Rb, deelgeschil: verklaringen van motorrijders niet consequent, onvoldoende als bewijs

Samenvatting:

In een bocht op een smalle weg rijden motorrijders een fietster en een auto tegemoet. De auto zou volgens de motorrijders al dan niet de fietster ingehaald hebben en links gereden hebben. Op motorijder rust de bewijslast van de omschreven toedracht. Voor de beantwoording van het verzoek zijn de getuigenverklaringen van doorslaggevend belang. Volgens de rechtbank kan de aansprakelijkheid niet worden vastgesteld op basis van de getuigenverklaringen. De verklaringen van verzoeker zijn niet consistent. De fietster, de autobestuurster en haar inzittende moeder leggen in twee instanties wel consistente verklaringen af dat de auto netjes rechts reed. Geen verklaring voor recht dat de autoverzekeraar aansprakelijk is. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken.

datum publicatie
27-01-2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie
Deelgeschil letselschade
Trefwoorden: aansprakelijkheidsvraag, ongeval motor en personenauto, verklaring voor recht afgewezen.
vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Zittingsplaats Groningen
zaaknummer / rekestnummer: C/18/149894 / HA RK 14-202
Beschikking in deelgeschil van 23 januari 2015
in de zaak van
[A],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. G. Loman te Assen,
tegen
de naamloze vennootschap LONDON VERZEKERINGEN N.V.,
thans geheten ALLIANZ BENELUX N.V.,
statutair gevestigd te Brussel (België),
(mede) kantoorhoudende te Rotterdam,
verweerster,
advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem.
Partijen zullen hierna [A] en London worden genoemd.
1 De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
• het verzoekschrift van 18 juli 2014 tot een beslissing in een deelgeschil ex artikel 1019w Rv met producties,
• het verweerschrift van 31 oktober 2014 ex artikel 1019w Rv,
• de bij brief van 6 november 2014 overgelegde producties van [A],
• het proces-verbaal van de op 14 november 2014 gehouden comparitie.
1.2 Uitspraak is bepaald op heden.
2 De feiten
2.1 Op 23 juni 2012 heeft omstreeks 15:05 uur een ongeval plaatsgevonden op de Schouwerzijlsterweg, buiten de bebouwde kom van Winsum, gemeente Winsum.
2.2 Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximum snelheid 80 km/h.
2.3 [A] reed op genoemde weg vanuit de richting Schouwerzijl op een motorfiets, merk Yamaha. Mevrouw [B] (verder te noemen [B]) zat als passagiere bij [A] achterop.
2.4 Achter [A] reden meerdere motoren. Direct achter hem reed [C] en daarachter [D]. De motoren maakten deel uit van een grotere groep motoren. Een deel van die groep reed op enige afstand voor [A].
2.5 In tegenovergestelde richting reed mevrouw[E] (verder te noemen [E]) in een personenauto, merk Audi. De moeder van [E], [F] (hierna te noemen [F]) zat als passagiere in de auto.
2.6 In dezelfde richting als [E] reed een fietser, genaamd[G] (hierna te noemen [G]).
2.7 Het ongeval heeft op de weghelft van [E] plaatsgevonden, in de nabijheid van een, vanuit de rijrichting van [A] gezien, bocht naar rechts, in welke bocht, gezien vanuit die rijrichting, aan de rechterkant van de weg een aantal bomen stonden.
2.8 [A] is met de rechterzijde van de motor tegen de rechtervoorzijde van de auto van [E] gebotst. Hij is met de motor in de sloot aan de linkerzijde van de weg beland. De auto van [E] stond nadien op de rijbaan.
2.9 [A] heeft bij het ongeval zwaar letsel opgelopen, bestaande uit fors heupletsel, met een sterk verhoogde kans op slijtage en knieklachten. Daarnaast is sprake van verwerkingsproblematiek. [A] is zelfstandige en nog arbeidsongeschikt.
2.10 Bij de politie heeft [A] op 13 december 2012, onder meer, het volgende verklaard:
"(…) Ik reed in een groep van ca. 12 motoren. Die op het weggetje langs het kanaal uit elkaar viel. Dit was dus een vrij lange streng aan motoren. Ik reed ongeveer 60 meter achter mijn voorganger. Achter mij reden nog ongeveer 3 motoren. Ik reed dus ongeveer aan het einde van de stoet. Ik kwam aanrijden bij een onoverzichtelijke bocht naar rechts. Deze bocht stuurde ik in. Halverwege zag ik een auto aan komen welke een fietser aan het inhalen was. Ik zag dat de weg zo smal was dat ik niet tegelijker tijd de auto kon passeren terwijl de auto de fietser voorbij ging. Ik remde af en nam het besluit dat ik de auto dan wel links ging proberen te passeren. Ik reed aan de linkerkant van de weg en was aan het remmen. U moet het zo zien dat, ik reed aan de rechterkant van de weg en stak schuin over naar links, al remmend/ slippend kwam ik op de linkerkant van de weg terecht. Voor mij zag ik dat de auto die de fietser wilde inhalen, afremde en weer achter de fietser ging rijden. Ik weet nog dat ik de fietser voorbij kwam. Vervolgens ben ik op de rechter voorkant van de auto aangereden. (…) Ik denk dat ik ongeveer 30 a 50 km per uur reed."
2.11 Bij de politie heeft [E] op 23 juni 2012, onder meer, het volgende verklaard:
"(…) Op een gegeven moment zag ik een fietser voor mij. Ik remde af voor de fietser, dit was ook vlak bij een bocht waar ik geen overzicht had. Ik reed op dit moment 40 km per uur. Ik zag dat in tegengestelde richting een motor aan kwam met daarop een tweetal personen. Ik zag dat de bestuurder van deze motor schrok van de fietser een stuur beweging maakte. Doordat deze beweging zo abrupt was verloor de bestuurder zijn evenwicht en ging met de motor onderuit op het asfalt. Ten tijde van de val van de bestuurder heb ik mijn auto stil gezet. De motor viel op de grond en ook de bestuurder en zijn bijrijder gleden door, over het wegdek tegen mijn auto aan."
2.12 Bij de politie heeft [F] op 23 juni 2012, onder meer, het volgende verklaard:
"(…) We reden voor mij aan de rechter kant van de weg. Ik denk dat we ongeveer 40 km per uur reden. Het zicht was die dag goed en had ook niet geregend. Voor ons reed een meisje op de fiets. Het meisje op de fiets, fietste ook aan de rechter kant van de weg. Ik zag dat er vanuit de tegen gestelde richting een motor aan kwam. Ik denk dat deze motor ongeveer 60 km per uur reed. Ik zag ook dat de bestuurder van de motor hoog uit de bocht kwam. volgens mij schrok hij van de fietser die voor hem in tegen gestelde richting aan kwam fietsen. Ik zag dat de bestuurder een stuur beweging maakte om de fietser te ontwijken. Doordat hij deze stuur beweging maakte raakte hij uit balans en kwam ten val. Terwijl hij viel kwam hij tegen de auto aan waar ik in zat. Op het moment dat de motor en de personen die er op zaten onze auto raakte, stond onze auto stil op de weg."
2.13 Bij de politie heeft [G] op 23 juni 2012, onder meer, het volgende verklaard:
"(…) Ik fietste aan de rechterzijde komende vanuit Winsum. Ik zag dat er een motor uit tegengestelde richting, uit de bocht kwam. Ik zag dat motor heen en weer begon te slingeren. Op dat moment fietste ik voor een personenauto. Ik zag dat de motor weggleed en dat de bestuurder de macht over het stuur verloor. Hierdoor kwam de motor ten val en gleed naar de andere weghelft. Ik ben vervolgens de berm in gefietst om de motor te ontwijken. Ik zag dat de motor doorgleed en tegen de voorzijde van een auto aankwam. Volgens mij was de auto op het moment van de aanrijding al tot stilstand gekomen. Ik weet dit niet zeker."
2.14 Op 21 november 2012 heeft [C] een getuigenverklaring opgesteld waarin hij, onder meer, het volgende heeft verklaard:
"In de bocht werden we verrast door een auto die een fietser aan het inhalen was op een smalle polderweg in een onoverzichtelijke bocht. Hierdoor reed de auto erg aan de linkerkant van de weg. Dit veroorzaakte zelfs bij mij als 2e motor in de rij een schrikreactie en ben aan het nippertje ontsnapt aan ook een aanrijding. Voor H. [A] die er voor koos te proberen links de auto voorbij te gaan liep het helaas anders af en redde het net niet!"
2.15 Op 30 november 2012 heeft [B] een getuigenverklaring opgesteld waarin zij, onder meer, het volgende heeft verklaard:
"We reden in een groep van rond de tien motoren die in gedeelten uit elkaar brak op een smalle weg langs een kanaal richting Winsum. Op een gegeven moment kwamen we door een bocht rechts toen uit tegenover gestelde richting een auto ons naderde die de hele weg gebruikte omdat die bezig was een fietser in te halen. Zoals ik het gezien heb was er geen ruimte voor ons en heeft [A] geprobeerd al glijdend, door het remmen , de auto links te passeren. Naar mijn idee is inhalen op zo’n smalle weg, en voor een onoverzichtelijke bocht niet echt een strakke actie ."
2.16 Op 7 februari 2013 heeft [D] een getuigenverklaring opgesteld waarin hij, onder meer, het volgende heeft verklaard:
"We reden met een groep motorrijders achter elkaar, we kwamen op een onoverzichtelijke bocht aan en daar reed ineens een auto midden op de weg. [A] die op kop reed had een schrikreactie en koos ervoor de auto links te ontwijken en zag te laat dat de auto een fietser aan het inhalen was waardoor [A] op zijn rem ging en dwars op de hoek van de auto terecht kwam en in de sloot gelanceerd werd."
2.17 Op 11 maart 2014 heeft bij de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van dit verhoor blijkt dat [A] aldaar, onder meer, het volgende heeft verklaard:
"(…) Ik kwam bij een onoverzichtelijke bocht. Ik reed toen 60 km/h. In de tegenovergestelde richting zag ik een fietser die ingehaald werd door een auto, maar de auto was nog niet voorbij de fietser. De auto belemmerde mijn doorgang. In een split second heb ik er voor gekozen om de auto aan voor mij links van de weg te passeren om een aanrijding te vermijden. Dat is niet gelukt. Ik heb de auto geraakt en heb ernstig letsel opgelopen. (…) Het groepje voor mij was op een afstand van ongeveer 150 tot 200 meter van mij vandaan. Na ons groepje kwamen nog wel 20 andere motorrijders. Het was goed weer. De bocht was onoverzichtelijk. Rechts waren er bosschages. Ik reed daarom wat langzamer. Het was een 80 km weg en ik had mijn snelheid aangepast tot ongeveer 50 á 60 km/h. Toen ik de fietser zag had ik een afstand van ongeveer 80 meter tot de fietser. Daarna zag ik pas de auto. Dat zal een afstand van ongeveer 85 meter zijn geweest. De weg is daar 3,50 mtr breed. Een auto is gemiddeld 1,80 mtr breed. De auto was bezig de fietser in te halen en maakte gebruik van de gehele weg. Voor mij rechts van de auto was een te kleine doorgang. Ik kon de auto niet rechts passeren. Rechts van de weg waren bosschages, stenen en het kanaal. Ik remde en de motor ging naar links. Dat kwam door het remmen en was ook mijn keuze.
Ik heb de motor omhoog gezet om links te passeren en snelheid te verminderen. Als ik rechtdoor was gegaan had ik de auto frontaal geraakt. Ik schrok van de auto. Ik moest vliegensvlug reageren en had een schrikreactie. Ik ben niet gevallen. Ik heb al remmend en de fietser ontwijkend de auto geraakt.(…)
De fietser kan niet geweten hebben dat de auto haar inhaalde. De auto was nog achter de fietser. Toen ik remde, remde de auto ook en kwamen we tegen elkaar aan. De auto was toen inmiddels weer rechts van de weg. Ik ben achter de fietser langs gereden. (…)
2.18 Uit het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor blijkt dat [B] aldaar, onder meer, het volgende heeft verklaard:
"Ik ben de vriendin van dhr. [A]. (…) Ik kon de weg voor uit zien doordat ik links van hem keek. (…) Voor [A] reed geen motor. (…) Er was een bocht naar rechts. [A] zette de bocht in. Op dat moment zag ik dat een auto aan de andere kant ons tegemoet kwam. De auto reed aan onze kant van de weg. De auto was bezig een fietser in te halen. De auto was naast de fietser maar nog niet voorbij de fietser. Er was voor ons geen ruimte om rechts te passeren. Rechts van de weg waren bomen. [A] probeerde de auto en de fietser te ontwijken. Hij moest aan de linkerkant er voorbij. We zijn toen in de sloot beland. De motor is tijdens het ontwijken niet gevallen. (…) Toen het gebeurde merkte ik dat [A] schrok. Toen wij de auto tegemoet kwamen is de auto niet naar rechts gegaan. Ik weet niet of de auto remde. U houdt mij mijn verklaring voor (productie 3 bij verzoekschrift)[zie r.o. 2.15, rb]. Ik heb deze verklaring zelf opgesteld. Ik blijf achter mijn verklaring. (…) Ik heb alles bewust meegemaakt. Ik kan het me nog goed herinneren. (…) De snelheid van de motor bij de bocht was niet hoog, ongeveer 60 km/h. [A] verminderde de snelheid bij de bocht. Er was geen mogelijkheid meer voor [A] om te stoppen. Er was te weinig ruimte tussen de auto en de motor en daardoor te weinig tijd."
2.19 Uit het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor blijkt dat [C] aldaar, onder meer, het volgende heeft verklaard:
"Ik heb het ongeluk op 23 juni 2012 zien gebeuren. Ik reed op mijn motor achter [A]. We reden op een polderweg en hadden vrij zicht. We kwamen bij een bocht en daar was slecht zicht. Er waren bomen/bossen waar je niet doorheen kon kijken. Er kwam een auto en [A] kon die niet ontwijken. Je moest kiezen links of rechts er langs te gaan. Hij koos links en is door de auto geschept.
(…) We reden voordat we de auto zagen 60 hooguit 70 km/h. Mijn motor rijdt niet harder in de bocht. Bij de bocht hebben we vaart verminderd. Ook [A] verminderde zijn vaart. De afstand tussen mij en [A] was circa 10 tot 15 meter. In de bocht werden we overvallen door een auto die een fietser in haalde. Het gebeurde in een flits. De auto reed naast de fietser.
Het is geen brede weg. De auto reed daardoor over de helft van de weg. Ik ben de auto rechts gepasseerd. Ik kon er nog net langs. (…)[A] reed iets meer naar links en ik iets meer naar rechts. [A] reed nog wel aan de rechterkant van de weg. Omdat hij naar links uitweek kon ik nog rechts passeren. (…) [A] reed rechtdoor en kwam daardoor op de linkerkant van de weg. Ik kan mij niet herinneren dat hij ging slingeren. Ik zag hem remmen. (…) De motor raakte de auto aan de rechter voorkant van de auto. Ik zag de fietser naast de auto toen [A] de auto raakte. De auto was de fietser op dat moment nog aan het inhalen. Volgens mij was de auto niet alweer naar rechts gegaan. U houdt mij voor dat de bestuurder van de auto en de passagier van de auto hebben verklaard dat de auto achter de fietser was. Volgens mij was dat niet zo.
(…) U houdt mij mijn verklaring voor (productie 4 bij verzoekschrift)[zie r.o. 2.14, rb]. Die verklaring klopt, ik blijf daar bij."
2.20
Uit het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor blijkt dat [D] aldaar, onder meer, het volgende heeft verklaard:
"(…) Ik heb het ongeluk zien gebeuren. Wij reden in een groepje op een landweggetje. We kwamen bij een onoverzichtelijke bocht. Mijn broer reed voor mij. Ik zag dat [A] schuin afweek naar links. Ik zag dat hij een auto ontweek. Hij probeerde de auto links te ontwijken. Naar mijn idee kon hij niet naar rechts. Dan had hij de auto nog geraakt. Hij verremde zich. Hij blokkeerde en raakte links op de auto. Daarna is hij gelanceerd in de sloot. Voor mij reed mijn broer en daarvoor reed [A]. (…) Ik kon [A] zien rijden. In de bocht waren bomen en struiken, daardoor kon je de bocht niet in kijken. Een auto kan je pas op het laatst zien. Ik zag de remlichten van de motor van [A]. Op een gegeven moment zag ik ook de auto. Als je remt in de bocht ga je rechtdoor, als het ware links de weg op. Of je remt of je moet de motor platgooien in de bocht naar rechts. Dat laatste redde hij niet omdat de auto al te dichtbij was. Ik denk dat we 60 of 65 km/h reden. We hadden een constante snelheid. Kort na het remmen zag ik de auto. Toen ik voorbij de auto kwam zag ik schuin achter de achterzijde van de auto de fietser. De auto had de fietser ingehaald. Dat heb ik zelf niet gezien. Ik heb het gehoord van de bestuurder van de auto. Na het ongeluk spraken we met elkaar over wat er was gebeurd. Er werd toen gezegd dat de auto de fietser inhaalde. Ik heb gehoord dat de bestuurder van de auto tegen andere mensen zei dat ze de fietser aan het inhalen was. U houdt mij voor dat andere getuigen niet hebben verklaard dat de auto de fietser had ingehaald. Ik ben er zeker van dat ik de fietser achter de auto heb gezien vlak na het ongeluk.
(…) U vraagt mij of [A] ook over de ribbels had kunnen rijden. Ik denk het niet met deze snelheid. Als ik de eerste was geweest had het mij ook kunnen overkomen. Naast de ribbels was gras of struikjes. U houdt mij mijn verklaring voor van 7 februari 2013 (productie 5 bij verzoekschrift). Ik sta nog steeds bij die verklaring. (…)
U houdt mij voor dat de bestuurder van de auto, de passagier van de auto en de fietser hebben verklaard dat de auto achter de fiets is gebleven. Dat klopt niet."
2.21
Voorts is er op 21 mei 2014 een tegengetuigenverhoor gehouden bij de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen. Uit het proces-verbaal van het tegengetuigenverhoor blijkt dat [E] aldaar, onder meer, het volgende heeft verklaard:
"Ik was de bestuurder van de auto. Mijn moeder zat naast mij en mijn zoontje zat achterin de auto. Ik rijd wel vaker op deze weg maar niet heel vaak. (…) Toen ik daar reed kwam er een stoet motorrijders langs. Er was een bocht. Voor mij fietste een meisje. Ik bleef achter het meisje rijden. Ik zag een motorrijder uit de bocht komen. Hij leek geschrokken door de fietser. Hij kwam wiebelig uit de bocht. Ik denk dat hij schrok door de fietser omdat hij bewegingen maakte met zijn motor. Ik denk niet dat hij van mij is geschrokken want ik reed er nog een stuk achter. Het was nog een behoorlijk stuk, wel een paar meter. Ik was het meisje niet aan het inhalen. Toen ik de motor zag ben ik nog meer naar mijn eigen kant gaan rijden. Ik ben half de berm ingereden in de hoop dat hij nog voor mij langs kon. Ik ben gaan stilstaan. Ik was op dat moment nog niet in de bocht. (…) Ik haalde het meisje niet in vanwege de stoet motorrijders. Ik had mijn vaart verminderd tot haar snelheid. Ik weet zeker dat ik helemaal aan de rechterzijde reed. De motorrijder reed tussen de fietser en de auto door en raakte de auto aan de rechtervoorkant, de bijrijders kant op de hoek. Vanuit mijn kant is de weg overzichtelijk. Ik vind het geen gevaarlijke plek. U houd mij mijn verklaring voor die ik ter plekke bij de politie heb afgelegd. Ik weet niet meer zeker of de motorrijder al was gevallen voordat hij de auto raakte. De motorrijder hing schuin naar, voor hem, de rechterzijde. Na afloop van het ongeluk heb ik één motorrijder gesproken. Hij had krulletjes in het haar. Hij zei dat dit heel slecht motorrijden was. Ik heb niet gezegd tegen iemand dat ik de fietser aan het inhalen was."
2.22 Uit het proces-verbaal van het tegengetuigenverhoor blijkt dat [F] aldaar, onder meer, het volgende heeft verklaard:
"Mijn dochter reed in de auto, ik zat naast haar. Ik kan me het voorval nog goed herinneren. We reden op een binnendoor weggetje. We zagen een meisje op de fiets. Dat was voor een bocht naar links. Het was een mooie dag. Er waren veel motorrijders op de weg. We hadden er al een stuk of 4 a 5 gepasseerd. Er kwam een motor de bocht in rijden. Deze schrok van het meisje en ging slingeren. Mijn dochter week een stukje uit en ging stilstaan. De afstand van ons tot de fietser was behoorlijk. Toen we haar zagen was dat minstens 10 meter. Toen ik de motor zag was de afstand tot de fietser 5 a 6 meter. Mijn dochter kon de fietser niet inhalen vanwege alle motorrijders. Mijn dochter reed aan de rechterkant van de weg. We waren nog niet in de bocht. (…) De motor reed tegen het midden van de weg aan. Hij nam een ruime bocht. Door het slingeren verloor hij zijn evenwicht. Hij kon de auto niet meer ontwijken. Hij kwam met zijn knie tegen de auto. Dat was aan mijn kant. Mijn dochter stond toen al stil. Minstens één wiel van de auto stond in de grasblokken naast de weg. De auto stond scheef. Dat was nog voor de bocht. (…) Ik heb ter plekke bij de politie een verklaring afgelegd. Ik blijf bij deze verklaring. Ik heb verklaard dat de motor hoog uit de bocht kwam. Daarmee bedoelde ik dat hij een ruime bocht nam. Na afloop kwamen de motorrijders terugrijden. Ik heb met een motorrijder gesproken. (…) Hij zei dat dit slecht motorrijden was. Ik heb niet gehoord dat mijn dochter tegen iemand heeft gezegd dat zij de fietser inhaalde. Dat heeft zij ook niet gedaan. (…) De fietser reed rechts. Naar mijn idee zat de motorrijder niet meer op zijn deel van de weg toen ik hem voor het eerst zag."
2.23 Uit het proces-verbaal van het tegengetuigenverhoor blijkt dat [G] aldaar, onder meer, het volgende heeft verklaard:
“Ik fietste van Winsum naar huis. Er kwamen motorrijders mij tegemoet. Een paar motorrijders hebben mij gepasseerd. Toen ik in de bocht reed kwam er een motorrijder van de andere kant de bocht in. Deze nam meer de buitenbocht, hij zat meer op mijn kant. Hij schrok toen hij mij zag. Hij ging wat meer naar zijn eigen kant en toen direct daarna weer naar mijn kant en botste tegen de auto. Ik neem aan dat hij van mij schrok omdat hij op mij kwam afrijden. Als hij rechtdoor was gereden was hij waarschijnlijk tegen mij aangekomen. Vanaf het moment dat de eerste motor mij passeerde reed er een auto achter mij. De auto heeft mij niet gepasseerd. Toen ik afstapte stond de auto achter mij. Ik was al in de bocht toen de motor kwam. (…) Ik heb ook met de bestuurder van de auto en de bijrijder gesproken. We waren heel erg geschrokken. We hebben niet echt over de schuldvraag gesproken. De bestuurder heeft niet gezegd dat ze mij heeft ingehaald. (…)
Ik wist dat de auto achter mij reed maar ik heb niet steeds achterom gekeken. Misschien heb ik wel een keer opzij gekeken. De auto reed ongeveer 6 meter achter mij. Toen ik afstapte was de afstand iets groter omdat ik nog had doorgereden. De auto stond toen het ongeluk gebeurde gelijk stil. Toen het ongeluk gebeurde reed de auto rechts. De auto stond namelijk toen ik afstapte aan de rechterkant van de weg. Ik weet niet zeker of de auto de hele tijd rechts heeft gereden.”
2.24
[E] was ten tijde van het ongeval tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij London.
3 Het deelgeschil
Het verzoek
3.1 [A] verzoekt:
1. primair: dat de rechtbank voor recht verklaart dat London aansprakelijk is voor alle door [A] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 23 juni 2012;
– subsidiair: dat de rechtbank voor recht verklaart dat London aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van 23 juni 2012 en gehouden is de dien ten gevolge door [A] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan hem te vergoeden conform een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage;
2. de kosten van de onderhavige procedure te begroten op een bedrag van
€ 3.261,01 en om London te voordelen tot betaling van deze kosten aan [A], te vermeerderen met het door [A] verschuldigde griffierecht.
[A] heeft daarbij, onder meer, het volgende aangevoerd.
3.2 [E] heeft, als verzekerde van London, toerekenbaar onrechtmatig en gevaarzettend gehandeld jegens [A]. [E] heeft (deels) gereden op de weghelft, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. Voor [A] was er geen afdoende mogelijkheid om [E] zonder ongelukken rechts te passeren. Dit temeer, nu [A] ook nog een fietser moest ontwijken. [E] heeft meerdere regels uit het Regelement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (hierna RVV) geschonden. Zij heeft niet zoveel mogelijk rechts gehouden (artikel 3) en is van rijstrook gewisseld, waarbij zij het overige verkeer, waaronder [A], niet voor heeft laten gaan (artikel 54). De schade van [A] is aanzienlijk en in ieder geval beduidend meer dan € 25.000,00.
3.3 Van doorslaggevend belang zijn de verklaringen van de getuigen. Omdat de politie, om onverklaarbare redenen, niet alle getuigen heeft gehoord, alsmede onjuiste metingen heeft verricht op de weg, kan aan het proces-verbaal van de politie, inclusief het technisch rapport, geen waarde worden gehecht.
3.4 Uit de door [A], [B] en de onafhankelijke getuigen [C] en
[D] afgelegde verklaringen blijkt dat [A] in de onoverzichtelijke bocht, op zijn weghelft, plotseling geconfronteerd werd met een auto die een fietser aan het inhalen was. De weg was zo smal dat [A] de auto niet rechts kon passeren. [A] remde zo veel mogelijk en besloot, binnen een zeer kort tijdsbestek, de auto dan maar links te passeren, gezien vanuit zijn rijrichting. De consequentie daarvan was echter dat de motorfiets uit balans raakte. De auto staakte de inhaalactie en ging weer achter de fiets rijden. [A] slaagde erin de fietser te ontwijken, waarna hij tegen de rechter voorkant van de auto is gereden en in de sloot is beland.
3.5 De getuigen [E] en [F] spreken zichzelf en elkaar tegen. Daarnaast kan aan deze verklaringen geen waarde worden gehecht, omdat zij moeder en dochter zijn en [E] belang heeft bij de uitkomst van de aansprakelijkheidsdiscussie. Voorts dienen bij de waarnemingen van [G] vraagtekens te worden geplaatst, gelet op haar jeugdige leeftijd ten tijde van het ongeval. Ten slotte heeft [G] de auto niet voortdurend in de gaten gehouden, omdat zij voor de auto fietste.
Het verweer
3.6 London verzoekt de rechtbank het verzoek van [A] af te wijzen. Zij voert daartoe, samengevat weergegeven, het volgende aan.
3.7 London betwist aansprakelijk te zijn voor de gevolgen van het [A] overkomen ongeval, nu er geen sprake is van onrechtmatig en/of gevaarzettend handelen van [E] jegens [A]. Het ongeval is te wijten aan het handelen van [A] zelf.
3.8 Gelet op de verklaringen van de getuigen [G], [E] en [F] is het ongeval te wijten aan een rij- c.q. beoordelingsfout van [A]. Hij heeft onvoldoende geanticipeerd op de situatie en onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid van tegenliggers. Hij heeft niet zoveel mogelijk rechts gehouden en moest een uitwijkmanoeuvre maken. [E] was de fietser niet aan het inhalen. Zij reed stapvoets aan de rechterkant van de weg op enkele meters achter de fiets. Als [A] ergens van is geschrokken, dan is het van de fietser.
3.9 De genoemde getuigen zijn betrouwbare getuigen en hebben helder en consequent verklaard. Vooral de verklaring van [G] is van grote waarde, nu zij een objectieve getuige is en zelf geen slachtoffer is geworden van het ongeval. Voorts is het proces-verbaal ambtsedig opgesteld en is de VOA-rapportage opgesteld door daartoe gespecialiseerde verbalisanten.
4 De beoordeling
Het deelgeschil
4.1 Conform artikel 1019w Rv kan een persoon die een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door letsel, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering.
4.2 [A] heeft in deze deelgeschilprocedure de aansprakelijkheidsvraag voorgelegd. In de Memorie van Toelichting is vermeld dat deze vraag in een deelgeschil aan de orde kan komen. De rechtbank dient in dat geval te beoordelen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en tijdsverloop van de procedure. [A] heeft in verband met dat laatste aangevoerd dat de beslissing kan worden genomen op basis van het in het dossier voorhanden zijnde bewijsmateriaal en dat nader onderzoek niet nodig. Nu ook London zich niet verzet tegen het verzoek van [A] om de aansprakelijkheidsvraag in deze deelgeschilprocedure te behandelen teneinde de impasse waarin de zaak thans verkeert te kunnen doorbreken, zal de rechtbank een beslissing geven op het verzoek van [A].
De inhoudelijke beoordeling
4.3 Wat partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of London aansprakelijk is voor de schade van [A] op grond van onrechtmatig handelen van [E], doordat zij niet voldoende rechts heeft gehouden en (gedeeltelijk) op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer heeft gereden. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat op [A] de bewijslast rust met betrekking tot het hiervoor beschreven handelen en voor de beantwoording van voornoemde vraag de getuigenverklaringen van doorslaggevend belang zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan de aansprakelijkheid niet worden vastgesteld op basis van de getuigenverklaringen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.4 [A] heeft bij de politie een verklaring afgelegd en heeft zichzelf als partijgetuige bij de rechtbank doen horen. Ingevolge artikel 164, lid 2 Rv kan deze verklaring als partijgetuige omtrent de door [A] te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Met betrekking tot deze verklaringen van [A] is de rechtbank van oordeel dat deze niet consistent zijn. Bij de politie heeft [A] verklaard dat hij halverwege de bocht een auto aan zag komen die een fietser aan het inhalen was. Omdat hij niet rechts langs de auto kon, nam hij het besluit te proberen de auto links te passeren. Hij zag voor zich dat de auto afremde en weer achter de fietser ging rijden. In strijd hiermee heeft [A] tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat, op het moment dat hij de fietser zag, de afstand tot die fietser ongeveer 80 meter was. Daarna zag hij pas de auto. Dat zal, volgens [A], op een afstand van ongeveer 85 meter geweest zijn. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft [A] voorts verklaard dat de fietser niet kan hebben geweten dat de auto haar inhaalde, omdat de auto ‘nog achter’ de fietser was. [A] zag de fietser ook eerder dan de auto, waardoor hij ook bevestigt dat de auto nog achter de fietser reed.
4.5 Met betrekking tot de andere drie door [A] voorgedragen getuigen, [B], [D] en [C], stelt de rechtbank vast dat deze drie verklaringen onderling niet overeenstemmen maar voorts ook afwijken van de verklaring van [A].
4.6 [B] heeft ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat de auto bezig was een fietser in te halen en dat de auto naast de fietser was, maar nog niet voorbij de fietser. De auto is volgens haar niet naar rechts gegaan toen zij en [A] de auto tegemoet kwamen. [A] heeft (in zijn tweede verklaring) daarentegen verklaard dat de auto nog achter de fietser reed en heeft in ieder geval niet verklaard dat de auto naast de fietser is blijven rijden.
4.7 [C] heeft ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij de fietser naast de auto zag toen [A] de auto raakte. De auto was volgens hem de fietser nog aan het inhalen op dat moment en was nog niet weer naar rechts gegaan. Ook dit is in strijd met de verklaring van [A], omdat die immers heeft verklaard dat de auto achter de fietser reed en dat eerst de fietser voorbij kwam en hij vervolgens tegen de auto is gebotst.
4.8 Ditzelfde geldt voor de verklaring van [D]. Hij heeft verklaard dat hij er zeker van is dat hij de fietser achter de auto heeft gezien vlak na het ongeluk. Dit is tegenstrijdig met de verklaring van [A].
4.9 Nu de door [A] afgelegde verklaringen niet consequent zijn en bovendien in strijd met de verklaringen van [B], [C] en [D], overtuigen zij niet. Zij kunnen derhalve niet leiden tot bewezenverklaring van het onrechtmatig handelen door [E]. Daar komt bij dat de verklaringen van de drie getuigen die in contra-enquête zijn gehoord, [E], [F] en [G], grote mate van overeenstemming vertonen. Zij verklaren onafhankelijk van elkaar en in twee instantie s eensluidend dat [E] aan de rechterkant van de weg reed, achter de fietser.
4.10 [G] heeft bij de politie verklaard dat zij aan de rechterzijde van de weg voor de personenauto reed op het moment dat zij zag dat de motor heen en weer begon te slingeren. Ter gelegenheid van het tegengetuigenverhoor heeft zij verklaard dat er vanaf het moment dat de eerste motor haar passeerde een auto achter haar reed en dat de auto haar niet heeft gepasseerd. Van de zijde van Londen zijn er vraagtekens geplaatst bij de verklaringen van [G], gelet op haar leeftijd. Ten tijde van het horen door de politie was zij net 15 jaar geworden. Op het moment dat zij door de rechtbank als getuige is gehoord was zij bijna 17 jaar. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van haar verklaring te twijfelen.
4.11 Op de middag van het ongeval heeft [E] verklaard dat zij afremde voor de fietser die voor haar reed. Dit was volgens haar vlak bij een bocht waar zij geen overzicht over had. Zij zag in tegengestelde richting een motor aankomen. Ter gelegenheid van het tegengetuigenverhoor heeft [E] verklaard dat zij achter het meisje bleef rijden. Ze reed naar haar zeggen nog een behoorlijk stuk achter het meisje. Ze geeft aan dat ze het meisje niet aan het inhalen was en dat ze zeker weet dat ze helemaal aan de rechterzijde reed.
4.12 [F] heeft deze lezing bevestigd. Zij heeft bij de politie verklaard dat ze aan de rechterkant van de weg reden en dat voor hen een meisje op een fiets reed. Ter gelegenheid van het tegengetuigenverhoor heeft [F] verklaard dat haar dochter aan de rechterkant van de weg reed en dat de afstand tot de fietser behoorlijk was.
4.13 [A] heeft aangevoerd dat [F] en [E] moeder en dochter zijn en daardoor niet betrouwbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank staan de genoemde omstandigheden de betrouwbaarheid van de verklaringen niet in de weg. Het belang bij de uitkomst van deze procedure is gering, namelijk het eventueel verliezen van de no-claim-korting. Maar bovenal stemt hun verklaring overeen met die van [G], terwijl [G] zonder meer een onafhankelijke getuige is.
4.14 Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de verzochte verklaring voor recht zal worden afgewezen.
De kosten
4.15 Ook indien het verzoek niet wordt toegewezen dient de rechter conform artikel 1019aa Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door letsel lijdt in de beschikking te begroten en daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking te nemen. Daarbij dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.
4.16 [A] heeft de kosten begroot op een totaalbedrag van € 3.261,01. Dit bedrag is opgebouwd uit 11,3 uren voor de advocaat x het uurtarief van € 225,00, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 21% BTW. Het totaalbedrag dient nog vermeerderd te worden met het griffierecht ten bedrage van € 282,00.
4.17 London heeft zich met betrekking tot de kosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.18 De rechtbank acht het totale aantal van 11,3 uren dat mr. Loman aan dit deelgeschil heeft besteed verdedigbaar en niet onredelijk. De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil dan ook conform het verzoek van [A] op een bedrag van € 3.543,01, inclusief 21% BTW en griffierecht. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1 wijst af de door [A] verzochte verklaring voor recht;
5.2 begroot de kosten van dit deelgeschil op een bedrag van € 3.543,01,
inclusief 21% BTW en griffierecht.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Griffioen en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2015

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey