Rb, deelgeschil: toepasselijk recht, kosten deelgeschil bovenmatig

Samenvatting:

Nu vaststaat dat het ongeval in België heeft plaatsgevonden, concludeert de rechtbank dat in het onderhavige geval Belgisch recht van toepassing is. De rechtbank volgt [Eiseres] niet in zijn stelling dat Nederlands recht in het onderhavige geval moet worden toegepast op grond van de redelijkheid en billijkheid. Een nadelige uitkomst is daarvoor onvoldoende. De rechtbank acht het gehanteerde uurtarief in een zaak als de onderhavige niet onredelijk. De rechtbank acht het aantal opgevoerde uren voor het opstellen van het verzoekschrift, mede gelet op het gehanteerde hoge uurtarief, dat erop wijst dat een ervaren advocaat is ingeschakeld, bovenmatig.

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer: 511218/ HA RK 12-55
Beschikking van 26 juli 2012
in de zaak van
[EISERES],
wonende te [Woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. M.J. de Witte te Amersfoort,
tegen
de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster,
advocaat mr. J. Boer te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [Eiseres] en Delta Lloyd genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.1. producties, ingekomen ter griffie op 24 februari 2012;
– de tussenbeschikking van 8 maart 2012, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
het verweerschrift;
– het proces-verbaal van behandeling van een verzoekschrift, gehouden op 16 mei 2012 en het daaraan gehechte stuk.
1.2. De beschikking is bepaald op heden.
2. De feiten
2.1. Op 12 maart 2011 is [Eiseres] slachtoffer geworden van een aanrijding op de Grotebaan in Hout Halen te België (hierna: het ongeval).

2.2. [Eiseres] reed, als passagier, in een Volkswagen Polo met kenteken 52-NZJ-4 (hierna: de Volkswagen). De Volkswagen was ten tijde van het ongeval op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid bij Delta Lloyd. De Volkswagen werd aangereden door een Citroën, bestuurd door [Bestuurder Citroën], die de Belgische nationaliteit heeft. De Citroën was ten tijde van het ongeval verzekerd bij de Belgische verzekeraar DVV.
2.3. [Eiseres] heeft Delta Lloyd bij brief van zijn toenmalige belangenbehartiger van 17 juni 2011 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval.
2.4. Op 6 oktober 2011 is er telefonisch contact geweest tussen de advocaat van [Eiseres] en mevrouw L. de Ronde van Delta Lloyd (hierna: De Ronde). Bij brief van 6 oktober 2011 heeft de advocaat van [Eiseres] aan De Ronde, voor zover hier van belang, het volgende bericht:
“(…)
U heeft mij kunnen bevestigen dat de schuldloze derdenregeling van toepassing is en dat de schade van cliënt zal worden vergoed. U gaf daarbij aan dat Belgisch recht van toepassing is. (…)
Cliënt heeft last van hoofdpijn en pijn in de onderrug. Slaapproblemen, concentratieproblemen zijn hem ook niet onbekend. Hij gebruikt medicatie.
Voor het ongeval had cliënt een koeriersdienst waarmee hij in zijn onderhoud voorzag. (…) Na de aanrijding heeft hij niet meer gewerkt als koerier.(…)”
2.5. Bij brief van 14 december 2011 heeft [mevrouw] Van Ameyde Belgium, de Belgische vertegenwoordiger van Delta Lloyd, aan Delta Lloyd bericht:
“(…) U liet weten dat het slachtoffer een whiplash opliet.
Gezien dit type letsels zonder medisch advies vaak moeilijk correct in te schatten is, wordt in België voor de aanstelling van een raadsdokter geopteerd. (…)
De raadsdokter wordt in principe door ons aangesteld en zal na ontvangst van de opdracht het slachtoffer oproepen voor een onderzoek. (…)"
2.6. Op 21 december 2011 is de heer mr. J.P. Damen van Cunningham Lindsey Nederland B.V. (hierna: Cunningham Lindsey) in opdracht van Delta Lloyd op huisbezoek geweest bij [Eiseres]. Het in dat kader opgemaakte rapport, gedateerd 29 december 2011, luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
“(…)
Aansprakelijkheid
De aansprakelijkheid is niet erkend, maar nog in onderzoek. De schade van belanghebbende wordt in behandeling genomen op grond van artikel 29 bis van de Belgische WAM. (…)
Onderzoek
(…)
Opdrachtgever heeft mij laten weten dat de schade geïnventariseerd dient te worden op basis van Belgisch recht, nu het ongeval op het grondgebied van België heeft plaatsgevonden. (…)”
2.7. Delta Lloyd heeft een voorschot van EUR 5.000,00 aan [Eiseres] betaald.
3. Het deelgeschil
3.1. [Eiseres] verzoekt de rechtbank te beslissen dat Delta Lloyd aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die [Eiseres] door het ongeval heeft geleden en dat zijn schade naar Nederlands recht wordt vastgesteld en door Delta Lloyd wordt vergoed. Voorts verzoekt [Eiseres] de rechtbank om de kosten van rechtsbijstand die hij gemaakt heeft voor het deelgeschil te begroten en te beslissen dat Delta Lloyd in deze kosten wordt veroordeeld.
3.2. [Eiseres] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat zijn schade conform de Bedrijfsregeling Schaderegeling schuldloze derden van 19 december 2007 (hierna: de Schuldloze derdenregeling) vergoed moet worden naar Nederlands recht, nu zijn advocaat de toepasselijkheid van genoemde regeling op 6 oktober 2011 telefonisch met De Ronde van Delta Lloyd is overeengekomen. [Eiseres] meent dat hij erop mag vertrouwen dat de mededeling van De Ronde in dezen bindend is voor Delta Lloyd. [Eiseres] stelt dat hij op grond van de Schuldloze derdenregeling aanspraak kan maken op vergoeding van zijn volledige schade.
Voorts voert [Eiseres] aan dat een keuze voor Nederlands recht in zijn geval ook redelijk is, nu hij onduidelijkheden verwacht bij een afwikkeling naar Belgisch recht en vreest dat hij ten gevolge van de toepasselijkheid van Belgisch recht met lege handen zal blijven staan. Daarnaast wijst [Eiseres] erop dat hij op eigen gelegenheid en voor eigen rekening naar België moet reizen voor het onderzoek door de raadsdokter en dat hij, indien hij een Belgische advocaat nodig heeft, deze ook zelf zal moeten betalen omdat hij voor gefinancierde rechtsbijstand in België niet in aanmerking komt. [Eiseres] voert aan dat hij daarvoor echter onvoldoende middelen heeft nu hij zijn onderneming ten gevolge van het ongeval niet meer kan uitoefenen.
[Eiseres] stelt dat beëindiging van het geschil tussen partijen omtrent het toepasselijke recht zal bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen en derhalve geschikt is om in een deelgeschilprocedure te worden beoordeeld.
3.3. Delta Lloyd betwist niet dat het geschil tussen partijen omtrent het toepasselijke recht als deelgeschil aan de rechtbank kan worden voorgelegd, maar meent wel dat het verzoek moet worden afgewezen. Daartoe voert Delta Lloyd aan dat op grond van artikel 3 van het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 (hierna: het Haags Verkeersongevallen verdrag), waarbij zowel Nederland als België zijn aangesloten, de interne wet van de staat op welks grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden van toepassing is. Nu het onderhavige ongeval zich in België heeft afgespeeld, is volgens Delta Lloyd Belgisch recht van toepassing. Daarnaast wijst Delta Lloyd erop dat de Schuldloze derdenregeling waar [Eiseres] zich op beroept in dit geval niet van toepassing is en dat in deze regeling bovendien (voor de vaststelling van de schadeomvang) geen keuze voor Nederlands recht is opgenomen. Delta Lloyd betwist dat Nederlands recht in het onderhavige geval op grond van de redelijkheid en billijkheid zou moeten worden toegepast.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
het deelgeschil
4.1. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen kunnen in een deelgeschilprocedure de rechter vragen om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019wRv).
4.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag welk recht in het onderhavige geval van toepassing is. De rechtbank is, met partijen, van oordeel dat de aard van dit geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure en dat de beslechting van dit deelgeschil de weg vrij zal kunnen maken voor verdere schikkingsonderhandelingen tussen partijen en aldus zal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.
het toepasselijke recht
4.3. De rechtbank begrijpt de stellingen van [Eiseres] aldus dat hij primair stelt dat Nederlands recht moet worden toegepast omdat De Ronde telefonisch zou hebben toegezegd dat de Schuldloze derdenregeling op het onderhavige geval van toepassing zou zijn. Delta Lloyd heeft ter comparitie betwist dat De Ronde dit heeft toegezegd en voert aan dat waarschijnlijk sprake is geweest van een spraakverwarring. Bovendien heeft De Ronde ook aangegeven dat Belgisch recht van toepassing is, aldus Delta Lloyd.
4.4. De rechtbank overweegt dat het antwoord op de vraag of De Ronde voornoemde toezegging heeft gedaan in het midden kan blijven, nu, zelfs indien dit vast zou komen te staan en de Schuldloze derdenregeling van toepassing moet worden geacht, dat nog niet betekent dat Nederlands recht van toepassing is in het onderhavige geval. In de Schuldloze derdenregeling is immers niet bepaald dat in internationale kwesties Nederlands recht van toepassing zal zijn. Niet gesteld of gebleken is dat van een rechtskeuze van partijen (anders dan door verwijzing naar de Schuldloze derdenregeling) sprake is geweest.
4.5. Delta Lloyd heeft terecht aangevoerd dat bij gebreke van een rechtskeuze op grond van artikel 3 van het Haags Verkeersongevallen verdrag, waarbij zowel Nederland als België is aangesloten, de interne wet van de staat op welks grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden van toepassing is (lex loci delicti). Nu vaststaat dat het ongeval in België heeft plaatsgevonden, concludeert de rechtbank dat in het onderhavige geval Belgisch recht van toepassing is.
4.6. De rechtbank volgt [Eiseres] niet in zijn stelling dat Nederlands recht in het onderhavige geval moet worden toegepast op grond van de redelijkheid en billijkheid. De door [Eiseres] ter onderbouwing daarvan aangevoerde omstandigheid dat hij onduidelijkheden verwacht bij een afwikkeling naar Belgisch recht en vreest dat hij met lege handen zal blijven staan en de omstandigheid dat reiskosten en kosten voor een (eventuele) Belgische advocaat voor zijn eigen rekening komen, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.
4.7. Het verzoek om te beslissen dat de (gestelde) schade van [Eiseres] naar Nederlands recht zal worden vastgesteld, zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
de aansprakelijkheid
4.8. Voorts overweegt de rechtbank dat Delta Lloyd tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft gesteld dat zij geen aansprakelijkheid heeft erkend ten opzichte van [Eiseres], maar de onderhavige zaak slechts op grond van artikel 29bis van de Belgische WAM in behandeling heeft genomen als regelend verzekeraar. Dit volgt ook uit het rapport van Cunningham Lindsey van 29 december 2011 (zie hiervoor onder 2.6). [Eiseres] heeft nagelaten de door hem gestelde aansprakelijkheid van Delta Lloyd nader te onderbouwen. Gelet hierop zullen ook de verzoeken van [Eiseres] om te beslissen dat Delta Lloyd aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die [Eiseres] door het ongeval stelt te hebben geleden en om te beslissen dat deze (gestelde) schade door Delta Lloyd moet worden vergoed, worden afgewezen.
de kosten
4.9. [Eiseres] verzoekt om begroting door de rechtbank van alsmede veroordeling van Delta Lloyd in de kosten van rechtsbijstand ten behoeve van deze procedure. De rechtbank overweegt dat niet kan worden gezegd dat het verzoek volstrekt onnodig of onterecht is ingediend. De rechtbank zal derhalve overgaan tot begroting van de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [Eiseres] op de voet van artikel 1019aa Rv.
4.10. [Eiseres] voert aan dat de kosten van zijn advocaat voor het opstellen van het verzoekschrift EUR 2.598,48 bedragen. Blijkens de overgelegde specificatie is in totaal 3 uur en 24 minuten besteed aan “Studie jurisprudentie/literatuur ”, “Memo” en “Intern overleg” tegen een uurtarief van EUR 185,00 en 5 uur en 24 minuten aan “Opstellen verzoek-/verweerschrift” en diverse telefoongesprekken tegen een uurtarief van EUR 265,00. Hierbij dienen nog 6% kantoorkosten en 19% BTW te worden opgeteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [Eiseres] aangevoerd dat zijn advocaat na het opstellen van het verzoekschrift nog eens 6 uur en 12 minuten aan de zaak heeft besteed (inclusief reistijd en mondelinge behandeling) tegen een uurtarief van EUR 265,00.
4.11. Delta Lloyd betwist dat de door [Eiseres] gevorderde kosten voor het opstellen van het verzoekschrift redelijk zijn. Tegen de 6 uur en 12 minuten die de advocaat van [Eiseres] na het opstellen van het verzoekschrift nog aan de zaak heeft besteed, heeft Delta Lloyd geen bezwaar.
4.12. De rechtbank acht het gehanteerde uurtarief in een zaak als de onderhavige niet onredelijk. Wel acht de rechtbank, met Delta Lloyd, het aantal opgevoerde uren voor het opstellen van het verzoekschrift, mede gelet op het gehanteerde hoge uurtarief, dat erop wijst dat een ervaren advocaat is ingeschakeld, bovenmatig. De rechtbank zal de opgevoerde uren voor de door de advocaat van [Eiseres] bestede tijd aan “Studie jurisprudentieliteratuur”, “Memo” en “Intern overleg” dan ook buiten beschouwing laten en de aan het opstellen van het verzoekschrift bestede tijd begroten op 5 uur en 24 minuten. Ten behoeve van de tijdsbesteding na het opstellen van het verzoekschrift zal hier nog 6 uur en 12 minuten bij worden opgeteld. Het door [Eiseres] betaalde griffierecht bedraagt EUR 73,00. De totale kosten zullen gelet op het voorgaande op de voet van artikel 1019aa Rv worden begroot op EUR 3.950,54 (EUR 265,00 x 11,6 + 6% kantoorkosten + 19% BTW + EUR 73,00).
4.13. Gelet op het feit dat de aansprakelijkheid van Delta Lloyd in deze zaak niet vast staat, zal het verzoek van [Eiseres] om Delta Lloyd te veroordelen tot betaling van de met het deelgeschil samenhangende kosten worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. wijst het verzochte af;
5.2. begroot de kosten van de behandeling van dit verzoek aan de zijde van [Eiseres] op EUR 3.950,54.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2012.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey