Rb, deelgeschil: Verzoek voorbarig ingediend, onvoldoende motivering, bewijslevering is nodig

Samenvatting:

Verzoeker had eerder een Wajonguitkering. Verweerder waarschuwde hem mondeling en schriftelijk wegens veelvuldig te laat komen en onvoldoende kwaliteit bij het werk. Hij meldde zich direct ziek wegens lichamelijke en psychische klachten. Drie jaar later stelde hij verweerder aansprakelijk omdat hij bij de uitvoering van zijn werk door een gat in een steiger was gevallen en daarbij letsel opliep. Nadat de werkgever niet reageerde diende hij zonder rappel het verzoekschrift in. Geschillen waarvan te verwachten is dat onderzoek naar aansprakelijkheid en causaliteit kostbaar is en veel tijd in beslag zal nemen lenen zich minder snel voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Verzoeker heeft zijn stellingen, in het licht van de gemotiveerde betwisting, onvoldoende onderbouwd. Het verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek dat is overgelegd, is onvoldoende om als bewijs te dienen. Uit deze rapporten blijkt niet dat verzoeker klachten heeft welke zijn veroorzaakt door een arbeidsongeval. Gegevens van de huisarts zijn niet overgelegd. Een verklaring van zijn collega ontbreekt. Verzoeker heeft niet verzuimd tot de dag dat hij een waarschuwing heeft gekregen. Op meerdere punten is bewijslevering nodig. De investering in tijd, geld en moeite afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren leiden ertoe dat het verzoek dient te worden afgewezen. De beantwoording van de vraag bij wie een bewijsrisico ligt, dient ook niet in een deelgeschilprocedure plaats te vinden. Deze deelgeschilprocedure is te voorbarig opgestart. Afwijzing kostenbegroting.

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 11-12-2018
Datum publicatie 18-12-2018
Zaaknummer 7082885 EJ VERZ 18-159
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek deelgeschil op grond van artikel 1019z Rv. De werkgever heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval niet erkend. De aansprakelijkheidsvraag kan in een deelgeschil aan de orde worden gesteld. Verzoeker heeft zijn stelling dat hij schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden onvoldoende onderbouwd. Gelet op de betwisting door de werkgever is op meerdere punten bewijslevering nodig. De kantonrechter is van oordeel dat wanneer de investering in tijd, geld en moeite wordt afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren, het verzoek dient te worden afgewezen. De kantonrechter is daarnaast van oordeel dat de deelgeschilprocedure te voorbarig is opgestart. Een begin van onderhandelingen is tussen partijen niet gemaakt. De kantonrechter wijst het verzoek om de kosten, als bedoeld in artikel 1019aa Rv, te begroten eveneens af.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

beschikking
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: 7082885/ EJ VERZ 18-159

Beschikking van 11 december 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoeker,
advocaat mr. E.M. Hoorenman te Zwaag, gemeente Hoorn,

tegen

[verweerder] , handelend onder de naam AirTechMontage,
wonende te [woonplaats 2] ,
verweerder,
advocaat mr. A.C. van der Salm te Den Haag.

Verzoeker wordt hierna “ [verzoeker] ” genoemd. Verweerder wordt hierna “ [verweerder] ” genoemd.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift d.d. 11 juni 2018 met producties 1 tot en met 12;
– de brief van mr. Hoorenman van 12 oktober met daarbij een volledige productie 4, en
– het verweerschrift met producties A tot en met L.

1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2018. Daarbij zijn verschenen [verzoeker] , bijgestaan door mr. Hoorenman voornoemd en vergezeld door zijn vader en zijn thuiscoach mevrouw [naam 1] . Verder zijn verschenen [verweerder] , bijgestaan door mr. Van der Salm voornoemd en vergezeld door mevrouw [naam 2] van de Goudse verzekeringen. Mr. Hoorenman heeft pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft van de zitting aantekeningen gemaakt.

2 De feiten

2.1. [verzoeker] heeft tot januari 2015 een Wajonguitkering gehad. Via het UWV heeft hij een baan gevonden bij [verweerder] , eerst via een uitzendbureau en van 6 januari 2014 tot en met juni 2015 met een arbeidsovereenkomst.

2.2. [verweerder] drijft een eenmanszaak onder de naam AirTechMontage. Dit bedrijf specialiseert zich in de montage, advisering, begeleiding en installatie van luchtkanaalsystemen.

2.3. De werkzaamheden van [verzoeker] bij [verweerder] bestonden uit montage van en aan luchtbehandelingsinstallaties.

2.4. Op 26 maart 2015 hebben [verweerder] en [verzoeker] een gesprek gehad. In dat gesprek heeft [verweerder] [verzoeker] een waarschuwing gegeven. Bij brief van gelijke datum aan [verzoeker] heeft [verweerder] de waarschuwing schriftelijk bevestigd.

2.5. Op 26 maart 2015 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld wegens lichamelijke en psychische klachten.

2.6. Op 8 februari 2017 is [verzoeker] onderzocht door een verzekeringsarts die daarvan een rapportage heeft opgesteld.

2.7. Op 9 februari 2017 heeft er een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden waarvan ook een rapportage is op gesteld. De conclusie van dat onderzoek luidt dat [verzoeker] 100% arbeidsongeschikt is (80-100% WIA).

2.8. Hoorenman heeft op 18 september 2017 aan [verweerder] een brief gezonden waarvan de inhoud – voor zover van belang – als volgt luidt:

“(…)De heer [verzoeker] is tengevolge van een ongeval in november 2014 in de uitoefening van zijn werk, gewond geraakt en dientengevolge tot op heden arbeidsongeschikt. Cliënt was die dag met een collega, [naam 3] , aan het werk. De heer [naam 3] moest op een gegeven moment weg zodat cliënt alleen aan het werk was. Het werk betrof handelingen aan een luchtbehandelingsinstallatie. Meer in het bijzonder was cliënt bezig met het knippen van gaten in de luchtbehandelingskanalen. Het werk vond plaats op een rolsteiger. Cliënt is door een openstaand luik in de vloer van de rolsteiger gevallen waarbij cliënt gewond is geraakt. Cliënt heeft u, zijn werkgever gebeld, waarop u slechts heeft gezegd: ‘Ga maar naar huis. Dan zien we maandag wel verder. (…)
De huisarts, de heer [naam 4] heeft vastgesteld dat cliënt een verschoven rugwervel had.
Ten gevolge van het ongeval heeft de heer [verzoeker] letsel opgelopen en dientengevolge schade geleden en zal hij ook in de toekomst nog schade lijden. (…)
Namens de heer [verzoeker] stel ik de u aansprakelijk voor de reeds geleden en nog door hem te lijden schade, nader op te maken bij staat alsmede voor de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten. (…)
Om er zeker van te zijn dat deze aansprakelijkheidsstelling u bereikt wordt u deze zowel per aangetekende post als per gewone post toegezonden alsmede per e-mail. (…)
Indien u de aansprakelijkheid niet wenst te aanvaarden, althans indien ik binnen een termijn van vijftien dagen geen reactie van u of van uw verzekeraar heb ontvangen, stel ik u reeds nu voor alsdan in gebreke en zal ik u zonder nadere aankondiging in rechte betrekken. (…)”

3 Het geschil

3.1. [verzoeker] verzoekt bij beschikking:
– primair voor recht te verklaren dat [verweerder] volledig aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval alsmede voor alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten alsmede voor de wettelijke rente over het schadebedrag vanaf de dag der aansprakelijkstelling dan wel vanaf een door de rechtbank te bepalen datum;
– de buitengerechtelijke kosten tot aan de start van de deelgeschilprocedure te begroten op € 2.069,10 en [verweerder] te veroordelen tot betaling van dit bedrag aan Hoorenman;
– de buitengerechtelijke kosten vanaf de start tot aan het einde van de deelgeschilprocedure te begroten op € 4.138,20 en [verweerder] te veroordelen tot betaling van dit bedrag aan Hoorenman, en
– [verweerder] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Aan deze verzoeken legt [verzoeker] , samengevat en voor zover van belang, het volgende ten grondslag. [verzoeker] is ten gevolge van een ongeval in november 2014 in de uitoefening van zijn werk gewond geraakt en dientengevolge tot op heden arbeidsongeschikt. Hij was die dag met een collega, de heer [naam 3] , aan het werk. Het betrof werkzaamheden in een bollenschuur die volgens [verzoeker] werd verbouwd in een zogenaamd Polen hotel. Er werden drie verdiepingen kamers gebouwd die uitkeken op een middenpad. De heer [naam 3] moest op een gegeven moment weg zodat [verzoeker] alleen aan het werk was. Het werk bestond uit het knippen van gaten in luchtbehandelingskanalen. Het werk vond plaats op een rolsteiger. De steiger stond op het middenpad en reikte tot en met de derde verdieping. [verzoeker] is door een openstaand luik in de vloer van de rolsteiger gevallen en is daarbij gewond geraakt. [verzoeker] heeft een verschoven rugwervel opgelopen ten gevolge van het ongeval. Hij is sinds het ongeval arbeidsongeschikt en door het UWV afgekeurd.
[verzoeker] heeft het ongeval telefonisch bij [verweerder] gemeld.
[verzoeker] voert aan dat hij geen instructie heeft gehad over het werken op een rolsteiger. Volgens [verzoeker] voldeed de rolsteiger daarnaast niet aan de daaraan te stellen normen aangezien er geen zelfsluitend luik aanwezig was. [verzoeker] wijst erop dat [verweerder] hem nooit alleen had mogen laten werken.
[verzoeker] stelt dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade van het ongeval op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [verweerder] had een verhoogde zorgplicht ten opzichte van [verzoeker] aangezien [verzoeker] uit een Wajongsituatie in het arbeidsproces is gekomen. Doordat [verweerder] geen maatregelen heeft getroffen en aan zijn werknemers geen aanwijzingen heeft verstrekt dat [verzoeker] niet alleen kon werken, heeft hij gehandeld in strijd met het goed werkgeverschap zoals bedoeld in artikel 7:611 BW. Ook heeft [verweerder] niet voldaan aan de verplichtingen in zijn Risico Inventarisatie en Evaluatie.

3.3. [verweerder] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoeker] te voorbarig is. [verzoeker] heeft [verweerder] , 3 jaar na het vermeende ongeval zou hebben plaatsgevonden, enkel op 18 september 2017 aansprakelijk gesteld en vervolgens het verzoekschrift ingediend. Er is geen overleg tussen partijen geweest en dus geen onderhandelingsproces op gang gekomen. Het verzoekschrift is ingediend om [verweerder] aan de onderhandelingstafel te dwingen terwijl een deelgeschilprocedure daarvoor niet is bedoeld.
[verweerder] voert voorts aan dat de geschilpunten tussen partijen zich niet lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure. [verweerder] betwist de toedracht van het ongeval, de gestelde klachten, dat de gestelde klachten ongevalsgerelateerd zijn en dat schade wordt geleden als gevolg van ongevalsgerelateerde klachten. [verweerder] voert voorts aan dat enige beperkingen als gevolg van de ongevalsgerelateerde klachten door [verzoeker] niet zijn uitgewerkt en dat ook niet duidelijk is wanneer het ongeluk heeft plaatsgevonden.

3.4. De kantonrechter zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

4 De beoordeling
Bevoegdheid

4.1. Op grond van artikel 1019x lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient een verzoek als dat van [verzoeker] te worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt. Indien de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter. Vaststaat dat tussen [verzoeker] enerzijds en [verweerder] anderzijds sprake is van een arbeidsovereenkomst, zodat op basis van artikel 93 sub c Rv de kantonrechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen. [verzoeker] heeft zijn verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft om bovengenoemde redenen, met instemming van [verzoeker] , de zaak verwezen naar de kantonrechter.

Behandeling van het deelgeschil

4.2. [verzoeker] heeft zijn verzoek tegen [verweerder] gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikel 1019w tot en met 1019cc RV). [verweerder] heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval niet erkend. De aansprakelijkheidsvraag kan in een deelgeschil aan de orde komen. De aansprakelijkheid betreft een geschil aan het begin van het traject van onderhandelingen en een oordeel van de kantonrechter over de aansprakelijkheidsvraag kan, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, het beginpunt zijn voor buitengerechtelijke onderhandelingen over de overige geschilpunten over (bijvoorbeeld) het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde schade en/of de omvang van de schade. Net als bij andere deelgeschillen zal echter moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Deelgeschillen waarvan derhalve te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zullen nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zijn, zullen zich minder snel lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.3. De kantonrechter stelt voorop dat [verzoeker] – overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 RV – dient te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. De kantontrechter is van oordeel dat [verzoeker] zin stellingen, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [verweerder] , onvoldoende heeft onderbouwd en zonder nader bewijs niet kunnen worden vastgesteld. Het verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek dat door [verzoeker] is overgelegd, is onvoldoende om als bewijs te dienen aangezien uit deze rapporten niet blijkt dat [verzoeker] klachten heeft welke zijn veroorzaakt door een arbeidsongeval. In de rapporten wordt met geen enkel woord gerept over een overkomen arbeidsongeval in 2014 waarbij een ruggenwervel zou zijn verschoven. Ook zijn er geen gegevens van de huisarts overgelegd. Evenmin zijn er stukken overgelegd die de diagnose verschoven ruggenwervel kunnen onderbouwen. Tot slot ontbreekt ook een verklaring van zijn collega waar hij destijds mee heeft gewerkt. Verder staat vast dat [verzoeker] niet heeft verzuimd op zijn werk tot 26 maart 2015, de dag dat hij van [verweerder] een waarschuwing heeft gekregen voor onder meer veelvuldig te laat komen en onvoldoende kwaliteit van werk. Gelet op de betwisting door [verweerder] is op meerdere punten bewijslevering nodig om vast te kunnen stellen of [verzoeker] tijdens de uitvoering van werkzaamheden in dienst van [verweerder] letsel heeft opgelopen ( schade heeft geleden).

4.4. Pas als vastgesteld kan worden dat [verzoeker] schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden komt de rechter toe aan beoordeling van de aansprakelijkheid van [verweerder] voor de gevolgen van het ongeval voor [verzoeker] . De kantonrechter is van oordeel dat wanneer de investering in tijd, geld en moeite wordt afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren, het verzoek op grond van artikel 1019z Rv dient te worden afgewezen. [verzoeker] heeft nog aangevoerd dat het bewijsrisico niet op hem kan worden afgewenteld omdat [verweerder] hem niet alleen had mogen laten werken. De beantwoording van de vraag bij wie een bewijsrisico ligt, dient echter niet in een deelgeschilprocedure plaats te vinden maar in een bodemprocedure en maakt het oordeel van de kantonrechter dan ook niet anders.

Kosten deelgeschil

4.5. [verzoeker] heeft verzocht [verweerder] te veroordelen in de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv. Ook als een verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, dient de kantonrechter de kosten te begroten. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De kantonrechter is van oordeel dat in deze deelgeschilprocedure van deze laatste situatie sprake is omdat de procedure te voorbarig is opgestart. [verzoeker] heeft nadat het ongeval hem in november 2014 zou zijn overkomen [verweerder] pas bij brief van 18 september 2017 aansprakelijk gesteld. Toen een antwoord van [verweerder] op deze aansprakelijkheidsstelling uit bleef, heeft [verzoeker] de deelgeschilprocedure opgestart zonder nogmaals contact met [verweerder] te zoeken of het verzoekschrift voorafgaand aan [verweerder] te zenden. Een begin van onderhandelingen tussen partijen is dan ook nog niet gemaakt. Dat [verweerder] niet heeft geantwoord op de aansprakelijkheidsstelling en dat in de aansprakelijkheidsstelling was opgenomen dat [verzoeker] in een dergelijk geval een gerechtelijke procedure zou starten, maakt dit oordeel van de kantonrechter niet anders. Temeer niet omdat [verzoeker] zijn stellingen wanneer, waar en hoe hij tijdens zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Onder deze omstandigheden zal de kantonrechter het verzoek om de kosten te begroten afwijzen.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1. wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Blokland, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2018.1 1
type: MKG coll: JB

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots