Rb, deelgeschil: verzoek voorschot ZZP-er afgewezen, verlies arbeidsvermogen en verrekening AOV nog onduidelijk

Samenvatting:

Ongeval 2007, zelfstandig lasser, blijvend pols- en elleboogletsel (14% b.i) en cognitieve stoornissen (10%). 1. Verzoek om nader voorschot. De rechtbank wijst het verzoek om een voorschot af. De rechtbank acht hierbij van belang: a. uit de medische expertiserapporten weliswaar blijkt dat sprake is van (blijvende) beperkingen, maar niet blijkt wat de invloed is van die beperkingen op het arbeidsvermogen van benadeelde. Nader verzekerings-geneeskundig, arbeidsdeskundig en bedrijfseconomisch onderzoek is noodzakelijk. b. Of de AOV-uitkeringen mogen worden verrekend hangt af van de uitleg van de (verzekerings)overeenkomst en de polisvoorwaarden. Bij gebreke van die stukken kan de rechtbank hierover geen oordeel geven. 2. Kosten deelgeschil: € 8.151,60 (gevorderd 46 uur, toegewezen 30 uur x € 175,00 + 6% + 21%).

ECLI:NL:RBGEL:2018:2956

 

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 31-05-2018
Datum publicatie 04-07-2018
Zaaknummer 329200 / HA RK 17-291 / 167

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Overeenstemming over bedrijfseconomisch deskundigenbericht, de persoon van de deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen. Verzoek om aanvullend voorschot schadevergoeding. Verlies aan verdienvermogen: verrekening AOV-uitkering

VindplaatsenRechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

.   .beschikking

 

RECHTBANK GELDERLAND

 

 

Team kanton en handelsrecht

 

 

 

 

Zittingsplaats Arnhem

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/05/329200 / HA RK 17-291 / 167

 

 

 

 

Beschikking van 31 mei 2018

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[Verzoeker] ,

 

[woonplaats] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. W.K. van Briemen te Utrecht,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de naamloze vennootschap

 

TVM VERZEKERINGEN N.V.,

 

gevestigd te Hoogeveen,

 

verweerster,

 

advocaat mr. C.C. Jongens te ‘s-Gravenhage.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [Verzoeker] en TVM worden genoemd.

 

 

 

 

1 De procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– het verzoekschrift met producties

 

– het verweerschrift met producties

 

– de brief d.d. 3 april 2018 met aanvullende stukken (producties 34 t/m 37) van [Verzoeker]

 

– de mondelinge behandeling op 5 april 2018. Verschenen zijn: [Verzoeker] , bijgestaan door mr. Van Briemen voornoemd en mr. J. van Ravenhorst en de heer [naam A] , accountant. Namens TVM zijn verschenen: de heer [naam B] , manager letselschaderegelaars, en de heer [naam C] , schaderegelaar, bijgestaan door mr. Jongens voornoemd en mr. M.E. Witting. Mr. Van Briemen en mr. Witting hebben het standpunt van hun cliënten mede toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

[Verzoeker] is zelfstandig gevestigd smid/lasser. Op 7 november 2007 is [Verzoeker] tijdens de uitoefening van laswerkzaamheden op een bedrijventerrein in Scherpenzeel een ongeval overkomen. Tijdens het laden en lossen van een op een vrachtwagen geplaatste container is een deur/klep van de container losgeschoten, waardoor [Verzoeker] is geraakt. [Verzoeker] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen, waaronder enige tijd bewustzijnsverlies, een hersenschudding, een hoofdwond, een gebroken middenhandsbeentje, een gebroken arm en diverse kneuzingen, nek- en schouderklachten.

 

 

2.2.

TVM heeft als WAM-verzekeraar van de betreffende vrachtwagen, die in eigendom was van [Naam B.V.] ., de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

 

 

2.3.

Ten tijde van het ongeval was [Verzoeker] verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid bij De Amersfoortse Verzekeringen (hierna: De Amersfoortse). Sinds het ongeval ontvangt [Verzoeker] , met uitzondering van de jaren 2012 en 2013, een arbeidsongeschiktheidsuitkering (hierna: AOV-uitkering) op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.

 

 

2.4.

Op verzoek van De Amersfoortse is in 2009 een orthopedische, neurologische en neuropsychologische expertise verricht in het Neuro-Orthopedisch Centrum (NOC) in Bilthoven. Uit het expertiserapport, gedateerd 14 april 2010, volgt dat onder meer sprake is van blijvende beperkingen in de beweeglijkheid van de linker pols en elleboog. Uit het neuropsychologische onderzoek en daarop volgend psychiatrisch onderzoek blijkt dat er aanwijzingen zijn voor beperkingen op cognitief gebied.

 

 

2.5.

Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft drs. [naam G] van [Naam B.V. 2] een bedrijfseconomisch onderzoek verricht naar de vragen (i) wat een redelijke verwachting is omtrent de inkomsten uit de onderneming bij voortzetting door [Verzoeker] , al dan niet in de huidige vorm en (ii) wat een redelijke verwachting is omtrent de hypothetische bedrijfssituatie en toekomstige inkomsten uit de onderneming vanaf 7 november 2007. Op 7 juli 2010 heeft drs. [naam G] zijn bevindingen gerapporteerd ten aanzien van het (bruto) verlies aan verdienvermogen van [Verzoeker] over de periode 2007 tot en met 2010. Op basis van die gegevens kan volgens de berekening van [Naam B.V. 2] het verlies aan verdienvermogen van [Verzoeker] tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd worden becijferd op € 930.887,00.

 

 

2.6.

In 2012 is de eenmanszaak van [Verzoeker] omgezet in een besloten vennootschap. In de jaren 2011 tot en met 2013 heeft [Verzoeker] goede bedrijfsresultaten kunnen realiseren. Vanaf 2014 was zijn bedrijf verliesgevend. In 2016 is de besloten vennootschap weer omgezet in een eenmanszaak.

 

 

2.7.

Bij brief van 16 april 2015 heeft [Verzoeker] aan TVM een nieuwe berekening van de schadepost verlies aan verdienvermogen toegezonden, gebaseerd op de uitgangspunten van de rapportage van [Naam B.V. 2] van 7 juli 2010 en rekening houdend met de bedrijfsresultaten van [Verzoeker] in de periode 2011 tot en met 2014. Het totale verlies aan verdienvermogen komt volgens deze berekening uit op € 1.219.152,00 (tot en met 67 jaar).

 

 

2.8.

In 2016 hebben partijen in gezamenlijk overleg opnieuw expertises laten verrichten: een orthopedische expertise door drs. [naam D], een neurologische expertise door drs. [naam E] en een neuropsychologische expertise door prof. dr. [naam F]. Drs. [naam D] berekent op orthopedisch vlak het percentage functieverlies van de hele persoon op 14% en drs. [naam E] Beijer op neurologisch vlak op 10% (op basis van de AMA-Guide, 6e ed.) dan wel 14% op basis van de laatste editie van de Richtlijnen functieverlies van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie.

 

 

2.9.

TVM heeft tot op heden aan voorschotten onder algemene titel in totaal een bedrag van € 347.000,00 aan [Verzoeker] betaald en € 90.788,91 aan voorschotten op de buitengerechtelijke kosten.

 

2.10.

 

TVM heeft bij aangetekende brief van 27 maart 2018 aan [Verzoeker] meegedeeld de

onderhandelingen op de voet van art. 10 WAM af te breken.

 

 

 

 

3 Het verzoek

 

3.1.

 

[Verzoeker] verzoekt de rechtbank, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij

 

voorraad:

 

  1. TVM te gelasten om uiterlijk binnen een week na de beschikking tot de inschakeling

 

van een bedrijfseconomisch onderzoek door drs. [naam G] van [Naam B.V. 2] over

 

te gaan op kosten van TVM en aan deze de vraagstelling voor te leggen die is overgelegd als productie 29 bij het verzoekschrift, dan wel een door de rechtbank te bepalen vraagstelling;

 

  1. TVM te veroordelen tot betaling van een (nader) voorschot op de geleden en nog te

 

lijden schade van € 133.750,00, althans € 87.603,28, dan wel een door de rechtbank te

 

bepalen voorschot;

 

III. de kosten van de procedure te begroten op € 5.250,00 exclusief kantoorkosten en btw,

 

te vermeerderen met het griffierecht van € 1.545,00, de nog te maken kosten in verband

 

met de (voorbereiding van de) mondelinge behandeling en de daarmee gemoeide reistijd (2 uur) tegen een uurtarief van € 175,00 exclusief btw en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na het wijzen van de beschikking;

 

  1. TVM te veroordelen in de kosten van de procedure, zoals genoemd onder III.

 

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

 

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming

 

bereikt met betrekking tot het verzoek onder I. TVM heeft gelet op die overeenstemming

 

haar primaire verweer tegen dat verzoek (strekkend tot niet-ontvankelijkheid) ingetrokken.

 

 

 

 

  1. Bedrijfseconomisch onderzoek

 

 

 

4.2.

Partijen zijn overeengekomen dat drs. [naam G] van [Naam B.V. 2] op gezamenlijk verzoek zal worden verzocht een bedrijfseconomisch onderzoek te verrichten. Zij hebben eveneens overeenstemming bereikt over de aan de deskundige voor te leggen vraagstelling, waarbij de door [Verzoeker] als productie 29 bij verzoekschrift overgelegde vraagstelling als uitgangspunt is genomen en op sommige punten is aangevuld en/of gecorrigeerd. Daarvan is aantekening gemaakt door de rechter en de griffier. De door partijen aldus overeengekomen vraagstelling zal als bijlage aan deze beschikking worden gehecht. Op deze punten hoeft dan ook niet meer te worden beslist.

 

 

4.3.

 

[Verzoeker] heeft verzocht om in de beschikking op te nemen dat TVM binnen een week

 

dient mee te werken aan het verstrekken van de opdracht aan [Naam B.V. 2]. TVM heeft

 

aangevoerd dat zij afhankelijk is van het moment waarop alle benodigde stukken binnen zijn

 

en heeft toegezegd dat zij binnen één week na ontvangst van alle stukken de gevraagde

 

medewerking zal verlenen. Gelet op deze toezegging ziet de rechtbank geen aanleiding om

 

daarvoor een afzonderlijke beslissing in het dictum op te nemen.

 

 

 

4.4.

 

Gelet op het voorgaande behoeft op het verzoek van [Verzoeker] onder I. niet meer te

 

worden beslist.

 

 

 

 

  1. Voorschot schadevergoeding

 

 

 

4.5.

 

[Verzoeker] stelt dat hij, gelet op de blijvende beperkingen die hij ondervindt als gevolg

 

van het ongeval, beperkt is in zijn arbeidsvermogen en niet meer in staat is gebleken om zijn

 

bedrijfsvoering op dezelfde wijze voort te zetten. [Verzoeker] heeft in 2003 ten behoeve van zijn

 

bedrijf een kredietovereenkomst afgesloten bij zijn bank ter hoogte van € 133.750,00. De

 

bank heeft hem laten weten dat het krediet voor 1 november 2017 afgelost moet worden, bij

 

gebreke waarvan de bank niet bereid is tot herfinanciering en er een bijzonder beheertraject

 

zal volgen. [Verzoeker] beschikt niet over de financiële middelen om het krediet af te lossen en

 

doet een beroep op de zorg- en schadeplicht van TVM. Verder gaat [Verzoeker] , uitgaande

 

van de rekensystematiek die [Naam B.V. 2] heeft gehanteerd, uit van een hypothetisch

 

netto besteedbaar maandinkomen van € 5.326,31 en een (na het ongeval) daadwerkelijk

 

gerealiseerd, gemiddeld netto besteedbaar maandinkomen van € 1.613,32 over de periode

 

2012 t/m 2015, oftewel een verschil van € 4.162,99 netto per maand. Uitgaande van die

 

bedragen is tot en met 2017 sprake van een verlies aan verdienvermogen van in totaal van

 

€ 411.103,28. Uitgaande van een bevoorschotting van € 347.000,00, waarvan € 11.000,00

 

wegens omzetting van de B.V., € 10.000,00 wegens voorschot smartengeld en € 2.500,00

 

wegens voorschot op kosten huishoudelijke hulp, is er tot en met 2017 een achterstand in de

 

bevoorschotting ontstaan van € 87.603,28. Dat volgt uit de als productie 30 bij

 

verzoekschrift overgelegde voorlopige schadestaat. Voorafgaand aan de mondelinge

 

behandeling heeft [Verzoeker] een indicatieve berekening overgelegd (productie 37) van

 

rekenkundige mevr. [naam H] van [expertisebureau], waaruit (berekend tot

 

  1. januari 2018) een bedrag aan verlies verdienvermogen blijkt van € 409.709,00, zonder

 

 

verrekening van de AOV-uitkeringen die [Verzoeker] heeft ontvangen. Indien de AOV-

 

uitkeringen bij het belastbare inkomen van [Verzoeker] worden opgeteld en worden verrekend,

 

zoals TVM bepleit, komt [naam H] uit op een bedrag van € 312.503,00 (tot

 

  1. januari 2018). [Verzoeker] maakt tevens aanspraak op een vergoeding in verband met de kosten

 

 

voor extra huishoudelijke hulp en verlies zelfwerkzaamheid, tot en met 2017 door hem

 

begroot op respectievelijk € 13.517,00 en € 10.880,00. Daarnaast begroot [Verzoeker] , gelet op de

 

door de orthopedisch expert en de neurologisch expert vastgestelde percentages

 

functieverlies gehele persoon, zijn aanspraak op smartengeldvergoeding op € 50.000,00.

 

Alleen de wettelijke rente over het smartengeld komt dan al uit op € 19.369,00. [Verzoeker] stelt

 

zich op het standpunt dat het met inachtneming van dit alles aannemelijk is dat de schade

 

het reeds uitgekeerde bedrag van € 347.000,00 aan voorschotten overstijgt.

 

 

 

4.6.

 

TVM voert aan dat [Verzoeker] bij de begroting van zijn vordering uit hoofde van verlies

 

aan verdienvermogen uitgaat van verschillende onjuiste aannames, althans van aannames

 

waarvan de juistheid in deze deelgeschilprocedure niet kan worden vastgesteld. TVM voert

 

aan dat het ten eerste moet gaan om een aanspraak op vergoeding ter zake van verschenen

 

schade, zodat de omvang van toekomstige schade niet relevant is. Ten tweede is voor het

 

bepalen van de omvang van de tot op heden geleden (en ook toekomstige) schade nadere

 

bewijslevering nodig in de vorm van een of meer deskundigenberichten. Ten derde is nog

 

onduidelijk wat de invloed is van de inmiddels vastgestelde beperkingen van [Verzoeker] op zijn

 

vermogen om arbeid te verrichten/inkomen te verwerven. Daarvoor is in ieder geval nog

 

verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek nodig. Het bedrijfseconomisch

 

onderzoek zal verder uitsluitsel moeten geven over de bedrijfsresultaten die [Verzoeker] na 2010

 

zou hebben behaald indien hem het ongeval niet zou zijn overkomen. Dit onderzoek zal

 

tevens inzicht moeten verschaffen in de oorzaken van de wisselende bedrijfsresultaten vanaf

 

  1. Ook staat niet vast dat een eventueel verschil tussen het door [Naam B.V. 2]

 

berekende hypothetisch inkomen en het feitelijk inkomen vanaf 2007 volledig kan worden

 

toegerekend aan het ongeval. Ten vierde heeft [Naam B.V. 2] gerapporteerd over de

 

periode 2007 t/m 2010. Aanvullend bedrijfseconomisch onderzoek moet uitwijzen op welk

 

bedrag de “would be”-winst na 2010 zou moeten worden gewaardeerd. Ten vijfde heeft

 

[Verzoeker] verzuimd om bij de berekening van zijn verlies aan verdienvermogen rekening te

 

houden met de AOV-uitkeringen die hij heeft ontvangen van zijn arbeidsongeschiktheids-

 

verzekeraar De Amersfoortse in de periode 2007 tot en met mei 2012 en vanaf 2014. Van de

 

door [Verzoeker] opgegeven schadeposten, zoals vermeld op de door hem overgelegde voorlopige

 

schadestaat, erkent TVM de reis- en ziektekosten, kosten kleding, kosten schoonhouden

 

duivenhok en daggeldvergoeding tot een totaalbedrag van € 1.082,00. Ten aanzien van de

 

overige schadeposten, waaronder verlies zelfwerkzaamheid en huishoudelijke hulp, voert TVM verweer. Voordat kan worden beoordeeld of ter zake van die kosten een vergoeding kan worden gevraagd, zal eerst duidelijk moeten worden welke ongevalsgerelateerde beperkingen [Verzoeker] heeft voor het verrichten van arbeid, aldus TVM. De kosten voor de omzetting van het bedrijf van [Verzoeker] van een besloten vennootschap naar eenmanszaak ad € 11.000,00 worden door TVM niet als ongevalsgevolg erkend. Al met al komt TVM, rekening houdend met de AOV-uitkeringen, uit op een verlies aan verdienvermogen van hooguit € 178.546,88. Inclusief het erkende bedrag van € 1.082,00 en de door TVM bevoorschotte kosten voor de omzetting van € 11.000,00 kan volgens TVM de totale verschenen schade hooguit € 190.628,88 bedragen, terwijl TVM tot op heden al een bedrag van € 347.000,00 aan voorschotten heeft betaald. Bij die stand van zaken is voor een nader voorschot dan geen grond, aldus TVM.

 

 

 

4.7.

 

De rechtbank overweegt als volgt. Beantwoording van de vraag of TVM gehouden

 

is een (nader) voorschot op de schadevergoeding aan [Verzoeker] te verstrekken is afhankelijk van

 

de vraag of het voldoende aannemelijk is dat ten minste het bedrag van het door [Verzoeker]

 

verzochte (aanvullende) voorschot op de schadevergoeding, bovenop het voorschot dat

 

TVM reeds heeft betaald, bij wijze van schadevergoeding in een eventuele bodemprocedure

 

aan hem zal worden toegewezen.

 

 

 

4.8.

 

[Verzoeker] verzoekt primair om een aanvullend voorschot van € 133.750,00, het bedrag

 

waarvoor hij in 2003 ten behoeve van zijn bedrijf een kredietovereenkomst bij zijn bank

 

heeft afgesloten en welk krediet per 1 november 2017 afgelost had moeten zijn. Subsidiair

 

verzoekt hij een aanvullend voorschot van € 87.603,28, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag.

 

[Verzoeker] beroept zich met betrekking tot het af te lossen krediet op de zorg- en schadeplicht

 

van TVM, maar heeft, anders dan dat hij niet over de financiële middelen beschikt om het

 

krediet af te lossen, niet gesteld wat die zorg- en schadeplicht behelst en waarom TVM

 

gehouden zou zijn om dat bedrag af te lossen, althans dat bedrag als schade aan [Verzoeker] te

 

vergoeden.

 

 

 

4.9.

 

De rechtbank overweegt verder dat uit de overgelegde medische expertiserapporten

 

weliswaar blijkt dat bij [Verzoeker] sprake is van (blijvende) beperkingen, maar dat uit die

 

rapporten niet blijkt wat de invloed is van die beperkingen op het vermogen van [Verzoeker] om

 

arbeid te verrichten/inkomen te verwerven. Het ligt in de rede om daarover verzekerings-geneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek te laten verrichten. De rechtbank is verder met TVM van mening dat het bedrijfseconomisch onderzoek, dat nu zal worden geïnitieerd, verder uitsluitsel zal moeten geven over de bedrijfsresultaten die [Verzoeker] na 2010 zou hebben behaald indien hem het ongeval niet zou zijn overkomen. Daarbij staat nog niet vast dat een eventueel verschil tussen het door [Naam B.V. 2] berekende hypothetisch inkomen en het feitelijk inkomen vanaf 2007 volledig kan worden toegerekend aan het ongeval. Bovendien heeft [Naam B.V. 2] gerapporteerd over de periode 2007 t/m 2010 en de financiële gegevens over die jaren tot uitgangspunt genomen voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen voor de periode tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van [Verzoeker] , terwijl inmiddels financiële gegevens voorhanden zijn over de periode tot en met (in ieder geval) 2016, die mogelijk een ander beeld zullen laten zien.

 

 

 

4.10.

 

Ten slotte twisten partijen over de vraag of de AOV-uitkeringen die [Verzoeker] ontvangt dienen te worden verrekend met de schade (verlies aan verdienvermogen) die TVM aan [Verzoeker] dient te vergoeden (art. 6:100 BW). Voor de beantwoording van die vraag is allereerst van belang om te beoordelen of de door [Verzoeker] bij De Amersfoortse afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering een sommenverzekering is of een schadeverzekering (art. 7:925 lid 1 BW). Een schadeverzekering strekt tot vergoeding van vermogensschade die de verzekerde zou kunnen lijden. Bij een sommenverzekering bestaat de uitkering uit een vaste som, door partijen vrij te bepalen bij het sluiten van de overeenkomst en die onafhankelijk is van vraag of schade is geleden en zo ja, hoeveel. Dit laatste neemt niet weg dat ook sommenverzekeringen veelal worden gesloten met het oog op de mogelijkheid dat zich gevallen voordoen waarin de verzekerde schade zal lijden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD5828) onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis bij art. 7:925 lid 2 BW tot uitgangspunt genomen dat een particuliere AOV in het algemeen een sommenverzekering is, omdat de vergoeding reeds bij de overeenkomst is vastgelegd, ongeacht of het bedrag door op geld waardeerbare schade wordt gerechtvaardigd. Een AOV kan evenwel desondanks worden aangemerkt als een schadeverzekering indien er een koppeling bestaat tussen de geleden schade en de hoogte van de uitkering. Het komt dus aan op de uitleg van de (verzekerings)overeenkomst en de polisvoorwaarden. Bij gebreke van die stukken en enig debat op dat punt, kan de rechtbank hierover in het kader van dit deelgeschil geen oordeel geven en reeds om die reden niet beoordelen of het redelijk is de AOV-uitkeringen die [Verzoeker] ontvangt te verrekenen met de door TVM te betalen schadevergoeding wegens verlies aan verdienvermogen.

 

 

 

4.11.

 

Uit het voorgaande volgt dat er nog zoveel onzekerheden en onduidelijkheden zijn over de in aanmerking te nemen uitgangspunten voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen van [Verzoeker] , maar ook voor de berekening van schadeposten als huishoudelijke hulp en verlies zelfwerkzaamheid, dat ook indien wordt uitgegaan van het door [Verzoeker] genoemde bedrag aan smartengeld plus wettelijke rente en de door TVM erkende schadeposten, in het kader van dit deelgeschil niet voldoende aannemelijk is geworden dat ten minste het bedrag van het door [Verzoeker] primair dan wel subsidiair verzochte (aanvullende) voorschot op de schadevergoeding dan wel enig ander bedrag, bovenop het voorschot dat TVM reeds heeft betaald, bij wijze van schadevergoeding in een eventuele bodemprocedure aan hem zal worden toegewezen. Dat betekent dat het verzoek onder II. zal worden afgewezen.

 

 

 

 

III. + IV. Kosten deelgeschil

 

 

 

4.12.

 

[Verzoeker] begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.250,00 (exclusief 6% kantoorkosten en btw), te vermeerderen met het griffierecht ad € 1.545,00) en de kosten in

 

verband met de mondelinge behandeling en daarmee gemoeide reistijd (2 uur), tegen een

 

uurtarief van € 175,00 (exclusief btw). Ter zitting heeft mr. Van Briemen meegedeeld dat de

 

voorbereiding op de mondelinge behandeling minimaal 10 uur heeft gekost.

 

 

 

4.13.

 

TVM meent dat de kosten voor het deelgeschil niet voor vergoeding in aanmerking

 

komen en voert verweer tegen de door mr. Van Briemen overgelegde urenstaat, waaruit

 

blijkt dat zij 34 uur berekent voor het opstellen van het verzoekschrift, dat niet meer dan

 

15 pagina’s beslaat, terwijl TVM inmiddels al € 90.788,91 aan voorschotten op de

 

buitengerechtelijke kosten aan [Verzoeker] heeft betaald.

 

 

 

4.14.

 

Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die

 

gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade

 

door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel

 

6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient

 

redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens

 

redelijk te zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008,31 518, nr. 3, p. 18). Dit betekent dat de

 

kosten niet voor begroting (en vergoeding) in aanmerking komen indien de

 

deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.

 

 

 

4.15.

 

De rechtbank overweegt dat afwijzing van het verzoek niet in de weg staat aan een

 

begroting van de kosten van dit deelgeschil. Dat TVM tot nu toe al een substantieel bedrag

 

aan buitengerechtelijke kosten heeft vergoed evenmin. Gesteld noch gebleken is dat het

 

onderhavige deelgeschil volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.

 

Mr. Van Briemen komt in haar begroting van de kosten van het deelgeschil uit op in totaal

 

46 uur. De rechtbank is met TVM van mening dat een tijdbesteding van 34 uur voor het

 

opstellen van het verzoekschrift (waarvan volgens de als productie 33 bij het verzoekschrift

 

overgelegde urenstaat 6 uur kennelijk niet in rekening is gebracht) bovenmatig voorkomt.

 

Zonder een nadere toelichting. die ontbreekt, is de rechtbank gelet op de omvang van het

 

dossier en de complexiteit van de zaak van oordeel dat een tijdbesteding van 20 uur voor het

 

opstellen van het verzoekschrift redelijk is, plus 10 uur voor de voorbereiding van de mondelinge behandeling, reistijd en de zitting. Uitgaande van een uurtarief van € 175,00,

 

komt de begroting dan uit op: 20 uur x € 175,00 + 6% kantoorkosten + btw = € 4.489,10,

 

plus 10 uur x € 175,00 + btw = € 2.117,50, plus griffierecht € 1.545,00, is in totaal

 

€ 8.151,60. TVM zal als aansprakelijke partij worden veroordeeld tot betaling van dat

 

bedrag aan [Verzoeker] , te vermeerderen met wettelijke rente, zoals verzocht.

 

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

 

begroot de kosten van het deelgeschil op € 8.151,60 en veroordeelt TVM tot

 

betaling van dat bedrag aan [Verzoeker] , te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van

 

14 dagen na de datum van deze beschikking,

 

 

 

5.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots