verzoeken sub 1 en 2 zijn niet toewijsbaar.

4.4.        Ten aanzien van het verzoek sub 3 wordt het volgende overwogen. Daargelaten dat dit verzoek tot medewerking van ASR naar het oordeel van de rechtbank te vaag en te onbepaald is om voor toewijzing in aanmerking te komen, is ook niet onderbouwd gesteld op welke concrete punten het aan noodzakelijke en verplichte medewerking van ASR zou hebben ontbroken. De enkele stelling van [VERZOEKER] dat ASR niet heeft willen meewerken aan een medische expertise, welke stelling door ASR gemotiveerd is weersproken, is daartoe onvoldoende. Daaruit blijkt ook niet dat ASR niet bereid zou zijn tot het inwinnen van een gezamenlijke medische expertise over de relatie tussen de klachten van [VERZOEKER] en het ongeval. Ook om die reden is er geen grond voor toewijzing van het verzoek sub 3.

4.5.        [VERZOEKER] verzoekt tevens om betaling van een voorschot op de buitengerechtelijke kosten (verzoek sub 4). Naast hetgeen in dit verband hiervoor in rov. 4.2. al is overwogen, stelt de rechtbank het volgende voorop. Voor de beoordeling of de declaraties van mr. Demirtas, waarvan [VERZOEKER] een veroordeling tot betaling heeft verzocht, zijn te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid c.q. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, is de aard en omvang van de schade en complexiteit van de zaak van belang. Daarnaast komt betekenis toe aan de verhouding tussen de schade en de kosten, met dien verstande dat ook indien uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden aanspraak op vergoeding van deze kosten kan bestaan (Hoge Raad 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423, NJ 2005/50). De verhouding die verzekeraars als zijnde redelijk hanteren, de zogenoemde PIV-staffel, vormt bij de beoordeling niet het uitgangspunt, maar wel één van de factoren. Ook de opstelling van partijen in het schaderegelingsproces kan van invloed zijn op de redelijkheid van het maken van kosten en de omvang daarvan.

4.6.        Mr. Demirtas heeft als producties 11 en 12 bij verzoekschrift urenstaten in het geding gebracht die betrekking hebben op de periode 3 juni 2014 tot en met 21 juni 2017 en die uitkomen op een totaal van 110,83 uren. Uitgaande van een uurtarief van € 285,00, plus 6% kantoorkosten en 21% BTW komt dat uit op een totaalbedrag van € 40.513,02. De rechtbank constateert dat [VERZOEKER], in het licht van het gemotiveerde verweer van ASR tegen het aantal gedeclareerde uren, het gehanteerde uurtarief en de opgevoerde kantoorkosten alsmede tegen de redelijkheid van de opgevoerde werkzaamheden en uren, geen enkele nadere toelichting en/of onderbouwing heeft gegeven met betrekking tot de aard en de noodzaak van de door hem verrichte werkzaamheden en daaraan bestede uren. Daarnaast heeft mr. Demirtas ook een urenstaat overgelegd die ziet op de kosten die verband houden met dit deelgeschil (productie 14) over de periode 2 februari 2017 tot en met 23 juni 2017 van nog eens 34 uur. Onduidelijk is of, en zo ja in hoeverre, er sprake is van samenloop van deze urenstaat met de als producties 11 en 12 overgelegde urenstaten, voor zover die betrekking hebben op dezelfde periode. Op grond van de thans voorliggende stukken kan de rechtbank, bij gebreke van enige nadere toelichting en/of onderbouwing, niet vaststellen in hoeverre de door mr. Demirtas opgevoerde kosten zijn te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid c.q. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. ASR heeft in haar verweerschrift aangegeven bereid te zijn tot vergoeding van een bedrag van € 5.000,00. De rechtbank gaat ervan uit dat ASR die toezegging gestand zal doen. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor een nader voorschot. Het verzoek sub 4 wordt eveneens afgewezen.

4.7.        Ter zake van de kosten van het deelgeschil geldt het volgende. [VERZOEKER] heeft verzocht op de voet van artikel 1019aa lid 1 Rv € 13.159,48 aan advocaatkosten te begroten; 36 uur tegen een uurtarief van € 285,00 (hetgeen neerkomt op € 365,54 per uur inclusief 6% kantoorkosten en 21% btw). ASR werpt daartegen in de eerste plaats op dat begroting achterwege moet blijven omdat het verzoek prematuur is en onnodig is ingesteld, gelet op het feit dat eerst een onafhankelijke expertise moet worden gevraagd omtrent het causaal verband. ASR voert tevens verweer tegen het aantal opgevoerde uren en het gehanteerde uurtarief. In dit verband geldt het volgende.

4.8.        Begroting van de kosten aan de zijde van de gelaedeerde is imperatief voorgeschreven in artikel 1019aa lid 1 Rv, ook in het geval het verzochte wordt afgewezen. Dat is slechts anders indien het maken van proceskosten niet redelijk wordt geoordeeld in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW, bijvoorbeeld omdat de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld (TK 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 12.).

4.9.        Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift was (de advocaat van) [VERZOEKER] reeds genoegzaam bekend met het standpunt van ASR ten aanzien van (het ontbreken van) de causaliteit, zoals onder meer blijkt uit de brief van ASR van 5 februari 2016 (productie 24 bij verweerschrift) en de rapporten van de medisch adviseur van ASR (de laatste gedateerd op 29 maart 2016). Van een advocaat, zeker van een advocaat die een specialistentarief hanteert, mag dan worden verwacht dat hij op voorhand inziet dat een verzoek in deelgeschil om een aanvullend voorschot bovenop een reeds betaald substantieel voorschot niet, althans hoogstwaarschijnlijk niet zal kunnen worden toegewezen zonder nadere onderbouwing van causaal verband en schade. Uit het advies van de medisch adviseur van [VERZOEKER] van 28 november 2016 blijkt dat deze ook een neurologische expertise noodzakelijk acht. Mr. Demirtas heeft niettemin namens [VERZOEKER] het onderhavige verzoek ingediend, terwijl hij ter zitting heeft erkend dat een gezamenlijke expertise of een voorlopig deskundigenbericht de aangewezen weg is voor de beoordeling van het causaal verband, met de mededeling dat dit achterwege is gelaten en voor een deelgeschilprocedure is gekozen, omdat alleen in een deelgeschil de kosten van rechtsbijstand volledig zouden worden vergoed. In zoverre zijn de verzoeken sub 1 en 2 onnodig en ten onrechte ingesteld. Datzelfde geldt voor het verzoek sub 3. Dan resteert in dit deelgeschil uitsluitend het verzoek sub 4 tot betaling van een voorschot op buitengerechtelijke kosten. De rechtbank is van oordeel dat de tijd die gemoeid zal zijn geweest met het opstellen van dat verzoek, gelet op de elektronisch vervaardigde urenstaten en het ontbreken van een nadere toelichting daarop en/of onderbouwing daarvan, niet meer dan vier uur in beslag zal hebben genomen. Rekening houdend met een zittingstijd van (maximaal) een uur komt de rechtbank ten aanzien van het verzoek sub 4 dan uit op een totale tijdbesteding van vijf uur. ASR heeft verweer gevoerd tegen het door [VERZOEKER] gehanteerde uurtarief. Gelet op de aard van het verzoek (betaling van (een voorschot op) buitengerechtelijke kosten), is er naar het oordeel van de rechtbank geen voldoende rechtvaardiging voor het hanteren van een specialistentarief. De rechtbank acht daarom een uurtarief van hooguit € 100,00 exclusief 6% kantoorkosten en 21% BTW nog redelijk. De begroting komt dan uit op in totaal een bedrag van € 929,30 (5 uur x € 100,00 x 6% x 21% + € 288,00 griffierecht). Zoals [VERZOEKER] heeft verzocht zal ASR, zijnde de aansprakelijke partij, tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld. 

  1. De beslissing

De rechtbank

5.1.        begroot de kosten van het deelgeschil op € 929,30 en veroordeelt ASR tot betaling van dat bedrag aan [VERZOEKER],

5.2.        wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots